Historische rol en betekenis van nationalisme en van de natiestaat als staatkundige expressie

Civis Mundi Digitaal #12

door Wim Couwenberg

Historische rol en betekenis van nationalisme en van de natiestaat als staatkundige expressie

 

Wim Couwenberg

Hoe moeilijk het ook is een sterk omstreden en complex fenomeen als nationalisme met wetenschappelijke onbevangenheid tegemoet te treden, toch moet dit geprobeerd worden. Evenals liberalisme en socialisme heeft het nationalisme een januskop: het heet onmiskenbaar een emancipatorische oorsprong en is als zodanig nauw verbonden met het liberaliserings- en democratiseringsproces van de moderne cultuur. Het is in eerste instantie gericht op een democratisering van staatsvormingsprocessen. Maar sinds de laatste decennia van de 19e eeuw heeft het ook een sterk anti-emancipatorische oriëntatie gekregen waardoor het in de 20e eeuw ernstig is ontaard. Aan die ontaarding ligt een tweetal menselijke emoties ten grondslag: enerzijds gevoelens van angst, zich bedreigd voelen, die een collectieve uilaat vinden in allerlei vormen van defensief staatsnationalisme; anderzijds de menselijke machtsdrift en geldingsdrang waarvan allerlei vormen van expansionistisch en repressief nationalisme de gebundelde expressie zijn. Evenals het socialisme is het nationalisme in zijn meer extreme uitingsvormen geneigd te sterk de nadruk te leggen op collectieve ten koste van individuele zelfbeschikking ter realisering van utopische verwachtingen. Ook die neiging is in beide gevallen een bron van ontaarding geworden.

Nationalisme ontleent zijn inspiratie aan twee grote geestelijke stromingen van de moderniteit: de Verlichting met de daarop volgende liberale revoluties van de 18e eeuw en de Romantiek. En het steunt op twee daarmee samenhangende diep ingrijpende bewustwordingsprocessen: de politieke bewustwording van het volk - in eerste instantie de burgers van de derde stand als voortrekkers in die bewustwording - als bron van soevereine politieke macht en van daaruit voortvloeiende democratiseringsprocessen; en onder invloed van de cultuurbeweging van de Romantiek van de 18e en 19e eeuw de etnisch-culturele bewustwording als volk dat zich als zodanig profileert door gemeenschappelijke etnisch-culturele kenmerken (eigen taal en geschiedenis, eigen culturele stijlkenmerken e.d.) te koesteren en die etnisch-culturele verbondenheid bij voorkeur verankeren wil in een eigen staatsverband.

In de rechtsontwikkeling heeft die bewustwording geleid tot erkenning van het zelfbeschikkingsrecht der volkeren als legitieme grondslag van beide strevingen en harde kern van collectieve mensenrechten, eerst in het Handvest van de VN en daarna in artikel 1 van de Internationale Mensenrechtenverdragen van 1966. Hoe het historisch gegroeide statenstelsel als willekeurig resultaat van oorlogsgeweld, dynastieke belangen, politieke koehandel e.d. in overeenstemming te brengen met dat zelfbeschikkingsrecht in politieke en etnisch-culturele zin als nieuw democratisch legitimatiemotief voor politieke machtsvorming? Dat is een vraag die sinds de tweede helft van de 19e eeuw een van de moeilijkste opgaven van de moderniteit is geworden.

 

Nationalisme en de geboorte van de natiestaat[1]

Aan het nationaliseren van soevereine politieke macht in de liberale revoluties van de 18e eeuw ontspringt het nationalisme als politieke ideologie van de moderne staat. Als zodanig is het een cruciale factor geworden in de ontwikkeling van de natiestaat als dominerende verschijningsvorm van de moderne staatsidee. Geïnspireerd door dat vaak verguisde nationalisme ontstaan in de vorige eeuw een lange reeks van nieuwe staten: van Noorwegen (in 1905), Bulgarije (in 1908), Albanië (in 1912), Finland (in 1917), Polen (in 1918), de Baltische staten (in 1918/’19), Tsjecho-Slowakije, Hongarije en IJsland (in 1918), Ierland (in 1921) tot Oekraïne, Wit Rusland, Slovenië, Kroatië, Macedonië (in 1991), Montenegro (in 2006) en Kosovo (in 2008). Zij ontstaan alle als resultaat van het uiteenvallen van multinationale staten die hun staatkundige eenheid tot dan toe hoofdzakelijk ontleend hadden aan de heerschappij van een autoritair bewind.

Nationalisme wordt in de tweede helft van 20e eeuw tevens de belangrijkste motor in de universalisering van de moderne staatsidee. Vanuit Europa dringt het politiek nationalisme in de 20e eeuw namelijk ook door in de Europese koloniale rijken in Azië en Afrika. Het krijgt daar wel een ander karakter dan in Europa. Het komt daar tot gelding in nationale bevrijdingsbewegingen die anders dan in Europa niet alleen stelling nemen tegen vreemde politieke dominantie, maar ook tegen sociale overheersing. Politieke strijd gaat hier derhalve samen met sociale strijd. Dankzij de veranderde machtsverhoudingen na de Tweede Wereldoorlog slagen die bewegingen erin een dekolonisatieproces op gang te brengen, dat resulteert in de creatie van een lange reeks van nieuwe staten in Azië en Afrika. Van een Europese creatie groeit de moderne staat zodoende uit tot een universeel verschijnsel.[2]

 

Rol natiestaat uitgespeeld?

Door een reeks van factoren - de Koude Oorlog waarin nationale tegenstellingen plaats maken voor een strijd tussen supranationale ideologieën met een kosmopolitische oriëntatie, economische en culturele globaliseringsprocessen en de aanpak van steeds meer transnationaal geworden problemen door specifiek daarop afgestemde internationale organisaties - zien we in de tweede helft van de vorige eeuw groeiende twijfel opkomen aan de toekomst van de natiestaat als uitgangspunt van internationale betrekkingen en het volkenrecht. De nationale gestalte van de moderne staatsidee lijkt voorbij gestreefd blijkens de moderniserings(hypo)these in de sociale en politieke wetenschappen. Daarin wordt er vanuit gegaan dat nationaliteit en nationale identiteit steeds meer irrelevant worden in het steeds meer transnationaal functionerende moderne beschavingsproces. ‘The national state is too small to solve the bigger problems and to big to solve the smaller problems of life’, zo heeft de Amerikaanse socioloog Daniel Bell de problematische situatie eens kort samengevat waarin de nationale staat nu verkeert.

Toch is het te vroeg de nationale gestalte van de moderne staat helemaal af te schrijven, zoals niet alleen postnationale en kosmopolitisch-gezinde elites geneigd zijn te doen, maar ook aanhangers van regionalistische stromingen die een machtsverschuiving beogen naar politieke integratievormen van subnationale en supranationale aard. Al is er onmiskenbaar een tendens in die richting, dit impliceert vooralsnog niet het einde van de nationale staat.[3] Dat einde, zo menen verschillende auteurs[4], zou trouwens ook het einde van de democratie betekenen. Buiten het politieke kader van de nationale staat valt in hun ogen geen effectief functionerende democratie te realiseren. Dat is echter wel degelijk mogelijk als regio’s zich ontwikkelen tot nieuwe staten en de EU tot een federaal georganiseerd Europa.

Hoe dit zij, de nationale staat behoort vooralsnog zeker niet tot het verleden. Allerlei staatloze volken eisen waar mogelijk nog een eigen nationale staat voor zich op. De meeste politici zien in die staat bovendien nog onverminderd de belangrijkste bron van politieke loyaliteit en soevereiniteit. Hoewel grensoverschrijdende rechtsvorming steeds belangrijker wordt - de exclusiviteit van het nationale rechtsstelsel is definitief doorbroken -, blijft de nationale staat niettemin onontbeerlijk als ankerplaats van internationale rechtsvorming. De implementatie en handhaving daarvan zijn ondenkbaar zonder de medewerking van nationale staten.[5]

In de nationale welvaarts- of verzorgingsstaten die in de tweede helft van de vorige eeuw tot stand komen als sociale aanvulling van de liberale rechtsstaat en democratie raken burgers ook veel sterker dan voorheen geïntegreerd in en afhankelijk van de natiestaat. Vandaar een sterke neiging de eigen collectieve welvaart en stabiliteit te beschermen tegen externe invloeden als economische globalisering en internationale migratiebewegingen en daarop te reageren met een defensief staatsnationalisme zoals economisch, etnisch en cultureel protectionisme en het koesteren van de nog resterende nationale soevereiniteit in het kader van de Europese Unie. In de geest van het taaie en vaak verzwegen staatsnationalisme is Europese integratiepolitiek op de keper beschouwd nog altijd meer gemotiveerd door nationale motieven en belangen dan door Europees idealisme. Vandaar dat de EU nu in tegenstelling tot de idealistische jaren ’50 voornamelijk gewaardeerd wordt als noodzakelijk geworden voorwaarde voor de instandhouding van de Europese natiestaten in de 21e eeuw. "Eigen volk eerst" is een bekende leuze van extreem rechtse politieke richtingen. Maar ook politici en partijen die daar beslist niet mee geassocieerd willen worden, brengen die leuze als dat opportuun is onbekommerd in de praktijk. Grote mogendheden als de VS, China, India, Brazilië en Rusland opereren in hun buitenlandse economische en politieke betrekkingen meestal zonder enige politieke gewetenswroeging in de geest van die leuze. En in een land als Nederland met bevordering van de internationale rechtsorde als grondwettelijke opdracht valt die tendens eveneens waar te nemen. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het regeerakkoord van het kabinet-Rutte. "Samen voor ons eigen", zo is de strekking daarvan samengevat.

Door het voortschrijdende mondiale integratieproces verandert de soevereine nationale staat van weleer ondanks tegenstrevende krachten toch stap voor stap in een interdependent en beperkt soeverein type staat waarin nationale identiteit en loyaliteit op termijn niet verdwijnen, maar wel aan betekenis zullen inboeten. De financiële, energie-, klimaat- en voedselcrises van deze tijd zijn een nieuwe impuls in de richting van meer internationale en transnationale coördinatie van besluitvorming en zullen zodoende een verdere beperking van nationale soevereiniteit nodig maken, naarmate die een effectieve besluitvorming over transnationale problemen meer in de weg staat.

 

 


[1] Zie oa. Ch. Tilly (red.), The Formation of National States in Western Europe, 1995; en Eén volk, één staat?, Civis Mundi 1, 1995

[2] Zie o.a. J.D. Thijs, Het nationalisme in de nieuwe staten van Azië en Afrika, Oost-West, augustus/september, 1965

[3] Zie o.a. L. Van Langenhove, Power to the Regions, but not yet farewell to the national state, Europe’s World, Spring 2008

[4] Zie o.a. R. Dahrendorf, Die Krisen der Demokratie, 2002; en J.M. Guehenno, Le Fin de la Democratie, 1993. Zie voor deze problematiek ook W. Weidenfeld (Hrsg.), Demokratie am Wendepunkt. Die Demokratische Frage als Projekt des 21. Jahrhunderds, 1996, i.h.b. hfd. VI, Die Internationalisering demokratisch Beantworten, pp. 311-391.

[5] Zie WRR-rapport, De toekomst van de nationale rechtsstaat, 2002