België een mislukte natie

Civis Mundi Digitaal #12

door Rik Gysels

België een mislukte natie

 

Rik Gysels*

 

Een bespreking van Paul van VELTHOVEN , Franstaligen  tegen Vlamingen. Hoe België  als natie mislukte, Uitgeverij Aspekt, Soesterberg, 2012,  222 pp.

 

Wederzijds vijandbeeld

Juicht, Belgen, juicht in bredevoll’ akkoorden, want er is een ‘Ollander  opgestaan ( de eerste na Pieter Geyl ?) die de politiek-historische   gang van zaken van de laatste 200 jaar in de Zuidelijke Nederlanden accuraat   ontleedt en dòòr heeft ; en die dat alles nog op een uiterst  bevattelijke  wijze  te boek stelt ook.

Dat is niet niks. Zowel in Noord als in Zuid zijn wij opgegroeid in een maatschappij, in een natie zo men wil, waarvan de toplagen in de loop van de laatste twee eeuwen zichzelf hardnekkig  hebben ingeprent, dat ze fundamenteel verschillend zijn van elkaar. Erger nog, dat ze in Europa en in de wereld niet naast elkaar,  maar eerder tegenover elkaar opgesteld staan.              De Nederlanden  en Belgica zijn in hun perceptie dus zeker geen synoniemen, zoals dat in de Middeleeuwen en nog eeuwen lang daarna het geval was. Vanaf 1830 is het wederzijdse "natuurlijke vijandbeeld" gecreëerd en geïndoctrineerd. Dat beeld is via de leerboekjes voor "vaderlandse geschiedenis" zorgvuldig  gekoesterd en beklemtoond.

Op de eerste plaats werd de geschiedenis vanaf de Tachtigjarige Oorlog in het Noorden calvinistisch, in het Zuiden rooms-katholiek ingekleurd. Vervolgens werden alle natuurlijke  verschillen  in  de  plaatselijke  streektalen,  alsook  de  religieus-culturele  verschillen in de vermeende "volksaard" dik in de verf gezet. Tussen Essen en Roosendaal werd het spreekwoordelijke   culturele   ravijn   geconstrueerd  en gestadig verdiept.

Van Velthoven doet aan deze obligate beeldvorming annex geschiedvervalsing niet mee. Van meet af aan zegt hij onverbloemd waar het voor de Zuidelijke Nederlanden op staat en noemt hij man en paard. Hij laat zijn boek vooraf gaan door een citaat van Charles Maurice de Talleyrand, de man die in 1830 namens Frankrijk onderhandelde over de Belgische onafhankelijkheid, want daarover werd door de Europese "groten" van die tijd mede beslist : behalve Frankrijk   ook  Engeland, Pruisen, Oostenrijk  en Rusland.

"Er zijn geen Belgen, ze waren er nooit en ze zullen er nooit zijn : er zijn Fransen, Vlamingen en Hollanders ( dat is hetzelfde ) en Duitsers." Ziedaar Talleyrand’s  historische, tegelijk profetische visie, waarover  al onze huidige staatslieden zich zouden moeten bezinnen en hun conclusies   eruit  trekken !

Maar  de lepe Talleyrand,  die door alle waters  gezwommen was van de Franse Revolutie tot en met het Keizerrijk en die in de uiteindelijke Restauratie nog in de hoogste regeringsregionen gebeiteld zat, dacht dat  het nog te creëren België na een poosje wel vanzelf  "als een rijpe appel" in de schoot van zijn "natuurlijk moederland" zou vallen. Daarmee zou  trouwens  de Napoleontische  wensdroom, Frankrijk   een natuurlijke noordgrens te bezorgen, ook echt in vervulling  kunnen  gaan. Want die vurig verlangde grens, met haar voor die tijd enorme strategische  betekenis, was immers de benedenloop van de Rijn.....

De auteur doorloopt in snelle vaart, maar op een degelijk onderbouwde wijze, de hele geschiedenis van het kunstmatig koninkrijk België en sluit af met een open einde : een onvoltooide staatshervorming, m.a.w. de toestand in onze dagen. Ondertussen heeft hij opmerkzaam en steeds weer opnieuw de vinger gelegd op de open wonde, die tegen beter weten in door de Franstaligen  open gehouden wordt en die onafwendbaar zal leiden tot  het uiteenvallen  van  het  staatkundig   artefact.                                                           

Die wonde was vanaf het prille begin in het Belgisch concept ingebakken.

 

Franstaligen vervreemd in eigen land

"La Belgique sera latine ou ne sera pas", het devies dat de stichtende Franstalige elite hanteerde, is door het hedendaagse regerende Brusselse establishment immers nog alles behalve naar de rommelzolder verwezen. Dit ondanks de hele Vlaamse emancipatiebeweging en de rigoureuze wettelijke  ééntaligheid van Vlaanderen ,  die ten volle tot haar recht gekomen is in de federalisering van het land.

In feite zitten de Belgische Franstaligen nog steeds in een proces van "dekolonisatie", schrijft van Velthoven terecht, zij moeten nog wennen aan hun nieuwe rol in een opgesplitst België. Hun positie kent schizofrene trekken. Ze lijden aan verlatingsangst, omdat ze ten onrechte  denken dat de Vlamingen België koste wat kost willen opbreken, maar tegelijkertijd is hun oude arrogantie   jegens de Vlamingen nog niet verdwenen. Daarom wensten zij de taal van de meerderheid van de bevolking niet te leren. Meer en meer voelen zij zich vervreemd in eigen land ( p.213 ). 

De huidige premier di Rupo, zelf een immigrant van de tweede generatie, heeft dit kort voor zijn aantreden (2011) in een passionele toespraak tot zijn Franstalige partij- en taalgenoten, treffend met deze woorden besloten : "La Belgique est à nous." Hij bedoelde daarmee: dit land is van ons, wij Franstaligen  zijn  de eigenaars. De Vlamingen, in hun door de federale  staatsstructuur  toegewezen  territorium, zijn  in feite de huurders daarvan. Een huurder mag zijn huis inrichten zoals hij dat wil, mag naar keuze prentjes aan de muur hangen en dies meer, maar hij mag niets veranderen, wijzigen, verbouwen. Deze bevoegdheden zijn voorbehouden aan het centrale gezag, en dat is het alleenrecht van de Franstalige Brusselse elite,  die zoals vanouds van daar uit aan  àlle  touwtjes  trekt, aan de Vlaamse  èn  de Waalse.

 

Schoonheidsfoutjes

Valt er op het boek van van Velthoven dan niets aan te merken ? Een paar schoonheidsfoutjes  wel. De auteur gebruikt een paar keer de term deelregering (o.a. op p.148) waarmee hij de Vlaamse Gewestregering bedoelt. De term stamt nog uit de periode, dat deze Vlaamse en Waalse "regeringen" nog bestonden uit ministers die terzelfdertijd nog in de "nationale", nog net niet "federale" regering zetelden, de jaren zeventig dus.

Maar met de staatshervorming van 1980 zijn de gewestregeringen volkomen autonoom verklaard en is een cumulatie van functies, federaal en gewestelijk, onmogelijk geworden. Er is dus een Vlaamse Regering en een Waalse Regering, die voor hun respectieve territoria volledig souverein zijn op gebied van de bevoegdheden die hun uitsluitend   toevertrouwd   zijn.

Bijvoorbeeld, de Scheldeverdieping behoort tot de zgn. "geregionaliseerde materies" en wordt dus door de Vlaamse Regering afgehandeld c.q. onderhandeld met de Nederlandse Regering. De Belgische Federale Regering komt hierbij niet te pas. Dit is ten andere een gang van zaken die in Nederland met grote twijfel en onzekerheid tegemoet getreden werd. Dat was niet verwonderlijk voor zo’n centralistisch ingesteld staatsapparaat als het Nederlandse, dat in eigen huis de grootste moeite heeft  om enig federaal statuut uit te werken, zelfs voor zijn overzeese gebiedsdelen ! Maar goed, alles went .....

Een ander schoonheidsfoutje  betreft de woordkeuze, waarmee de auteur stelt dat de Frontpartij zich in 1933 transformeerde tot het Vlaams Nationaal Verbond, VNV (p.106). Vanuit onze tijd terugkijkend op de ontwikkelingen in die periode zal het wel daarop lijken, maar in werkelijkheid  viel  de Frontpartij  toen uit elkaar  in hoofdzakelijk  drie delen. Van de puur nationalistisch geïnspireerde aanhang op het platteland, die in principe sterk klerikaal geïndoctrineerd was, ging de meerderheid onder de kreet  "Vlaams en Katholiek"  inderdaad het VNV versterken ; de overigen bekeerden zich grotendeels tot het nog sterker op autoritaire leest geschoeide Verdinaso, het Verbond van Diets Nationaal-Solidaristen. De progressief-vrijzinnig geïnspireerden, die doorgaans uit de stedelijke gebieden kwamen, vooral uit Antwerpen, vonden onderdak bij de Belgische Werkliedenpartij. Hiermee zouden zij voor jaren mede de kern vormen van het Vlaamse element, dat het Belgisch socialisme met zijn massale Waalse aanhang  zo node miste.

Een laatste slakje om zout op te leggen tenslotte, betreft de passage over de staking tegen de beruchte Eenheidswet van premier Gaston Eyskens in de winter 1960-61 (p.112). Het staat er niet expliciet, maar zoals van Velthoven zijn tekst formuleert, lijkt het er sterk op dat de roemruchte staking, die de laatste traditionele  staking  was van de Belgische werkende klasse, uitsluitend   een Waalse aangelegenheid was.

Natuurlijk is het waar dat het zwaartepunt van de staking in Wallonië lag en dat de syndicalisten  van André Renard de toon aangaven, maar  daarnaast  is het een feit dat zowel Gent als Antwerpen wekenlang "plat" lagen. Want ook in Vlaanderen werd in de openbare diensten verbeten gestaakt, met tal van bittere confrontaties met werkwillige werknemers, behorend tot de christelijke   vakbond, compleet. Al met al is het zo, dat de grote winterstaking pas haar  communautair  karakter kreeg,  toen ze afgelopen -- en verloren -- was.

 

Met rode oortjes uitgelezen

Maar zoals al gezegd vallen  de schoonheidsfoutjes  van het boek in het niets, wanneer men het werk in zijn afgeronde, correcte volledigheid onder ogen neemt. In Neerlandia / Nederlands van Nu, het orgaan van het Algemeen-Nederlands Verbond (ANV), schreef professor Hendrik Vuye van de Facultés Universitaires Notre-Dame de la Paix in Namen een insgelijks verhelderend artikel, dat wonderwel bij van Velthoven aansluit ( Jg. 115-2, pp.8-9 ). Zijn conclusies  zijn welhaast  identiek : "België werd niet tweetalig omdat de taalvrijheid  werd  geïnterpreteerd als het absolute recht  om geen Nederlands te begrijpen en het absolute recht   om overal Frans te spreken, ook in Vlaanderen. De taalvrijheid    om Frans te spreken werd indien nodig afgedwongen door taaldwang."

De geïnteresseerde lezer van Franstaligen  tegen Vlamingen heeft de neiging het boek in één ruk uit te lezen en botst dan allicht, enigszins onzacht, op het open einde van de onvoltooide staatshervorming. Maar van Velthoven laat zich niet verleiden tot enig koffiedik kijken over de toekomst van het land. Dat doet ook de Belgische historicus Marc Reynebeau niet, die een gedegen Hedendaagse Geschiedenis van België op papier gezet heeft. Maar deze overtuigde belgicist, die koppig weigert iets kunstmatigs aan het Belgisch artefact te herkennen, vlucht  ten einde raad dan maar in de kunst. België zal hoe dan ook blijven bestaan, besluit hij berustend, al was het dan maar in het surrealisme van René Magritte ....

Uiteindelijk is de lezer dus wel verplicht, zelf over de toekomst van het land na te denken, en allicht  is dit de grootste verdienste van het boek. Mag de recensent daarbij een suggestie doen ? Wie het boek "met rode oortjes" doorgenomen heeft, neme ook kennis van het Manifest van de Gravensteengroep en van het Manifest voor een Nieuwe Benelux, alsook van de Beginselverklaring van de Baarle Werkgroep, die Vlaanderen met Nederland wil herenigen, zonder daarbij voorbij te kijken aan Wallonië en Luxemburg. Dit zijn namelijk  drie toekomst-gerichte   documenten die van Velthoven in zijn werk  niet  aangehaald  heeft.

 

*Prof. dr. Hendrik Gysels is emiritus hoogleraar biologie en ecologie aan de Universiteit van Gent en bestuurslid van het Comité Nieuwe Benelux.