Is het redelijk nog in God te geloven?

Civis Mundi Digitaal #13

door Wim Couwenberg

Is het redelijk nog in God te geloven?

Wim Couwenberg

In de introductie van de discussie over deze vraag in het vorige nummer wordt melding gemaakt van het feit dat er een nieuwe lichting analytische filosofen is die met de nodige argumenten stelt dat het bestaan van een bovennatuurlijk opperwezen minder onredelijk lijkt te zijn dan de huidige tijdgeest doet geloven. Dat is nogal defensief gesteld. En de tijdgeest die hier in het geding is, is bovendien alleen de tijdgeest in de Europese cultuurkring. De vraag of God bestaat, wordt niet uitsluitend door rationele elementen beslist. Jan Terlouw gaat in zijn, in het vorige nummer, besproken boek Hoed u voor mensen die iets zeker weten zelfs zover te stellen dat religie zijns inziens niets van doen heeft met de ratio en alles met hoop. Zo ver ga ik zelf niet. Over de relatie tussen de rede als cruciale kenbron en het geloof is nergens zo grondig nagedacht als in de christelijke wereld. De hoop op en de verzoening tussen geloof en rede is zelfs de harde kern van een relgieus-vrijzinnige overtuiging, een geloofstype waarin geloof en rede hand in hand gaan. Vandaar de typering ervan als denkend geloven. Vanuit vrijzinnig oogpunt is het al of niet bestaan van God als opperwezen ook niet vergelijkbaar met dat van de mens.

Elders in dit nummer wordt een boek besproken van de Belgische publicist en atheïst Lucas Catherine, getiteld: En de Mens schiep god, let wel de mens met een hoofdletter en god met een kleine letter. Wat de mens in dit verband schept zijn echter alleen bepaalde beelden van een opperwezen dat god genoemd wordt. En dat zijn altijd cultuurgebonden projecties van kwaliteiten als almacht, alwetend, algoed, liefdevol enz. Het christelijke godsbeeld is daarvan een klassiek voorbeeld. Dat staat echter al jaren ter discussie, in het bijzonder de combinatie van almacht en algoed. De naoorlogse kreet: na Auschwitz is het geloof in God niet meer geloofwaardig, heeft daarmee te maken. Ook in onze vergaand geseculariseerde samenleving leeft het geloof in God niettemin nog in brede kring voort, zij het in niet-confessionele kringen wel in sterk verdunde vorm als ietsisme. Voor atheïsten lijkt dat een bron van grote irritatie te zijn. In het kader van de vraagstelling van dit artikel is er alleszins reden om hier wat nader op in te gaan.

Ietsisme, voor atheïsten een bron van grote ergernis

Als columnist van de Volkskrant heeft Ronald Plasterk zich opgeworpen als naamgever van dit sterk verdunde religieuze besef. Maar of dat juist is, is de vraag. Zo maakte de journalist Ralf Bodelier er al in 2001 gewag van toen hij als oorspronkelijk katholiek theoloog zijn bekering tot het atheïsme toelichtte en verantwoordde in een themanummer van Civis Mundi over moderniteit en religiositeit. Vóór hij daarmee begon kon hij het niet laten zich eerst af te zetten tegen die ietsisten. Dat zijn, zo schrijft hij, vrienden en kennissen van hem die evenmin nog geloven in de traditionele religieuze orthodoxie, waarin zij zijn opgegroeid, maar in discussies over geloof en religie bij de vraag naar hun standpunt daaromtrent zich daar met een Jantje van Leiden van af te maken door slechts te verklaren zeker te weten dat er Iets is, iets dat ons verstand te boven gaat, maar niet bereid en in staat zijn dat mysterieuze Iets nader toe te lichten omdat dat nu eenmaal moeilijk in verstandelijke termen uit te leggen valt. Bodelier vindt dat maar niets evenals Plasterk. Waarom aarzelen die ietsisten toch om te worden wat je, vindt hij, redelijkerwijze moet worden als je die hele rim-ram van de traditionele religieuze orthodoxie achter je gelaten hebt, dus nihilist of nietsister?

Die irritatie klinkt nog sterker door bij een aantal beroepsatheïsten, bijv. de Amsterdamse wetenschapper Den Boef die evenals de bekende bioloog Dawkins in religie een achterhaald en kwaadaardig verschijnsel ziet waar de mensheid zo spoedig mogelijk van verlost moet worden. Hij ergert zich vreselijk aan die ietsisten omdat zij na de religieuze orthodoxie van gewone kerkgangers achter zich gelaten te hebben als ongeloofwaardig en niet meer van deze tijd niet bereid zijn wat toch voor de hand ligt zich te bekeren tot het atheïsme, maar er een eigen persoonlijk geloof op blijven na houden in Iets dat zich aan ons normale kenvermogen onttrekt. Voorzover zij in staat zijn dat geloof meer contouren te geven dan andere ietsisten doen zij dat bovendien door vrijmoedig te putten uit verschillende religieuze bronnen en zich dus niets aan te trekken van historisch gegroeide religieuze scheidslijnen. En die religieuze vrijmoedigheid irriteert velen niet minder.

Ik noem in dit verband ook de rechtsfilosoof Paul Cliteur. Die ziet in dat vage religieuze besef van ietsisten slechts een uiting van nostalgie, van een romantisch verlangen naar een religieus verleden dat nog blijft nawerken als relict van een voor-moderne fase, ja als een gebrek aan moed zich los te maken van een door de moderniteit achterhaalde ontwikkelingsfase. En in het Civis Mundi jaarboek van 2003 getiteld Moderniteit en vitaliteit, ziet hij met de Amsterdamse socioloog Bram de Swaan in dat ietsisme een typische uiting van sentimentaliteit. Men gelooft niet echt meer, zo vindt hij, maar uit sentimentele overwegingen wil men daar toch nog geen afstand van doen.

 

Vanwaar die irritatie?

Toen de vorig jaar overleden PvdA prominent Thijs Wӧltgens de euvele moed had dat voor atheïsten zo irritante ietsisme in bescherming te nemen tegen de aanvallen daarop van atheïstische zijde, toen schoot dat enkele atheïsten onmiddellijk in het verkeerde keelgat. In het bijzonder was dat het geval met de atheïst Harm Visser. Ietsisten zijn in zijn ogen domme en gemakzuchtige mensen. Wel dicht hij hen de vaardigheid toe aardig goed aan te voelen uit welke hoek de wind nu waait. Maar is dat ietsisme alleen maar een modeverschijnsel? Dat vage religieuze besef is er al veel langer in onze geseculariseerde samenleving. Met ietsisme is er alleen maar een nieuwe naam aan gegeven. Het duidt in mijn ogen op het besef, zo u wilt, het vermoeden van mensen die met de zangeres Peggy Lee geneigd zijn uit te roepen: Is this all there is? En ondanks hun twijfels blijven hopen en geloven dat er in hun prozaïsche bestaan toch iets meer is dan wat ze in de wereld om zich heen ervaren, iets wezenlijk meer dan de alom gepredikte consumptiecultus als bron van zingeving, iets meer dat het onrecht, de willekeur, de onophoudelijke ellende die de mensheid blijft achtervolgen uiteindelijk op een of andere manier recht trekt. Wat stelt trouwens het atheïsme als levensbeschouwing vaak voor? De belangrijkste pijler ervan is iets negatiefs, namelijk de ontkenning van God als grond van ons aller bestaan wat atheïsten evenmin kunnen bewijzen als gelovigen de realiteit ervan. Wat hebben atheïsten trouwens te zeggen als het gaat over de grote levensvragen die mensen vaak kwellen? Dat is zo bijzonder weinig dat zij helemaal geen reden hebben om zo hoog van de toren te blazen tegen die door hen als dom, gemakzuchtig en onoprecht uitgemaakte ietsisten.

Wat is nu de bron van al die irritatie van orthodoxe atheïsten over die halfslachtig geheten ietsisten die maar blijven koketteren met een vaag religieus besef dat in de ogen van die atheïsten niets van betekenis voorstelt? Wel, die bron ben ik geneigd te zoeken in hun neiging voornamelijk te denken in termen van of-of. Je bent of serieus gelovig, dat wil zeggen in traditioneel orthodoxe zin of je bent ongelovig, dus atheïst, d.w.z. orthodox atheïst. Want er zijn ook vrijzinnige atheïsten die hun ongeloof niet zonder twijfel belijden. En daar moeten orthodoxe atheïsten evenmin iets van hebben.

Een beetje geloven zoals ietsisten doen, dat is zo’n halfslachtige en ongrijpbare manier van geloven dat het vlees noch vis is en dus niet serieus te nemen valt. Geloof, zo merkte een van die atheïsten in een discussie daarover in NRC Handelsblad eens op, dat is een doctrine waar je je aan moet onderwerpen. Punt uit. De rest is flauwekul. Vandaar dat religieuze vrijzinnigheid eveneens zo irritant overkomt bij orthodoxe atheïsten. Want in de terminologie van de natuurkundige en theoloog prof. W. Drees is dat ook niet veel meer dan een beetje geloven. Hier dus evenmin een stevig leerstellig standpunt waar je als orthodox atheïst je tanden in kunt zetten om het vervolgens grondig onderuit te halen maar iets als een religieus zoekproces dat zich niet wil vastleggen in scherp omlijnde geloofsopvattingen en dus veel moeilijker te attaqueren valt dan religieuze orthodoxie. Atheïsten als hier bedoeld hebben met orthodox gelovigen gemeen dat zij hechten aan een stevig, recht-toe-recht-aan standpunt, en dus niets moeten hebben van vage middenstandpunten. Die houding zie je ook vaak in de politiek bij mensen die alleen kunnen denken in termen van links of rechts. Wie dat niet doet is in hun ogen kleurloos en a-politiek en derhalve politiek niet serieus te nemen.

Religieus bewustzijn: duurzaam en historisch bepaald

Dat zo omstreden en irritant overkomende ietsisme is in mijn ogen een interessant en opmerkelijk fenomeen, dat wel degelijk serieuze aandacht verdient. Dat doet dan ook de theoloog Leen den Besten in zijn boek Van animisme tot ietsisme. Religie in de westerse samenleving (2007). "Waar agnosten benadrukken dat je niet moet geloven wat je niet kunt weten", zo merkt deze theoloog in dit verband op, "verdedigen ietsisten dat er in de wereld iets meer is of moet zijn dan wat je ziet, ervaart, aanraakt, ruikt en kunt weten, iets meer dan de alom gepropageerde consumptiecultus als bron van zingeving. Zij verzetten zich tegen de benadering van de werkelijkheid waarin alleen datgene als waar of waardevol geldt wat met het verstand, het liefst op wetenschappelijk wijze, onderbouwd kan worden. Dat we alleen maar leven in een universum waarin alles te reduceren is tot impulsen, reacties en toevallige mutaties - een universum dat zich volstrekt onverschillig verhoudt tot het menselijk bestaan - kunnen en willen ze niet geloven. Ondanks hun twijfels hopen of vertrouwen ze zelfs dat er in het heilloos en onverschillig heelal iets absoluuts is, een energie die alles doortrekt, iets wat hun eigen leven, de natuur en de geschiedenis overstijgt, iets wat men vroeg aanduidde en begreep als iets goddelijks, iets wat uiteindelijk het onrecht, de willekeur en de onophoudelijke ellende die de mensheid achtervolgen op een of andere manier rechttrekt. Voor zover ze dit basisvertrouwen vormgeven, doen ze dat door op bescheiden wijze vrijmoedig te putten uit diverse religieuze bronnen. Ze trekken zich dus, evenals de aanhangers van het new-agedenken, niets aan van historisch gegroeide religieuze scheidslijnen."

Voor atheïsten is dit alles ongetwijfeld irritant. Want het weerspreekt op een voor hen onbegrijpelijke wijze hun stellige verwachting dat het einde van de religie als infantiel restverschijnsel van premoderne culturen in onze moderne geseculariseerde en rationele cultuur redelijker wijze te verwachten valt. Het duidt erop dat het religieuze bewustzijn niet slechts een cultuurgebonden en dus voorbijgaand verschijnsel is zoals deze atheïsten geneigd zijn te veronderstellen, maar naar het zich laat aanzien een constante in de evolutie van de mensheid. Daarin ontvouwt zich namelijk niet alleen een ethisch en een rechtsbewustzijn, een elementair besef van goed en kwaad en van recht en onrecht, maar ook zo iets als een religieus bewustzijn, d.w.z. het besef dat er meer is dan we met onze zintuigen kunnen waarnemen en dat in die onzichtbare wereld de ultieme zin en betekenis van ons bestaan gelegen is.

In de loop van het beschavingsproces uit dat religieuze bewustzijn zich in een grote varieteit van geloofsovertuigingen. Aanvankelijk hebben die evenals het ethisch en het rechtsbewustzijn een tribaal, dus groepsgebonden karakter gehad. Maar daaruit ontwikkelen zich in een bepaalde religieuze ontwikkelingsfase meer universele godsdiensten. Zo komt uit de tribale godsdienst van het jodendom het christendom voort als een religie met een universeel godsbeeld en een universele oriëntatie en een aantal eeuwen later ook de islam. Bij alle verschillen hebben deze drie monotheistische religies een sterk leerstellig karakter met elkaar gemeen evenals een godsbeeld dat een projectie is van het heersende monarchale politieke denken. God is in die optiek de oppermonarch, de koning der eeuwen, zoals hij in christelijke liturgie wordt toegezongen. Dat alles nu raakt steeds meer omstreden met de opkomst en ontwikkeling van de moderniteit. Vooral sinds de Verlichting en de liberale revoluties van de 18e eeuw verliezen de traditionele leerstellige uitingsvormen van dat religieuze bewustzijn, althans in Europa, geleidelijk aan hun geloofwaardigheid, eerst onder een kleine culturele bovenlaag en in de loop van de 20e eeuw ook in bredere lagen van de bevolking. Dat traditionele religieuze geloof raakt zoals de socioloog Max Weber dat eens treffend verwoord heeft onttoverd, ontdaan van zijn magie, zijn sacramentele toverkracht, zijn alomvattende zingeving van ons bestaan en van al wat is, kortom zijn vanzelfsprekendheid.

Ik heb die ingrijpende transformatie zelf nog aan den lijve ervaren, opgegroeid als ik nog ben in een middeleeuws aandoend leefklimaat. Sinds de jaren zestig heb ik mij van die religieuze, i.c. rooms-katholieke orthodoxie geleidelijk aan losgemaakt. Maar ik ben niet ongelovig geworden, maar vrijzinnig in religieuze zin. Op die manier is door velen sinds de 19e eeuw eveneens gereageerd op de moderniteit als volstrekt nieuw beschavingstype dat een ware omwenteling teweeg brengt in de menselijke bestaanswijze. In die religieuze vrijzinnigheid blijft het religieuze bewustzijn voortleven. Maar er voltrekt zich wel een ingrijpende aanpassing daarvan aan de ontwikkeling van dit nieuwe beschavingstype vanwege de nieuwe wetenschappelijke inzichten en politieke vrijheden die daarvan het gevolg zijn. Die aanpassing leidt ook tot een veel abstracter en afstandelijker idee van God met het ietsisme als extreme expressie daarvan.

Secularisatie als nieuwe fase in het zin zoekende religieuze bewustzijn

We leven niet alleen in een wetenschappelijk universum dat zich volstrekt onverschillig verhoudt tot ons menselijk bestaan en waarin alles te reduceren valt tot impulsen, reacties en toevallige mutaties. We leven als mensen ook in een wereld van gevoelens, verlangens en onontloopbare vragen, vragen naar de zin en betekenis van het menselijk bestaan in het algemeen en van ons eigen bestaan in het bijzonder. Welnu, tegenover die levensvragen staat de wetenschappelijke wereldbeschouwing praktisch met lege handen. Aanhangers daarvan proberen zich van die vragen vaak af te maken door de behoefte aan zingeving irrelevant te verklaren, ja die behoefte zelfs als een uiting van psychische onvolwassenheid te problematiseren, al is er nu in de sociale psychologie een richting die die levensvragen wel serieus wil nemen en wil proberen langs experimentele weg daarop een antwoord te vinden. Ik ben benieuwd wat dat oplevert.

Het secularisatieproces zie ik als een nieuwe fase in de ontwikkeling van het zinzoekende religieuze bewustzijn met enerzijds snel groeiende ontkerkelijking, maar anderzijds ook nieuwe uitingen van religieuze bewustwording als antwoord op het nihilismeprobleem van onze moderne cultuur. Dat confronteert geseculariseerde mensen nl. met de volstrekte toevalligheid en zinloosheid van hun bestaan. Uit die confrontatie ontwikkelt zich een nieuw type religiositeit. Zich losmakend van alles wat zweemt naar traditioneel religieus dogmatisme legt het sterk de nadruk op persoonlijke ervaring en verantwoordelijkheid en is het als zodanig een nieuwe expressie van vrijzinnige religiositeit met het ietsisme als een sterk verdunde uiting daarvan. In mijn zienswijze is dat ook een eigentijdse uiting van religieus verlangen, van de hoop dat er in godsnaam meer is dan het platte en kille wereldbeeld van de wetenschappelijke wereldbeschouwing. Want als er niet meer is dan dat, dan is een levenshouding naar de bekende slogans: pluk de dag, leve de lol en na ons de zondvloed de meest rationele.

Atheïsten die zo schamper en denigrerend doen over ietsisme als religieuze uiting hebben grote moeite te beseffen dat religie een veel breder bereik heeft dan de traditionele religieuze orthodoxie en zich uitstrekt tot het elementaire besef dat de wereld ondanks alle wetenschappelijke verlichting in raadsels gehuld blijft. Achter de verschijnselen gaat in dat besef een mysterieuze werkelijkheid schuil die verwijst naar iets dat buiten en boven de zichtbare werkelijkheid uitgaat. Maar door de onttovering van de wereld in en door het moderniseringsproces is dat besef bij velen verduisterd geraakt en is ons bestaan versmald tot een prozaïsche en louter contingente werkelijkheid.

Na het theologische en metafysische ontwikkelingsstadium bereikt de menselijke geest volgens de Franse filosoof August Comte in het project van de moderniteit het rationele stadium van het universele positivisme. Daarin gaat het niet langer om de vraag naar het waarom der dingen zoals in die vorige stadia, maar alleen nog om de vraag hoe de wereld in elkaar zit en functioneert. Maar de vraag naar het waarom blijft niettemin ook moderne mensen achtervolgen. Het ietsisme is daarvan, hoe onbeholpen vaak ook geformuleerd, een nieuw elementaire expressie. Waarom is er iets, waarom is er niet niets? Dat is de metafysische vraag die ten grondslag ligt aan de filosofie van de bekende Duitse filosoof Heidegger. Ietsisten worstelen op hun manier ook met die meest elementaire vraag. Zij gaan er in hun bestaanservaring van uit dat er Iets is, ja moet zijn, dat verklaart waarom er niet niets is. Met de grondlegger van de moderne geschiedfilosofie G. Vico ben ik geneigd dat Iets nader te formuleren als een transcendente kracht, energie of wil die mensen met gebruikmaking van hun deugden en ondeugden voert naar een bestemming die zij tijdens hun kortstondige reis door de tijd niet kunnen onderkennen.