Amerikaans conservatisme opnieuw een belangrijke ideologische factor in de strijd rond de presidentsverkiezingen

Civis Mundi Digitaal #13

door Wim Couwenberg

Amerikaans conservatisme opnieuw een belangrijke ideologische factor in de strijd rond de presidentsverkiezingen

Wim Couwenberg

 

De belangrijkste verandering in het Amerikaanse politieke klimaat na de Koude Oorlog is de opvallende herwaardering van een ideologisch getoonzet conservatisme. Lange tijd stond conservatisme als geesteshouding in de VS in een kwade reuk en was het iets waarvoor men zich geneerde. In de jaren ’50 is er al wel sprake van een zekere kentering door toedoen van een conservatieve tegenstroming die bekend is geworden als ‘New Conservatism’ en met Peter Viereck en Russell Kirk als meest op de voorgrond tredende woordvoerders[1]. Dat onderscheidt zich door een dynamisch conservatieve oriëntatie in de trant van Edmund Burke te vermengen met belangrijke liberale verworvenheden en zich in die geest te verzetten tegen een sociaalliberale richting met haar voorkeur voor een ‘welfare state’, maar ook tegen het pragmatisch opererende laisser-faire conservatisme van vooral Republikeinen. Dat werd niet als serieus te nemen conservatieve stroming erkend.

Als zodanig staat het nieuwe conservatisme ook uiterst sceptisch tegenover het moderne vooruitgangsgeloof en -optimisme dat sociaalliberalen en laisser-faire conservatieven met elkaar gemeen hebben. De meest ouderwetse lieden, zo betoogt Kirk in zijn boek ‘A program for conservatives’, zijn tegenwoordig al die lieden die nog zin en betekenis blijven hechten aan het moderne vooruitgangsgeloof en het vermogen van wetenschap en technologie tot steeds grotere beheersing van het menselijke levenslot. Het is een tegenstroming die er wel toe heeft bijgedragen dat conservatisme niet langer louter als iets negatiefs overkomt. Maar het is niettemin een betrekkelijk kleine minderheidsstroming gebleven omdat conservatisme in deze zin te zeer afwijkt van de Amerikaanse way of life.

Neo conservatisme na de liberale triomf in de Koude Oorlog

Hoewel in naam gelijk ademt het in de jaren ’90 snel opkomende neoconservatisme een geheel andere geest. Het ontleent zijn politieke inspiratie en oriëntatie aan de liberale triomf in de Koude Oorlog en is in eerste instantie geleid door voormalige linkse intellectuelen die zich daarmee afzetten tegen hun linkse verleden. Vervuld van die triomf, is het een nieuwe politieke variant geworden van de Amerikaanse liberale ideologie met haar streven naar wereldwijde verbreiding van de Amerikaanse boodschap van vrijheid en democratie en in tegenstelling tot het nieuwe conservatisme van de jaren ’50 een nieuwe vaandeldrager van het diepgewortelde Amerikaanse vooruitgangsgeloof en vertrouwen in wetenschap en techniek als probleemoplossers. Het deelt wel het politieke machtsrealisme van de klassiek-conservatieve traditie, maar dat raakt nu verweven met het politieke idealisme van de liberale ideologie en het daarmee samenhangende streven zonodig staatsmacht in te zetten ter realisering van grote politieke idealen als de verbreiding van vrijheid en democratie. In die geest heeft het een sterk stempel gedrukt op de buitenlandse politiek van president George W. Bush. Illustratief is in dit verband het Project for the New American Century (PNAC) van de neoconservatieve ideologen William Kristol and Robert Kagan. De Amerikaanse politieke en maatschappelijke orde staat daarin model voor de rest van de wereld.

In de ogen van de Britse filosoof John Gray[2] - aanhanger met enige aanpassingen van het klassiek conservatisme van Edmund Burke - is dat neoconservatisme een kwalijke, rechts gekleurde variant van het vooruitgangsgeloof van de Verlichting. Het heeft daardoor meer gemeen met het jacobinisme van de Franse Revolutie dan met het klassieke conservatisme. Dat onderscheidt zich daarvan juist door een pessimistisch mensbeeld waarin politiek idealisme met veel scepsis bejegend wordt en het primaat van de abstracte rede van de Verlichting met diep wantrouwen.

Andere conservatieve tegenstromingen

In het Amerikaanse politieke landschap tekenen zich nog andere conservatieve tegenstromingen af, zoals een stroming met een uitgesproken christelijke achtergrond en christelijk-conservatieve thematiek als politieke kleur. Zij concentreert zich vooral rond organisaties als Christian Coalition, Traditional Values Coalition, American Values, Focus on Family e.d. Die zien in de vruchten van de seksuele revolutie van de jaren ’60 slechts nieuwe uitingen van moreel verval en strijden daarom voor terugdringing van voor- en buitenechtelijk geslachtsverkeer alsook van abortus en homohuwelijk en voor actieve ondersteuning van overheidswege van traditionele instituties als huwelijk en gezin.

De laatste tijd is er nog een andere conservatieve tegenstroming bij gekomen. Die presenteert zich als Tea Party naar het voorbeeld van de Boston Tea party van 1773, die met haar bekende leuze ‘no taxation without representation’ inspireerde tot de Amerikaanse Revolutie van 1776 tegen het Britse koloniale bewind. Het is een losse, populistisch gekleurde coalitie van honderden actiegroepen met financiële steun van gefortuneerde Amerikanen met een libertaire inborst. Met ‘Tea’ (Taxed Enough Already) protesteert deze nieuwe grassroots  beweging tegen het geldverslindende beleid van de regering in Washington. Zij appelleert hiermee op het diepgewortelde anti-Washington sentiment onder Amerikaanse burgers en zet zich dienovereenkomstig in voor een kleine overheid en een terugkeer naar het echte Amerika van weleer waar burgers zoveel mogelijk hun lot in eigen handen namen. Zij richt haar pijlen nu in het bijzonder tegen het socialistisch geduide overheidsbeleid van president Obama (teveel sociale uitgaven, zoals zijn nieuwe ziektekostenstelsel, teveel migratie e.d.), maar ook tegen een activistische interpretatie van de Amerikaanse grondwet in progressieve zin naar aanleiding van de benoeming van de juriste Elena Kagan tot lid van het Amerikaanse hooggerechtshof.[3] Het is een beweging met snel groeiende invloed op de rechtervleugel van de Republikeinse Partij, zoals bij de Congresverkiezingen van begin november 2010 al gebleken is.

Dat Amerikaanse conservatisme manifesteerde zich opnieuw tijdens de aanloop naar de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2012. Mitt Romny is toen als gematigde Republikein presidentskandidaat voor zijn partij geworden, maar niet nadat hij harde strijd heeft moeten leveren tegen twee strijdbare exponenten op de rechtervleugel van de Republikeinse Partij te weten Rick Santorum die als belijdend katholiek oude conservatieve politieke strijdpunten weer in discussie wist te brengen, zoals de strijd tegen gebruik van voorbehoedsmiddelen, abortus, homohuwelijk en euthanasie; en Newt Gingrich die zijn conservatieve staat van dienst op zijn beurt in de strijd wierp. Beide opponenten appelleerden daarmee op een brede conservatieve beweging in een land dat voorop pretendeert te lopen in de strijd voor wereldwijde verbreiding van liberale beginselen en waarden. Dat appèl doet ook Paul Ryan, een strijdbare ideoloog van het Amerikaanse conservatisme, die Romny onlangs als zijn running mate en vice-president gepresenteerd heeft. Dat appèl wordt met Ryan als runnig mate toegespitst op een drietal speerpunten: een kleine overheid (appèl op anti-Washington sentiment); bezuinigingen op sociale voorzieningen van de welvaartsstaat; en een voortgezet hardnekkig geloof in de vrije markt als maatschappelijke probleemoplosser.

 


[1] Zie P. Vireck, Conservatism Revisited, 1950; en R. Kirke, A Program for Conservatives, 1954.

[2] Zie J. Gray, Zwarte Mis, 2007, pp. 171-202

[3] Zie H. Kurzbauer, Supreme Matters: Tea Parties and the Activism of Restraint, Ars Aequi, 9, 2010