Het CDA in ontwikkelingsperspectief

Civis Mundi Digitaal #17

door Wim Couwenberg

Het CDA in ontwikkelingsperspectief


Wim Couwenberg

CDA en D66 als een partij van niks

Het CDA heeft alleen nog toekomst als een partij die er toe doet in de Nederlandse politiek als het zich losmaakt van zijn ideologische, i.c. traditioneel christelijk verleden, zo stelde ik in het vorige nummer aan het slot van mijn bijdrage over de vraag of de VVD-PvdA coalitie het einde van het politiek midden betekent. Dezer dagen kreeg ik een oud nummer van Christen Democratische Verkenningen (Winter 2005) onder ogen en werd daarin getroffen door een opmerkelijk artikel over de politieke meerwaarde van D66. Een partij van niks, zo luidde kort en bondig het oordeel over die partij van oud Tweede Kamerlid voor het CDA Jan Schinkelshoek. D66 is in de jaren zestig begonnen als een principieel beginselloze partij en weet nog altijd niet wat het voor partij het is, waar het voor gaat en waar het voor staat. Inhoudelijk is het een partij zonder enige politieke meerwaarde van betekenis, aldus Schinkelshoek.

Dat werd gesteld in 2005 toen het CDA weer de regie in de Nederlandse politiek in handen had en daaraan een nieuw politiek zelfvertrouwen kon ontlenen. Maar tijdens de leiderschapscrisis in het CDA in oktober 2001 zag het er nog heel somber uit voor het CDA. Voor die crisis werden drie verklaringen gegeven. Zij zou duiden op een vergeefse strijd tegen verdere afbrokkeling van het CDA als gevolg van voortgaande secularisering en ontkerkelijking; op onenigheid over de te volgen koers; of op een ordinaire machtsstrijd. De eerste verklaring lijkt het meest relevant. Die crisis, aldus politiek commentator van NRC Handelsblad Mark Kranenburg[1], is slechts een symptoom van de echte crisis waarmee het CDA geconfronteerd wordt, te weten de crisis van zijn politieke bestaansreden. De partij is langzaam maar zeker aan het verdampen en worstelt met de vraag hoe haar dreigende overbodigheid af te wenden. PvdA-prominent Bram Peper[2] zag in die dagen ook weinig perspectief meer voor het CDA. Het is er niet in geslaagd ook maar één onderscheiden thema te bedenken waarmee het zich kan profileren. En de huidige leiderschapscrisis maakt de politieke ontreddering van die partij compleet. Alleen een uitzonderlijke Nederlander kan het CDA nog redden, meende Peper.

Die uitzonderlijke Nederlander bleek spoedig de door Paars verguisde Pim Fortuyn te zijn. Dankzij de Fortuyn-revolte kreeg het CDA een herkansing en kon het zijn politieke spilpositie zodoende heroveren, maar niet voor lang. Sinds de Tweede Kamerverkiezingen van 2010 is daar, naar het lijkt, voorgoed een einde aan gekomen. Door een nieuwe grote verkiezingsnederlaag zakte het terug tot de vierde partij qua aantal Tweede Kamer zetels. De snelle daling van de vaste aanhang van partijen - inmiddels geslonken tot zo’n 8 à 10% - springt vooral bij het CDA in het oog.  Het CDA moet sindsdien evenals alle andere partijen zijn bestaansreden bij iedere verkiezing opnieuw waarmaken op een kiezersmarkt met overwegend zwevende kiezers.

Tijdens de verkiezingsstrijd in 2012 verkeerde het CDA in eenzelfde positie als D66 volgens Schinkelshoek vanaf haar oprichting verkeerd heeft. Het was volstrekt onduidelijk geworden waar het CDA voor staat en waarin het zich in programmatisch opzicht in die verkiezingsstrijd onderscheidde. Want het is vooral in programmatisch opzicht en in onderscheidend leiderschap dat de identiteit van partijen tegenwoordig gezocht moet worden. De politieke strijd is niet langer een beginselstrijd zoals in het ideologische tijdperk (in Nederland was dat in het bijzonder het tijdperk van de verzuiling). Het is nu voornamelijk een strijd over onderscheiden beleidsvisies en leiderschap. De belangrijkste beginselen hebben de meeste partijen nu met elkaar gemeen. Dat zijn de liberale waarden die in de Koude Oorlog van westerse zijde gemeenschappelijk verdedigd zijn tegen het wereldcommunisme en die ik eerder als liberale beschavingstraditie nader toegelicht heb[3]. In dat kader kan de ontwikkeling en de huidige positie van het CDA als volgt gemarkeerd worden.

Pragmatische aanpassing aan liberale beschavingstraditie na antiliberale start

Ontstaan als resultaat van een scherpe politiek-religieuze antithese tegen het oprukkende modernisme en secularisme van liberale zijde, heeft de christendemocratische stroming haar politieke identiteit in eerste instantie gezocht in bescherming van traditioneel christelijke waarden en tradities tegen dat oprukkende secularisme, maar vervolgens als niet klassengebonden politieke steeds meer ook in het streven naar overbrugging en verzoening van maatschappelijke tegenstellingen.

Het is vooral dankzij deze stroming geweest dat sinds de Pacificatie van 1917 in Nederland een nieuw type democratie ontstaan is dat door de politicoloog A. Lijphart[4] gemunt is als pacificatiedemocratie en zich kenmerkt door doelbewuste beperking van de politieke machtsstrijd en matiging van de oppositierol. Met het oog daarop is in Nederland sinds 1917 het oude electorale meerderheidsstelsel ingeruild voor een stelsel van evenredige vertegenwoordiging en is de politieke cultuur en structuur aldaar lange tijd sterk gestempeld geweest door een doelbewust streven naar depolitisering van controversiële kwesties en een sterke oligarchische tendens om zodoende burgers zoveel mogelijk op afstand te houden van het politieke strijdtoneel. Sinds de democratiseringsgolf van de jaren ‘60 is die politieke cultuur vanwege haar democratische tekort wel ter discussie gesteld en omstreden geraakt.

Sindsdien heeft deze stroming zich op heel pragmatische wijze in vergaande mate aangepast aan de liberale beschavingstraditie. Zo maakt het CDA-beginsel van publieke gerechtigheid, nader ingevuld als een politieke keuze voor de principes van de democratische rechtsstaat en de mensenrechten, allang deel uit van die liberale beschavingstraditie evenals het beginsel van gespreide verantwoordelijkheid en dat van de verantwoordelijke samenleving, zij het dat het liberalisme meer nadruk legt op differentiatie en concurrentie als kenmerk van de burgermaatschappij, terwijl de christendemocratie zich meer richt op harmonisering en integratie van tegenstrijdige maatschappelijke belangen en op maatschappelijk corporatisme als vormgeving van de burgermaatschappij.[5] Rentmeesterschap valt als christendemocratisch beginsel praktisch samen met het algemeen aanvaarde streven naar duurzame ontwikkeling. Van christen-democratische zijde is het christelijke karakter van die kernbegrippen van het CDA ook herhaaldelijk zelf in twijfel getrokken.[6]

Van evangelisch-radicaal naar het radicale midden

In een recente christendemocratische bundel, getiteld Waardevast. Over de uitgangspunten van het CDA is getracht die kernbegrippen op een meer eigentijdse wijze te herformuleren. Maar men bleef daarbij vooralsnog steken in nieuwe abstracte formuleringen, terwijl er juist behoefte is aan een duidelijk onderscheiden programmatische vertaling ervan in het licht van de maatschappelijke en politieke situatie en problematiek van deze tijd. In die richting wijst ook de uitkomst van het recente Strategisch Beraad van het CDA, zoals vertolkt in zijn rapport Kiezen en Verbinden (2012) met daarin expliciet een keuze voor een politieke visie vanuit het radicale politieke midden.

Dat is een duidelijk andere opstelling dan bij de start van het CDA in de jaren ’70, toen nadrukkelijk gekozen werd voor een radicaal-evangelische orientatie en het politieke midden uit dien hoofde vierkant werd afgewezen. Die oriëntatie is echter blijven steken in een vrome politieke retoriek. Het praktisch-politiek beleid is er niet of nauwelijks door beïnvloed. Opvallend nieuw was dat nieuwe christendemocratische verhaal, vergeleken met wat sinds 1995 bij de toenmalige christendemocratische herbronning uit de bus kwam echter niet. Het leek veeleer op een oude preek, gestoken in een nieuw verbaal jasje, zoals in persreacties is opgemerkt. Ook nu gaat het evenals toen uiteindelijk om de vraag hoe de nodige macht terug te winnen.

Van uitgesproken bestuurderspartij naar serieuze oppositiepartij

Het ergste wat het CDA als uitgesproken bestuurderspartij kan overkomen is in een oppositierol te belanden en zo verwijderd te raken van de vleespotten van de macht. Want in oppositievoeren is het door langdurige deelname aan regeringsmacht nauwelijks geschoold. De oppositieperiode van acht jaar tijdens de paarse kabinetten in de jaren ’90 leeft in het geheugen van het CDA-establishment voort als een ware nachtmerrie. Vandaar zijn voorkeur voor hernieuwde deelneming aan regeringsmacht in het kabinet-Rutte I ondanks heftig principieel verzet hiertegen in eigen kring.

Het CDA is nu opnieuw in een oppositierol gedrukt en zal voor zijn politieke overleving als een partij die er nog altijd toe doet alles op alles moeten zetten om die rol nu beter en succesvoller te vervullen dan tijdens de Paarse kabinetten in de jaren negentig. Het zal zich in programmatisch opzicht en in leiderschap zodanig moeten profileren, dat het een herkenbaar en relevant alternatief te bieden heeft bij de volgende verkiezingen, die het dan zal ingaan als inmiddels vijfde partij van het land. Verder verval wil men koste wat kost voorkomen. Vandaar dat de stijl van oppositie voeren nu al duidelijk verschilt van die van de tijdens de Paarse Kabinetten tijdens de jaren ’90, toen het CDA zich als partij praktisch onzichtbaar maakte door zijn afkeer als bestuurderspartij van slimme oppositietactieken. Het CDA zoekt nu waar dat politiekopportuun lijkt, doelbewust de confrontatie met de regerende coalitie. Het steunt daarbij op zijn machtspositie in de Eerste Kamer waar zijn steun voor het huidige kabinet in een aantal gevallen noodzakelijk is om bepaalde beleidsplannen te kunnen realiseren.


[1] M. Kranenburg, Sterfhuis CDA, NRC Handelsblad, 28 september 2001

[2] Bram Peper, Alleen een bijzonder mens kan het CDA redden, NRC Handelsblad, 20 oktober 2001

[3] Zie S.W. Couwenberg. Wereld-gebeuren sinds de jaren ’60. Van linkse dominantie naar liberale triomf. Civis Mundi jaarboek 2012, p. 141 ev.

[4] Zie A. Lijphart, Verzuiling, pacificatie en kentering in de Nederlandse politiek (1968), 1984.

[5] Zie Moderniteit als nieuw beschavingstype, Civis Mundi jaarboek 2009, pp 248-249.

[6] Zie o.a. J. Boukema, De terugtredende staat, CDV, 7/8, 1985; A.C. Zijderveld, Staccatocultuur, flexibele maatschappij en verzorgende staat, 1991, p. 37; en B. de Vries, De christelijke politiek voorbij?, CDV, 9, 1994