Eenzijdige visie op mensenrechten en selectieve stellingname

Civis Mundi Digitaal #18

door Wim Couwenberg

Eenzijdige visie op mensenrechten en selectieve stellingname

Wim Couwenberg

Van het kortstondige bezoek van Poetin als Russisch staatshoofd aan Nederland werd ruimschoots gebruik gemaakt om krachtig te protesteren tegen schending van de mensenrechten in Rusland. Vervelende bijkomstigheid was wel dat Poetin Nederland kon confronteren met de opvallend inhumane wijze waarop het vreemdelingen pleegt te bejegenen met als saillant recent voorbeeld de inhumane behandeling van een Russische dissident en asielzoeker, resulterend in diens zelfmoord.

Wat bij dergelijke protesten telkens weer opvalt, is de eenzijdige opvatting van de mensenrechten die in Nederland gangbaar is. Het gaat praktisch altijd om de zogenaamde burger- en politieke rechten van de mens. Schending van andere mensenrechten is bijna nooit in het geding. Zijn er dan andere mensenrechten? Op internationaal niveau (VN-verband) gelden drie categorieën van mensenrechten: de klassieke burger- en politieke rechten; de economische, sociale en culturele rechten van de mens (ook wel kort aangeduid als sociale grondrechten); en de collectieve mensenrechten. Op de VN-conferentie over mensenrechten in Wenen in 1993 is overeenstemming bereikt over de universaliteit en ondeelbaarheid van alle mensenrechten:

‘All human rights are universal, indivisible, interdependent and interrelated.’

Wel mag daarbij de betekenis van verschillen in historische, culturele en economische achtergrond niet over het hoofd gezien worden evenmin als specifiek nationale en regionale omstandigheden. Die laatste clausule wordt als mensenrechten in het geding zijn bijna altijd genegeerd.

De ontwikkeling van mensenrechten als ethisch-juridisch concept is in het Westen zelf lange tijd bron van verdeeldheid geweest. En het menselijke zelfbeschikkingsrecht dat daaraan ten grondslag ligt, is nog altijd een punt van discussie, in het bijzonder bij kwesties als abortus, euthanasie, hulp bij zelfdoding en negatieve eugenetica. Na erkenning van ondraaglijk en uitzichtloos lijden als rechtsgrond voor euthanasie wordt nu als zodanig ook verlies van waardigheid bepleit. Vooralsnog is dat een brug te ver. Opvallend in die discussie is dat dit zelfbeschikkingsrecht ook slechts sporadisch als beslissende norm naar voren gebracht is.[1] Hetzelfde geldt voor de discussie over negatieve eugenetica en commercieel draagmoederschap. Contracten over draagmoederschap worden in principe nietig verklaard, omdat men hierin nog een inbreuk ziet op de goede zeden.[2]

Homo- en sociale rechten van de mens

Homorechten zijn een integraal onderdeel van de mensenrechten, verklaarde premier Rutte tegen Poetin bij diens bezoek aan ons land. Het zijn rechten die zich toespitsten op de vrijheid homoseksualiteit openlijk te belijden en te beleven, op erkenning van het homohuwelijk en het recht van homoparen om kinderen te adopteren. Ik herinner er in dit verband aan dat het homohuwelijk nog niet zo lang geleden ook in VVD kringen omstreden was. De huidige directeur van de Telders Stichting Patrick van Schie keerde zich in Liberaal Reveil krachtig tegen erkenning van het homohuwelijk evenals tegen het recht van homoparen om kinderen te adopteren[3]. In datzelfde nummer van Liberaal Reveil werd gesteld dat als we het homohuwelijk als consequentie van liberale beginselen accepteren de volgende stap erkenning van veelwijverij (polygaam huwelijk) zou moeten zijn. Bij de protesten tegen Poetin was ook het voorgenomen verbod van homopropaganda aan de orde. In Petersburg is er al zo’n verbod. Dat richt zich met name tegen propaganda voor sodomie, lesbianisme, biseksualiteit en transgenderisme onder minderjarigen. Wat is daar eigenlijk op tegen, zeker in een land met een sterk krimpende bevolking?

Sociale grondrechten hebben in de tweede helft van de vorige eeuw als mensenrechten erkenning gevonden. Zij dienen sindsdien als constitutionele grondslag van de verzorgingsstaat. In de huidige financiële economische crisis staan zij onder invloed van de neoliberale dominantie in de politiek meer dan ooit onder vuur. Wat opvalt, is dat in discussies over de wenselijkheid en legitimiteit van de politieke keuzes die bij bestrijding van die crisis gemaakt worden, nauwelijks aandacht is voor de sociale grondrechten die hierbij in het geding zijn. Het NJCM-Bulletin heeft daar in het eerste nummer van dit jaar terecht de aandacht op gevestigd. In een volgend nummer van Civis Mundi wordt hierop nader ingegaan.

Collectieve mensenrechten

Naast de klassieke en de sociale grondrechten heeft nog een derde categorie
- generatie - van grondrechten erkenning gevonden, te weten de collectieve grondrechten, met het nationale zelfbeschikkingsrecht als harde kern.[4] Dit recht - waarvoor in de Nederlandse staatsrechtelijke literatuur opmerkelijk weinig aandacht is - heeft een bijzondere erkenning gekregen doordat het in het eerste artikel van de beide Internationale Mensenrechtenverdragen van 1966 als grondrecht is opgenomen.[5]

In de literatuur is er een neiging dit recht te vereenzelvigen met de volkssoevereiniteit.[6] Dit lijkt mij aanvechtbaar. Er dient onderscheid gemaakt te worden tussen volkssoevereiniteit en nationaal zelfbeschikkingsrecht. Volkssoevereiniteit geldt in een liberale democratie als essentiële bestaansvoorwaarde van een gevestigde nationale staat. Het nationaal zelfbeschikkingsrecht is in eerste instantie de ontstaansvoorwaarde voor een volk dat politiek onafhankelijk wil worden. Het is een nieuw democratisch principe van staatsvorming en als zodanig het tegendeel van het traditionele staatsvormingsproces met behulp van militaire machtsmiddelen. Zodra dit recht gerealiseerd is in een nieuwe nationale staat, wordt het identiek aan de volkssoevereiniteit en betekent het het recht van het volk om zelf direct of indirect de inrichting en ontwikkelingsrichting van de eigen samenleving te bepalen.

Door de internationaal-rechtelijke erkenning van het nationale zelfbeschikkingsrecht is ook het volk rechtssubject van het volkenrecht geworden. Het is wel een recht dat op zichzelf in juridisch opzicht weinig houvast biedt. De minst problematische operationalisering ervan is de waarborging van het recht op culturele en politieke zelfbeschikking van ieder volk. De meest relevante en actuele toepassing ervan is in de vorm van een staatsrechtelijk en volkenrechtelijk gegarandeerd systeem van minderhedenbescherming ten behoeve van nationale minderheden. Die juridische bescherming is opnieuw actueel, wat de staatsrechtelijke positie van de Koerden in Turkije betreft.[7]

Selectief karakter mensenrechtenbeleid

Ter bevordering van een universele effectuering van de mensenrechten wordt zowel in internationaal als nationaal verband een actief mensenrechtenbeleid gevoerd. De implementatie daarvan verloopt echter nog heel moeizaam. Andere, in het bijzonder politieke (veiligheids-) en economische belangen krijgen meestal hogere prioriteit dan eerbiediging van mensenrechten. In Nederland is sinds de jaren zeventig een actief mensenrechtenbeleid tot een van de belangrijkste doelstellingen van buitenlands beleid gemaakt, maar wel met het voorbehoud dat daardoor geen onaanvaardbare schade mag worden toegebracht aan andere belangen en waarden.[8] In de praktijk tendeert dit tot een beleid met sterk selectieve trekken, afhankelijk van de politieke opportuniteit. Machtige staten worden daarbij meer ontzien dan minder machtige staten. Zo werd Zuid-Afrika onder de apartheid veel harder aangepakt dan de Sovjet-Unie en andere Oostbloklanden, hoewel de schending van fundamentele mensenrechten daar veel ernstiger was.

Is een universele implementatie van mensenrechten via een actief mensenrechtenbeleid niet veel te hoog gegrepen, is een vraag die in de literatuur van meerdere kanten is opgeworpen als reactie op de onbevredigde praktijk van dit beleid.[9] De Amerikaanse politicoloog S. Huntington vindt ook dat we daarvan moeten afzien, maar om een andere reden. Hij ziet daarin een gevaarlijke bron van internationale spanning en conflict.[10] Hoe dit zij, de afdwingbaarheid, dus de handhaving van mensenrechten is nog altijd het grootste probleem. En daar richt de kritiek zich vooral op. Zolang van een consistente en consequente handhaving geen sprake is, behouden die rechten in strikt juridische zin een problematisch karakter.

Legitimatie mensenrechtenbeleid

Wat de legitimatie van een actief mensenrechtenbeleid betreft, woedt er sinds geruime tijd een strijd tussen aanhangers van cultureel en moreel universalisme en van cultuurrelativisme. Het universalisme vindt zijn wijsgerige basis in een lange natuurrechtelijke traditie. Daarin is het gebruikelijk bepaalde principes en waarden als universeel gegeven te presenteren en dat te baseren op de menselijke natuur of de menselijke rede. Het cultuurrelativisme accentueert daarentegen de historische en culturele bepaaldheid van mensenrechten. Die historisering is aanvankelijk sterk benadrukt door het klassieke conservatisme. In de Britse filosoof John Gray[11] vindt dat een nieuwe welsprekende tolk. Die stelt zich als conservatief heel kritisch op tegenover een actief mensenrechtenbeleid en ziet daarin een kwalijke uiting van liberaal imperialisme. Soevereine staten, zo oordeelt hij als politiek realist, stellen hun vitale belangen altijd boven eerbiediging van de mensenrechten als internationale verplichting.[12] Al sta ik ook op het standpunt van de historisch-culturele bepaaldheid van de mensenrechten, toch meen ik dat een actief mensenrechtenbeleid te verdedigen valt, al is het op de keper beschouwd inderdaad een uiting van liberaal imperialisme.

Een actief mensenrechtenbeleid impliceert uiteraard een uitholling van het volkenrechtelijke interventieverbod. De mate waar­in dat aanvaardbaar is, is een controversieel punt. Tijdens de Koude Oorlog was dat een van de punten van verdeeldheid tussen Oost en West. In tegenstelling tot westerse hielden communistische landen jarenlang vast aan de opvatting dat de waarborging van mensenrechten in de regel uitsluitend tot de interne aangelegenheden van soevereine staten behoort. In het kader van het Helsinki‑proces is men echter accoord gegaan met een beperking van het non‑interventiebeginsel tot een verbod van gewelddadige inmenging, zodat vreedzame vormen van internationale bemoeienis met schendingen van mensenrechten sindsdien wel aanvaardbaar geacht worden.

Het begrip interne aangelegenheden is overigens een rekbare juridische notie waarvan de interpretatie sterk afhangt van historische omstandigheden en politieke opportuniteit. Naarmate de bescherming van mensenrechten als internationaal rechtsbeginsel een grotere rol gaat spelen in de internationale politiek, zal dit begrip wel meer in restrictieve zin opgevat gaan worden.


[1] Zie J. Griffith, Een toeschouwersperspectief op de euthanasie, Nederlands Juristenblad 1987, nr. 22; J.H.P.J. Willems, Euthanasie en zelfbeschikkingsrecht, Nederlands Juristenblad 2, 1987; idem, Euthanasie en noodtoestand, Nederlands Juristenblad 22, 1987, nr. 22; en T. Vink, Wordt vervolgd. Zelfbeschikking onder druk, 2008

[2] Zie J. Klijnsma, De verzakelijking van het menselijk lichaam, Ars Aequi, januari 2008

[3] Zie P. van Schie, Het heilloze homohuwelijk, Liberaal Reveil, 1, 1998

[4] 18 Zie voor een kritische benadering van de introductie van deze nieuwe categorie van
grondrechten P. van Dijk, Recht op ontwikkeling - een prioriteitenstelling, in: NJCMBulletin 1981, nr. 6, p3.

[5] Dit is geschied op aandrang van de staten van de toenmalige communistische en de Derde Wereld, die het nationale zelfbeschikkingsrecht vooropstellen als het meest fundamentele mensenrecht en de andere grondrechten in het licht hiervan interpreteren.

[6] Zie G.J. Veerman, Overdaad schaadt?, in: Recht en Kritiek 1986, nr. 4.

[7] Zie voor die problematiek o.a. S.W. Couwenberg, Nationaliteit en nationalisme, 1994, pp. 97-104. In de Vreedzame Coëxistentie Declaratie van 1970, waarin de beginselen van het VN-Handvest nader zijn uitgewerkt (Resolutie 2625 XXV), wordt het nationaal zelfbeschikkingsrecht opnieuw vooropgesteld, maar tevens bepaald dat volken die deel uitmaken van multinationale staten niet het recht hebben de politieke eenheid en territoriale integriteit van die staat aan te tasten als deze zich gedraagt ‘in compliance with the principle of equal rights and selfdetermination of peoples’, d.w.z. een regering heeft die representatief is voor de hele bevolking en zich niet schuldig.

[8] Zie de regeringsnota De rechten van de mens in het buitenlands beleid van 3 mei 1979, pp. 6 en 100; en H. Reiding, The Netherlands and the Development of International Human Rights Instruments, diss. Utrecht 2007

[9] Zie o.a. Hans Magnus Enzensberger, Aussichten auf den Bürgerkrieg, 1993

[10] S. Huntington, The Clash of Civilisations and the Remaking of World Order, 1997

[11] Zie J. Gray, Zwart Mis, 2007, p. 56 e.v.

[12] J. Gray, Zwarte Mis, 2007, p. 223 e.v.