Ben ik een monster of ben ik een mens? (I)

Civis Mundi Digitaal #21

door Hugo Verbrugh

Bespreking van: Ruud Abma, De Publicatiefabriek. Over de betekenis van de affaire Stapel Uitgeverij Van Tilt, Nijmegen 2013

Ben ik een monster of ben ik een mens? (I)

Een essay over enkele verborgen motieven in leven en werk van Diederik Stapel naar aanleiding van de publicatie van ’De Publicatiefabriek: Over de betekenis van de affaire Stapel’ van Ruud Abma (1951), Van Tilt Uitgeverij, Nijmegen, 2013, ISBN 978 946004 124 2.

Op 25 augustus 2011 meldde een persbericht van de Radboud Universiteit dat door dr. Roos Vonk, hoogleraar sociale psychologie in Nijmegen en bekend pro-dier activiste, experimenteel-wetenschappelijk was aangetoond dat mensen van alleen al denken aan vlees zich hufteriger gaan gedragen.

Na een dag of wat bleek het allemaal verzinsel. Op dezelfde dag begon in Tilburg de ontluistering van haar collega en inspirator, de wereldberoemde Nederlandse psycholoog die twee jaar geleden werd ontmaskerd als een bedrieger en werd ontslagen als hoogleraar.

Over dit alles is onlangs een boek verschenen dat veel aandacht verdient:  ’De Publicatiefabriek: Over de betekenis van de affaire Stapel’ van Ruud Abma (1951), Van Tilt Uitgeverij, Nijmegen, 2013, ISBN 978 946004 124 2. De auteur is verbonden aan de Faculteit Sociale Wetenschappen en aan het Descartes Centrum voor Wetenschapsgeschiedenis en Wetenschapsfilosofie van de Universiteit Utrecht. Eerder publiceerde hij Over de grenzen van disciplines. Plaatsbepaling van de sociale wetenschappen.

1. Onderzoeksjournalistiek

Het boek opent met een treffende mededeling. ’De geschiedenis is bekend’. In de volgende alinea’s vat Abma haar nog eens journalistiek-vaardig samen. Al meteen in die samenvatting komen de sterke en voor verbetering vatbare punten van het boek aan de orde. Ik citeer enkele passages met af en toe cursief een commentaar van mij (HSV); voor zover dit essay ook bedoeld is als bespreking van dit boek, diene deze eerste sectie in het bijzonder als zodanig

’Begin september 2011 bekent sociaalpsycholoog Diederik Stapel dat hij onderzoeksgegevens heeft verzonnen. De Universiteit van Tilburg openbaart de zaak en stelt hem direct op non-actief. Drie commissies, onder leiding van oud-KNAW-voorzitter Pim Levelt, gaan aan het werk om de aard en omvang van de fraude vast te stellen. Vanaf dat moment wordt Stapel in de publieke opinie hét symbool van fraude en bedrog. Hier gaat de neutrale samenvatting van de bekende feiten bijna ongemerkt over in een waardeoordeel (HSV). Samen met zijn collega Roos Vonk bepaalt hij ook het beeld van de sociale psychologie, een vak dat weinig substantieels te melden zou hebben en vooral zou grossieren in mediagenieke vondsten als "vleeseters zijn hufters" Zelfde commentaar als bij vorige zin (HSV).Uit een interim-rapportage van de commissie-Levelt eind oktober 2011 blijkt dat Stapels fraude aanzienlijk is en tevens dat hij zijn coauteurs en andere collega’s op grote schaal heeft misleid. Direct na de publicatie van het eindrapport van de commissie, eind november 2012, leest Stapel op tv een verklaring voor waarin hij spijt betuigt, maar en passant reclame maakt [de formulering is ietwat suggestief. Het oordeel is niet onterecht (ik ben het er althans mee eens) maar het is een oordeel en niet een neutraal feit (HSV)] voor zijn boek Ontsporing, dat een autobiografisch relaas over zijn Werdegang bevat.[1] Dit leidt tot een nieuwe golf van haatuitingen in de oude en nieuwe media. Maar vooral in de nieuwe media heb ik ook uitingen van sympathie, meeleven en begrip gezien (HSV).

Deze tab, die ook in het boek staat, geeft aan dat hier een nieuw stuk van het betoog begint (HSV). Krijgt Stapel nu met De publicatiefabriek opnieuw een podium? Heeft hij niet al genoeg aandacht gehad? In dit boek gaat het niet om Stapel als persoon of als symbool, maar om Stapel als symptoom. Dat is een duidelijke en zwaarwegende aankondiging (HSV). Zowel in de aard van zijn werk als in de aard van zijn fraude komt een academische cultuur naar voren die uiterst problematisch is. Hier begint een waardeoordeel dat zowel begrijpelijk als terecht is, maar dat de werkelijkheid van de academische cultuur niet helemaal recht doet (HSV). Het is de cultuur waarin niet de inhoud van wetenschappelijke publicaties centraal staat, maar hun waarde als munteenheid - letterlijk [Dat woordje "letterlijk" is hier misplaatst want veel te simplistisch (HSV)], want strategisch gehanteerd, kunnen publicaties geld opleveren. En hier stelt Abma het echt te eenzijdig en oppervlakkig. Hij typeert alleen een belangrijk aspect van de academische cultuur. Dat is in de sectoren van de psychologie die de laatste jaren dominant scoorden helaas het bepalende aspect, maar buiten de schijnwerpers van deze mediagenieke flauwe kul gebeurde en gebeurt heel veel (HSV). Veel publiceren is goed en veel publiceren in toptijdschriften is beter. Stapel was doordrongen van dit credo en hij handelde ernaar [het begrip "credo" vind ik hier veel te sterk en niet adequaat; zo ligt het zelfs niet in dit ene aspect van de academische cultuur. En met de hier impliciete suggestie dat Stapel een bewust en rationeel calculerende oplichter was, doet Abma hem volgens mij ietwat onrecht. Voor zover ik zijn autobiografie mag geloven, en ik ben geneigd dat te doen, heeft hij zichzelf op een rare, bijna aandoenlijke manier de hele zwendelhandel ingerommeld. Als een perfecte spijtoptant heeft hij de wereld laten weten dat en hoe precies en waarom hij gezondigd heeft(HSV), op een wijze die zelfs dit calculerende systeem te ver ging [Met dit woordje "zelfs" stelt Abma tussen de regels dat tallozen in dit "systeem" zich bijna zo erg gedragen als Stapel; dat is volgens mij niet het geval (HSV)]. We kunnen Stapel zien als het symptoom van een uit zijn voegen barstende publicatiefabriek, maar [ ... en nu neemt de zin een onhandige wending want tot nu toe gaat het over hoe "wij (het) kunnen zien" maar direct aansluitend gaat de zin verder over hoe in het algemeen in zulke gevallen gehandeld wordt (HSV): ... ] het is natuurlijk gemakkelijker en veiliger om hem buiten de orde te verklaren, en het werk gewoon te laten doorgaan. De frauderende werknemer wordt ontslagen en verder is het business as usual.

In dit geval is het anders gelopen: de fraude van deze werknemer van de publicatiefabriek raakte een open zenuw allereerst in de sociale psychologie, maar in tweede instantie ook in het wetenschapsbedrijf als geheel. De fraude en ontmaskering van Diederik Stapel hebben een betekenis die verder strekt dan een toevallig bedrijfsongeval. Daarover gaat dit boek. [Die laatste zin is juist; Abma geeft een voortreffelijk overzicht van de affaire. Maar dat de betekenis van de zaak "... verder strekt dan een toevallig bedrijfsongeval" is veel te zacht uitgedrukt. De affaire-Stapel kon alleen ontstaan omdat we ons in een filosofisch-revolutionaire revolutie bevinden waarvan de kiem bijna tien eeuwen terug ligt. Toen begon in Europa de zogeheten universaliënstrijd over de vraag hoe wij aan onze algemene, abstracte begrippen komen. Sindsdien heerst zelfs onzekerheid, twijfel, onenigheid, strijd over wat we kunnen aanduiden als de eerste, de ’proto-vraag’ [een term die ik hierbij introduceer] hoe wij überhaupt aan onze kennis komen. In die strijd is Stapel enigszins zijns ondanks terecht gekomen - en de echte betekenis van de naar hem genoemde affaire is dat in wezen noch hijzelf noch iemand anders begrijpt wat hier precies gaande is. Ook Abma verwijst niet naar deze proto-vraag - maar dat is alleen een ’défaut de sa qualité’ oftewel een inhaerente tekortkoming van de hoge kwaliteit van zijn boek: hij geeft een perfect transparant overzicht, en moet om die reden de duistere krochten van Stapels verhaal onbesproken laten. Over de duistere, essentieel verder strekkende betekenis van die zaak ga ik in de nu volgende ruimere beschouwing van dit essay (HSV)nader in].

2. Spelregels

Wetenschap heeft iets van een spel. Er zijn regels - zowel geschreven als ongeschreven regels. Stapel had het moeilijk met beide.

’Priming’

Als uitgangspunt voor mijn ruimere beschouwing kies ik een passage op blz. 64 van Abma’s boek: ’Zo kon Nobelprijswinnaar Peter Medawar in 1964 schrijven "the scientific paper is a fraud"’. Dat is niet helemaal juist. Weliswaar komt die zin letterlijk zo voor in het betoog van Medawar, maar naar de geest stelde hij vooral de vraag ’Is The Scientific Paper a Fraud?’, en bouwde vervolgens een ander betoog op dan Abma suggereert.[2]

Medawar legt in detail uit dat hij alleen bedoelt dat de officiële spelregels voor wetenschappelijke publikaties ten onrechte uitdrukkelijk buiten beschouwing laten langs welke, deels sterk persoonlijk gemotiveerde en geïnspireerde denkwegen de onderzoeker tot de resultaten is gekomen die hij publiceert. Kennis ontstaat nooit de novo, uit het niets; ze bouwt altijd voort op eerder bestaande kennis. Wetenschap is systematiek in dit voortbouwen, en gaandeweg wordt al langer bestaande kennis als onomstotelijk vaststaand aangenomen. De al langer bestaande, als onomstotelijk vaststaand aangenomen kennis wordt schoolvoorbeeld oftewel paradigma  Het gevolg is dat een nieuw fenomeen, dat niet in de ogenschijnlijk onomstotelijk vaststaande kennis past, niet wordt herkend, niet wordt opgenomen.

Dat is een bekend verhaal. Nieuw is dat een nieuw fenomeen in de wetenschap soms niet niet, maar vertekend wordt opgenomen. Dat is in de sociale psychologie in de loop van de tweede helft van de vorige eeuw gebeurd. Het trefwoord voor dit begrip van deze vertekening is ’priming’.[3] Abma legt op blz. 65 en verder perfect uit wat dit betekent en hoe dit werkt. Het gaat over een onderzoek van de Amerikaanse psycholoog John Bargh (1955). Die onderzocht hoe onbewuste kennis ons gedrag kan meebepalen: ’Proefpersonen kregen de opdracht om zinnen te maken uit een verzameling losse woorden. De ene helft van de proefpersonen - de zogenoemde experimentele groep - kreeg woorden te verwerken die betrekking hadden op ouderen, de andere helft - de controlegroep - kreeg neutrale woorden. Na het inleveren van de opdracht moesten de proefpersonen de zaal verlaten en van iedere proefpersoon werd nauwkeurig geklokt hoe lang hij of zij daarover deed. De proefpersonen uit de experimentele groep deden er aanzienlijk langer over om de zaal te verlaten dan de anderen. Dit is een klassiek voorbeeld van primingonderzoek: geef mensen een stimulus (de‘prime’), zonder dat ze doorhebben dat deze een bepaald verband heeft met gedrag dat ze later (moeten) vertonen.’ Tot  zover Abma.

Schijnzekerheden

Het woord waar het om draait in mijn essay is het ’moeten’ in de vorige, uit het boek van Abma geciteerde zin over gedrag dat mensen moeten vertonen. Het door mij gecursiveerde woord roept vragen op. Wat moet dat woordje ’moeten hier? En waarom die haakjes eromheen? In die vragen zoek en vind ik het geheim van de affaire-Stapel. 

Het eerste traject van het antwoord loopt aldus. Wij nemen vanzelf aan dat ouderen alles langzamer doen dan jongeren. En zo nemen we nog veel meer aan. Bijna niets weten we zeker. We leven in een mentale omgeving die vergeven is van hele en halve en op niets gebaseerde zekerheden die vaak niet te onderscheiden zijn van schijnzekerheden. Op zoek naar zekerheid bedenken we experimenten. Hun uitkomsten moeten zekerheid geven. Maar stiekem hopen we vooraf al dat die uitkomsten dan bevestigen wat we al meenden. Confirmation bias heet dat. Elke eerlijke onderzoeker beseft dat hij behept is met dit overal-bevestiging-willende-zoeken vooroordeel. Maar de ene onderzoeker is eerlijker dan de andere. Wanneer uitkomsten van een experiment steun geven aan deze of gene aanname die je al hebt, is het verleidelijk je resultaten een beetje in de gewenste richting te ’masseren’ zoals het heet. Als je eenmaal in die richting begint, kun je op een hellend vlak komen en slotte te pletter vallen. Onderzoek dat zou moeten aantonen dat mensen louter door ’onbewust denken’ aan iets zodoende hun daarop volgende handelingen beïnvloeden, bleek veelal niet repliceerbaar en vor een deel, bij Stapel en consorten, allemaal verzinsel; ik schrijf "onbewust denken" met nadruk tussen aanhalingstekens omdat het een rare uitdrukking is - maar iets van die strekking werd door de ’priming’-onderzoekers wel bedoeld, allemaal als onbewust effect van hun confirmation bias en erger. 

Je zelf door je confirmation bias zó in de luren leggen, dat je meent dat je vooroordelen bewezen hebt en met dit zelfbedrog ook de hele wetenschappelijke wereld meekrijgen - hoe kon dat zo lang zo fout gaan zonder dat iemand het merkte? Het antwoord is eigenlijk heel eenvoudig. Filosofen hebben altijd geweten dat we bijna alles wat we menen te weten zomaar aannemen en dat daarom grote skepsis vereist is. Maar wetenschappers willen daar niets van weten, of, iets relativerender gezegd, werken min of meer onbewust heel selectief in wat ze menen wel en niet te kunnen weten. In elk geval houden ze vanwege die min of meer onbewuste motieven de filosofen met nadruk buiten de deur. In de wetenschapsfilosofie heeft Thomas Kuhn het begrip normal science, te vertalen als ’geijkte wetenschap’ geïntroduceerd om dit kenmerk van reguliere wetenschapsbeoefening te karakteriseren.[4] Omgekeerd maak je als wetenschapper in de media de blits met verhalen in de trant van de ’vleeshufters’. Zo krijg je geld voor verder zogenaamd onderzoek dus tel uit je winst [daar ligt het gelijk van Abma].

Semantic priming

Een nadere uitleg van het fenomeen priming loopt via het zogeheten semantic priming. Dit houdt in dat een stimulus het verwerken van semantisch gerelateerde concepten faciliteert. Plat samengevat: het lezen van het woord ’stoel’ helpt bij het verwerken van het woord ’tafel’. Semantic priming is een uiting van het zogeheten impliciete geheugen. Ik verzin een voorbeeld. Ik geef een groep proefpersonen een lijst met allerlei woorden en namen te lezen waarin enkele malen het woord ’stapel’ voorkomt maar niet de naam Stapel, en hen kort daarna een lijst  met allerlei woorden waarvan de helft bedrog of een daarmee verwant woord is, en verder weer verschillende namen waarvan alleen Diederik Stapel als naam die lijkt op een van de woorden uit de eerste lijst, en vraag daarna de proefpersonen wat ze in de speciale lijst speciaal opmerkelijk vonden. Dan is er een zekere waarschijnlijkheid dat de meerdere proefpersonen speciaal die naam zullen opmerken [over de uitleg van ’waarschijnlijkheid’ kunnen statistici bij de interpretatie van de resultaten elkaar dan de tent uitvechten].

Voor de goede orde: ik heb dit verzonnen. Of het echt zo gebeurd zou zijn als ik het experiment echt had uitgevoerd, weet ik niet. In dit niet weten, met de implicaties ’ik wil het niet weten’ en zelfs ’ik hoef het niet te weten’, ligt de hele dramatiek besloten van Stapelgate [de affaire-Stapel is aldus bijna een dozijn maal door hem zelf Stapelgate genoemd in de ’Ontsporing’].

3. Mythen

Lang voor de geschiedenis begon gebeurde al van alles dat niet opgetekend is in de geschiedschrijving. Mythen zijn een onvervangbare bron van kennis daarover.

Impliciet geheugen

Het USP, het Unique Selling Point van de nieuwe duiding van Stapelgate die ik hier waag, loopt via dit ’impliciete geheugen’. Dat is een vorm van het langetermijngeheugen waarbij er niet direct sprake is van bewuste beleving van of toegang tot opgeslagen kennis. Deze vorm van geheugen komt vooral tot uiting in beter presteren in bepaalde taken na herhaalde oefening (zoals leren fietsen of tennissen) of na eerdere kennismaking met bepaald stimulusmateriaal. Stapel zelf noemt het niet; wel komt ’impliciet’ negen maal voor in zijn ’Ontsporing’, meestal met min of meer impliciete (!) verwijzing naar de betekenis waarin ik het hier samenvat.

Wat Stapel en zijn collega’s niet lijken te weten is dat dit impliciete geheugen essentieel verder reikt dan de horizon van de huidige mainstream psychologie - en ik gebruik hier het begrip ’essentieel’ in zijn letterlijke betekenis: betrekking hebbende op wat niet rechtstreeks via de zintuigen en het gewone verstand kenbaar is: metafysisch, transcendent.

Mythe

Het zijn Grote Woorden die ik hier gebruik - maar het gaat bijna vanzelf [misschien is het een zaak van ’social priming’, een variant van de genoemde ’semantic priming’: omdat het echt een Grote Zaak betreft fluistert mijn impliciete geheugen mij misschien de Grote Woorden is]. Hoe dan ook, ik kan me dat wel voorstellen, want de reikwijdte van wat Stapel in gang gezet heeft, reikt echt verder dan de horizon van de huidige mainstream psychologie. Onweerstaanbaar trekt die oneindigheid mij aan [om niet te zeggen: trekt die oneindigheid aan mij[5]] en dat gaat heel ver.  Om precies te zijn: het impliciete geheugen reikt tot het begin van de mensheid. Destijds, toen het allemaal begon, kreeg de mens op de een of andere manier benul van de vrijheid.

Ik kom daarop omdat Stapel het woord ’vrijheid’ ruim een dozijn maal noemt in zijn ’Ontsporing’. De samenhang is weliswaar nergens in énig expliciet verband met de fundamentele betekenis die ik hier bedoel, maar tussen de regels door is Stapel heel duidelijk. Hij was verslaafd geraakt aan zijn manier van psychologie bedrijven in het algemeen en aan het sociale succes dat hij daarmee had in het bijzonder.[6] en een verslaafde is in essentie niet meer vrij.

Vrijheid

In het begin der tijden kreeg de mens op de een of andere manier benul van de vrijheid. Noteer intussen de cursivering van ’op de een of andere manier’. Die heb ik aangebracht omdat inhaerent aan de vrijheid is dat we niet met zekerheid kunnen weten wanneer, hoe, waartoe dit benul van die vrijheid ontstond. En toch willen we dat weten - en we kunnen in elk geval met kans op succes gaan zoeken wanneer we de mythe als bron van kennis hoger gaan waarderen dan ze thans, in deze tijd van endemisch fundamentalistisch ongeloof, meestal gewaardeerd wordt.[7] De geschiedenis van de mens en de geschiedschrijving over de mens zijn van later datum dan de mens zelf; in lijn met de strekking van de parabel van de Baron Von Münchausen die zich aan zijn eigen haren uit het moeras getrokken zou hebben, kan de geschiedschrijving als discursieve wetenschap dus niet achterhalen hoe de geschiedenis begon. Wij vinden een prima vervangmiddel in de mythen. Die wijzen in de richting van de tijd vóór de geschiedschrijving,de tijd waarin alles begon. De ten onrechte weinig bekende filosoof Georges Gusdorf (1912 - 2000) heeft een behartigenswaardig pleidooi gehouden om de mythe te erkennen als een legitieme bron van kennis van wat er was en hoe het was in de tijd vóórdat historici materiaal konden gaan zoeken om hun werk mee te gaan doen.[8]

Evolutie

Behalve mythen draagt ook ons inzicht in de evolutie bij tot kennis over wat héél lang geleden gebeurde. Dat is een heel ander verhaal, en voordat ik daar even op in ga, wil ik met enige nadruk noteren dat ’evolutie’ niet het zelfde is als ’(de) evolutie(theorie) volgens Darwin’. In de wetenschapsfilosofie circuleert een behartigenswaardige visie hierover.

De evolutie is zeker realiteit, aldus deze visie, maar het mechanisme dat veel aanhangers van Darwin postuleren als ’motor’ van die evolutie is louter een psychologische projectie in de natuur in de lijn met het 19e-eeuwse Engelse politiek-economische denken. Zoals in de extreme opvatting van het kapitalisme die toen gemeengoed was de sterkste rijk en machtig wordt en in zijn rijkdom en macht zijn morele gelijk krijgt, zo houdt de leer van de ’survival of the fittest’ ons voor dat in de natuur alleen de sterkste exemplaren van de soort overleven en zich kunnen voortplanten.[9]

Nog drastischer relativerend is wat Rudolf Steiner over Darwin te melden heeft; antroposofen [= leerlingen van Rudolf Steiner (1861 - 1925); ik ben een van hen] mogen zich dit met enige grimmigheid graag herinneren. Al meteen in het begin van zijn werkzame leven sprak hij zich ondubbelzinnig uit vóór de evolutie - maar even uitdrukkelijk tégen de opvatting van Darwin hierover. Over dit onderwerp heeft hij een van de krachtigste kwalificaties gegeven die ik ooit in zijn teksten gelezen heb. Later, toen hij vanuit de theosofen zijn eigen school ’antroposofie’ had gesticht, sprak hij zelfs van een ’Erkenntnisstrafe’: de mensheid was zó ver van de waarheid afgedwaald dat ze voor straf in deze absurde voorstelling van zaken volgens Darwin ging geloven.[10]

Terzijde noteer ik het sterke contrast tussen enerzijds de mythe waarvan inhoud en strekking door de ware wetenschapper als ongeloofwaardig wordt gezien en de evolutietheorie die voor deze wetenschapper juist het imago van dezelfde zekerheid heeft als waarmee de astronomie en andere natuurwetenschappen ons blij maken.

Habitat

Darwin and all that nu verder latend voor wat het is noteer ik nu een curiosum dat wel van belang is. De mens lijkt op en verschilt van de hogere diersoorten; dat is een feit. Een essentieel verschil is dat mensen vrijheid kennen en het dier niet; voor biologen die zich helemaal aan de ware leer van de evolutie houden is dit geen geldige overweging. Omgekeerd zijn mensen en dieren precies hetzelfde wat betreft hun relatie met hun natuurlijke omgeving, hun habitat; maar voor de mens is de hele kosmos, de totale werkelijkheid inclusief de mens zelf met zijn kenvermogens en zijn vrijheid, zijn ’natuurlijke’ [beter gezegd: ’zijn natuurlijke en cultuurlijke’] habitat. 

Dat is altijd zo geweest sinds de mens er is; hoe dat ontstaan is, is een mysterie. Volgens alweer de antroposofen ging dat zo dat hogere machten [in monotheïstische religies aangeduid als Jahweh of God of Allah; de discussie dáárover laat ik liggen] de mens schiepen met het doel een nieuwe kwaliteit toe te voegen aan de kosmos, in casu de vrijheid. Volgens anderen, die evenveel recht op hun oordeel hebben, ontstond de vrijheid in de loop van de evolutie; ik ga niet verder in op dit verschil van opvatting, want het hoeft niet. De notie van de vrijheid accepteer je of niet; dat staat iedereen vrij. De discussie daarover is hier niet aan de orde, maar vanwege de mentale staat waarin Stapel zich tijdens zijn ontsporing bevond moest het even uitgelegd worden De vorige secties waren uitwerkingen van het ’fraude’-motief van Medawar. Een andere auteur geeft een andere belangwekkende ingang in de ondergronden van de affaire-Stapel. Daarover meer in het tweede deel van dit essay.


[1]    ’Ontsporing’, Uitgeverij Prometheus, Amsterdam, 2012 ISBN 978 90 446 2312 3. Het boek is als pdf downloadbaar

[2]    ’In haar orthodoxe vorm belichaamt de wetenschappelijke publicatie een totaal verkeerde voorstelling, zelfs een maskering van de aard van het wetenschappelijk denken.  ... [Die ongeschreven regel schrijft je voor dat je] moet doen alsof je geest, om het zo te zeggen, een maagdelijk leeg vat is waar de informatie vanuit de buitenwereld vanzelf binnenkomt zonder dat je zelfs maar aanduidt hoe die informatiestroom daarin komt. The scientific paper in its orthodox form does embody a totally mistaken conception, even a travesty, of the nature of scientific thought. ... You have to pretend that your mind is, so to speak, a virgin receptacle, an empty vessel, for information which floods into it from the external world for no reason which you yourself revealed. Medawar, P. B. Is The Scientific Paper a Fraud? Experiment: A Series of Scientific Case Histories First Broadcast in the BBC Third Programme, David Edge, editor. London: British Broadcasting Corporation, 1964, pp. 7-13.

[3]    Priming refers to the incidental activation of knowledge structures, such as trait concepts and stereotypes, by the current situational context. Many studies have shown that the recent use of a trait construct or stereotype, even in an earlier or unrelated situation, carries over for a time to exert an unintended, passive influence on the interpretation of behavior.  John A. Bargh e.a., Automaticity of Social Behavior: Direct Effects of Trait Construct and Stereotype Activation on Action, Journal of Personality and Social Psychology 1996. Vol. 71, No. 2. 230-244.

[4]    Scientists have not generally needed or wanted to be philosophers. Indeed, normal science usually holds creative philosophy at arm’s length, and probably for good reasons. Thomas S. Kuhn, The Structure of Scientific Revolutions,  1962, 1970 The University of Chicago. International Encyclopedia of Unified Science Volume 2 • Number 2

[5]    In ’social priming’ zijn filosofie en psychologie lekker doorelkaar gehusseld. Zie bijvoorbeeld het recente onderzoek in Frankrijk waarin een merkwaardig verband werd aangetoond tussen het effect van een lekkere geur en altruïstisch gedrag. Mensen die eerst de aangename geur van verse warme croissantjes hadden opgesnoven waren direct daarna meer dan anderen geneigd zich jegens anderen hulpvaardig te gedragen. De vraag wat ethiek eigenlijk is spookt al meer dan twintig eeuwen in de filosofie rond. En nu dit verhaal over croissantjes: zou het echt? Zou je de wereld kunnen verbeteren door de mensen meer goede voeding te geven? Die vraag houden we erin! Zie Ruwen Ogien, L’Influence de l’odeur des croissants chauds sur la bonté humaine et autres questions de philosophie morale experimentale, Grasset, Paris, 2011. Een eigen variant van dit verhaal geeft Rolf Zwaan in zijn Candid Blog about Psychological Experimentation, Cognition, Language, and Other Stuff, 2013 04 23.

[6]   Als ’pars pro toto’ citeer ik één passage uit ’Ontsporing’ (blz. 165): ’... als een verslaafde began ik - toen het even heel erg tegenzat, toen mijn experimenten maandenlang telkens maar niet uitkwamen, toen ik een jaar lang niets gepubliceerd kreeg, toen de wereld niet meer mooi te maken leek -een nieuwe wereld, mijn eigen wereld, uit mijn duim te zuigen. ... Ik bedacht alles. Ik werd een junk- niet in een keer, maar stap voor stap, steen voor steen. Wiet, speed, cocaine, paddo’s, lsd, heroine, crack, oxidado: het was nooit goed, mooi, of lekker genoeg. Wetenschap als pure fantasie. Wetenschap als trip, als hailucinogene drug. Ik at de snoeptrommel helemaal leeg.’ 

[7]    Een klassiek voorbeeld van het eigentijdse fundamentalistische ongeloof vond ik lang geleden in een stukje van ds. Marieke Brouwer. In dit stukje werd het bericht in het Evangelie over de hemelvaart van Jezus door de dominee gekwalificeerd als "misschien wel het meest bizarre" van de vele "ongeloofwaardigheden" in het Christelijk geloof. Gelukkig hoeft deze ongeloofwaardigheid de moderne mens echter niet van zijn geloof af te brengen want, aldus ds. Brouwer, "net zoals het Kerst- en Paasverhaal moet de vertelling van Hemelvaart niet letterlijk maar figuurlijk gelezen en begrepen worden, als een geheel van symbolen". Geciteerd uit ’Een wolk onttrok Hem aan hun ogen’, NRC-Handelsblad 24 mei 1995, pag. 32

[8]    Georges Gusdorf, ’Mythe en metafysica - een inleiding tot dewijsbegeerte’, Erven J. Bijleveld, Utrecht, 1963.

[9]    Hugo Verbrugh, Wat men in de gewone media niet leest over Darwin, Civis Mundi 31 maart 2011 

[10]  Letterlijk zei hij, op 22 november 1919, naar de gestenografeerde tekst (Die Sendung Michaels, GA 194), in Dornach voor leden van de vereniging: ’Man hat alles am Menschen zusammengeworfen und spricht von der Abstammung des Men­schen von der Tierheit. Das ist etwas wie eine Erkenntnisstrafe, die in die Menschheit hereingekommen ist, wobei ich das Wort «Strafe» in einem etwas umgedeuteten Sinne meine.’