Daarom noem ik mij katholiek en atheïst

Civis Mundi Digitaal #22

door Ralf Bodelier

Daarom noem ik mij katholiek en atheïst

 

Twaalf jaar geleden verklaarde Ralf Bodelier zich in Civis Mundi tot atheïst. Vandaag constateert hij dat het zelfverzekerde en triomfantelijke katholicisme waar hij zich van af keerde, plaats maakt voor een experimentele, vragende, bescheiden en geëngageerde vorm. Het is een religieus humanisme, dat herinnert aan de renaissance, aan Pico Della Mirandola en Desiderius Erasmus, en dat wordt belichaamd door Paus Franciscus. Het is een katholicisme waarin zelfs de atheïst zich geborgen kan voelen.

 

Ralf Bodelier

 

In het voorjaar van 2001 schreef ik in Civis Mundi een lang artikel onder de kop ‘En daarom noem ik me atheïst’. Hoofredacteur Wim Couwenberg tipte Dagblad Trouw. Op zaterdag 5 mei vulde het verhaal twee pagina’s van het katern ‘Letter & Geest’. Het was een hard en provocerend stuk dat jarenlang rondwaarde op internet en waar ik achteraf niet trots op ben. Onlangs heb ik het met in- en uitleidend commentaar weer op mijn eigen website gezet.

We zijn twaalf jaar verder en een paar weken geleden ging ik voor in een zondagsdienst van de Ekklesia Tilburg. Deze, naar de Amsterdamse Ekklesia van Huub Oosterhuis gemodelleerde kerk, omschrijft zich zelf als ‘een oecumenische geloofsgemeenschap met ruimte voor alle vormen van christelijk geloof en denominaties’. Ik opende de bijeenkomst met gebed, hield een preek en zond de bezoekers huiswaarts met een zegen. Dat alles bereidde ik nauwgezet voor en dat deed ik bovendien met veel plezier.

Afgelopen zomer ging ik op pelgrimage en liep ik onder leiding van pater Henk en met vijftien anderen het Peerkepad. Dat is een bedevaart van 160 kilometer van Zuid-Limburg naar Tilburg. Met het vallen van de herfst deed ik een korte retraite bij de Trappisten van de Abdij Koningshoeven in Berkel-Enschot. En dan bezoek ik óók nog regelmatig de zondagse mis in de Mariakerk van de Norbertijnen in Tilburg Noord.

Je zou kunnen constateren dat ik langzaam maar zeker weer terugkeer naar de traditie waarin ik (jaargang 1961) opgroeide. Zelf trek ik een andere conclusie: het katholicisme is sterk aan het veranderen. Tot ver in de jaren ’60 was er (aldus Rudy Kousbroek in een essay over een katholieke kostschool uit de jaren ’50) nog volop sprake van ‘wanhopige neogotiek uit grauwe baksteen, druipnat onder een loodgrijze hemel, met sombere binnenplaatsen, voetballende paters, rozenhoedjes, zoetelijke taal, arglistige biechtvaders, verboden boeken, geniepige verklikkers, bekrompen fanatisme en kwaadaardige schijnheiligheid’. Een behoudende kongsi van kardinalen, bisschoppen en hulpbisschoppen ten spijt, is dit katholicisme in West-Europa vrijwel verdwenen. Wat er voor terugkomt, is een eerder bescheiden, zoekend en humanitair katholicisme.

 

Pelgrimage

Pater Henk Erinkveld wandelt voorop. Erinkveld is rector van het Redemptoristenklooster in Wittem en een van de bedenkers van het Peerkepad. En Peerke, dat is Peerke Donders, een missionaris uit Tilburg die het halverwege de 19e eeuw opnam voor slaven en melaatsen in Suriname en die in 1982 zalig werd verklaard. Het hoofdklooster van Peerkes orde, de Redemptoristen, staat in het Zuid-Limburgse Wittem, reden voor pater Henk om met een groep pelgrims twee keer per jaar van Wittem naar Tilburg te lopen.

Waarom ik meewandel kan ik moeilijk onder woorden brengen. De bedevaart kán iets te maken hebben met het landschap. Met de Limburgse heuvels, de Maasvallei, de vennen, de Kempische heide, de oude boerderijen, de koeien en het vers gemaaide gras. Want de trage tocht, die maar amper over geplaveide wegen trekt, ontsluit een wereld waar de snelle treinreiziger of automobilist nog maar amper weet van heeft.

 Bovendien pelgrimeer ik omdat ik vlakbij Wittem geboren ben en nu terug wandel naar Tilburg, waar ik alweer 33 jaar woon. Van toen naar nu, van jong naar oud, van wat voorbij is naar wat nog komen gaat. Een pelgrimage door mijn eigen geschiedenis om vooruit te kunnen in mijn eigen toekomst. Een pelgrimage zoals mijn wandelvriend, atheïst en individualist Herman Vuijsje als ‘Pelgrim zonder God’ ooit maakte van het katholieke en middeleeuwse Santiago de Compostela naar het goddeloze en 20e-eeuwse Amsterdam.

Mogelijk heeft mijn pelgrimage ook te maken met een lichte nostalgie naar een wereld die misschien nog niet helemaal verloren ging. De wereld van kloosters, gregoriaans, wierook en gefilterd licht. Een wereld die inderdaad, oud en verstild, verborgen blijkt te liggen in afgelegen dorpen als Urmond en Houthem, Hamont, Duizel en Vessem.

Daarbij komt een aardige portie nieuwsgierigheid. Ik ben nieuwsgierig naar mijn mede-pelgrims en naar pater Henk die, mild en enigszins verlegen, ons allen aan de wandel moet zien te houden. Het meest nieuwsgierig ben ik nog wel naar hoe we ons gaan verhouden in deze situatie van zelfverkozen groepsquarantaine.

Maar dit alles –het landschap, de verborgen schatten van de katholieke traditie, het psycho-sociologisch experiment-, het zijn vooral argumenten om nóg eens op pelgrimage te gaan. Want voor je aan zo’n tocht begint, weet je natuurlijk niet dat je dit allemaal tegenkomt.

Dus, laat ik het maar bekennen, ben ik op zoek naar iets wat je bezieling, inspiratie, pathos kunt noemen. Naar ‘iets’ dat me terug kan voeren naar dat waar het in mijn leven om draait; althans naar dat waar het om zou moeten draaien. Naar woorden, beelden en verhalen die ik in het dagelijkse leven, maar ook in de media, de filosofie en de kunst, nog maar amper tegenkom. En dat zijn woorden, beelden en verhalen die me, hoe zal ik het zeggen, weer wat vriendelijker, toleranter, kwetsbaarder, onzekerder, afijn, menselijker maken. En, opmerkelijk voor een zelfverklaard atheïst, zoek ik die inspiratie dus in een katholieke context.

 

Atheïst

Ik ga op bedevaart en toch noem ik me atheïst. Een katholieke atheïst, dat dan wel weer. Maar een a-theïst, iemand die, letterlijk, geen ‘theïst’ is of wil zijn. Want een theist, zo meende ik in 2001, en vandaag meen ik dat nog steeds, is op de eerste plaats een christen, jood of moslim, die gelooft in een persoonlijke God. En die persoonlijke God bestaat dan weer uit ‘een bijzondere combinatie van almacht, goedheid en alomtegenwoordigheid’. Omdat God deze unieke eigenschappen bezit, verdient Hij het om in alles vereerd te worden, dienen we Hem in alles te gehoorzamen en moeten we ons in alles aan Hem onderwerpen.

De theist die in een zo’n omnipotente God gelooft, is nogal eens bereid daarvoor massieve instituten op te tuigen, Diens woord in goud te gieten en Hem met alle middelen tegen zijn critici in bescherming te nemen. Het is dit specifieke idee van God waarvan ik, als theoloog en in 2001, dus véél te laat, definitief afscheid nam.

Deels nam ik afscheid omwille van de intellectuele inconsistentie van het theïsme. Want hoe verenig je in hemelsnaam al die fraaie eigenschappen van God met het probleem van het kwaad of dat van de menselijke vrijheid? Ik deed het ook omdat ik het theïsme een kinderlijke en daarom mensonwaardige constructie vond en vind. Wanneer God ‘de vader’ van ‘zijn kinderen’ eist dat je je met huid en haar aan hem onderwerpt, ontneemt Hij je alle verantwoordelijkheid, inclusief je verantwoordelijkheid voor de ander wanneer deze je hulp nodig heeft. In zijn Lof der Zotheid, omschrijft Erasmus het als volgt: ‘Daar komt nog bij, dat Hij de Zijnen, de tot onsterfelijkheid geroepenen, ‘schapen’ noemt! Nu bestaat er geen dommer wezen dan dit, getuige Aristoteles’ uitdrukking ’schapenverstand’. Christus evenwel verkondigt, dat hij van deze kudde de herder is, ja..."

Nu is het theïsme niet voorbehouden aan het geloof in de almachtige, goede en alomtegenwoordige God van de islam, het Jodendom en christendom. Je komt deze vorm van geloof veel breder tegen. Bijvoorbeeld bij het nationalisme maar ook bij extremistische varianten van de milieubeweging, de zogenaamde Dark Green Religions. Ook het atheïsme zélf kan omslaan in een theïsme, zoals gebeurde in het gosateizm van de Sovjet Unie met haar spirituele cultus rond het gebalsemde lichaam van Lenin.

Een gematigd-atheïstische levenshouding biedt je daarentegen bescherming tegen vormen van kinderlijke religiositeit. In mijn roman Atheïst in Afrika (2001), waarin ik mijn geloofsafval uitwerk in een reisverhaal dwars door de slums van Oost-Afrika, verwoord ik het zo: ‘Iemand zei eens dat je moet Denken ohne Geländer. Ik vind dat een mooi beeld. (…) Denken zonder trapleuning. Dát is atheïsme. De atheïst wil zo weinig mogelijk gebruik maken van Geländer.’

De ‘iemand’ die deze vorm van denken bepleitte, was natuurlijk Hannah Arendt (1906-1975). En vanuit deze definitie is atheïsme in feite een houding van permanente achterdocht. Telkens wanneer je een leuning meent te ontwaren, is het je intellectuele opdracht om je ervan te bevrijden, om opnieuw onbevangen in het leven te staan en je verantwoordelijkheid te nemen.

In diezelfde roman constateer ik echter ook dat het zo gemakkelijk nog niet is om te denken zonder leuningen. Voor je het weet donder je van de trap en beweer je pertinente onzin. Of, wat waarschijnlijker is: voor je het weet, word je bevangen door hoogtevrees en durf je niet meer verder te klimmen en te denken.

Misschien, zo overweeg ik in Kosmopolitische Perspectieven (2012), is denken zonder enig houvast wel onmogelijk. Misschien bestaat denken wel uit het ontwerpen van nieuwe trapleuningen om daarbinnen onverwachte wegen in te slaan, hoger te klimmen of van de ene trap naar de andere te wandelen. Vertrouwen we niet allemaal, ook de grootste sceptici onder ons, op leuningen om verder te kunnen? Op leuningen die we, wanneer ze eenmaal zijn vastgeschroefd, niet meer ter discussie stellen? Al was het maar omdat we ze niet meer als zodanig herkennen?

Atheïsme, zo meen ik vandaag, is eerder een opdracht, een streven en een voornemen tot doorlopende achterdocht, dan een feitelijk gegeven. Met deze gedachte haak ik aan bij de joodse ethicus Emmanuel Levinas wanneer deze atheïsme omschrijft als een onmisbaar onderdeel van ‘een godsdienst voor volwassenen’. Alleen wie in staat én bereid is om God te ontkennen, is in staat om verantwoordelijkheid te nemen voor zijn en andermans bestaan. Atheïsme maakt ons vrij om onze eigen keuzes te maken en na te leven. In het atheïsme fundeert de mens zijn zelfstandigheid. Atheïsme is daarmee niet meer of minder dan het op je nemen van je intellectuele en morele verantwoordelijkheid.

Op de vraag ‘ben je gelovig of atheïst?’ zou ik vandaag het volgende antwoorden: ‘Ik weet het niet. Ik sluit niet uit dat ik gelovig ben. Maar ik doe mijn stinkende best om atheïst te zijn.’

 

Zeven werken

Tegen het einde van de eerste dag, in het dorpje Urmond, draait pater Henk het poortje open naar het kerkhof. We volgen hem tussen de graven tot een plaats waar we met zijn allen kunnen zitten. Met het zachte namiddaglicht op zijn grijze baard, legt Erinkveld uit dat deze pelgrimage in het teken staat van de zeven werken van barmhartigheid. Elke dag zullen we even stilstaan bij wat het voor ons, betekent om, bijvoorbeeld, ‘de dorstigen te laven’, de ‘vreemdelingen te herbergen’ of de ‘gevangenen te bezoeken’.

Vandaag, en op dit dorpskerkhof, gaat het om ‘de doden begraven’, Dat hebben wij tegenwoordig uitbesteed aan uitvaarondernemers, zegt Erinkveld. Toch blijft dit werk van barmhartigheid van belang, al gaat het nu eerder om het herdenken van de doden. Om het besef dat je opgroeide in een gezin, dat je in een traditie staat, dat je ergens vandaan komt, dat je niet in een vacuüm werd geboren, maar in een gemeenschap van mensen. Het herdenken van je doden, zo begrijp ik van Erinkveld, is niet alleen een kwestie van dankbaarheid jegens hen die je voorgingen, het is ook een werk van barmhartigheid jegens jezelf. Je kunt jezelf eerder onhebbelijkheden vergeven wanneer je beseft dat ze wellicht zijn overgeleverd, dat ze al eeuwenlang in de familie zitten en ook jou zullen overleven.

Dan richt pater Henk zich tot twee vrouwen, twee zussen uit het westen van Nederland. Naast elkaar zitten ze op een oude grafsteen. Bij benadering zegt hij dan het volgende. ‘Voor jullie, X en Y, heeft dit werk van barmhartigheid wel een heel persoonlijke betekenis. Want nog maar een week geleden hebben jullie je moeder begraven. Je vertelde mij, X, dat jullie overwogen om deze pelgrimage af te zeggen, maar jullie zijn toch meegegaan. Ik heb daar veel respect voor. Ik hoop dat deze week een bijdrage kan leveren aan het verwerken van jullie verlies.’

Pater Henk benoemt het verdriet van beide vrouwen. En zonder dat hij het met zoveel woorden zegt, schept hij voor hen de ruimte om over hun moeder te praten en voor ons de ruimte om met hen mee te leven. En dat laatste gebeurt ook. De meeste pelgrims wandelen op zeker moment naast een van beiden en geven de vrouwen de kans hun hart te luchten.

De groep is zonniger en uitgelatener dan ik verwachtte. In de avonden staan Belgische bieren op tafel, vaak is er ’s middags al gebak. Iedereen, van 50 tot 78, is goed ter been, oogt vitaal en opgeruimd. In een reguliere setting, bij een wandelclub, natuurvorsersvereniging of teambuildingsprogramma, zou de indruk van een vrolijke groep vakantiegangers de volle week makkelijk hebben doorstaan.

Maar dit is geen reguliere setting. Dit is een pelgrimage rond de zeven werken van barmhartigheid. En elke dag weer, schept pater Henk met zijn lichte meditaties en pelgrimsliederen ruimte om te praten, te zwijgen, alleen te lopen of samen op trekken. En al snel dringt het tot me door dat alle pelgrims achter hun vrolijke opgewektheid een leven meetorsen waarin niet alles van een leien dakje ging. Dode en zieke kinderen, dramatische echtscheidingen, vroegtijdige ontslagen, foute beslissingen, familieruzies, lichamelijke gebreken en jaren van mantelzorgen lieten bij de meesten diepe krassen achter.

En niemand, zo besef ik op een ochtend terwijl we de Maas oversteken, is wie en wat hij zou willen zijn. Niemand koos voor zijn echtscheiding, voor de dood van zijn kind, voor zijn nabij snellende ouderdom, voor zijn eigen bestaan. We zijn geworpen in het leven. In een leven dat ons, volgens Martin Heidegger (1889-1976) vaak aanstaart ‘in meedogenloze raadselachtigheid’.

Op een avond, in de Pelgrimshoeve in het Brabantse Vessem, praten we kort over de vraag óf er een God bestaat. Het is geen onderwerp dat mijn medepelgrims bezig houdt. De vraag lijkt er simpelweg niet toe te doen. Van de vijftien pelgrims zijn er niet meer dan zes die zich gelovig noemen, waaronder vijf katholieken en één boeddhiste. De rest valt op een of andere manier onder weidse begrippen als ‘agnost’ of ‘ietsist’. En dat is dan conform de gehele Nederlandse bevolking, waarvan eveneens twee derde tot het ‘ietsisme’ kan worden gerekend.

En toch zijn we met zijn allen op bedevaart, vertrokken we uit een klooster met de pelgrimszegen, volgen we een heuse pater met een grijze baard en doen we doorlopend abdijen, kerken en wegkapelletjes aan.

 

Nieuw atheïsme

Het atheïsme waartoe ik me in 2001 bekende, was méér dan een oefening in logisch en rationeel denken. Nadrukkelijk richtte ik me op de naargeestige consequenties van het theïsme. Op consequenties die in volle hevigheid tot me waren doordrongen in 1995, tijdens een maandenlange zwerftocht door het met aids geslagen Afrika. Een tocht die mijn leven ingrijpend veranderde, al was het maar omdat de extreme armoede in de slums van Nairobi en Lilongwe nooit meer uit mijn denken en doen verdwenen zijn. Maar ik leerde meer, in de kerken en moskeeën van Soweto en Mbare.

Ik leerde dat hij die meent dat God in alles vereerd en gehoorzaamd moet worden, ook kans loopt om over alles en iedereen heen te walsen. Dat deed niet alleen Osama bin Laden, die enkele maanden na de publicatie van mijn artikel de wereld op zijn kop zette. Dat deed ook de Bijbelse Mozes die duizenden van zijn eigen volgers liet uitmoorden nadat zij het waagden om een gouden kalf te bakken. Dat deden generaties christelijke leiders in hun wrede anti-judaïsme, worstelend met het probleem dat hun joodse Messias juist door de joden werd verworpen. Dat deden in 2002 extremistische Hindoes tijdens de moordpartijen op zeker duizend moslims in de Indiase deelstaat Gujarat.

En ja, dat deden recente pausen als Johannes Paulus II en Benedictus XVI. Met hun evident onware boodschap dat ‘condooms geen oplossing zijn voor aids’, namen zij verantwoordelijk voor talloze aidsdoden in Afrika. Al even dramatisch is de innige samenwerking van de Heilige Stoel binnen de Verenigde Naties met landen als Iran, Saudi-Arabië en (in het voorjaar van 2013) met de Egyptische moslimbroeders. Bij de VN heeft de katholieke kerk de status van ‘permanent observer’ en torpedeerde hij samen met een aantal orthodox islamitische landen voorstellen op het terrein van family planning en vrouwenrechten. Zo wist de rooms-islamitische alliantie onder meer het streven naar geboortebeperking in ontwikkelingslanden buiten de Millenniumdoelen te houden. En dat, terwijl het terugdringen van het aantal kinderen binnen straatarme gezinnen van directe invloed is op de levensomstandigheden van miljoenen mensen.

Mijn atheïsme was en is dus niet alleen van rationele, maar ook, en vooral, van morele aard. Daarmee mag ik me tot een stroming rekenen die na de aanslagen op het WTC in 2001 snel groeide en sindsdien rondwaart onder de term ‘New Atheism’.

In Nederland zou ik Paul Cliteur de meest uitgesproken vertegenwoordiger van deze stroming willen noemen, in het Angelsaksische taalgebied is het, naar mijn idee, de in 2011 overleden Christopher Hitchens, auteur van God is not Great. In dit boek verwerpt Hitchens in één hoofdstuk het bestaan van God. In de overige achttien beschrijft hij de vele nadelen die aan het godsgeloof verbonden zijn, variërend van de islamistische moordzucht in het Midden-Oosten, het verwerpen van vaccinaties door moslims en voorbehoedsmiddelen door katholieken, tot het besnijden van kleine jongetjes door volwassen Joden.

Het klassieke atheïsme verwerpt met logisch redeneren de God van het monotheïsme en kan daarom ‘principieel’ worden genoemd. Het Nieuwe Atheïsme is eerder voorwaardelijk. En die voorwaardelijkheid zit ‘m in het feit dat de nieuwe atheïst het geloof in God afwijst op grond van consequenties die hem simpelweg niet bevallen. Voor de meeste New Atheists zijn dit de consequenties van het geloof in de God van de islam. In mijn geval is dat de God van het christendom, en, meer specifiek, die van het katholicisme.

Nu is het interessant om je af te vragen of Christopher Hitchens God is not Great ook had geschreven wanneer, bijvoorbeeld, volwassen theisten hun kinderen niet terroriseren, wanneer moslims en katholieken alles op alles hadden gezet om ziekten als polio of hiv-aids te voorkomen, of wanneer de islam in het Midden-Oosten een bron van verzoening en geweldloos verzet was geweest.

Het is een vraag die ik vandaag vooral mezelf stel. Hoe had ík geoordeeld wanneer het katholieke theïsme in de jaren ’80 en ’90 hand in hand was gegaan met een tolerante visie op seksualiteit, een twijfelende houding ten opzichte van metafysische claims, een gezonde nieuwsgierigheid naar alles wat onze tijd aan kunst, cultuur en literatuur te bieden heeft en met een sterke focus op het grootste onrecht in de 21e eeuw: het feit dat nog 842 miljoen mensen met honger naar bed gaan? Had ik in 2001 dan ook zo stevig uitgepakt? Mijn antwoord kan duidelijk zijn: in dat geval had ik het artikel voor Civis Mundi nooit geschreven.

Op de vraag ‘ben je gelovig of atheïst?’ zou ik vandaag óók antwoorden: ‘Ik weet het niet meer. Mijn atheïsme is in elk geval een stuk pragmatischer dan ik twaalf jaar geleden besefte.’

 

Buona Sera

Plots was hij er, in maart 2013, en hij zei ‘Buona Sera’. Een paar maanden later wandelde paus Franciscus al door de favela’s van Rio, bezocht hij nooddruftige ziekenhuizen en schonk hij warme woorden aan straatarme migranten op Lampedusa. Vandaag, negen maanden verder, blijkt dat het meer is dan louter symboolpolitiek. Deze paus is vastbesloten armoedebestrijding tot de absolute prioriteit van de Rooms-katholieke kerk te maken. Preekte zijn voorganger paus Benedictus meer afstand tot de wereld en riep hij de katholieken op om zich terug te trekken in het geloof, Franciscus stuurt hen de kerkgebouwen weer uit en de straat weer op.

Expliciet volgt deze paus de boodschap van Franciscus van Assisi (1182-1226) dat de kerk zélf moet kiezen om in armoede te leven, terwijl ze tegelijkertijd de ongekozen armoede van ánderen moet bestrijden. Daarin ging de middeleeuwse ‘Francesco Poverello’ een heel stuk verder dan zijn voorganger Jezus. Ook Jezus predikte barmhartigheid. Maar, zo valt uit de evangeliën op te maken, zélf leefde hij allesbehalve in armoede. Terwijl de radicale Franciscus álles weggaf, inclusief een dak boven zijn hoofd, dobbelden de soldaten die Jezus vermoordden om zijn kleren. Naar de vodden van Franciscus hadden ze waarschijnlijk geen vinger uitgestoken. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de volgers van Franciscus telkens weer in de periferie van de kerk belandden.

En plotsklaps bevindt het ideaal van Franciscus zich in het hart van het katholicisme. Terwijl in de linkse jaren ’70 en ’80 bevrijdingstheologen door het Vaticaan met vuur en vlam werden bestreden, liet Franciscus tijdens zich tijdens zijn bezoek aan de Braziliaanse sloppenwijken vergezellen door een immens portret van Óscar Romero, de in 1980 in El Salvador vermoorde ‘bisschop van de armen’. Terecht constateert Nicolás Cotugno, aartsbisschop van de Uruguayaanse hoofdstad Montevideo, dat de kerk in revolutionair vaarwater is beland.

Zeker. Maar wie Franciscus’ beleid daarentegen toetst op kwesties als de toelating van vrouwen tot het priesterschap, de opheffing van het celibaat of het erkennen van het homohuwelijk, zal weinig verschillen zien met dat van zijn voorganger Benedictus. Ik vermoed dat de paus hier een politieke afweging maakt. Niet alleen zijn het homohuwelijk, het celibaat of het vrouwelijke priesterschap van geringe betekenis in het terugdringen van de mondiale armoede, ook zal Franciscus ervoor waken de conservatieve tak van zijn kerk al te zeer van zich te vervreemden. Anders dan zijn voorgangers, zal hij vaker verwijzen naar het eigen geweten van zijn gelovigen.

De gevolgen zullen immens zijn. Zo zet Franciscus miljoenen katholieken aan het werk die het, net als hij, onverdraaglijk vinden dat in een wereld van rijkdom en overvloed elke vijf seconden een kind sterft aan honger en ondervoeding. Onvermijdelijk zal hij ook breken met de seksuele obsessies van zijn voorgangers. Niet omdat de nieuwe paus een losse seksuele moraal voorstaat, maar omdat het verzet van zijn voorgangers tegen veilig vrijen, vrouwenrechten en seksuele voorlichting een te zware tol eist van de allerarmsten. Om die reden zullen ook de ‘onheilige allianties’ met landen als Iran verdwijnen. In de VN zal de Heilige Stoel zijn felle verzet opgeven tegen de rechten van vrouwen om over hun eigen voortplanting te beschikken. Een eerste lezing van de recente persverklaringen en de formele stellingnames die de vertegenwoordiger van het Vaticaan de afgelopen maanden in de Verenigde Naties aflegde, suggereert dat de focus van de nieuwe paus ook hier al is doorgedrongen. Wie de bestrijding van mondiale armoede zo hoog op zijn ideologische en politieke agenda zet, kan simpelweg niet anders dan ook de rest van die agenda opnieuw te formuleren. Dat is een prachtig vooruitzicht voor de allerarmsten wereldwijd.

Voorlopig kan ik in een antwoord op de vraag ‘ben je gelovig of atheïst?’ niet om Paus Franciscus heen. Bij mij bij mij wekt hij in elk geval een nieuwe, warme, belangstelling voor een onderwerp waarmee ik in 2001 dacht klaar te zijn.

 

Terug naar de renaissance

Is Paus Franciscus nu de aanjager van een kerkelijke vernieuwing die de katholieke New Atheist zijn belangrijkste grieven ontneemt, of verschijnt hij op een moment dat die vernieuwing al onmiskenbaar gaande is? Wie afgaat op de berichtgeving over de Rooms Katholieke kerk in de media - over toegedekte seksschandalen, vrouw- en homofobe pastoors, autoritaire bisschoppen, stelende butlers en corrupte Vaticaanse bankiers- zal constateren dat Franciscus een dramatisch verloederde boedel overneemt.

Maar wie wel eens een kerk bezoekt, zich terugtrekt in een klooster of met pater Henk op bedevaart gaat, trekt waarschijnlijk een andere conclusie. Aan het zicht onttrokken door de conservatieve humuslaag van bisschoppen en kardinalen, lijken gewone katholieken –en velen buiten de kerk- allang op de hand van paus Franciscus. In de meeste kerken worden liederen van de ‘linkse’ Huub Oosterhuis gezongen en is het evident om te zorgen voor wie het in de samenleving minder getroffen hebben.

Homoseksualiteit, vrouwenemancipatie, samenwonen voor het huwelijk of abortus leiden nog maar zelden tot hoogoplopende discussies. De meeste aandacht gaat allang niet meer uit naar dogmatische of liturgische kwesties, maar naar gewone levensvragen. Naar ziekte, dood, relaties, ouder worden, kinderen en kleinkinderen. De antwoorden zijn echter zoekend en tastend. Van de zelfverzekerde kerk, met al haar antwoorden handzaam in een catechismus, is nog maar weinig over. De ‘ietsisser’, pogend, zoekend en proevend, en met meer vragen dan antwoorden, heeft het allang overgenomen van de zelfvoldane gelovige.

We hebben het niet over hem, tijdens onze pelgrimage. Maar behalve Franciscus van Assisi, is er nog een andere Italiaan die telkens weer in mijn gedachten komt. Dat is de Italiaanse humanist Giovanni Pico della Mirandola (1463-1494), schrijver van een van de grootste essays uit de Renaissance, de Oratio de Hominis Dignitate, de ‘Oratie over de menselijke waardigheid’. Ergens in dit boek verzucht Pico het volgende: “Wij hebben u, o Adam, geen bepaalde woonplaats, geen eigen aangezicht, geen enkele speciale taak gegeven, opdat u die woonplaats, dat aangezicht en die taak die u verkiest, verwerven en bezitten zult naar uw eigen wil en wens. Voor alle andere wezens is de natuur vastomlijnd en binnen de door ons voorgeschreven wetten beperkt. U zult die voor uzelf bepalen, door geen grenzen belemmerd, naar eigen vrije wil, waaraan ik u heb toevertrouwd.” Het zijn woorden die je eerder associeert met het liberalisme dan met het katholicisme. Maar Pico leefde dan ook tijdens de renaissance, een periode die volgde op wat later de ‘donkere middeleeuwen’ ging heten.

De afgelopen 143 jaar, de anderhalve eeuw van het Eerste Vaticaanse Concilie (1870) met haar sterke afkeer van de moderne tijd, tot het einde van het pontificaat van Paus Benedictus, zullen misschien de geschiedenis ingaan als een gecomprimeerde versie van de lange middeleeuwen. Een tijd waarin de kerk in de Westerse wereld hopeloos achterop raakte en de aansluiting met de rest van de samenleving misliep.

Met de komst van paus Franciscus lijkt het katholicisme opnieuw toe aan een wedergeboorte. Aan een katholieke renaissance, vergelijkbaar met die in 15e eeuw. Behalve aan een Franciscus, zijn we toe aan een nieuwe Francesco Petrarca –de vader van het humanisme- die ons weer kan leren om teksten te schrijven, die zo mooi zijn, dat ze door de Monteverdi’s van onze tijd op muziek worden gezet. Met de hedendaagse opvolgers van Petrarca’s goede vriend Giovanni Boccaccio, willen we mijmeren over de pijn van de liefde en de onvermijdelijkheid van de dood. Filosofen als Pico della Mirandola laten ons weer nadenken over de mogelijkheden van onze ontaarding tot dier en ontwikkeling tot mens. Met Francis Bacon, die ons aanzet tot willen weten, omdat we ‘zoveel kunnen doen, als we kunnen weten’ zit het nu al goed. Maar we zouden wel nog wat kunnen leren van een verse Michel de Montaigne in zijn aansporing om wat meer te relativeren - ‘Elk ding heeft immers honderd ledematen en honderd gezichten’.

Waar de katholieke gemeenschap echter het meest behoefte aan heeft, is aan een school onverschrokken intellectuelen in de stijl van onze eigen Desiderius Erasmus. Niemand spoorde ons -in zijn Lof der Zotheid- meer aan om te Denken ohne Geländer, om niet bang te zijn voor het machtswoord van religieuze autoriteiten, kooplieden, vorsten en wetenschappers dan Erasmus. In Erasmus komen atheïsme en katholicisme heerlijk samen en er is geen reden om aan te nemen dat dit niet weer gebeuren kan.

 

Telkens weer verlaten

Voor we ’s ochtends vertrekken, zingen we het Pelgrimslied. Pater Henk stemt aan, anderen stemmen in. Aanvankelijk murmel ik de eerste zinnen mee, want nooit eerder zong ik een Pelgrimslied. ‘Dan sta je toch voor schut’, zou mijn puberdochter Emma zeggen.

De tekst luidt als volgt: ‘Mensen, zij gaan langs vele wegen, altijd en iedereen op weg. Geen blijvend huis, geen vaste stede, altijd verlaten wat je hebt. Geen vaste koers, geen lichtend baken, altijd ‘vaarwel’ en ‘waar naar heen?’ Opstaan en telkens weer verlaten, wat ooit heel vast en zeker scheen.’

Nee, dit is geen Slauerhoff of Lucebert. Maar ik wordt getroffen door de nadruk die deze tekst legt op de toevalligheid van het bestaan. Ook van míjn bestaan. Pelgrimeren als lopen met niet meer dan een vage notie van de bestemming en zonder de zekerheid van spoorboekjes of aankomsttijden, lijkt, anders dan we denken, geen uitzondering op ons bestaan. Pelgrimeren representeert het bestaan zelf.

Telkens weer afscheid nemen en opnieuw beginnen. Nooit de definitieve zekerheid dat je het bij het juiste eind hebt, dat je op koers ligt of dat het ooit nog goed komt allemaal. Het is niet alleen mijn lot, het is het lot van alleman. Heidegger of Sartre hadden niet beter kunnen verwoorden.

Op het moment dat de boodschap van dit lied tot me doordringt, voel ik redeloze sympathie voor mijn medepelgrims. Net als ik zijn ook zij ongevraagd in het leven geworpen en ook zij hebben geen notie waar het heen moet allemaal. We zitten in het zelfde schuitje en zullen het samen moeten rooien.

En dan, en tegelijkertijd, gebeurt er nog iets. Hoewel ik op de eerste dag nog niet verder kom dan murmelen en pas in de loop van de week voluit meezing, merk ik dat het zingen zélf al een antwoord is op de vraag waarover gezongen wordt.

Hoewel het lied handelt over de fundamentele onbepaaldheid van het leven, dwingt het zingen ons allen in het hier en in het nu. Al zingend kun je niet anders dan je te concentreren op het ritme en de melodie, en, natuurlijk, op de stemmen van de andere zangers. Op zijn best denk je terug aan de laatste twee maten en vooruit aan de volgende twee. Voor alles bepaal je echter hoe jouw stem past in het geheel.

Hoewel de tekst van het lied gaat over mij, als individu, zonder vaste koers en baken, dwingt het zíngen van die tekst me om dit gepieker over koers en baken even op te schorten. Hier en nu stem ik mijn inspanningen zo nauwkeurig mogelijk af op mijn medepelgrims. Het is deze kleine, ad hoc ontstane gemeenschap die in deze luttele minuten koers en baken bepaalt.