Revolutionair grondmotief van de moderniteit, zoals verwerkt in politieke/rechtsfilosofie en in de sociale/politieke wetenschappen

Civis Mundi Digitaal #22

door Wim Couwenberg

Revolutionair grondmotief van de moderniteit, zoals verwerkt in politieke/rechtsfilosofie en in de sociale/politieke wetenschappen

 

Wim Couwenberg

 

Zoals eerder uiteengezet,[1] wordt het moderniseringsproces gekenmerkt en tegelijk voortgestuwd door de polair-dialectische spanning tussen het beheersings- en het emancipatiemotief. Aan beide motieven ligt een nieuw geloof ten grondslag, het geloof in de vooruitgang van mens en samenleving door doelbewust menselijk handelen op basis van rationele analyses. Beide concurrerende motieven vinden in de moderne cultuur een gemeenschappelijke verankering in een rationalistisch mens- en wereldbeeld. Zij vertegenwoordigen ieder een specifieke strekking van dit mens- en wereldbeeld, te weten rationele beheersing én bevrijding. En in hun onderlinge spanning en verwevenheid creëren zij een bron van weergaloze dynamiek, een tomeloze expansiedrift op alle terreinen des levens en een toenemende versnelling van het historische proces.

 

Politieke en rechtsfilosofie

           

Hoe is die polaire spanning tussen beide moderne ontwikkelingsprincipes theoretisch verwerkt? In de moderne politieke en rechtsfilosofie is dat op drie verschillende manieren gedaan[2]:

- Door beide motieven los te koppelen en hetzij het emancipatiemotief, hetzij het machts/beheersingsmotief te verabsoluteren. Het eerste gebeurt in linkse maatschappijvisies, in het bijzonder in het anarchisme waarin de emancipatie van de mens volledig wordt losgemaakt van iedere machtsstructuur; het tweede in allerlei machtstheorieën en het moderne autoritarisme als ideologische en politieke expressie van dat motief.

            - Door ze met elkaar te identificeren. Dat vindt zijn ideologische vertolking in het marxisme en zijn filosofische verantwoording in het politieke denken van Rousseau en Hegel. De ware vrijheid is in hun ogen gelegen in de loyale naleving van de wet als expressie van de volkswil (Rousseau) of van de moderne staat als belichaming van de geobjectiveerde vrijheid, zoals Hegel stelt. Door zijn bewonderaars is Hegel geprezen als de filosoof die in zijn rechtsfilosofie[3] de voorwaarden waaronder de menselijke vrijheid tot ontplooiing kan komen, het meest grondig doordacht heeft, evenals de spanningsrelatie tussen Verlichting en Romantiek.[4] Maar evenals Rousseau is Hegel ook scherp gekritiseerd als de filosoof van het moderne totalitarisme.[5] Deze tweeslachtigheid heeft ertoe geleid dat Rousseau en Hegel zowel linkse als rechtse stromingen geïnspireerd en beïnvloed hebben.

- Tenslotte is die spanning verwerkt door beide motieven op elkaar te betrekken  zonder ze met elkaar te identificeren  en wel in dier voege dat de moderne staat als belichaming van soevereine politieke macht zijn eerste en voornaamste taak gelegen ziet in de waarborging van burgerlijke vrijheid en gelijkheid. Het zijn liberale theoretici als John Locke, Adam Smith, John Stuart Mill en Alexis de Tocqueville die daarvan de meest bekende filosofische vertolkers zijn. De liberaal-democratische rechtsorde is er de juridische positivering van.

 

Sociale en politieke wetenschappen

In de sociale en politieke wetenschappen heeft de hier geschetste polaire spanningsproblematiek minder aandacht gekregen. Als onderzoeksobject is het vooral de werking van het emancipatiemotief als nieuw ontwikkelingsprincipe, dat daarin niet de aandacht krijgt die het verdient[6]. Voorzover het aandacht krijgt, is het veelal beperkt tot partiële groeps- en tijdgebonden processen, gericht op de liquidatie van politieke, juridische, sociale en/of culturele achterstelling van bepaalde groeperingen en eindigend in een integratie of zelfs een totale assimilatie van die groeperingen in de betrokken samenleving[7]. Hierbij valt met name te denken aan emancipatie van de arbeidersklasse en van godsdienstige minderheden (joden, katholieken, bepaalde protestantse groeperingen), van de vrouw, van de gekleurde volkeren, van homo’s, enzovoorts.

            Sinds de jaren ’60 is er wel sprake van een bredere sociaal-wetenschappelijke opvatting van het emancipatiemotief, met in Nederland de jurist-socioloog W.F. Wertheim als belangrijkste exponent ervan[8]. Die ziet daarin zelfs de dominerende trend in de geschiedenis van de mensheid gelegen en interpreteert die trend als een proces van bewustwording dat niet gebonden is aan bepaalde groepen of categorieën, m.a.w. als een algemene historische drijfkracht die telkens nieuwe verschijningsvormen aanneemt en zich manifesteert als een voortgaande liquidatie van de overheersing van de ene mens of groep over de andere. Ook de socioloog G.J. Kruijer was een exponent van die bredere opvatting. Het inspireerde hem zelfs tot het concipiëren van een bevrijdingswetenschap die zich van de gangbare sociologiebeoefening onderscheidt door onomwonden te kiezen voor actiegericht onderzoek in nauw contact met de praktijk van de emancipatiestrijd.[9] Die bredere sociologische opvatting had onder invloed van de culturele revolte van de jaren ’60 korte tijd de wind mee. Maar dat duurde niet lang. Zij stuitte spoedig op stevige kritiek[10]. Die is in zoverre terecht dat Wertheim het emancipatiemotief te zeer generaliseert als historische drijfkracht. In premoderne culturen was het machtsmotief nog zonder meer de dominerende drijfkracht. Pas in de moderne cultuur ontwikkelt het emancipatiemotief zich als heilzame tegenkracht van en correctie daarop.

 

Emancipatie en elitevorming

Evenals de radicale democratiseringsbeweging van de jaren ’60 deelde Wertheim de illusie dat met de toenemende doorwerking van het emancipatiemotief een progressieve terugdringing van elitevorming en elitewaan gepaard zal gaan[11]. De strijd voor emancipatie draagt echter steeds ook het merkteken van de macht met zich mee. Ieder emancipatieproces krijgt het karakter van een polariserende machtsstrijd. Het is, wil het succes hebben, voor zijn realisering aangewezen op datgene wat het juist wil uitbannen of terugdringen: machtsvorming en –uitoefening. De weerstanden waarop het onvermijdelijk stuit – gevestigde machtsposities worden niet zonder slag of stoot prijsgegeven – prikkelen de machtsbehoefte. Uit emancipatieprocessen komen daarom steeds nieuwe elites voort die op hun beurt in en door hun emancipatorische strijd nieuwe machtsposities voor zichzelf opbouwen.

Het vooruitgangsstreven van de moderniteit is ook niet goed denkbaar zonder creatieve en inspirerende culturele, politieke en economische elites. Zij blijven onontbeerlijk in de ontwikkeling van waarden en normen op het terrein van ethiek, kunst, recht en politiek, maar tevens om stagnatie en impasses in de maatschappelijke ontwikkeling te doorbreken, nieuwe culturele, politieke en economische wegen te banen naar de toekomst en zodoende nieuwe ontwikkelingskansen te creëren voor zichzelf en de niet-creatieve meerderheid, die geneigd is het voorbeeld van elites op een zekere afstand te volgen en te imiteren. Het proces van voortgaande elitevorming heeft echter, zoals alles, zijn keerzijde, zoals machtsmisbruik, corruptie e.d.

Elitevorming is daarom onontkoombaar en onuitroeibaar. In de elitetheorieën van Mosca, Pareto en R. Michels rond de vorige eeuwwisseling is dat overtuigend in het licht gesteld. Een van de rode draden in de geschiedenis is de voortgaande strijd tussen elites om de voorrang en de gestadige circulatie ervan als uitkomst. Hoe onuitroeibaar elitevorming is, bleek opnieuw bij de omwenteling van de jaren zestig. Onder het mom van anti-elitisme en radicale democratisering heeft die nieuwe linksgezinde politieke en culturele elites voortgebracht.

Ondanks de sterk egalitaire theorie van het marxisme speelt elitevorming daarin niet minder een cruciale rol, het meest geprononceerd in de door Lenin geformuleerde theorie van de dictatuur van het proletariaat en de partij als voorhoede in het revolutionaire historische proces vanwege haar exclusieve kennis van de correcte politieke lijn. In de revolutionaire wil van het proletariaat had hij geen enkel vertrouwen. Andere socialistische theoretici zoals G. Lukacs en A. Gramsci[12] gingen eveneens uit van de noodzaak van elitevorming, maar stelden niet zoals Lenin partijleiders centraal in dat historische proces, maar intellectuele elites. Door hun theoretische bewustzijn zijn die elites namelijk in staat dit proces in zijn geheel te overzien. Gramsci concipieerde dit proces als resultante van twee niveaus van menselijke activiteit: het handelen van intellectuele elites dat denken is en in de socialistische theorie gestalte krijgt, en het denken van de massa, dat handelen is en in de praktijk van de arbeidersstrijd tot uiting komt.

           

Emancipatiemotief in de constitutionele rechtsontwikkeling: Donner als criticus

In de Nederlandse constitutionele rechtsbeoefening heeft het emancipatiemotief als zelfstandige drijfkracht evenmin erkenning gevonden, al is dat mijnerzijds herhaaldelijk bepleit[13]. Een gezaghebbend staatsrechtgeleerde als A.M. Donner stond daar zeer gereserveerd zo niet afwijzend tegenover. Zijn kritiek komt er in eerste instantie op neer dat ik niet duidelijk zou kiezen tussen het machts- en het emancipatiemotief als verklaringshypothese. Dat klopt op zichzelf. Ik kies voor een genuanceerde benadering, omdat de constitutionele rechtsontwikkeling zich in het moderne beschavingsproces juist voltrekt in het spanningsveld tussen beide polaire motieven.

In de ogen van Donner wordt de constitutionele rechtsontwikkeling hoofdzakelijk bepaald door de duurzame werking en problematiek van het machtsmotief.[14] Het is een visie die nauw verwant is met de politieke filosofie van Hobbes, zoals Donner zelf in zijn afscheidsrede als hoogleraar staatsrecht erkent[15]. Evenals Hobbes ziet Donner in het waarborgen van orde, gezag en vrede de voornaamste opdracht van de staat gelegen. Een tweede punt van Donners kritiek was dat ik te veel oog zou hebben voor het emancipatiemotief en te weinig voor het machtsmotief als constitutionele drijfkracht. Mijn interesse voor constitutionele problemen zou pas beginnen als het proces van staatsvorming al voor tweederden voltooid is in en door de traditionele monarchie van de premoderniteit, waarvoor ik mij z.i. louter zou interesseren als donkere achtergrond van de emancipatieprocessen van de moderniteit.

Het is een kritiek waar duidelijk de antirevolutionaire stellingname tegen de beginselen van de Franse Revolutie in doorklinkt, wat ik vanuit zijn antirevolutionaire standpunt op zichzelf kan begrijpen, maar die geen recht doet aan de door mij verdedigde constitutionele rechtstheorie. Het eerste deel van mijn vierdelig werk over de constitutionele rechtsontwikkeling in onze moderne cultuur waarin die theorie aan de orde komt, is namelijk grotendeels gewijd aan het machtsmotief als constitutioneel oerbeginsel en de ontwikkeling van de traditionele monarchie als belichaming daarvan.[16] Sinds de liberale revoluties van de 18e eeuw is aan de constitutionele rechtsontwikkeling met tot dan toe het machtsmotief als voornaamste drijfkracht een nieuwe dimensie toegevoegd door de introductie van het emancipatiemotief als constitutionele drijfkracht en zingeving.

Dat heeft ook een duidelijke oorsprong in de Europese rechtsontwikkeling. Het is immers ontsproten aan het recht van verzet tegen een tiranniek bewind waaraan ook de Nederlandse Opstand tegen de tirannie van de koning van Spanje zijn legitimiteit ontleend heeft. Gericht als het aanvankelijk was op behoud en herstel van oude feodale en regionale privileges en vrijheden, had dit recht in eerste instantie nog een feodale achtergrond. Sinds de Verlichting en de liberale revoluties van de 18e eeuw ontwikkelt zich daaruit echter het emancipatiemotief als nieuwe constitutionele inspiratiebron en komt het sindsdien tot gelding in een uitdijend complex van liberale, democratische, sociale en collectieve mensenrechten.

Naar bijna algemeen aanvaarde opvatting, stelt de katholieke rechtsfilosoof D.F. Scheltens[17], bestaat de finaliteit van het recht hierin, dat voor ieder mens die maximale uiterlijke vrijheid gerealiseerd wordt die met een gelijke vrijheid van anderen in overeenstemming is. Dit is een exacte weergave van wat ik het emancipatiemotief genoemd heb als nieuwe constitutione1e zingeving naast en tegenover het machtsmotief, dat in de premoderne ontwikkelingsfase van het beschavingsproces de rechtsontwikkeling zoals gezegd nog domineerde waardoor recht en macht in die fase zonder meer samenvallen.

 

 



[1] Zie voor een korte samenvatting hiervan Tijdsein Civis Mundi jaarboek 2011 pagina 19-21

[2] Zie o.a. H.J. van Eikema Hommes, Hoofdlijnen van de geschiedenis der rechtsfilosofie, 1972, p. 58 e.v.

[3] G.W.F. Hegel, Grundlinien der Philosophie des Rechts, 1821

[4] In zijn interpretatie van het einde van de Koude Oorlog als definitieve overwinning van de liberale principes van vrijheid en gelijkheid, beriep Fukuyama zich ook op Hegel. Zie in dit verband Ch. Taylor, Hegel and Modern Society, 1979.

[5] Zie voor die kritiek o.a. J.L. Talmon, The Origins of Totalitarian Democracy, 1952, pp. 38-50 en 249-255; J. Mirejovsky, Totalitaire vrijheid. Een analyse van het vrijheidsbegrip bij Rousseau, Hegel en Marx, 1977; en wat speciaal Hegel betreft K. Popper, De open samenleving en haar vijanden, 2007, pp. 297-313

[6] Zie o.a. L.Ch. Sandbergen, Emancipatie, een stiefkind van de sociologie, in: Buiten de grenzen, sociologische opstellen aangeboden aan W.F. Wertheim, 1971, pp. 216 e.v.

[7] Zie onder andere J.A.A. van Doorn en C.J. Lammers, Moderne Sociologie, 1954 pp. 293‑295; H. Verweij‑Jonker, De emancipatiebewegingen, in: Drift en koers ‑ Een halve eeuw sociale verandering in Nederland, 1962, pp. 105‑125; en A.J.F. Köbben, De weerbarstige waarheid, 1991, pp. 145‑161. In deze beperkte betekenis wordt emancipatie ook omschreven in de Encyclopedie van de Sociologie (red. J.M.M. de Valk), 1977, pp. 90‑91; en in de Oosthoek ‑ en Grote Winkler Prins Encyclopedie.

[8] W.F. Wertheim, Evolutie en Revolutie: De golfslag der emancipatie, 1972, nader uitgewerkt in De lange mars der emancipatie, 1977; idem, Elite en massa, 1975.

[9] G.J. Kruijer, Bevrijdingswetenschap, 1983

[10] Zie G. van Benthem van den Bergh, Dwang en bevrijding: essays en kritieken, 1972

[11] W.F. Wertheim, Elite en massa, 1975

[12] Zie G. Lukàcs, Geschichte und Klassenbewusstsein, 1923; A. Gramsci, Philosophie der Praxis, 1967

[13] Zie S.W. Couwenberg, Modern constitutioneel recht en emancipatie van de mens, 4 dln, 1979-1984; idem, Gezag en Vrijheid, 1991; idem, Een nieuwe visie op staatsrecht en staatsrechtbeoefening, 1992

[14] Zie A.M. Donner, Modern constitutioneel recht en emancipatie van de menseen reactie, Civis Mundi, 1, 1985.

[15] Opgenomen in zijn opstellenbundel Tussen het echte en het gemaakte, 1986, p. 393 e.v.

[16] Zie mijn Van monarchale machtsstaat naar een liberale democratie. Modern constitutioneel recht en emancipatie van de mens I, 1979

[17] D.F. Scheltens, Mens en Mensenrechten, 1981