Wilders opnieuw in opspraak. Ouderwetse fatsoensrakkerij in een nieuw jasje

Civis Mundi Digitaal #23

door Wim Couwenberg

Wilders opnieuw in opspraak. Ouderwetse fatsoensrakkerij in een nieuw jasje

Wim Couwenberg

Wat we als tijdgenoten in deze tijd meer dan voorheen waarnemen, zijn snelle wisselingen en verschuivingen in het opinieklimaat. Boompje verwisselen tussen links of rechts geheten standpunten, het is aan de orde van de dag. Zo is in Nederland bijvoorbeeld opkomen voor een fatsoenlijke samenleving, tot in de jaren ’80 nog als rechtse oubolligheid weggehoond, nu een links item geworden. En religiekritiek, eens een uitgesproken links of progressief thema, is inmiddels gekaapt door rechts geheten krachten en vooral toegespitst op islamkritiek, terwijl links zich nu sterk maakt voor het in bescherming nemen van de islam tegen die kritiek, die spoedig als islamofobie een kwalijke reputatie gekregen heeft. Het illustreert opnieuw hoezeer de versnelling van de tijd ook leidt tot snelle wisselingen in het opinieklimaat en van wat al of niet als politiek correct aangemerkt wordt. Veel meer dan in het ideologische tijdperk springt in deze pragmatisch gezinde tijd de morele betrekkelijkheid in het oog van links- of rechts-geheten standpunten.

Massahysterie

Tot de culturele revolte van de jaren 60 werd onder supervisie van confessioneel – christelijke moraal ridders scherp toegezien op strikte naleving van de traditioneel – christelijk moraal, waartoe toen ook ernstige afkeuring hoorde van alles wat zweemde naar enigerlei sympathie voor homoseksualiteit. Dat gebeurde nogal eens zo rigoureus, dat meer liberale geesten dat als enghartige fatsoensrakkerij plachten te hekelen. Sinds de jaren 60 volstrekt zich echter een radicale omslag en krijgt strikte naleving van een nieuwe seculiere moraal steeds meer prioriteit. Het gaat daarbij vooral om het non-discriminatie beginsel en een nieuwe seksuele moraal in de geest van de seksuele revolutie. Tijdens de Fortuyn revolte en de daarop aansluitende rebellie van Wilders spitst de bewaking van het publieke fatsoen zich vooral toe op handhaving van het non-discriminatie beginsel zoals dat in zich verlicht voelende kringen wordt geïnterpreteerd.

Dat is recent opnieuw gebleken uit de massale morele verontwaardiging over de oproep van Wilders om minder Marokkanen in ons land toe te laten. Dat was weer een van zijn bekende provocaties om de heersende publieke opinie uit te dagen. Wilders is een narcistisch ogende politicus die verslaafd is aan publiciteit. En die krijgt hij op die manier royaal toebedeeld. Maar wat bereikt hij hiermee in het politieke beleid? Want daar moet het een politicus toch om gaan. De publicist Max Pam kwalificeerde zijn nieuwe provocatie in de Volkskrant niet zozeer als walgelijk, stuitend, smakeloos en dergelijke, zoals in de meeste reacties gebeurde, maar vooral als dom. Dat lijkt mij meer ter zake. Maar dat geldt ook voor de massale fatsoensrakkerij die daarop uitbrak. Dat was voorwaar een herleving van ouderwetse fatsoensrakkerij. David Pinto typeerde die massale morele verontwaardiging in de Volkskrant zelfs als massa hysterie. Het was in ieder geval een nieuw staaltje van kuddegedrag. In die kudde liep onder leiding van minister Asscher ook het hele kabinet en het hele Nijmeegse college van B&W braaf mee. Ook hogere intellectuele ontwikkeling blijkt geen enkele rem te zijn op kuddegedrag, zeker niet als dat politiek opportuun is.

Pinto, directeur van het Intercultureel Instituut en zelf een Marokkaanse Nederlander, toonde begrip voor de Marokkanen problematiek die Wilders op zijn bekende provocerende wijze aan de orde stelt en herinnert er daarbij aan dat andere politici zich over Marokkanen ook in generaliserende zin uiten. Illustratief is bijvoorbeeld de opmerking van PvdA-leider Samsom dat Marokkanen een etnisch monopolie hebben op overlast, waartegen nu van PVV-zijde ook een politiek gemotiveerde aangifte is gedaan, als nog beledigender voor de Marokkanen dan de uitspraak van Wilders. En minister Asscher kan dan ook van haatzaaien beticht worden, wegens zijn politieke pleidooi voor minder Bulgaren en Roemenen in ons land. Als Wilders zich had beperkt tot een pleidooi voor een meer restrictief toelatingsbeleid op dit punt, dan was er weinig aan de hand geweest. Hij en zijn partij staan daar zeker niet alleen in.

Ik heb een restrictief toelatingsbeleid in Civis Mundi begin jaren 80 in de toenmalige omstandigheden ook al eens aan de orde gesteld, evenals een adequate integratiepolitiek als complement, beide gepousseerd als veronachtzaamde politieke prioriteit in die tijd.[1] Maar dat viel toen ook niet in goede aarde. Integendeel. Dat werd onmiddellijk afgeserveerd als kwalijke uiting van een foute, want racistische gezindheid. Als gevolg daarvan kreeg Civis Mundi een rechts politiek stempel opgedrukt.[2] En wie in die tijd het waagde af te wijken van bepaalde links geheten opinies, werd automatisch ingedeeld bij rechts. Civis Mundi heeft van stonde af aan doelbewust een middenkoers in allerlei kwesties nagestreefd en gekozen, zoals ik in een eerder nummer (5) in een discussie met mijn gewaardeerde opponent op dit punt C.W. Rietdijk nog eens in politiek-filosofisch opzicht nader heb toegelicht.[3]

In dit geval, in 1982, ging het om een correctie van links geïnspireerde politieke nalatigheid. Door het jarenlange veronachtzamen van een migratie- en integratiebeleid als juist genoemd is er veel misgegaan in de Nederlandse politiek. Zo is daaraan ook een herlevend populisme ontsproten. En het leidde in de praktijk bovendien tot een groeiende schare van migranten die al zolang in asielcentra verbleven in afwachting van een definitieve beslissing dat op een gegeven moment uiteindelijk besloten is tot een generaal pardon, waar ook Pim Fortuyn als eerste neopopulistische rebel de redelijkheid van inzag.

Daarop aansluitend werden we geconfronteerd met alleenstaande minderjarige asielzoekers die als ze meerderjarig worden het land moeten verlaten als zij geen verblijfsvergunning hadden kunnen bemachtigen. Dit wekte ook veel weerstand op. In Civis Mundi heb ik met het oog hierop herhaaldelijk voor een kinderpardon gepleit. En die is er ook gekomen.

Reikwijdte vrije meningsuiting

Vanwege de vele politiek gemotiveerde aangiften tegen Wilders (liefst 5000 in getal) wegens belediging van een bepaalde bevolkingsgroep maak ik ten slotte nog enkele opmerkingen over de vraag of hier sprake is van een strafbaar feit. Wat in dit geval opnieuw in het geding is, is de juridische reikwijdte van de vrijheid van meningsuiting. Eerder kwam dit probleem al herhaaldelijk aan de orde.

Tegenover het primaat van het non-discriminatiebeginsel in de publieke opinie is sinds de Fortuyn-revolte het accent verschoven naar de vrijheid van meningsuiting en is opnieuw de vraag gerezen hoe ver die vrijheid zich uitstrekt. Het was het toenmalige Tweede Kamerlid Hirsi Ali die herhaaldelijk de grenzen van die vrijheid verkend heeft. Zo rekende zij hiertoe ook het recht tot beledigen. Dat ging velen te ver. Het was niettemin een kwestie die al eerder aan de orde gesteld is. In de jaren zestig was er al een sterke stroming in linkse kringen die strafbare belediging wilde afschaffen als reactie op veroordelingen in strafprocessen tegen lieden die toen in demonstraties de Amerikaanse president Johnson voor moordenaar hadden uitgemaakt en zich zodoende schuldig maakten aan strafbare belediging. Ik herinner hier ook aan de beweerde belediging van het rooms-katholieke volksdeel door de schrijver W.F. Hermans. In zijn omstreden boek Ik heb altijd gelijk trok deze schrijver tegen de moraal van katholieken zo fel van leer in beledigende termen die veel verder gingen dan Wilders uitspraak over Marokkanen, dat Hermans door het OM vervolgd werd. De uitkomst van het strafproces was echter dat Hermans op grond van de vrijheid van meningsuiting vrijgesproken werd van belediging.

Maar met de homo-emancipatie evenals de komst van etnische minderheidsgroepen en de ontwikkeling van anti-discriminatiewetgeving ter bescherming van die nieuwe minderheden is strafbare belediging in Nederland juist uitgebreid. In de rechtspraak is er sindsdien een tendens opinies of boodschappen die direct of indirect als negatief voor bepaalde minderheden beschouwd kunnen worden, als beledigend en dus strafwaardig te veroordelen.[4] Daarbij wordt wel met twee maten gemeten. Discriminerende meningen met een religieuze of literaire achtergrond worden in principe in de rechtspraak ontzien in tegenstelling tot meningen zonder die achtergrond.

 Is tolerantie lange tijd gecultiveerd als deugd ter verruiming van de vrijheid van meningsuiting, met het oog op de problematiek van de multiculturele (- etnische) samenleving wordt zij juist ingeroepen om die vrijheid te beperken. Dat stuit nog wel op verzet. Zo is het recht op belediging de laatste tijd van meerdere kanten opnieuw verdedigd. Dat recht maakt integraal deel uit van het recht op vrije meningsuiting, zo is betoogd.[5] In die zin gebeurde dat ook in het kader van een filosofische reflectie op multiculturalisme.[6] Eerder deed dat al de bekende Amerikaanse rechtsgeleerde Ronald Dworkin.[7] Het recht andere opvattingen te ridiculiseren ziet hij – bekend om zijn pleidooi voor een radicaal-liberale rechtspraak[8] - als een onontbeerlijke voorwaarde voor een vrije democratie, al komt dat bij betrokkenen over als een belediging. Ook de voormalige PvdA-leider Wouter Bos heeft zich daar op een congres van zijn partij sterk voor gemaakt.[9]

Ik herinner er in dit verband aan dat het Europese Hof voor de Rechten van de Mens te Straatsburg uitgaat van een heel extensieve interpretatie van de vrijheid van meningsuiting (art. 10 EVRM) en wel in die zin dat het veel ruimte laat voor scherpe stellingnames in het publieke debat, zij het meer voor opinies dan voor de wijze waarop feiten worden weergegeven. Zo besliste dat Hof in 1976 dat art. 10 van het EVRM ook van toepassing is op informatie en ideeën ‘that shock, offend or disturb a state or any sector of society’.[10]



[1] Het vraagstuk van etnische minderheden, Civis Mundi september 1982; de daarop aansluitende studieconferentie en publiciteit daarover en publicaties in andere media.

[2] Zie voor de reacties op onze stellingname: Het vraagstuk der etnische minderheden en het nieuwe racisme, in: Hoe wordt de samenleving het best ingericht?, Civis Mundi Jaarboek 1987, p. 148 e.v.

[3] Wim Couwenberg, Waarom een middenpositie? Een politiek-filosofische onderbouwing. Civis Mundi digitaal, 5, 2011

[4] Zie A.L.J.M. Janssen, Strafbare belediging, 1998. Zelfs de kreet Nederland is vol werd strafwaardig geacht, want gericht tegen de toenmalige migratiepolitiek.

[5] Zie. M. Reijman, De valse retoriek van tegenstanders van het’ recht op beledigen’, Liberaal Reveil, juni 2008

[6] Zie N. Wiskerke, Pleidooi voor een thuisloze samenleving. Anders denken over multiculturaliteit, in: C.H. Vergeer, N. Wiskerke en P. van Zilfhout (red.), Doolhof in Meervoud, 2008, p. 32

[7] R. Dworkin, The Right to Ridicule, The New York Review of Books, 5, maart 2006

[8] Zie W. van der Burg en Th. Willigenburg, Pleidooi voor een radicaal-liberale rechtspraak. De rechtstheorie van Ronald Dworkin, Recht en Kritiek, 4, 1986

[9] Zie NRC-Handelsblad, 16 juni 2008

[10] Zie EHRM, 7 december 1976, Handyside t. het V.K. NJ 1978, 236, par. 49