Dichter bij de wetenschap, een complementaire visie op wetenschap, filosofie en religie (deel 1)

Civis Mundi Digitaal #25

door Piet Ransijn

Dichter bij de wetenschap, een complementaire visie op wetenschap, filosofie en religie

Deel 1 Ons incomplete weten: wetenschapsfilosofie en kennissociologie

 

Door Piet Ransijn

 

In het volgende nummer is een vervolgartikel gepland:

Concept artikel 2: Dichter bij de natuurkunde

Grondleggers van de kwantumfysica over complementariteit van wetenschap, filosofie en religie

 

Inhoud deel 1

Overzicht en richtinggevende vragen

Inleiding: de noodzaak van een ruimere wetenschappelijke visie en wereldbeschouwing

De sociologische visie en aanvulling van perspectieven in verband met onszelf

Stelling 1 Wetenschap, filosofie, religie en kunst vullen elkaar aan als complementen

Wetenschap kan het leven geen zin geven

De inherent beperkte wetenschap rust niet op vaste rotsgrond

Objectivering en uitsluiting van het subject(ieve), het bewustzijn

Popper: wat is het onderscheidende kenmerk van wetenschap?

De rol van intuïtie bij het bedenken van hypothesen en theorieën bij Einstein en Newton

Kuhn: normale en revolutionaire wetenschap, open en gereduceerde visies

Alledaagse wetenschap: hoe in de praktijk kan gaan volgens Peter Berger.

De drie werelden van Popper

Zintuiglijke, intellectuele en intuïtieve kennisbronnen

Einstein: de theorie bepaalt wat we kunnen waarnemen

Max Weber: wat is de waarde van wetenschap

Sorokin: cultuurtypen als antwoorden op vragen waarop wetenschap geen antwoord kan geven

De culturele relativiteit en afhankelijkheid van kennis en wetenschap

Culturele ontwikkeling vanaf de oude Grieken van ideëel naar materieel

Het ideaal van een niet-europacentrische toekomstige cultuur volgens Lemaire

Maatschappelijke belangen van de wetenschap

Gedicht: wetenschap, geld en macht

Rationalisering, mechanisering en bureaucratisering volgens Weber en Wilterdink

De cultuurbepalende invloed van massamedia en vermaak-industrie

Specialisatie en synthese: delen zijn in het geheel te begrijpen of in het geheel niet te begrijpen

Nietzsche: nut en nadeel van de wetenschap voor het leven

De ontwikkeling en de gevaren van de natuurwetenschap en techniek volgens Heisenberg

Techniek als stuurloos schip

Gedicht De Titanic

De noodzakelijke verbinding van wetenschap, ethiek en religie

Von Weizsacker: ‘het licht van het bewustzijn’

Gedicht Als er licht door het raam valt

 

 

 

Dichter bij de wetenschap, een complementaire visie op wetenschap, filosofie en religie

Deel 1 Ons incomplete weten: wetenschapsfilosofie en kennissociologie

 

Voor Wim Couwenberg een man die verder kijkt en anderen de hand reikt

 

Habe nun, ach! Philosophie                                          Rechten en filosofie

Juristerei und Medicin                                                  medicijnen en theologie

Und leider auch theologie                                             bestudeerde ik grondig en goed

durchaus studiert, mit heizsem Bemühn                        met een vurige gloed in mijn gemoed

Da steh’ ich nun, ich armer Tor                                     Maar uiteindelijk kreeg ik door

Und bin so klug als wie zuvor!...                                   dat ik nog net zo stom was als daarvoor…

Und sehe nun, das wir nichts wissen können!                 En ik zie nu in dat wij niets kunnen weten

Das will mir schier das Herz verbrennen…                       In mijn hart heeft mij dat diep gespeten…

Es möchte kein Hund so langer leben                           Zo’n leven gun je zelfs niet aan een hond

Drum hab’ ich mich der Magie ergeben…                       Ik wilde zelfs dat ik niet meer bestond

Das ich erkenne was die Welt                                      Na deze geestelijke tragedie

Im Innersten zusammen hält                                      zocht ik mijn weg in de magie

                                                                               naar het inzicht dat mijn hart verlangt

                                                                               hoe de wereld diep van binnen samenhangt

Goethe, Faust, begin deel 1 Hiernaast vrij vertaald en herdicht

 

Inleiding: de noodzaak van een ruimere wetenschappelijke visie en wereldbeschouwing

Dit artikel biedt een visie op de natuur(wetenschap) waarin filosofie, wetenschap, religie worden geïntegreerd en aangevuld met gedichten, zoals bij een vorig artikel in Civis Mundi april 2014 Het onbereikbare in gedichten weergeven. Enkele stellingen worden niet bewezen of getoetst als hypothesen, zoals in Spinoza’s Ethica, maar toegelicht met treffende teksten, die ogen openen, harten raken of herkenning oproepen over kwesties die mij al jong te denken gaven.

 

 

Rembrandt, Titus: een nadenkende open blik

 

Een neef vertelde dat een docent ‘bewees’ dat er geen ziel bestaat. Zijn ‘argument’ was dat een levend en een dood lichaam even zwaar wegen: de ziel bestaat niet omdat hij geen gewicht heeft. Alsof alleen materiële dingen met massa zouden bestaan. Dan zouden kleuren, geluiden, gedachten, warmte, energie, enz. niet bestaan, want ze hebbengeen gewicht. Dit illustreert hoe een schijnbaar wetenschappelijke wereldbeschouwing wordt opgedrongen, zoals vroeger godsdienst. Wetenschap is echter een kennissysteem met beperkingen waardoor het ongeschikt is als levensbeschouwing. In de wetenschap probeert men het subject(ieve), het kennend bewustzijn, de geest of de ziel buiten te sluiten. Daardoor kan de wetenschap geen waarden, zin en betekenis geven aan het leven geven en geen adequaat antwoord op filosofische en levensbeschouwelijke vragen naar het bestaan van de ziel, de zin van het leven en of het wezen van de werkelijkheid materieel of ideëel is, zoals aan de orde komt. Daarom heeft wetenschap de aanvulling nodig van filosofie, religie, kunst en levensbeschouwing.

 

Grondleggers van de moderne natuurkunde, die doordrongen tot diepste niveaus van de materie, komen tot de conclusie dat het kennende bewustzijn niet langer uit te sluiten is en reiken de hand naar filosofie en religie. Is een wetenschappelijke filosofie en religie mogelijk die een wetenschappelijke benadering integreert en aanvult zonder ermee in tegenspraak te zijn? Positivisme en materialisme hebben soms deze pretentie, maar zijn geneigd de wereld te beperken tot materie of tot het waarneembare.

Is het mogelijk wetenschappelijke methoden uit te breiden naar een soort ‘verruimd empirisme’, dat zowel intersubjectieve uiterlijke zintuiglijke als innerlijke ervaringen systematisch onderzoekt? Is aldus een meer wetenschappelijk onderbouwd antwoord op aloude filosofische en religieuze vragen mogelijk van levensbeschouwelijke aard: vragen naar de zin van het leven, het bestaan van de ziel en het (im)materiële wezen van de werkelijkheid? Wetenschap kan zo meer volledig en intercultureel worden, minder westers en europacentrisch, door oosterse en andere niet-westerse kennis en methoden te onderzoeken in een ruimer meer zingevend perspectief.

Dit lijkt nodig om te ontkomen aan een nihilistische, ‘waarden-loze’ wetenschappelijke wereldbeschouwing, waarbij wij ons als kennend subject hebben afgescheiden van de wereld, die velen als zielloos object harteloos en genadeloos exploiteren. Zo zagen we de tak af waarop we zelf zitten. De onlangs overleden fysicus en astronaut Wubbo Ockels waarschuwt in zijn afscheidsbrief, dat wij de natuur en daarmee onszelf in rap tempo vernietigen met ons wetenschappelijk en technisch vernuft, dat door multinationals hebzuchtig en grootschalig wordt ingezet. Zoals eerder Auguste Comte, de grondlegger van het positivisme en de sociologie, pleit Ockels voor een meer holistisch denken en bewustzijn en een religie van de mensheid: “de God van de Mensheid is in elk van ons.”

 

De sociologische visie en aanvulling van perspectieven in verband met onszelf

Sommige wetenschappers hebben blijvende zeggingskracht. Zij gaan voorbij aan huidige heersende visies vanuit een breder perspectief en tijdsbestek. Zij bouwen op elkaar voort en vullen elkaar aan in een diepgaand en veelzijdig perspectief: de sociologische visie genoemd door Wright Mills, wiens kritische en complementaire visie op de wetenschap mede is geïnspireerd door Max Weber en P A Sorokin, Fads en Foibles in Modern Sociology and Related Sciences en andere werken.

Deze visie omvat het vermogen de wereld en onszelf in onderling verband te zien: “het vermogen ons van het ene perspectief naar het andere te verplaatsen” - bijvoorbeeld van natuurwetenschap naar filosofie, religie en poëzie - het vermogen om omwentelingen in de wetenschap in verband te brengen met innerlijke kenmerken in onszelf, ons bewustzijn en kenvermogen. “En daardoor de samenhang te begrijpen van wat zich in de wereld afspeelt met wat in onszelf gebeurt”. Bij deze visie gaat het om een soort ‘zelfbewustzijn’ en bewustwording van onze situatie ‘als deelnemers in plaats van toeschouwers’, zoals ook Niels Bohr zei. De visie van fysici en filosofen kan hierbij richtinggevend zijn. Dit artikel begint met grondslagen en beperkingen van de (natuur)wetenschap. De moderne natuurkunde leidt ons naar complementaire filosofische en religieuze dimensies van een wetmatig geordende kosmos, de Logos van Griekse filosoof Heraclitus.

Johannes Vermeer, De astronoom.

Het schilderij toont een man die een hemelglobe bestudeert. Op de werktafel ligt de Institutiones Astronomicae et Geographicae van Adriaan Metius (1621) opengeslagen, die de onderzoeker in dat hoofdstuk III adviseert om behalve op mechanische instrumenten en kennis van geometrie ook op inspiratie door God te vertrouwen. Aan de muur hangt een schilderij van de Vondst van Mozes, symbool voor de kennis van astronomie en geografie omdat hij alle kennis van het oude Egypte had verworven en het Joodse volk uit Egypte leidde [en uit de slavernij bevrijdde]. Jonathan Janson,The AstronomerEssential Vermeer. In dit artikel wordt religie ruimer opgevat dan Godsgeloof.

 

Stelling 1: Wetenschap, filosofie, religie en kunst vullen elkaar aan als complementen

Wetenschap kan het leven geen zin geven

Wetenschap blijkt onvolledig. Daarom hebben wetenschap, religie filosofie en kunst elkaar nodig als complementen. Dit is een visie bij de Indiase Oepanishaden, de oude Grieken, Kant, Schelling, Comte, Nietzsche, Weber, Popper, Sorokin en anderen. De objectieve, ‘waardevrije’ wetenschap kan geen zin aan het leven geven, omdat deze subjectief is; “geen antwoord op de vraag wat zullen we doen en hoe zullen we leven?” aldus Tolstoi, in Max Weber, Wetenschap als beroep en roeping; Wetenschap kan “geen antwoord geven op de vraag: waarheen?.. Geen doelen aan ons handelen geven, nadat zij heeft bewezen dat zij deze kan wegnemen en vernietigen, schreef Nietzsche in een ‘briljante verzuchting’, aldus J.Goudsblom in een college van 1970. Wetenschap heeft aanvulling nodig van zingevende complementen. De wetenschap gaat er vanuit als evident dat wat zij voorbrengt de moeite waard is om te weten, maar kan dit niet bewijzen. Veel scholieren vinden echter dat het niet de moeite waard is! Evenmin kan de wetenschap bewijzen, dat de wereld ‘zin en betekenis’ heeft en dat het zin heeft te leven in die wereld. Deze vraag betreft met name doodzieke mensen voor wie verder leven geen zin heeft, en gaat ook de medische wetenschap te boven, aldus Weber.

 

Rembrandt, De anatomische les

 Wetenschap kan wel een levenloos lichaam ontleden maar niet het leven betekenis geven

 

De inherent beperkte wetenschap rust niet op vaste rotsgrond  

In De objectiviteit van sociaalwetenschappelijke kennis, Een keuze uit het werk van Max Weber (p 51, 81)schrijft deze socioloog, econoom, historicus poëtisch: “Eindeloos golft de stroom van het onafzienbare gebeuren de eeuwigheid tegemoet. Steeds rijzen er nieuwe problemen die de mens in beweging zetten. Wat uit die die oneindige stroom zin en betekenis voor ons krijgt, neemt daardoor nimmer vaste vormen aan. De denkpatronen waarmee dit alles beschouwd en wetenschappelijk begrepen wordt, wisselen voortdurend… zolang de mensheid door verstarring van het geestesleven niet de gewoonte verliest om vragen aan het onuitputtelijke leven te stellen… Op een zeker moment wordt de betekenis van gedachteloos toegepaste gezichtspunten onzeker en de te volgen weg is in schemer gehuld... Dan maakt de wetenschap zich op haar standplaats en begrippenapparaat te wijzigen en vanuit de hoogte van het denken op de stroom van het gebeuren neer te zien. Ze volgt de gesternten die de enige zijn die haar werk zin kunnen geven en de weg kunnen wijzen:

vrij vertaald en herdicht:

‘…der neuer Trieb erwacht                                        ‘…Binnenin ontwaakt een nieuwe kracht

Ich eile fort, ihr ewiges Licht zu drinken                     Om haar eeuwig licht te drinken ijl ik verder

Vor mir den Tag und hinter mir die Nacht                   Voor mij de dag en achter mij de nacht

Den Himmel über mir und unter mir die Wellen          Onder mij de golven en boven mij de sterren’”

 

De toonaangevende wetenschapsfilosoof Popper geeft in Objective Knowledge (p.19) een ander beeld: “Wetenschap rust niet op solide rotsgrond… De pijlers zijn in een moeras gedreven, maar niet in een natuurlijke gegeven ‘basis’ . “Onze kennis is van nature voorlopig Het populaire denkbeeld dat wetenschappen verzamelingen van bewezen feiten zijn is volledig onjuist… Een lievelingscitaat ontleend hij aan de pre-socratische wijsgeer Xenophanes: ”De zekere waarheid heeft geen mens gekend… noch die over de goden… Zelfs als hij bij toeval uitdrukking zou geven aan de definitieve waarheid, zou hij dat zelf niet weten: want alles is slechts een web dat uit gissingen is geweven.” (Magee, Popper, p 31, 34)

“Men kan de wetenschap niet op de vaste rots van zekere kennis kan bouwen, maar alle begrip zweeft in zekere zin boven een bodemloze afgrond,” schreef Werner Heisenberg, één van de grondleggers van de kwantumfysica, in Fysica in perspectief (p 52). Hij kreeg de Nobelprijs kreeg voor het naar hem genoemde onzekerheidsbeginsel toen hij 31 jaar was, genomineerd toen hij 27 was. Deze relativering kan ook volgens hem leiden tot de vertwijfelde vraag ‘waartoe?’ en tot ‘nihilisme’, het standpunt dat het leven zinloos schijnt. “Karakteristiek hierbij is het ontbreken van een ordenend centrum, waar mensen richting en kracht aan ontlenen… De vraag rijst of in de wetenschap dit ordenende centrum verloren is gegaan. Men gebruikt ook begrippen als ‘de zin’ of God” (p 54). Op deze vraag komen we terug.

 

Objectivering en uitsluiting van het subject(ieve)

Volgens Weber is onvolledigheid een basiskenmerk van wetenschap, naast objectiviteit en waarden-vrijheid in de zin van distantie van subjectieve waarden en gevoelens. Ondanks de distantie zijn wetenschappers het vaak oneens, vanwege de beperking en onzekerheid en zoeken ze samen naar oplossingen en ‘bewijzen’, die ze dan verschillend interpreteren. Dit blijkt ook kwantumfysici in deel 2.

Volgens Jung, Eddington, Schrödinger in Mind and Matter (p 127 e v) is een basiskenmerk van die onvolledigheid dat “het kennende subject wordt uitgesloten van het gebied van de natuur die we pogen te begrijpen.” Dit leidt tot de impasse dat de wereld zonder kennend subject voor ons geen (kenbare) realiteit heeft. In de moderne kwantumfysica kan het subject niet langer worden buitengesloten. De relatie tussen object en subject, materie en geest dient nader te worden onderzocht, ook de aard van de geest, de ziel of het bewustzijn. Dit legt een verbinding tussen wetenschap, filosofie, religie en kunst als complementen.

Popper: wat is het kenmerkende van wetenschap?

Het bepalende kenmerk van wetenschap is volgens Popper het verifiëren, in  de vorm van weerleggen of falsificeren van hypothesen en theorieën door intersubjectieve, herhaalbare waarnemingen.  Wat (nog) niet getoetst kan worden is open als nog niet weerlegde mogelijkheid. Volgens Magee  (p 58) is het een misvatting als men meent, dat Popperfalsificeerbaarheid niet naar voren bracht als demarcatielijn tussen wetenschap en niet-wetenschap, maar tussen zin en onzin (omdat de misverstaanders geloven dat wat geen wetenschap was, onzin was)… Als een theorie niet-wetenschappelijk of metafysisch blijkt te zijn, is ze daarmee nog niet onbelangrijk, ‘zinloos’ of ‘onzinnig’...

In plaats van metafysica als onzin te beschouwen, verklaarde Popper dat hij er zelf metafysische overtuigingen op nahield.” Ook het al of niet bestaan van God of goden als onpersoonlijk of persoonlijk beginsel is niet falsificeerbaar en niet verwerpelijk (p 60). “Ik geloof in absolute, objectieve waarheid… maar niet dat ik de waarheid op zak heb.” (In Lakatos, zie onder, p 56). In The Self and Its Brain kent hij de ‘wereld van de denkende geest’ een eigen bestaan toe, wereld 2, in relatie tot wereld 1, de natuur. Een onbewijsbare, falsificeerbare metafysische overtuiging is het idee dat materie de essentie van de wereld is. Metafysische theorieën zijn falsificeerbaar, aldus zijn autobiografie Unended Quest, Metaphysical Research Programmes (p148)

 

De rol van intuïtie bij het bedenken van hypothesen en theorieënboij Einstein en Newton

Of waarneming ook innerlijke intersubjectieve ervaring omvat, komt aan de orde in deel 2. Jung beschouwt intuïtie als vorm van innerlijk waarnemen. In-tueri betekent innerlijk zien of (aan)voelen.  Intuïtie speelt een belangrijke rol bij de vorming van hypothesen en theorieën, die waarnemingen selecteren en interpreteren en als verwachtingen eraan vooraf gaan (a priori en aangeboren). Volgens Popper, The Logic of Scientific Discovery , aldus Magee (p 39-42) “is er niet zoiets als een logische methode voor het krijgen van nieuwe ideeën [hypothesen of theorieën]… elke ontdekking bevat een ‘irrationeel element’ of een ‘scheppende intuïtie’, in Bergsons betekenis. Op soortgelijke wijze spreekt Einstein over het ’zoeken naar universele wetten…Er bestaat geen logische weg. Ze kunnen alleen bereikt worden via intuïtie, die gebaseerd is op iets als een intellectuele liefde [Einfühlung, éénvoelen]. Ook Newton, zoals anderen, deed zijn ontdekkingen “in de bloei van mijn leven wat betreft mijn intuïtie”. Keynes veronderstelt dat zijn “intuïtieve vermogens de sterkste waren waarmee een mens ooit is uitgerust”. Naast zijn “ongeëvenaarde concentratievermogen… was zijn intuïtie superieur – ‘zo gelukkig in haar gissingen, aldus De Morgan, ‘dat deze meer leek te weten dan hij ooit kon bewijzen,’ aldus Motz en Weaver, Geschiedenis van de natuurkunde, (p 68, 63). Geeft dit  een hint naar een antwoord op de vraag: waar haalt hij het vandaan? Via zijn intuïtie uit een innerlijk weten?

 

Kuhn: revolutionaire en normale wetenschap, open en gereduceerde visies

De paradigma-benadering van Thomas Kuhn, The Structure of Scientific Revolutions, onderscheidt ‘normale wetenschap(pers)’ die binnen een paradigma ‘puzzels oplossen’ en wetenschappelijke revoluties door revolutionaire of buitengewone wetenschap(pers), die leiden tot paradigma-verandering Er tussenin zijn diverse gradaties en kleinere veranderingen. Popper zou meer oog hebben voor grensverleggende dan voor normale wetenschap. In zijn repliek op Kuhn wijst hij op een noodzakelijke behoefte en neiging tot enig dogmatisme bij normale wetenschap om theorieën grondig te toetsen,  in ‘Normal Science and Its Dangers’, in Imre Lakatos e.a., Criticism and the Growth of Knowlegde (p 55).

 

In grote lijnen komt dit onderscheid van Kuhn overeen met de volgende  open en gereduceerde visies:

1. Over wat we nog niet weten kunnen we ‘stoutmoedige hypothesen’ formuleren, aldus Popper in Conjectures and Refutations. In religie en filosofie zijn uitgangspunten, mogelijkheden en kennis die wetenschap kunnen aanvullen. Enkele b aanbrekende fysici laten dit in het vervolg deel 2 zien.

2. wat buiten het bestaande wetenschappelijke paradigma valt, bestaat niet of is niet mogelijk, onjuist of onbegrijpelijk en verwerpelijk: bijgeloof, kwakzalverij, fantasie, speculatie. Volgens Nobelprijswinnaar Brian Josephson worden ideeën te snel verworpen door ‘science by consensus’. De houding dat ‘zelfs al zou het waar zijn, zou ik het niet geloven;’ ‘Pathological Disbelief’, lezing voor Nobelprijswinnaars, Lindau, 30 juni 2004.

Deze benadering reduceert geldige kennis tot de heersende wetenschap, hoewel dat een rekbaar begrip is. In de praktijk is ‘de normale wetenschap’ het momenteel heersende materie-gerichte paradigma. Na een wetenschappelijke revolutie kan een ander paradigma de overhand krijgen dat meer verschijnselen beter kan verklaren, zoals de moderne kwantum fysica. Grondleggers hiervan de zijn in hun revolutionaire onderzoek het materiële voorbijgegaan. Dit lijkt bij velen nog niet goed doorgedrongen. Reden om dit nader te bezien. In het algemeen gedijt wetenschap in vrijheid van meningsuiting en een kritische houding en staat zij haaks op geloven op gezag van gezaghebbende wetenschappers of andere instanties. In de praktijk is de consensus en het conformisme van wetenschappelijke gemeenschappen vaak bepalend, zoals Kuhn en Berger laten zien.

 

 

 

Alledaagse wetenschap: hoe het in de praktijk kan gaan volgens Peter Berger

Waarom zien wetenschappers belangrijke ontwikkelingen over het hoofd? Peter Berger, die het begrip ‘alledaagse kennis’ heeft ingevoerd in de kennissociologie in The Social Construction of Reality, geeft de volgende verklaringen. “Geseculariseerde wetenschappers hebben oogkleppen op waar het religie betreft. Ze vinden religies achterhaald… dus een uitstervend verschijnsel. Ze stellen zich niet open voor bepaalde informatie, en als die informatie niet meer te vermijden is, dan geven ze een sterk vertekende interpretatie, zodat hun wereldbeeld niet bijgesteld hoeft te worden. Een andere reden is het parochialisme van intellectuelen. Ze bewegen zich onder gelijkgestemden. Het zijn kosmopolitische parochianen. Ze lezen internationale tijdschriften…  bezoeken internationale congressen, maar het is een uiterst beperkte kring. De wereld van westerse intellectuelen is hun parochie. De rest van de wereld zien ze niet, of alleen door de vertekende bril van soortgenoten met soortgelijke wereldbeschouwingen,” volgens Berger in ‘Sociology: A Disinvitation?’, M J de Jong, Grootmeesters van de sociologie, p 270. Zie ook Kuhn, p 115.

De Jong voegt een noot toe: “uit eigen ervaring kan ik zeggen dat dit een te rooskleurig beeld geeft. Binnen deze kring worden nog allerlei paradigmatische gevechten gevoerd, en het blijkt dat veel intellectuele niet of nauwelijks open staan voor wat er gebeurt binnen andere paradigmata of politieke stromingen.” (noot 84, p 377). Laat staan voor geestelijke stromingen. Volgens Dessaur in De droom der rede. Het mensbeeld in de sociale wetenschappen (p 191) is “het wetenschappelijke taboe dat op het woord ‘ziel’ rust, kenmerkend voor onze dominante cultuur.” Veel wetenschappers lijken de wereld te willen reduceren tot de zielloze wereld van de materie, wereld 1 van Popper.

Het lijkt op rivaliserende geloofsrichtingen. Ook Einstein bestreed de kwantumfysica, met name Heisenbergs onzekerheidsbeginsel vanuit een deterministisch standpunt dat weerlegd was door dit principe. Einstein kan echter ook gelijk hebben. Wij kunnen de werkelijke situatie, bijv. de locatie van een elektron,  niet met zekerheid vaststellen of determineren. Als wij de situatie hebben vastgesteld, is deze al weer veranderd.Maar het is niet geheel uitgesloten dat deze gedetermineerd zou kunnen zijn.

 

 

 

Popper schreef hierover een verzoeningspoging: Indeterminism in Quantum Physics and Determinism in Classical Physics, zie Unended Quest, ‘Meeting with Einstein’, ‘Fighting Subjectivism in Physics’ en Heisenberg, Fysica in perspectief, ‘Het wetenschappelijk werk van Einstein’; Physics and Beyond,  ‘Quantum Mechanics and a Talk with Einstein’ en vervolg (p 58-80). Hij beschrijft de paradigmastrijd en het vergelijk als deelnemer en grondlegger van de kwantumfysica, waarvan de invloed ingrijpender is dan van de relativiteitstheorie, gezien de kernbom, kernenergie, computers, mobiele telefoons, internet.

 

De drie werelden van Popper

Popper onderscheidt in Objective Knowledge, drie werelden of werkelijkheidsgebieden:

  1. de objectieve (buiten)wereld, die de natuurwetenschappen bestuderen,
  2. de subjectieve wereld van de geest, van bewustzijnsinhouden en –toestanden,
  3. de geobjectiveerde scheppingen van de geest (no 2), de objectieve geest, de wereld van de kunst, cultuur en wetenschap, zoals abstracte wiskundige begrippen.

Ook de werkelijkheidsvisie van het materialisme behoort bij no. 3 en is dus een schepping van de geest. Sommigen willen de geest reduceren tot product van de materie, terwijl we het ook omgekeerd: kunnen zien: materie als concept dat door de geest is gecreëerd. Dit is de argumentatie van Popper: “Materialism transcends itself”, in The Self and its Brain, geschreven met neurofysioloog John Eccles. Het begrip materie an sich is een immaterieel, geestelijk idee en materialisme een theorie. In zijn dualistische relationisme onderscheidt Popper het zelf of de geest van de hersenen, die uit materie bestaan. We kunnen niet om het bestaan heen van de materie en de geest als onderscheiden werkelijkheidsgebieden, die op een of andere wijze aan elkaar gerelateerd zijn. We zijn er niet adequaat in geslaagd het één uit het ander te verklaren. Wat materie en geest werkelijk zijn weten we nog niet goed, zoals uit deel 2 zal blijken.

 

Zintuiglijke, rationele en intuïtieve kennisbronnen

De Oud-indiase filosofie onderscheidt volgens H Groot in Verborgen wijsheid uit de Oepanishaden

1. zintuigelijke kennis, avidya, letterlijk onwetendheid

2. rationele kennis, vidya, verwant aan ons woord weten, ook aan het woord (v)idee

3. atmavidy, schouwende of intuïtieve kennis van de ziel, ‘atman’, verwant met ons woord adem.

 

Deze indeling komt overeen met de drie complementerende bronnen van kennis bij Sorokin, Jung en Assagioli: zintuigen, verstand en intuïtie. Deze aspecten zijn ook bij Plato en Spinoza en anderen te vinden: “Het hoogste streven en de hoogste deugd van de geest is de dingen te begrijpen met de derde soort van kennis… welke ik het intuïtieve weten zal noemen,’’ schrijft deze in Ethica (deel 2 bij stelling 40, deel 5 bij stelling 25) en in A. Vloemans, Leven en leer der grote denkers (p 356).

Het intuïtieve weten komt overeen met het ‘schouwen’ bij Plato en de intellectuele aanschouwing bij Fichte, Schelling en Hegel (ibid. p 466). Ook hier zien we dat wetenschap, filosofie, religie, kunst en onderliggende kennisbronnen elkaar complementeren. Waar de wetenschap in de kernfysica diep in de natuur is doorgedrongen, raakt zij het domein van religie, filosofie, de ziel en het bewustzijn.

 

uguste Comte 1798-1857        Karl R.Popper 1902-1994

 

Einstein: de theorie die bepaalt wat we kunnen waarnemen

Zoals onder meer Popper en Weber e.a. een eeuw later benadrukt ook Comte “als geen ander de beperkingen van de positieve wetenschap… Feiten kunnen niet worden gestuurd zonder sturing van enige theorie… want voor het grootste deel zouden we ze niet kunnen bevatten… Wetenschap bestaat in werkelijkheid uit de wetten die ten grondslag liggen aan de verschijnselen.” Weten(schap) is het weten van wetten, wetmatigheden of patronen gerelateerd aan feiten en begrippen. Het begrip logos (logie in de diverse wetenschappen) kan zowel (wereld)wet als woord, begrip en weten betekenen. “De positivistische benadering sluit volgens Comte helemaal niet uit dat wetenschappers gebruik maken van hun gevoelens, intuïtie en verbeelding bij het bedenken van theorieën,” in M J de Jong, Grootmeesters van de sociologie (p 19-21).

Einstein zei: “Het is de theorie die bepaalt wat we kunnen waarnemen,” aldus Heisenberg, Physics and

Beyond (p 77). De theorie of het paradigma beperkt of verruimt dus ook wat we zien en is een beperkte denkconstructie. De wiskundige formules beschrijven niet meer de natuur of het gedrag van elementaire deeltjes, maar onze kennis van dat gedrag, schrijft hij in Fysica in perspectief (p 66, 69). Zonder door de geest gecreëerde begrippen kunnen we feiten of verschijnselen niet ordenen en niet goed waarnemen. Als we geen begrip of theorie van iets hebben, nemen we het vaak niet waar. We zien het niet, willen het niet zien of kunnen het niet zien.

Ook Newton kende de beperking van de wetenschap, die hij ‘aanvulde’ met alchemie en esoterische, geheime wetenschap. “Ik was als een jongen die op het strand speelde en zich vermaakte door een nog mooiere steen of schelp te vinden, terwijl de grote oceaan van de waarheid onontdekt voor mij lag." In Heisenberg, Physics and Beyond, p 207.

 

 

 

Newton was volgens de Britse Royal Society, peiling in 2005, de grootste geleerde in de geschiedenis van de wetenschap. Anders dan  Einstein was Newton naast theoreticus ook een briljant experimentator. Evenals Einstein was hij zeer religieus.”Al mijn ontdekkingen zijn gedaan als antwoorden op mijn gebed". Hoewel hij als geen ander het mechanistische wereldbeeld heeft vorm gegeven, had hij een passie voor theologie, alchemie en esoterische wetenschap van de Kabbala en de Rozekruizers. Veel alchemistische verhandelingen gaan uit van niet-mechanische principes, die vergelijkbaar zijn met zijn  zwaartekrachttheorie." John Maynard Keynes, die veel van Newtons alchemistische geschriften had verworven, verklaarde: "Newton was niet de eerste vertegenwoordiger van het tijdperk van de rede, hij was de laatste van de magiërs.” Wikipedia.

 

In De wetenschap van het Zijn en de kunst van het leven (p 197) schrijft Maharishi Mahesh Yogi:

“Als iemand enig gebied van kennis bestudeert, ontdekt hij dat een groter gebied van het onbekende voor hem ligt. Hoeveel ook over een onderwerp bekend is, verder onderzoek… kan een groter gebied onthullen dat nog onbekend is.” Hij pleit voor de ontwikkeling van het bewustzijn van binnenuit door meditatie, waardoor naast het informatieniveau diepere dimensies onderzoekt. Naast de ontwikkeling van intellect en intuïtie kan men hierbij denken aan inzicht in de werking van het bewustzijn. Ook volgens Kant en anderen kan dit meer inzicht geven in de wetmatigheden van de werkelijkheid. In het vervolg komt dit aan de orde.

 

Max Weber: wat is de waarde van wetenschap?

Terug naar Max Weber. Egbert Tellegen schreef een dissertatie over Weber. In een gastcollege zei hij dat hij was getroffen door de religieuze betrokkenheid van Weber, die in zijn godsdienstsociologische studies de wereldreligies diepgaand heeft onderzocht en het belang voor de zingeving laten zien, zoals ook Sorokin. In Hoofdfiguren van de sociologie schrijft Tellegen “als de sociologie een heilige heeft, dan is het Max Weber”. Auguste Comte heeft in zijn sociologische, positivistische wetenschappelijke religie van de mensheid, die door weinigen serieus genomen is, een ‘heiligenkalender’ gemaakt met grote figuren die voor de mensheid belangrijk zijn geweest. Bij veel baanbrekende wetenschappers, zoals enkele grondleggers van de moderne fysica, is het onderscheid tussen wetenschap en religie minder scherp dan vaak wordt aangenomen.

In Wetenschap als beroep en roeping zegt Weber dat wetenschap geen substituut kan zijn voor (de zingeving van) religie en filosofie. Hij gaat in op de problematiek van rationalisering en ‘onttovering’ (Entzauberung der Welt, ontheiliging, ‘ontgeestelijking’)

“Zonder passie is er geen roeping voor de wetenschap. Gepassioneerde toewijding is een voorwaarde voor de ‘inspiratie’, die bepalend is. Het idee heerst dat wetenschap een kwestie is van berekening of statistische datasystemen, gefabriceerd in laboratoria, die alleen koel intellect betreffen, geen ‘hart en ziel’. Een juist idee of intuïtie moet ook opkomen. Het heeft niets te maken met een koele berekening. Als er geen ’idee’ opkomt over de richting van de berekeningen levert het geen resultaat op…

In Plato’s Mythe van de grot zien mensen die vastgeketend zijn schaduwbeelden op de wand. Een van hen keert zich om en ziet de zon. Eerst is hij verblind en stamelt iets. Men denkt dat hij raaskalt. Dan leert hij het licht te aanschouwen. Zijn taak is dan de mensen naar het licht te leiden. De zon is de waarheid van de wetenschap, die geen illusies of schaduwen, maar het ware zijn (be)vat. Wie ziet wetenschap nu zo? Eerder omgekeerd vormen intellectuele constructies een onwerkelijk gebied van kunstmatige abstracties, die met benige handen het bloed en sap van het ware leven pogen te pakken. Hoe is deze verandering gekomen?

 

Wat betekende wetenschap voor mensen op de drempel van de moderne tijd?

Voor Leonardo Da Vinci e.a. was wetenschap de weg naar ware kunst en natuur. Jongeren roepen nu om bevrijding van het intellectualisme van de wetenschap om terug te keren tot de eigen natuur en daarmee tot de natuur in het algemeen. Swammerdam zag ‘het bewijs van Gods voorzienigheid in de anatomie van een luis’: wetenschap als weg naar God. Wie gelooft dat wetenschap iets kan leren over de zin en betekenis van de wereld? Wetenschap doet het geloof in de zin van het universum uitsterven. Ongetwijfeld is wetenschap areligieus. Verlossing van rationalisme is een voorwaarde voor leven in eenheid met het goddelijke. Het naïeve optimisme waarbij wetenschap als techniek om het leven te beheersen wordt gevierd als weg naar geluk, laat ik terzijde. Wie gelooft dit?

Wat is de zin van wetenschap nadat al deze illusies zijn verdreven: wetenschap als ‘weg naar het ware zijn, naar de natuur, naar de ware God en het ware geluk’? Tolstoi gaf het eenvoudigste antwoord: “Wetenschap is zinloos, omdat zij geen antwoord geeft op onze vraag: ‘wat zullen we doen en hoe zullen we leven’?... Het bestaan van de moderne mens is ontheiligd en ontkleed van zijn mystieke, maar innerlijk levensechte ontvankelijkheid... Vandaag de dag vormen routines van het dagelijks leven een uitdaging voor religie. Vele oude goden rijzen op uit hun graven, zij zijn ontheiligd en nemen de vorm aan van onpersoonlijke krachten.” Aldus Weber, Science as a Vocation in S N Eisenstad, Max Weber On Charisma and Institution Building.

Welke instituties zijn nodig om wetenschap, religie, filosofie en kunst te complementeren en te integreren? Daarvoor zijn nu nauwelijks instituties. Onderwijs en universiteiten voorzien niet in de rol. Er zijn weinig tijdschriften voor. Civis Mundi is een uitzondering. We deze laten deze vraag open, zoals past bij wetenschap die vaak meer vragen oproept dan beantwoordt.

 

Cultuurtypen en antwoorden op vragen waarop de wetenschap geen antwoord kan geven

Er zijn vragen waar de wetenschap geen antwoord kan geven: levensbeschouwelijke vragen, zoals:

  • naar de zin en de waarde van het leven, wat goed en waardevol is en wat niet,
  • naar de aard van de ziel, het bewustzijn en het geweten en de relatie tussen geest en lichaam,
  • de aard van de uiteindelijke werkelijkheid is, of er voorbij de fysische wereld een metafysische niet materiële, geestelijke werkelijkheid is en hoe beide samenhangen.
  • De 3 vragen van Kant: Wat kunnen wij weten? Wat moeten wij doen? Wat mogen wij geloven?

Resp. kennisleer en metafysica, ethiek, religie. H J Störig, Geschiedenis van de filosofie, p 26.

 

Volgens Pitirim Sorokin variëren antwoorden op zulke vragen per cultuurtype. Hij was een Russisch socioloog en sociaaldemocratisch revolutionair, die ter dood was veroordeeld, van Lenin gratie kreeg en daarna in de VS hoogleraar aan de Harvard Universiteit was. Geboren bij het Komi volk in Noord Rusland, een soort autonome Middeleeuwse cultuur, is hij is vertrouwd is met diverse culturen.

In Social and Cultural Dynamics A Study of Change in Major Systems of Art, Truth, Ethics, Law and Social Relationships, een veelomvattend werk dat ooit wereldfaam genoot en grote indruk op mij maakte, onderscheidt hij drie cultuurtypen, die elkaar in de loop van de Europese geschiedenis opvolgen. Uit de titel spreekt enige invloed van de Sociale Dynamica van Comte en diens ‘wet’ van drie opeenvolgende stadia: het religieuze, filosofische en wetenschappelijke of positivistische stadium en daarna mogelijk een integrerend stadium met een positivistische, wetenschappelijke religie komen.

 

De culturele relativiteit en afhankelijkheid van kennis en wetenschap

Het blijkt dat kennis en wetenschap betrekkelijk zijn en afhankelijk van het cultuurtype. Ook omgekeerd wordt het cultuurtype bepaald en gekenmerkt door het soort kennis. Alle aspecten van de westerse wetenschap zijn niet zo universeel en absoluut geldig als soms wordt gepretendeerd, zoals bij sommige religies. Anderzijds zijn er ook universele principes geldig in diverse tijden en culturen. Om beperkingen van tijd- en cultuurgebonden wetenschap te compenseren, is kennis van cultuur-overstijgende principes nodig. Sorokin definieert de cultuurtypen naar de wijze waarop de uiteindelijke werkelijkheid wordt beschouwd en daarmee samenhangend de zingeving, waarden, ethiek, recht en sociale relaties.

 

  1. Het ideële (Ideational) cultuurtype ziet de werkelijkheid uiteindelijk als geestelijk, niet materieel en absoluut van aard, zoals Tao in China, Brahman in India en God in andere culturen. Er is aandacht voor geestelijke behoeften en wegen tot vervulling ervan door verbinding met deze werkelijkheid. Waarden en normen vloeien voort uit die geestelijke realiteit.
  2. Het zintuigelijke (Sensate) cultuurtype daarentegen ziet de zintuigelijke, materiële werkelijkheid als wezenlijk. Het accent ligt meer op zinnelijke en materiële behoeften en wijzen van vervulling. Waarden en normen zijn daar ook op gericht.
  3. Het geïntegreerde (Idealistic) type integreert beide aspecten.

 

Eigenlijk zijn het cultuurcomponenten want iedere cultuur heeft geestelijke en zinnelijke, materiële aspecten, die min of meer prominent of ondergeschikt zijn. Zoals bij de stadia van Comte komen deze aspecten of componenten van culturen overeen met 1. religie, letterlijk verbinding met de uiteindelijke realiteit, 2.filosofie, 3.empirische wetenschap en praktische kennis, praxis. De bronnen van kennis zijn 1.innerlijke ervaring of openbaring van de onderliggende eenheid, die vaak als geloof wordt overgenomen; 2.rationeel denken, 3. verwerking van zintuiglijke ervaring.

De cultuurcomponenten zijn niet gelijkmatig verspreid over de bevolking. Hogere lagen zullen meer cultuurbepalend zijn dan lagere lagen, die vaak meer materieel en zinnelijk gericht kunnen zijn. In onze tijd zijn massamedia en vermaak-industrie cultuurbepalend, nog meer dan de wetenschap, die dit mogelijk maakt, gezien het massale, populaire karakter.

 

 

Mother Meera, Indiase heilige Madonna in de grot Leonardo Vinci en Madonna de zangeres: iconen van ideële en zinnelijke cultuur

 

Culturele ontwikkeling vanaf de oude Grieken van ideëel naar zinnelijk en materieel

Sorokin gaat duizenden pagina’s in op genoemde aspecten, met tabellen en statische analyse. Hij laat zien dat de Europese cultuur vanaf de oude Grieken veranderde van ideëel en religieus, naar geïntegreerd, idealistisch en filosofisch naar meer zinnelijk, materieel en uiterlijk gericht bij de Romeinen en wederom ideëel bij de Christelijke cultuur, geïntegreerd rond de Renaissance en bij de opkomst van de empirische wetenschap steeds meer zintuiglijk en materieel gericht. Dus tweemaal een ‘super-ritme’ een soort slingerbeweging van het ideële naar het zintuiglijke uiterste.

 

Er zijn aanwijzingen dat een vergelijkbaar ritme voorkomt bij andere culturen, maar dit ging het bestek van zijn studie te buiten. Niet-westerse, met name Oosterse culturen laten vergelijkbare aspecten zien. De Indiase traditie is nogal bovenzinnelijk gericht. In de Chinese cultuur gaat het bij het Taoïsme vanouds om de harmonie met de Tao, de kosmische orde, tussen Yin en Yang, hemel en aarde. Bij het Confucianisme gaat het ook om evenwicht, maat houden, de gouden regel: ‘wat gij niet wil dat u geschiedt die dat ook een ander niet’, zoals de juffrouw in de eerste klas reeds leerde, het christelijke principe van de naastenliefde ruim 500 voor Christus.

De dynamiek van culturen is te relateren aan twee evangelische uitspraken: 1. ‘Een mens leeft niet van brood alleen’, dus niet van materie alleen, maar ook niet van geloof of meditatie alleen. Wij hebben materiële en geestelijke behoeften. 2. ‘Wat baat het u als gij de hele wereld wint, maar schade lijdt aan uw ziel?’, zoals cultuurpsycholoog Han Fortmann schreef in Oosterse renaissance en/of Heel de mens. Hieruit is een streven naar integratie en evenwicht af te leiden, dat echter als een slingerbeweging naar de materiële of de geestelijke kant doorslaat. Tegenwoordig lijden we niet alleen schade aan onze ziel, maar aan de hele natuur, waardoor een meer duurzame cultuur noodzakelijk is. Dit vraagt andere, meer geestelijke waarden en een andere bewustzijn zoals onder meer Ockels benadrukte.

 

Hoewel het interessant is te leren van andere culturen, die de millennia hebben overleefd, gaat het hier om een paradigmaverschuiving die Sorokin verwachtte in onze cultuur, zoals in de eerste eeuwen na Christus. De zinnelijke, materiële gerichtheid is dominant, hoewel er ook geestelijk gerichte onderstromingen zijn, waar de dominante wetenschap weinig van wil weten. Traditionele religies leiden een kwijnend bestaan. Yoga, Tai Chi of Chi Gong, de Chinese bewegingsleer en alternatieve geneeswijzen zijn gemeengoed geworden. De geïntegreerde idealistische cultuur waar Sorokin naar uitzag, zal nog even op zich laten wachten. In onze cultuur en samenleving is echter onder de materieel gerichte hoofdstoom vanouds een meer geestelijke gerichte onderstroom aanwezig, die mogelijk meer naar boven komt stromen in de hoofdstroom. Sinds de jaren ’70 is onder meer milieubeleid, natuurbehoud, zelfbehoud en geestelijke ontplooiing meer gemeengoed geworden, op weg naar een duurzame groene samenleving waarin mensen meer verenigd zijn met hun eigen natuur.

Bij sommige grondleggers van de kwantumfysica lijkt materie ‘doorzichtig’ en ‘buitenzintuiglijk’ geworden. Parallellen met oosterse en westerse spirituele filosofie zijn door velen opgemerkt, alsmede een paradigmaverschuiving in de richting van een meer ideële conceptie van de kosmische ordening. Dit is het onderwerp van het vervolgartikel; deel 2 over paradigmaverschuiving in de kwantumfysica.

 

Democritus en Heraclitus, twee Griekse filosofen die staan voor de materialistische atoomtheorie en de integrale, ideële eenheidsvisie

 

Het ideaal van een niet-europacentrische toekomstige cultuur bij Ton Lemaire

Culturele relativiteit van kennis en wetenschap is ook het thema in de cultuurfilosofie van antropoloog Ton Lemaire, Over de waarde van culturen. Een inleiding in de cultuurfilosofie tussen europacentrisme en relativisme (p 442)“die een verantwoording wil zijn van het cultuurideaal van een toekomstige niet-europacentrische beschaving… Grondprobleem van elke cultuurfilosofie is hoe natuur en cultuur zich verhouden.” Bij natuurwetenschap gaat het om hoe natuur en wetenschap zich tot elkaar verhouden. Het uitsluiten van het subject, zoals eerder genoemd, is een beperking van de wetenschap, die de de relatie tussen subject en object, natuur en ‘geest’ of bewustzijn omzeilt. In deel 2 komt dit aan de orde.

Lemaire vervolgt zijn conclusie aldus: “De mens is zelf tegelijk subject en object van dit grondprobleem: hij is immers natuur en cultuur tegelijk… Steeds cirkelt de mens rond het raadsel van zijn eenheid met een onderscheid van de natuur. Het is zeer de vraag of er wat betreft het inzicht in deze relatie uiteindelijk vooruitgang is geboekt sinds de vroege mensheid haar in mythen heeft verbeeld. Of de bewuste rationele productiviteit van wetenschap en filosofie iets hebben toegevoegd… Of mythe en rede niet identiek zijn, omdat in beide gevallen niet de mens denkt, maar de natuur zich haar eigen door de menselijke geest bemiddelde identiteit her-innert. De cultuuropvatting die impliciet in mijn  hele betoog meespeelt is die van een, zij het niet onmiddellijke, identiteit van natuur en cultuur…

 

Met name de westerse cultuur, ook de wetenschap, spant zich vergeefs in de oneindigheid van de natuur te vatten.” Oswald Spengler in Der Untergang des Abendland typeert onze cultuur als ‘Faustisch’, naar het streven van Faust om in dit aardse leven grenzen voorbij te gaan. “Een spanning die in de westerse cultuur in haar kunst, religie en wijsbegeerte gedifferentieerde gestalten heeft [zoals  Faust]. Onze cultuur heeft zich door de onttovering het geloof in een traditionele godsdienst ontzegd. Voor een mogelijke verzoening van natuur en cultuur resten alleen nog de kunst en de filosofie, tenzij beide opheffend een nieuw soort leven: een natuurmystiek. Deze is paradoxaal genoeg zowel nodig als mogelijk is geworden door de natuurwetenschappen. Deze hadden de conventionele godsdienst, het christendom, die mede verantwoordelijk is voor de onttovering  van de natuur ondergraven.., voor een nieuwe ervaring van eenheid met de kosmos. Een vorm van natuurervaring die na de dood van god en van de mens zèlf als aanmatigend subject, de mens de ervaring van de verwantschap van alle leven biedt...” Deze slotzinnen bieden tevens een inleiding tot deel 2 over de moderne fysica, waarin dit proces nader uit de doeken wordt gedaan. In andere culturen heeft dit streven naar vereniging op verschillende maar ook vergelijkbare gestalte gekregen.

 

 

Pitirim Sorokin 1879-1968    Claude Henri Duc de Saint Simon 1760-1825  Friedrich Nietzsche 1844-1900

 

Maatschappelijke en industriële belangen van de wetenschap: St Simon

Welke rol kan wetenschap spelen bij sociaal-culturele verandering die nodig is? Reeds Comte en zijn leermeester St Simon, de grondlegger van het socialisme, zagen wetenschap als motor van vooruitgang en maatschappelijke verandering, bij St Simon zelfs als ‘redder van de maatschappij’, volgens Van Houten in Hoofdfiguren van de sociologie (p 23 e v). De industriële revolutie is medebepaald door technische toepassing van natuurwetten, aldus Wilterdink, c.s., Samenlevingen (p 163 e.v.). “De huidige westerse samenlevingen zijn zonder wetenschap ondenkbaar geworden, dagelijks worden wij met toepassingen geconfronteerd.”

In zijn beroemde parabel zegt St Simon: als het land zijn drieduizend beste geleerden, kunstenaars en ambachtslieden verloor, werd het een lichaam zonder ziel. Verloor het land daarentegen dertigduizend lieden van de toenmalige bovenlaag, dan zou dat geen nadeel opleveren. Er is een omgekeerde wereld, de onbekwamen regeren de bekwamen. Over zo’n massale uittocht in Nazi-Duitsland van Joodse geleerde zoals Einstein en Niet-joodse collega’s, zoals Pauli en Schrödinger, maakten Planck en Heisenberg zich grote zorgen. Zij worden  besproken in het vervolg, deel 2.

St Simon en Comte zagen niet alleen het belang van wetenschap, maar ook van een nieuwe positivistische religie in het verlengde van de wetenschap. Daar is niets van gekomen. Zijn wij nu niet in een situatie beland dat veel wetenschappers weinig meer moeten hebben van religie, vaak weinig filosofisch en maatschappijkritisch denken, maar werken onder invloed van de financiers, het bedrijfsleven en de overheid, die weer beïnvloed wordt door multinationals, waar een betrekkelijk klein aantal vermogenden de dienst uitmaken?

Recentelijk kwam in het nieuws hoe volgens het Sociaal Cultureel Planbureau verschillen in inkomens blijven groeien sinds de jaren 80 en hoe een paar procent van de bevolking een groot percentage van het vermogen bezit. Het maatschappelijk bestel zit zo in elkaar, dat de rijken rijker worden en de armen armer, zoals St Simon en Marx beschreven. Doen wetenschappers hieraan mee door zich te laten betalen en bepalen bij hun onderzoek door belangen die door de (invloed)rijken worden gedicteerd? Of is dit een simplistische visie, waarin de echo van de jaren 60 doorklinkt?

Deze visie is deels door de kennissociologie te onderbouwen met Marx, Mannheim, Ideologie und Utopia; Man and Society in an Age of Reconstruction;  Wright Mills, The Power Elite; Habermas, Erkenntnis und Interesse; Berger en Luckman, The Social Construction of Reality; Horkheimer en de Kritische Theorie van de Frankfurter Schule, die door de Nazi’s werd ontmanteld en vele anderen. “De mens dient zijn eigen geestelijke mogelijkheden gebruiken en niet van autoriteiten afhankelijk zijn,” zegt Horkheimer in Hoofdfiguren van de sociologie 2 (p 154). De realiteit is vaak anders.

 

Wetenschapsbeoefening is allang geen vrije activiteit meer van zelfstandige onderzoekers, als dat ooit het geval was, maar is nu een zaak van regeringen en multinationals. Geldt ook hier het principe: ‘wie betaalt, die bepaalt’? De kenniseconomie, de banenmarkt en de vraag van werkgevers bepalen in welke kennis geïnvesteerd wordt. Veel wetenschappers praten elkaar na en citeren elkaar. Wie het meest wordt geciteerd, is de hoogst genoteerd op de ranglijst, de pikorde. Wat als wetenschappelijke waarheid wordt beschouwd wordt zo een soort grootste gemene deler van wat de meest geciteerden vinden. Weinigen begeven zich buiten bestaande paradigmata en halen dan kritiek en ongeloof op de hals, zoals Brian Josephson eerder schreef in Pathalogical Disbelief.

 

Aanvankelijk waren wetenschappelijke gemeenschappen volgens Wilterdink c.s.(p 166 e.v.) “relatief autonome netwerken… De autonomie van wetenschappelijk onderzoekers wordt beperkt doordat ze afhankelijk zijn van externe financiering… Overheden en ondernemingen proberen meer greep op de wetenschap te krijgen… Ook statushiërarchieën, groepsbindingen en routines spelen  een belangrijke rol… Zelfs vervalsing van onderzoeksresultaten en vormen van plagiaat zijn niet ongebruikelijk…Het beeld van de rationele en objectieve wetenschap is een geïdealiseerde constructie…Een andere beperking  is dat wetenschappelijke kennis niet losstaat van andere kennisvormen… Religie en natuurwetenschap liepen aanvankelijk in elkaar over.” Ook bij sommige kwantumfysici zien we deze overgang. Sorokin liet eerder zien hoe wetenschap is ingebed in het cultuurtype en de dominante werkelijkheidsopvatting.

Wilterdink c.s. beschrijven de ‘mechanisering van het wereldbeeld’, de rationalisering en ‘materialisering’, een meer materiële zinnelijke gerichtheid, zoals bij Sorokin. Daarnaast  noemen zij de ‘medicinalisering van het dagelijks leven’ (p 333). Aakster e.a., Medische sociologie laat zien hoe het dominante wereldbeeld doorwerkt in de geneeskunde. “Overheid en zorgverzekeraars blijven de reguliere [genees]wijze erkennen als enig juiste, lees ‘wetenschappelijk’ onderbouwde… Een nauwe koppeling bestaat  tussen wetenschap, bedrijfsleven, media en overheid, waardoor maatschappelijke correctiemechanismen niet functioneren en noodzakelijke veranderingsprocessen onvoldoende kans krijgen.” Dit bleek bijv. bij de miljoenenstrop van de overheid bij de aankoop van vaccins tegen Mexicaanse griep na advies van een hoogleraar die werkte voor de farmaceutische industrie. De bevolking liet zich nauwelijks verleiden tot vaccinatie. 

 

Over de invloed van de farmaceutische industrie op de medische wetenschap en de toenemende medische consumptie van geneesmiddelen, schreef Trudy Dehue in NRC 21 feb 2009: ‘Even slikken: de waarheid over de farmaceutische industrie’. 17 juni komt in het nieuws dat de directeur van de Nationale Zorg Autoriteit opstapt naar een reisje naar  Zuid Frankrijk in een hotel met privézwembad voor €700 per nacht gefinancierd door een farmaceutische bedrijf “zoals vaker voorkomt”. De invloedrijke  farmaceutische lobby heeft er ook belang bij om de invloed van complementaire geneeswijzen en voedingssupplementen te beperken.  Een ander voorbeeld uit de voedingsindustrie over de macht van multitnationals die de overheid bedreigen, een email van 16 juni: “The world’s most hated corporation…just announced they’re suing the tiny, rural U.S. state of Vermont to stop a new law that simply requires genetically engineered foods to be labeled. The threat of a multi-million dollar lawsuit nearly caused the state to back off the labeling law altogether.”

 

 

Wetenschap, geld en macht

                                               2014 06 17

Staat wetenschap te boek

als onafhankelijk onderzoek?

Onderzoek vraagt vrijheid

Geen beknotting door beleid

 

Geen externe autoriteit

Daarmee is zij in strijd

Geen geloven op gezag

maar onafhankelijk gedrag

 

Alleen gezag van vrije geesten

Maar tegenwoordig zijn de meesten

in bureaucratieën ingekapseld

wordt zelfstandigheid verhaspeld

 

Moeten zij concessies doen

aan de verschaffers van poen

Ook al is men hooggeleerd

het grote geld regeert

 

De kaders worden uitgezet

Docenten zijn gevangen in een net

van verplichtingen en eisen

waarin zij studenten richting wijzen

 

Wat zij moeten bestuderen

wordt bepaald door wie regeren

Het vrije onderzoek is zoek

Af en toe een grensverleggend boek

 

 

 

Is er een hogere macht

die aan mensen de kracht

geeft om tot inzicht te geraken

in kosmische en aardse zaken?

 

Een hogere macht regeert

die mensen inspireert

door het inzicht te geven

in hoe wij kunnen leven

 

 

 

Rationalisering, mechanisering en bureaucratisering volgens Weber en Wilterdink                             

Naast rationalisering en mechanisering hebben bureaucratisering en centralisering zich doorgezet. Wetenschap wordt bedreven in bureaucratische organisaties. “Steeds meer onderzoek wordt gefinancierd ten behoeve van economische en militaire doelen…Innoverend onderzoek is daarmee niet altijd gebaat, omdat dat een zekere zelfstandigheid van wetenschapsbeoefenaren vraagt… Tenslotte zijn er de problemen van wetenschapstoepassing… Wetenschap heeft onmiskenbaar bijgedragen aan de oplossing van veel problemen, maar ook tot nieuwe problemen geleid… milieuvervuiling, radioactief afval, steeds vernietigender wapens.., morele kwesties bij genetische manipulatie. Dit alles roept vragen op naar de beheersing van wetenschap en techniek. In hoeverre is het mogelijk onderzoek zodanig te sturen dat er positieve toepassingen van te verwachten zijn – en wie bepalen dat?” (p 169).

 

Tot slot noemen Wilterdink c.s. de ‘wet van de drie stadia’ van Comte, die niet algemeen opgaat, maar ook omgekeerd kan opgaan, zoals Sorokin liet zien. Na de Griekse wetenschap en filosofie werd de christelijke religie dominant om weer plaats te maken voor filosofie en wetenschap. Weber beschrijft deze ontwikkeling als in termen van het rationalisatieproces. Aan het eind van zijn beroemde studie De protestantse ethiek en de geest van het kapitalisme vraagt hij zich af: “Wie er zal leven in deze ijzeren kooi [van de rationele bureaucratie] en of er nieuwe profeten zullen opstaan, of een grootse wedergeboorte zal zijn van oude ideeën en idealen, of als geen van beide het geval zal zijn, gemechaniseerde verstening, versierd met een krampachtig soort eigendunk. Van deze laatste fase van deze culturele ontwikkeling kan waarlijk worden gezegd: ‘specialisten zonder geest, sensualisten zonder hart en dit nietige wezen meent dat het een niveau van beschaving heeft verworven dat niet eerder is bereikt…De moderne mens is niet in staat  religieuze ideeën een betekenis voor de beschaving te geven die zij verdienen. Maar het is niet mijn bedoeling om voor het eenzijdige materialistische causale interpretatie van cultuur en geschiedenis een even eenzijdige spiritualistische  interpretatie te geven.”

 

Wilterdink (ibid. p 171) concludeert: “Radicale twijfels aan rationalisatieprocessen worden thans geuit onder noemer van het postmodernisme… waarbij geloof in rationaliteit, wetenschap, vooruitgang en beheersbaarheid van de natuur en de maatschappij plaatsmaakt voor een veel meer relativistische en sceptische houding… Ook het ontstaan van een religieuze en levensbeschouwelijke ‘markt’ zijn te beschouwen als overgang naar een postmoderne samenleving… In de 19e en 20e eeuw werden twijfels aan de waarde van de wetenschap, de rationaliteit en de vooruitgang regelmatig verwoord, bijvoorbeeld onder de benaming ‘nihilisme (Goudsblom)… De afgelopen decennia is het geloof in de wetenschap… en de dominantie van wetenschappelijke kennis ten opzichte van andere kennisvormen alleen maar groter geworden… gepaard met toenemende problemen in de beheersing, de verwerking en toepassing van deze kennis”. Daarom wordt hier integratie met andere kennisvormen bepleit en in deel 2 de complementariteit  van wetenschap, filosofie en religie op basis van de kwantumfysica.

 

 

Laputa, luchtkasteel, naar Luther la puta: ‘die hoer, de rede’, Gullivers Reizen hekelt rationalisering 

 

De invloed van massamedia en vermaak-industrie

Naast wetenschap en techniek zijn massamedia cultuurbepalend in de postmoderne informatiemaatschappij. Steeds meer mensen houden zich beroepsmatig bezig met het verzamelen, verwerken en doorgeven van informatie, meer dan met productie van goederen. Het informatieaanbod is overstelpend. Kennisbronnen kunen zo “bronnen van desoriëntatie worden. Men raakt in de doolhof het spoor bijster… Door de nadruk op amusement en sensatie zouden media mensen kunnen afhouden van systematische kennisvorming,” aldus Wilterdink p 170). Bekende Nederlanders, BN-ers, ‘vertolken de gevoelens van het volk’, zoals Corry Vonk, de vrouw van Wim Kan ooit zong op oudejaarsavond. Volkscultuur is vaak zinnelijk en materiëel gericht op vermaak, zoals Sorokin aangaf.

 

Anderzijds is er ondanks de mechanisering en verwetenschappelijking van het wereldbeeld en  de geneeskunde ook een oeroude, niet uit te roeien interesse in complementaire geneeswijzen en het bovenzinnelijke, ‘paranormale’ en spirituele, het metafysische, in filosofische termen, als een onderstroom die naar boven lijkt te komen. Ook is er de invloed van spirituele muziek van de Beatles, die in juni 60 jaar geleden doorbraken, en hun interesse voor meditatie en maatschappelijke betrokkenheid, zoals bij hun voorbeeld protestzanger en dichter Bob Dylan en vele andere artiesten. Een dergelijke interesse voor het geestelijke is nooit verdwenen in de wetenschap en komt ook daar telkens weer op, omdat wereld 2, in termen van Popper, een integraal  aspect is van de wereld en van onze cultuur, zoals Sorokin liet zien. Soms komt het meer op de voorgrond maar het verdwijnt niet, tenzij wij als mensen verdwijnen of onszelf vernietigen, waartoe we nu in staat zijn met onze techniek.

 

Specialisatie en synthese: delen zijn in het geheel te begrijpen of in het geheel niet te begrijpen

Bekend is de uitdrukking dat specialisten ‘bijna alles weten van bijna niets’, en generalisten ‘bijna niets weten van bijna alles’. Dit hoeft hoeft niet op te gaan. Bij grondige studie, kom je bij de grond van het uni-versum, de eenheid in de verscheidenheid en de verbinding met het geheel. Grondprincipes tonen zich in veelvuldige variatie, zoals Kepler reeds (be)schouwde in zijn Kosmische Harmonie.  Grote fysici, die vaak generalisten en specialisten tegelijk waren, zoals in het vervolg blijkt,  wijzen op de symmetrie of kwantumniveau. Grote geleerden vanaf Aristoteles tot Von Weiszäcker,  een homo universalis genoemd, beheersten bijna alle disciplines. Comte schreef dat analyse en synthese elkaar aanvullen. “Het onmogelijk is een deel van het organisme te verklaren, indien men niet het gehele organisme in beschouwing neemt...[of] een sociaal verschijnsel indien men het niet in de context van het geheel plaatst,”  aldus De Jong, Grootmeesters van de sociologie (p 23).

 

Filosofie heeft vanouds de taak kennisgebieden in een totaalkader te begrijpen. Het Franse denken toont bij Comte de typerende encyclopedische tendens, terwijl het Engelse denken innerlijk en uiterlijke ervaring met elkaar verbindt, volgens H J Störig, Geschiedenis van de filosofie 2, p 202. Het Duitse denken toont volgens Heisenberg in Physics and Beyond een fascinatie voor het onderliggende, uiteindelijke Absolute, terwijl elders pragmatisme wijdverspreid is. Hij wijst erop dat deze fascinatie ondergeschikt dient te zijn aan logisch denken om excessen te vermijden. Specialisatie los van ethiek en filosofie, scheiding van hoofd en hart, als delen los van het geheel hun gang gaan, kan gevaarlijk zijn en leiden tot ondergang van een beschaafde samenleving.

 

Nietzsche: nut en nadeel van de wetenschap voor het leven

In Nietzsche’s Unzeitgemässe Betrachtigung Vom Nutzen und Nachteil der Historie für das Leben, samengevat in J Goudsblom, Nihilisme en cultuur (p 210), is Historie te vervangen door wetenschap.

“Om zich heen ziet hij een verkommerde cultuur, zonder eenheid van stijl, zonder ‘heiligen Ursitz’, een cultuur die lijdt aan algemene ontwikkeling, die haar dragers doemt tot weifelmoedige veelweterij. [De wetenschap] viert hoogtij: allerwegen haalt men kennis binnen, uit alle hoeken der aarde, men verzamelt, men rangschikt en men raakt in moedeloze verwarring… In plaats dat filosofen filosofisch leven verzamelen zijn meningen van anderen en geven die aan hun studenten door. ‘Men denke zich een jong hoofd zonder veel levenservaring, waarin vijftig systemen en vijftig kritieken daarop naast en doorelkaar worden opgeborgen – wat een woestenij, wat een wildernis, wat een blamage voor het onderricht in de filosofie.”’ Is deze ervaring vergelijkbaar met die van leerlingen en studenten nu?

 

Dit citaat staat in de context van het nihilisme: “het ontwaarden van de hoogste waarden. Het doel ontbreekt, het antwoord op het ‘waarheen?’” (p 11) De wetenschap kan hierop geen antwoord geven. “’Wetenschappen hebben de opdracht… de oplossing van het probleem van  de waarden voor te bereiden’... door een nieuwe gezondheidsleer van het leven en een cultuur die driften opheft tot een hoger plan… en vrije ontplooiing van alle faculteiten” (p. 212-15). Dus niet alleen van het intellect, maar een soort zelfverwerkelijking.

Behalve complementeren van kennisbronnen is het nodig het bewustzijn waarin kennis is gestructureerd, te verruimen met synthetische kenvermogens zoals intuïtie, door Jung in Psychologische typen (hfst 10) beschouwd als het vermogen om  het geheel van binnenuit te zien.  Von Weizsäcker onderscheidt in Wege in der Gefahr  Verstand en Vernunft, het analytische en synthetische vermogen. Bij Mannheim instrumentele en substantiële rationaliteit genoemd, bij Weber doel-rationeel en waarde-rationeel handelen, met daarnaast traditie en charisma (genade) als bron van waarden.

 

In ons zintuigelijk gericht cultuurtype kan materie eigenlijk geen verenigend beginsel meer zijn zoals het Absolute het ideële cultuurtype. Materie is uiteengevallen in meer dan 100 elementaire deeltjes, waarvan de meeste een spookachtig en uiterst kortstondig bestaan hebben en waarin fysici naar symmetrie en samenhang zoeken via verenigende veldtheorieën. Voor Nietzsche reeds bleek dat “binnen de wetenschap geen laatste zekerheid bestaat, dat ook het geloof aan de materie een illusie is.” (Goudsblom, p 25).

Geldt dat niet evenzeer voor het geloof in de wetenschap, die een substituut voor religie lijkt, ‘de Kerk der Rede’, aldus Dessaur in De droom der rede (p 258)? Comte wilde de wetenschappen verenigen met de sociologie als de ‘koningin’ van de wetenschappen en de mensheidsreligie met liefde en altruïsme als verbindend beginsel, zoals in het Christendom en bij Sorokin, The Power of Love.Types, Factors and Techniques of Moral Transformation, een integrale wetenschappelijke studie van liefde als verenigend beginsel.

 

 

                                                                                                                                                                                                      Von Weizsäcker met de Dalai Lama

De ontwikkeling en de gevaren van de natuurwetenschap en techniek volgens Heisenberg

Heisenberg ontwikkelde zijn versie van de kwantummechanica toen hij 24 was. “Gezien zijn prestaties op velerlei gebied, wordt hij wel een genie genoemd, maar zijn houding tegenover de nazi’s geeft stof tot discussies,” aldus Wikipedia. Hij werkte aan het atoombomproject, dat  mede door toedoen van hem en Von Weizsäcker naar hun zeggen stagneerde. Ook hier geldt het onzekerheidsbeginsel. Na de oorlog hebben beiden zich ook verzet tegen de ontwikkeling van kernwapens. “Als atoomenergie zogezegd op de deur klopt, is het veel beter enige invloed op de ontwikkelingen te hebben dan deze over te laten aan anderen of puur toeval” (p173). Hij kwam in conflict met de SS en pro-nazi fysici en werd ‘witte jood’ genoemd wegens steun aan Joodse collega’s. Hij kent dus als geen ander de morele problemen die wetenschap en techniek met zich mee kunnen brengen.

 

In Fysica in perspectief (p 60 e v) beschrijft hij de ontwikkeling van de wetenschap en techniek, zoals bij Weber, Sorokin en Wilterdink. Grondleggers van de moderne wetenschap, zoals Kepler en Galileï hadden een ideëel middeleeuws beeld van de natuur als Gods schepping, die zich min of meer autonoom voortbewoog volgens natuurwetten, die in de schepping waren gelegd. Natuurwetenschap noemt hij een christelijke vorm van goddeloosheid, waarbij de niet alleen God maar ook de mens buiten of boven de geobjectiveerde natuur wordt geplaatst en een objectieve natuurverklaring ontstaat, die typerend is voor de westerse cultuur. De joods-christelijke visie is al een vorm van rationalisatie en ‘onttovering’ in termen van Weber.  Newton zag de schepping niet meer vanuit God, maar in termen van een schelp uit de oceaan van de werkelijkheid, zoals eerder vermeld. Wetenschap zoals “het bekijken van de schelp ontleent zijn zin aan de samenhang met het grotere geheel.” 

 

Zoals Sorokin beschreef,  ziet hij een overgang van een ideële naar een materialistische visie. “De massa der materie werd als onveranderlijk aangenomen… atomen als het wezenlijk bestaande… Men beschouwde de zintuiglijke kwaliteiten van de materie als schijn. Geur of kleur, temperatuur of buigzaamheid… moesten door wisselwerking van de materie op onze zintuigen beschouwd worden. Zo ontstond het al te simpele wereldbeeld van het 19eeeuwse materialisme: de atomen als het eigenlijk zijnde bewegen zich in ruimte en tijd; en door hun onderlinge samenhang roepen zij de bonte wereld van onze waarnemingen op. Een eerste inbreuk op dit wereldbeeld deed zich voor in de elektriciteitsleer waarin niet de materie, maar het krachtveld als de werkzame factor gold…Men kon de krachtvelden opvatten als door atomen opgeroepen… Zo bleven de atomen toch het eigenlijk zijnde.” Interessant is hoe krachten zonder massa, in die zin immaterieel, als afhankelijk van materie werden opgevat en in het materialistische paradigma worden gepast. Ook in de neurowetenschappen is dit te zien en lijkt de gevestigde wetenschap vaak weinig te willen weten van de visie van outsiders als Brian Josephson en Pim van Lommel, hun prestige en bekendheid ten spijt.

Bij de ontdekking van radioactiviteit werd de rol van atomen als kleinste bouwstenen overgenomen door protonen, neutronen en elektronen. “Het ingeburgerde wereldbeeld” lijkt niet goed te corresponderen met hert gedrag van elementaire deeltjes volgens de kernfysica. De natuur is niet meer te beschrijven als objectief en onafhankelijk van het subject, de waarnemer, het bewustzijn en het meetinstrument, die de waarneming beïnvloeden. We zijn geen toeschouwer meer maar medespeler, aldus Niels Bohr.

Zoals eerder vermeld: “kan men niet meer over het gedrag van het deeltje los van de waarneming spreken… Natuurwetten hebben geen betrekking meer op de deeltjes zelf, maar op onze kennis van de deeltjes.  De vraag of het deeltje ‘zelf’ in ruimte en tijd bestaat, kan in deze vorm dus niet meer gesteld worden, wanneer  door de wisselwerking met bijv. het meetapparaat het gedrag beïnvloed wordt.

De voorstelling van de werkelijkheid van elementaire deeltjes is dus op merkwaardige wijze vervaagd, niet in een nevel van een nog onbegrepen voorstelling… maar in de doorzichtige klaarheid van een wiskunde, die niet meer het gedag van elementaire deeltjes beschrijft, maar onze kennis van dat gedrag” (p 64). Deze ‘klaarheid’ laat, zeker voor een niet wiskundige, te wensen over en lijkt meer op onbegrijpelijke ‘magische’ formules. Niettemin blijken veel van deze formules te werken volgens de atoomtechniek waarbij het gaat “om gebruik van natuurkrachten waarheen geen enkele weg uit de natuurlijke waarneming voert.., die zijn omgeving op grote schaal verandert.”

 

Overgaand van wetenschap naar techniek, schrijft Heisenberg: zoals wetenschap de opgave heeft de natuur als geheel te begrijpen, “zo dient de technische vooruitgang het algemene doel de materiële macht te vergroten..: Beide doelstellingen smelten samen in de banale slagzin ‘Kennis is macht’…In dit verband is vaak gezegd dat ingrijpende veranderingen…in het technische tijdperk ook ons denken op een gevaarlijke manier beïnvloed hebben, en dat hierin de oorzaak van de crises gezocht moet worden die onze tijd ontredderd hebben. Dit bezwaar is ouder dan de moderne natuurwetenschap en techniek…

De Chinese wijsgeer Tswang-Tse  zei… ‘Als iemand machines benut, dan worden zijn handelingen machinaal… Hij krijgt een hart als een machine…verliest zijn zuiver eenvoud en wordt onzeker in de gevoelens van zijn geest… iets dat niet samengaat met de ware geest.’ Een toepasselijke beschrijving van de huidige crisistoestand… De eenvoud van geest nooit geheel en al verloren is gegaan, maar kwam in de loop der eeuwen nu eens zwakker, dan weer sterker naar voren… 

Men mag daarom niet alleen de techniek zien voor de oorzaak dat het bewustzijn van de samenhang op vele plaatsen verloren is gegaan.” Techniek is immers te beschouwen als een schepping van ons bewustzijn, die een belangrijke factor is ontwikkeling van de mensheid. De kennis en het bewustzijn van de onderliggende samenhang, is een belangrijke factor, die in een soort cyclische golfbeweging zwakker en sterker naar voren komt, zoals Sorokin liet zien. Heisenberg gaat in deel 2 over kwantumfysica verder in op die samenhang.

 

Techniek als stuurloos schip

Hij benadrukt dat de door de “ongemeen snelle uitbreiding van de techniek en materiële macht  en de mens met zichzelf wordt geconfronteerd… Met de uitbreiding van zijn komt de mensheid in de situatie van een kapitein wiens schip zo sterk uit staal en ijzer is opgebouwd dat de magneetnaald van zijn kompas nog slechts gericht staat op de ijzermassa van het schip. Met zo’n schip kan men geen doel meer bereiken; het zal alleen nog in cirkel rondvaren en verder aan winden en stromingen overgeleverd zijn... Op het moment dat dit duidelijk wordt, is het gevaar al voor de helft geweken. Want de kapitein zal wegen vinden om de koers te bepalen.., of zich zoals zijn vroegere collega’s op de sterren oriënteren… De ruimte waarin de menselijke geest zich ontwikkelt, heeft meer dimensies dan de ene waarin hij zich de laatste jaren heeft bewogen… waarbij de gedachten zich weer om een gemeenschappelijk middelpunt ordenen… Maar deze kwestie valt niet meer in het kader van de natuurwetenschap.”  Het gedicht De Titanic sluit hierbij aan.

 

Aan het begin van dit artikel gebruikt Weber ook het beeld van oriëntatie op de sterren, die een zinnebeeld zijn van de komische orde, waar we het vervolg op terugkomen. Zijn ‘stalen kooi’ van de bureaucratie, lijkt op het schip van Heisenberg. De noodzaak om wetenschap en techniek en vooral ons eigen bewustzijn in breder wijsgerig en religieus, kosmisch kader te beschouwen moge duidelijk zijn. Wijzen zijn als de stuurlieden uit het verleden die zich op de kosmische orde oriënteerden en ons hierbij kunnen inspireren.

 

 

 

De Titanic                                                       2014 05 19

 

Wordt het geciviliseerde decadente leven

ooit door ongekende rampen opgeheven

als wij niet zorgen voor ons leven op aarde

als een schat van ongekende waarde?

 

Zoals de Titanic die op koers ligt

naar een ijsberg buiten het zicht

op een ongekende ramp afstevent

De kapitein en stuurlui zien het bevend

Hoe velen kunnen het overleven?

Welke instructies zijn er nog te geven?

 

Terwijl de passagiers met luxe verwend

en geen van hen de hachelijke situatie kent

zich nog zo lang het duurt vermaken

met hun decadente triviale zaken

 

Koerst zo ook niet een beschaving

naar zijn onvermijdelijke ondergang?

Of dient onze geciviliseerde samenleving

een hoger, meer omvattend belang

ten dienste van de hele mensheid

op weg naar de verloren eenheid?

 

 

De noodzakelijke verbinding van wetenschap, ethiek en religie

Carl Friedrich von Weiszäcker, broer van voormalig Bondspresident Richard  en collega van Heisenberg bij het atoombomproject, was de laatste Duitse ‘homo universalis’ volgens Wikipedia. In Wahrnehmungen in Neuzeit verklaart hij zich medeschuldig  aan het Nazisme, ook al was hij geen partijlid, omdat hij niets gedaan heeft om het te verhinderen, mogelijk nog minder dan Heisenberg, die voor Joodse collega’s opkwam. Omdat hij als betrokkene de gevaren van kernwapens als geen ander onderkent, heeft hij zich ingezet voor vrede, wereldwijde solidariteit en bewustwording, onder meer in Wege in der Gefahr / The Politics of Peril. Economics, Society and the Prevention of War.  

 

Volgens een artikel in het Brabants Dagblad (25 11 1969) na het verkrijgen van de Erasmusprijs, zou hij de wetenschap zien als een soort dominante religie (het sciëntisme), die bepalend zou zijn voor deze tijd. Er is een gemeenschappelijk geloof, een georganiseerd instituut, een soort kerk, de kerk der rede genoemd door Dessaur, en een eigen gedragscode: drie sociologische kenmerken van religie, met wetenschappers als een soort priesters die de gelovigen onderrichten. “Zij openen toekomstperspectieven, verwijzen naar een totaal ‘ander leven’, dat de mensheid nog te wachten staat… Zoals religie kent ook de wetenschap haar ‘ritueel’, voorgeschreven handelingen die de weg openen tot het ‘heil’, het beloofde goed het welzijn.”

 

Deze handelingen blijken in de vorm van techniek ongekend effectief. Een ander belangrijk verschil is dat het hier meestal gaat om een toetsbaar, falsificeerbaar geloof. Hoewel volgens Popper in Unended Quest (p 31, 276) invloedrijke theorieën zoals Darwinisme, Marxisme en psychoanalyse (Freud), niet falsificeerbaar zijn. Mede daardoor hebben zij een seculier religieus karakter. Ook het materialisme is een metafysische filosofie, die Popper als onhoudbaar falsificeert in The Self and Its Brain.

 

Maar er is ook ambivalentie bij de wetenschap: positieve levensreddende en vervullende resultaten versus vernietigende effecten van bijv. (kern)wapens en vervuiling. Hoewel de resultaten zinvol toegepast kunnen worden, geeft wetenschap als zodanig, objectief en waardevrij gezien en strikt genomen geen zin en waarden aan het bestaan, zoals Weber eerder schreef. De waarden komen nu vooral van de geseculariseerde, materieel en zinnelijk gerichte dominante cultuur. “Ware vooruitgang wordt bepaald door andere criteria dan door opeenhoping van comfort, luxe, stijgende welvaart en hangt af van ‘geestelijke groei’, afgemeten aan zijn diepere bestaanstevredenheid, die samenhangt met de zinvolheid van zijn leven.”

Overigens zouden de Noord-Europese landen, Zwitserland en Luxemburg, hoog scoren op welzijnsindexen, die samenhangen met technisch-wetenschappelijke ontwikkeling, ondanks de keerzijde ervan. Ook is er samenhang tussen wetenschap, onderwijs, vrijheid van meningsuiting en democratie, die menselijke ontplooiing mogelijk ten goede komen, hoezeer onderwijs en democratie ook voor verbetering vatbaar zijn.

 

“Aan de wetenschap is komen te ontvallen, wat in religie [en filosofie] wel te vinden is: kennis van de mens, zijn bestaansbestemming, gerichtheid op zijn heil als mens, als geestelijk-lichamelijk wezen… Staan we nu niet voor het uitermate belangrijke moment waarop de eenheid [van wetenschap en religie/filosofie] - zonder de resultaten van beide in hun geïsoleerde ontwikkeling te ontkennen - hersteld zou moeten worden… voor alle mogelijkheden van levensverbetering?” En dan graag met behoud en versterking van integriteit en effectiviteit van beide. Niet terug naar bijgeloof, dogmatisme en onderdrukking.

 

Von Weizsäcker:  ‘Het licht van het bewustzijn’

Aan het slot van Wege in der Gefahr, in ‘het licht van het bewustzijn’ wijst Von Weizsäcker  op de noodzaak van bewustwording. “Techniek kan niet het falen van de rede rechtzetten. Zover als onze rede reikt kan techniek worden gestuurd. Het bijzondere van de huidige situatie is dat de verbetering van  technische middelen eisen stelt aan het bewustzijn, die voordien onbekend waren.” (p 258).

Hij pleit voor ontwikkeling van de rede in de zin van het vermogen om het geheel waar te nemen: ‘Vernunft’, naast het onderscheidende, begripsmatige denken, het instrumentele verstand, dat door passies en affecten gebruikt en geleid kan worden als een bruikbaar maar ook gevaarlijk instrument.

Zoals in de meer ideële cultuurtypen van Sorokin, “had in oudere beschavingen de waarneming van het geheel - een filosofische aangelegenheid - zijn plaats in religie.., de waarneming van de hele persoon, de hele samenleving en de hele natuur. De hoogste vorm van religieuze perceptie was verlichting.” Dit  in de zin van eenheidservaring, bewustzijnsverruiming en geestelijke bevrijding niet in de zin van de 18e eeuwse rationele verstandsverlichting.

“In de 18e eeuw werd in Europa de religie  geconfronteerd met de Verlichting… Deze  zal worden gevolgd door een confrontatie van wereldreligies… [waarbij] een ontwikkelingsproces van het bewustzijn zijn weg vindt.” Wat is verlichting? Een sociaal proces van emancipatie, mondig en volwassen worden, vrij kunnen kiezen, zichzelf kennen als moreel zelf door rationeel, redelijk inzicht. Technische en wetenschappelijke vooruitgang is het resultaat ervan. “De wereld van vandaag met zijn prestaties en problemen en de noodzakelijke crisis  is een product van de verlichting… Met begripsmatig denken lijken de problemen niet te hanteren, die erdoor zijn gecreëerd… De kunstmatige wereld wordt steeds moeilijker te beheersen… Hoe kan zij worden beschermd tegen de vrije wil van de handelende personen?

 

 

De verlichting leerde concepten, geen waarneming [van het geheel]…Begripsmatig denken [Verstand] is geen substituut voor redelijke waarneming [Vernunft], dat is een ander vermogen, een ander licht. Het is opmerkelijk hoe sterk de affecten blijven bij mensen die hun verstand hebben getraind en begripsmatig kunnen begrijpen, maar hoe blind zij zijn wanneer zij hun emoties in begrippen vatten…

Het is geen toeval da Aziatische scholen van meditatie bloeien… Meditatie is de bereidheid de wil stil te laten worden en het licht te zien dat in die toestand naar voren komt. Het is scholing van de waarneming, van toelaten dat de werkelijkheid zich manifesteert. De tradities van meditatie dienen een transformatie door te maken. In de huidige wereld komen zij in het licht van de verlichting. Deze bewustzijnsverandering voltrekt zich tegenwoordig bij velen... Het gaat om het samen denken van de tradities van wetenschappelijke en meditatieve waarneming. Hier ligt een taak voor de filosofie…

Als alle betrokkenen zich door de rede [Vernunft] laten leiden zouden de in het boek genoemde problemen opgelost kunnen worden…In politieke systemen meent men dat er organisatorische, economische of sociale condities gecreëerd dienen te worden die de rede niet nodig hebben, of automatisch redelijke reacties voortbrengen. Dit is juist in de zin dat er objectieve omstandigheden zijn die de ontwikkeling en bestendiging van redelijke waarneming verhinderen. De rede wordt echter niet door materiële condities opgewekt, maar door een appèl op de rede zelf.” (p 267-69)

 

Instrumenteel wetenschappelijk denken en waarnemen kent volgens Von Weizsäcker beperkingen en gevaren en dient te worden aangevuld met integraal inzicht en een holistische wijze van waarnemen. Einstein, Jung en Sorokin noemden dit eerder intuïtie, ‘einfühlen’. Max Weber gebruikt de term ‘verstehen’, invoelend begrijpen. Bij Von Weizsäcker lijkt ‘Vernunft’  een  combinatie van intellect en intuïtie. “Affect is waarneming die vooraf gaat aan begripsmatig denken. Rede is waarneming die zichzelf kan bedienen van begripsmatig denken” (p 268). Dus het vermogen om gebruik te maken van het intellect en affectieve of gevoelsmatige waarneming. Intuïtie wordt ook wel onbewuste, gevoelsmatige waarneming genoemd, ‘weten van het hart’, aanvoelen. Bij de ontwikkeling van dit vermogen om het geheel waar te nemen kunnen meditatieve methoden en eenheidservaringen behulpzaam zijn.

 

In diverse wetenschappen, zoals de sociologie en de ecologie, zien we de tendens tot holistisch denken. Ook in  kwantumfysica blijkt het niet goed mogelijk een deeltje afzonderlijk waar te nemen, los van de waarnemer en de waarnemingscontext. De plaats en andere eigenschappen van een deeltje, met name een elektron, wordt bepaald door andere deeltjes in het geheel. Deze deeltjes blijken op onzichtbare en onbegrijpelijke wijze direct met elkaar verbonden te zijn. In juni werd dit experimenteel bevestigd door het vaststellen van teleportatie, de overdracht en op twee plaatsen tegelijk zijn van informatie, zonder geleider. In het vervolgartikel komt deze holistische samenhang van de natuur verder aan de orde.

Er is een andere meer holistische wijze van denken en waarnemen nodig, een ander paradigma, waarin het bewustzijn van de waarnemer als deelnemer een integrale rol speelt en niet meer uitgesloten kan worden, zoals in de objectieve wetenschap werd geprobeerd. Het is fascinerend om bij enkele grondleggers van de moderne fysica deze meer integrale wijze van denken, waarnemen en bewustzijn te beschouwen, die heeft geleid tot “een van de meest succesvolle natuurkundige theorieën van alle tijden” (Wikipedia). De consequenties  zijn zo ingrijpend, dat een meer holistisch geïntegreerd inzicht en collectief bewustzijn noodzakelijk is om deze te kunnen bevatten en hanteren.

Sommige fysici integreerden wetenschap en filosofie en zagen overeenstemming met oosterse filosofie en bewustzijnstechnieken, zoals Von Weizsäcker. Reden om dit nader uit te diepen. Bij de aanvulling van wetenschap met religie en filosofie, die hier wordt voorgesteld, gaat het om een passende,m compatibele, niet strijdige synthese op een meer geïntegreerd niveau, een meer omvattend ‘hoger plan’ in lijn met de visie van genoemde grondleggers. Niet iedere filosofische of religieuze benadering leent zich hiervoor, bijv. geen dogmatisme, fundamentalisme of ‘sciëntisme’. Het gaat om een soort integratie van wetenschap en bewustzijn, een bewustzijnswetenschap of verenigende veldtheorie die ook het bewustzijn omvat, oosterse wijsheid en westerse wetenschap. Om uiterlijke technieken en zintuiglijke waarneming en uiterlijke technische ontwikkeling te integreren met innerlijke technieken voor innerlijke waarneming en innerlijke ontwikkeling, die noodzakelijk is om meer verantwoord te denken en te handelen, meer afgestemd op het geheel.

 

Tot slot een citaat van Confucius, dat aansluit bij de studie van  Von Weizsäcker. “Wanneer de Ouden de lichtende deugd in het rijk wilden openbaar maken, ordenden zij eerst de staat; wanneer zij de staat wilden ordenen, regelden zij· hun huishouding [huishoudkunde, economie].Wanneer zij hun huishouding wilden regelen, vervolmaakten zij eerst hun eigen persoon; wanneer zij hun eigen persoon wilden vervolmaken, maakten zij eerst hun hart rechtschapen. Wanneer zij hun hart rechtschapen wilden maken maakten zij eerst hun gedachten waarachtig; wanneer zij hun gedachten waarachtig wilden maken, verdiepten zij eerst hun wetenschap”.

Confucius, in H.J. Störig, Geschiedenis van de filosofie. Utrecht, 1962, p 89

Johannes Vermeer, De geograaf

toont de wetenschapper op een moment van reflectie en contemplatie

en demonstreert zijn beheersing van perspectief en lichtinval op de mouwen

 

Als er licht door het raam valt*            2014 03 29 

                                                       Na een gesprek in de tuin

We leren uit allerlei boekjes

Doen velerlei onderzoekjes

Met een onbestemd gevoel

vraag ik mij af: wat is het doel?

 

Er zijn al zoveel wijzen geweest

die men nauwelijks nog leest

Wijsheid zit van binnen

ligt voorbij de zinnen

 

Het wetenschappelijk wereldbeeld

mist het zicht op het geheel:

op degene die de dingen kent

op wie of wat je wezenlijk bent

 

            ***********

Soms komt het licht

meer helder in zicht

Een stille staat van zijn

in een verstild bewustzijn

 

Het hart wordt warmer

Een soort van charme

lichtelijk tintelend binnenin

geeft het leven diepere zin

 

Je hoeft niets meer te zeggen

en niets meer uit te leggen
Voor wie dit ervaren

kan het inzicht klaren

 

En wie het niet ziet

of niet wil zien die ziet het niet

hoe en wat je ook zult zeggen

hoe goed je het ook uit kunt leggen

 

Iedereen kijkt door zijn eigen raam

Wat niet past in ons denkraam

ziet we niet als werkelijk bestaan

vaak veeleer als een soort van waan

 

*Het licht voorbij de zinnen valt door der ramen van onze zintuigen William Blake, The Marriage of Heaven and Hell:

When the windows of perception are cleansed we can see infinity stretching in every direction,

“If the doors of perception were cleansed every thing would appear to man as it is, Infinite. For man has closed himself up, till he sees all things thro’ narrow chinks of his cavern.” Zie Plato’s Mythe van de grot. Mensen zien schaduwen, een enkeling ziet het zonlicht.


Over de dichter / schrijver

Dr. Piet Ransijn (1949) studeerde westerse en niet-westerse sociologie en filosofie te Amsterdam, vooral  cultuur- en godsdienstsociologie en kennissociologie. Schreef een doctoraalscriptie over Vervreemding en zelfverwezenlijking, een boek over Bewustzijn als bewapening (1982), een proefschrift over collectief bewustzijn (Jaipur, India 1984) en vertaalde het boek van Motz en Weaver, History of Physics (1993). Medeoprichter en onderwijsadviseur van een onderwijsprogramma over sociaal-emotionele vaardigheden: Leefstijl voor jongeren (1989-2008). Was parttime docent sociologie en keuzemodulen over onder meer bewustwording en intuïtie aan Hogeschool Windesheim in Zwolle (1993-2014).