D’66 als nieuwe politieke spil en spelbepaler van de Nederlandse politiek

Civis Mundi Digitaal #25

door Wim Couwenberg

D’66 als nieuwe politieke spil en spelbepaler van de Nederlandse politiek

Wim Couwenberg

 

Gestart als een on-Nederlandse partij

Met D’66 worden we nog herinnerd aan de rebellerende geest van de jaren ’60. Maar van die geest is weinig of niets meer over. Wat ervoor in de plaats is gekomen, is evenwel niet iets om over te juichen: een nogal zielloze technocratische politiek en cultuur; een publiek debat dat veelal uitmunt door oppervlakkigheid; en een mentaliteit van berekening en commerciële hebzucht, waar je evenmin vrolijk van wordt. D’66 heeft zich van zijn oorspronkelijke rebellie ook in vergaande mate losgemaakt. Het is een partij die in haar ontwikkeling de grote verandering in de Nederlandse politiek sinds de jaren ’60 goed illustreert. De politieke revolte van die jaren en de radicale democratiseringsbeweging die daarin op de voorgrond treedt, met als strijdbanier de leuze Terug naar de basis en D’66 als belangrijkste partijpolitiek boegbeeld van die beweging, was een rebellie tegen het verzuilde politieke bestel van die tijd. D’66 profileerde zich toen als een linkse partij met staatkundige innovatie als belangrijkste prioriteit, en pragmatisme als politiek richtsnoer. Aan de linkerzijde werd zij wel begroet als neodemocratische correctie, maar veel meer nog als een welkome nieuwe uitdager van het confessioneel-liberale establishment, en als zodanig dan ook spoedig betrokken bij de progressieve concentratie die daartegen ten aanval trok. Van confessionele zijde werd zij daarentegen geëtiketteerd als een on-Nederlandse partij, omdat zij zomaar politiek naakt, want zonder een passend beginselprogramma, op het politieke toneel was verschenen. Dat hoorde in die dagen nog niet. In de toen nog heersende politieke en maatschappelijke verzuiling zagen de confessionelen zich uit politiek zelfbehoud wel genoodzaakt om zich eindelijk aaneen te sluiten in het CDA, dat tot de jaren ’90 de spil bleef vormen van de Nederlandse politiek, en daarin de regie bepaalde.

 

Nieuw tijdperk met liberale waarden aan de leiding

Sinds de bijna voltooiing van de ontzuiling van onze samenleving – op de omroep na – en de liberale triomf in de Koude Oorlog is er een nieuw tijdperk in de Nederlandse politiek aangebroken, waarin liberale waarden de boventoon zijn gaan voeren, en pragmatisme het belangrijkste politieke richtsnoer wordt. En in lijn hiermee is de regie in de Nederlandse politiek meer en meer in handen gekomen van liberale politici. D’66-leider Hans van Mierlo zag het in de jaren ’90 als de voornaamste opdracht van zijn partij aan “het laatste eenpartijstelsel van Europa” – hij doelde daarmee op de politieke dominantie van het CDA – een einde te maken. Twee paarse kabinetten waren het resultaat van die ambitie, met onmiddellijk daarop de Fortuynrevolte in 2002, waarin in bepaalde opzichten mede teruggegrepen werd op thema’s van de jaren ’60, waar D’66 haar eerste inspiratie aan ontleende voor haar opgang. Door slim op die revolte in te spelen, – welbewust besloot het CDA niet mee te zingen in het anti-Fortuyn koor van de paarse partijen – slaagde het erin zijn omstreden geraakte centrale machtspositie in de Nederlandse politiek te heroveren. Maar dat heeft maar kort geduurd. Met de verkiezingen in 2010 is aan die positie voorgoed een einde gekomen. Het zijn sindsdien de liberalen die de toon zetten en de politieke koers bepalen. Eerst was dat de VVD als protagonist van het neoliberalisme. Maar electoraal gezien lijkt D’66 als exponent van sociaal-liberale waarden die leidende positie nu te gaan overnemen. De vorming van het college van B&W in Amsterdam is daarvan een duidelijk teken, evenals de uitslag van de verkiezingen voor het Europese Parlement.

 

Van links partij naar het politieke midden

Na haar linkse start positioneert D’66 zich nu zonder enige gêne in het (radicale) politieke midden. Het is een positie waarop zo lang minachtend werd neergekeken, omdat zij per se kleurloos zou zijn. Tussen links en rechts is geen derde positie denkbaar waarvoor we doelbewust kunnen kiezen (tertium non datur) omdat het, zo vindt nog altijd de filosoof Hans Achterhuis[1], in de politiek in laatste instantie steeds om een wij-zij tegenstelling gaat, dus een of-of keuze. In dit verband wordt een wij-zij keuze dus probleemloos aanvaard. Wie de sociologische realiteit van een nationale identiteit verdedigt, is daarentegen jarenlang beschuldigd daarmee een wij-zij tegenstelling in stand te houden. Hier was zo’n tegenstelling dus taboe. Dat er tussen links en rechts ruimte is voor een zelfstandige derde positie, voor een bemiddelende en verbindende rol zoals beoogd in een middenpositie, was lange tijd een dissidente opvatting. In een themanummer van Civis Mundi over progressiviteit en conservatisme heb ik die middenpositie in 1979 opnieuw verdedigd en gekarakteriseerd als theoretisch verwaarloosd, ideologisch veracht, maar electoraal sterk begeerd.[2] Het is een positie die zich onderscheidt door het streven de positieve elementen van links en rechts in zich te verenigen en de negatieve zo veel mogelijk uit te schakelen, zoals de econoom en publicist F. Hartog eind jaren zestig die zolang miskende politieke opstelling omschreef en verdedigde.[3] Hij behoorde daarmee tot één van die zeldzame deelnemers aan het politieke debat dier jaren die de moed hadden voor die positie uit en op te komen.

CDA en PvdA worden in de media nu opgevoerd als klassieke middenpartijen. Tot voor kort wilden zij daar echter beslist niet mee geassocieerd worden. Wat het CDA betreft, begin jaren ‘90 verklaarde CDA-leider Ruud Lubbers nog dat hij als christendemocraat gruwde van zoiets als een middenpositie.[4] Ook de belangrijkste ideoloog van het CDA in die jaren, A.M. Oostlander, bezwoer in een groot omslagartikel over de C van het CDA in Elsevier van 14 april 1990 nog eens dat een authentieke CDA’er het politieke midden nooit mocht omarmen als politieke opstelling van zijn partij. Voor het CDA gaat het in de politiek primair om het realiseren van bijbels gefundeerde idealen. En daarmee is het pragmatisme van een middenpositie in zijn ogen volstrekt onverenigbaar. Toen ik in de jaren ’80 D’66 associeerde met een middenpositie, werd dat door de toenmalige voorzitter van D’66 nog verontwaardigd afgewezen. Ik heb die positie al sinds de jaren ’50 als politiek relevant verdedigd, maar sindsdien ervaren dat als men vanuit die positie niet onvoorwaardelijk kiest voor links geheten standpunten, je meteen in de rechtse hoek wordt geduwd. Dat ervaart D’66 nu ook in Amsterdam, waar op het nieuwe college van B&W gereageerd wordt met de vraag of de SP opgewassen zal zijn tegen de druk van twee rechtse partijen, dus VVD en D’66.

 

Glorieuze toekomst pragmatisch liberalisme

D’66 heeft nu als voorloper van een pragmatische politiek en belangrijkste woordvoerder van sociaal-liberale waarden in alle opzichten de politieke wind mee. Zij representeert nu ook het breedst het liberale erfgoed. Hoewel in haar ontstaan en ontwikke­ling sterk georiënteerd op de individualisering van onze samenleving als maatschappelijke trend, benadrukt zij niettemin sinds de jaren negentig het grote belang van het maatschappelijk middenveld en daarmee van corporatief burgerschap als component van een democratische samenleving, waar het CDA zich tegenover liberale en sociaaldemocratische politiek zo lang mee placht te profileren. Valt het netwerk van vrije maatschappelijke organisaties die een groot aantal noodzakelijke voorzieningen op allerlei gebied in stand houdt, weg, dan is het alternatief ofwel een gigantische uitdijende overheidsbemoeienis, zoals in een overspannen rakende verzorgingsstaat, of een overheersing door de commercie, wat nu het resultaat is van het neoliberale beleid.[5] In het Civis Mundi jaarboek 1999, getiteld De strijd gaat voort!, kondigden twee D’66-intellectuelen al de glorieuze toekomst aan van het pragmatisch liberalisme van hun partij. Die toekomst is nu aangebroken. Die glorieuze toekomst slaat echter niet op de staatkundige innovatie waar D’66 zich aanvankelijk als haar belangrijkste prioriteit sterk voor gemaakt heeft. Het is uit pragmatische overwegingen dat D’66 die oorspronkelijke ambitie geruisloos naar het tweede plan heeft verschoven. Die ambitie bleek op te grote weerstanden te stuiten.

 

Referendum geen D’66-prioriteit

Nu is eindelijk wel enig succes geboekt met de invoering van een adviserend en correctief referendum. Dat maakte evenwel geen deel uit van de oorspronkelijke ambitie van D’66 als staatkundige vernieuwingspartij. Daarin stond een ander systeem van kabinetsformatie centraal, en niet het referendum. Dat is het eerst op de politieke agenda gezet door het actiecomité Referendum: JA. Dat slaagde er begin jaren ’80 in een motie van de Tweede Kamer uit te lokken die geleid heeft tot de instelling in 1982 van de Staatscommissie Relatie kiezers-beleidsvorming. Die commissie, genoemd naar haar voorzitter CDA-prominent Barend Biesheuvel, publiceerde in 1985 haar eindrapport over die relatie met goed onderbouwde voorstellen over kabinetsformatie, referendum en volksinitiatief, die in het toenmalige politieke klimaat echter nauwelijks aandacht kregen. Alleen wat het correctief beslissend referendum betreft, is in de jaren ’90 door het paarse kabinet-Kok een poging gedaan tot invoering ervan. Maar het wetsvoorstel daartoe sneuvelde in de Eerste Kamer met VVD-prominent Hans Wiegel als dwarsligger (de zogenaamde nacht van Wiegel). Wel heeft het pleidooi van de staatscommissie-Biesheuvel voor referendum en volksinitiatief ertoe geleid dat D66, die zich bij vorige gelegenheden herhaaldelijk tegen de introductie van het referendum had uitgesproken, sindsdien een voorstander ervan geworden is. Niettemin wordt D66 nog altijd aangemerkt als de partij die de invoering van het referendum op de politieke agenda gezet heeft. Quod non.

Al heeft D’66-aanvoerder Hans van Mierlo met zijn staatkundige innovatie-ambitie geen succes gehad, hij heeft begin jaren ’90 de toekomst van politieke partijen wel scherp in beeld gebracht met zijn voorspelling dat die toekomst gelegen is in het bieden van een discussieplatform, waarop (aspirant)politici zich met hun ideeën en emoties aan het publiek kunnen presenteren. Het karakter van partijen wordt zodoende primair bepaald door degene die daarin de leiding krijgt, en kan dus ook wisselen met het politieke leiderschap. Het opportunisme ten top, luidde het kritische commentaar van de ethicus G. Maneschijn hierop in Socialisme en Democratie. Dat moge zo zijn, maar is een sterke neiging tot opportunisme als uitvloeisel van pragmatische politiek niet ook heel kenmerkend voor het huidige politieke ontwikkelingsstadium met partijen die zijn losgeraakt van oude ideologische wortels, en met elkaar concurreren op een politieke markt met steeds meer zwevende kiezers?  Wisselen partijen op basis van dezelfde partijbeginselen niet heel gemakkelijk van standpunt in allerlei kwesties, zonder dat dit tot interne ideologische controverses leidt? Het gevoerde beleid van de PvdA is daarvan een duidelijk voorbeeld.



[1] H. Achterhuis, Met alle geweld, 2008, p379 e.v.

[2] Zie Progressiviteit en conservatisme anno 1979 I, Civis Mundi, mei 1979 p.90

[3] Zie F. Hartog, Politieke politiek, 1969 pp. 19-20

[4] Zie R. Lubbers, Samen op weg, 1991, pp. 144-146.

[5] Zie het verkiezingsprogramma 1994-1998, hst. 4 Een democratische samenleving I, pp. 39-40