Dichter bij de wetenschap, een complementaire visie. Deel 2: Dichter bij de natuurkunde. Kwantumfysici over complementariteit van wetenschap, filosofie en religie.

Civis Mundi Digitaal #26

door Piet Ransijn

Dichter bij de wetenschap, een complementaire visie

Deel 2 Dichter bij de natuurkunde

Kwantumfysici over complementariteit van wetenschap, filosofie en religie

Door Piet Ransijn                            

Opgedragen aan mijn leraren en aan een jarige zoon

Deel 1 ‘Ons incomplete weten: wetenschapsfilosofie en kennissociologie’ verscheen in Civis Mundi, 27 juni 2014

 

 

 

Eén van de meest tot de verbeelding sprekende ontdekkingen van de moderne fysica is ‘nulpunt energie’, in 1913 voorgesteld door Albert Einstein en Otto Stern. “Deze energie van een kwantummechanisch systeem is de energie van zijn grondtoestand. Zij is het gevolg van het onzekerheidsprincipe van Heisenberg, dat voorschrijft dat de impuls en de positie van een deeltje niet tegelijkertijd precies bepaald kunnen worden. Het experimentele bewijs volgde in 1928. Nicola Tesla genereerde deze energie technisch met magneten”, zie afbeelding, www.michielhaas. Tesla was een ingenieur met meer dan 500 patenten op zijn naam. Mogelijk de meest productieve uitvinder ooit, van onder meer wisselstroom, de basis van ons elektriciteitsnet. Op de Technische Universiteit Delft is een motor ontwikkeld die op nulpunt energie zou lopen. Toekomstige toepassingen worden onderzocht. De implicaties van de kwantumfysica zijn onafzienbaar.

 

Toelichting: Bij de natuurkunde van Newton bewegen deeltjes of massa’s door ruimte en tijd volgens bewegingswetten, aldus door God geschapen. Materie of massa, beweging of energie, ruimte en tijd, wetten en wetmatigheden zijn de grondbegrippen. In de kwantumfysica lijken ruim honderd elementaire deeltjes op te lossen in een onderliggend veld van fluctuerende energie volgens bepaalde wetmatigheden of formules. Fysici pogen de vier fundamentele velden, elektromagnetisme, zwaartekracht, sterke en zwakke kernkrachten, in één verenigde veldtheorie te verenigen. Het is de vraag of bewustzijn en/of ‘levensenergie’ ook te herleiden is tot deze vier velden of een vijfde veld of basisveld vormen, zoals enkele grondleggers van de kwantumfysica veronderstellen in overeenstemming met filosofische en religieuze bronnen. Energie, informatie, formules en wetmatigheden lijken meer fundamenteel te zijn dan materie, die als materiële vorm van energie is op te vatten, naast andere energievelden en vormen.

 

Inhoud deel 2 Dichter bij de natuurkunde

Kwantumfysici over complementariteit van wetenschap, filosofie en religie

Sectie1 Begripsverheldering, kwantumfysica, filosofie, religie en bewustzijn

Waarom kwantumfysica?

Moderne wetenschap en techniek stellen eisen aan het bewustzijn

Wat heeft kwantumfysica te maken met bewustzijn?

Wat houdt de kwantumfysica in?

Wat voegen filosofie en religie toe aan wetenschap?

Gedicht In de bomentuin

Stelling: In de natuur en de materie zien wij ordenend vermogen, informatie, wetten en weten, orde en structuur volgens welke materie en energie bewegen

Begripsverheldering van bewustzijn, ziel en geest

Energievelden in verband met leven en bewustzijn

Bewustzijn en bewustzijnsinhouden

Materialistische, idealistische en dualistische visies

Verschraling van het mensbeeld

            Gedicht Weten en vergeten

Sectie 2 Enkele fysici over materie en bewustzijn, wetenschap en religie

Gedicht Overgave van het intellect

De kosmische orde

De ‘centrale orde’ van het universum volgens Heisenberg

De complementaire visie van Niels Bohr

De complementaire eenheidsfilosofie van Wolfgang Pauli

Einstein over kosmische religie en wetenschap

Eddington over materie en bewustzijn, ‘worldstuff’ en ‘mindstuff’

Wetenschap en religie

            Gedicht Wat niet te vatten is

Schrödinger over materie en geest

Schrödinger: de eenheid van de wereld en het bewustzijn

Overgang naar deel 3 over verenigende veldtheorieën en bewustzijn

            Gedicht Onthulling van het Ene

Over de schrijver / dichter

 

Overzicht en richtinggevende vragen

Dit overzicht is bedoeld als leidraad bij een reis door de wereld van de wetenschap, die uitkomt bij onontdekte dimensies van het bewustzijn.

  • Wat is de relatie van bewustzijn met materie? Kan materie als het ware ‘bezield’ zijn met een immateriële energie als een vorm van ordenend vermogen en bewustzijn als een inherente eigenschap van materie?
  • De kwantumfysica beschrijft elementaire materiële en energetische deeltjes als fluctuaties van velden in termen van waarschijnlijkheid. In hoeverre is de waarnemer, de geest of het bewustzijn bepalend voor de (plaats)bepaling van de deeltjes?
  • In hoeverre houdt de waarneming en vormgeving van de wereld verband met het ordenend vermogen van ons bewustzijn?
  • Welke verbinding is er tussen het ordenend vermogen van het bewustzijn, de orde en wetmatigheden in de natuur en de kosmische orde volgens religies?
  • Volgens enkele grondleggers van de moderne fysica, Einstein, Bohr, Heisenberg, Pauli, Schrödinger en Eddington zijn natuur en bewustzijn twee kanten van een geheel.

 

Sectie 1 Begripsverheldering: kwantumfysica, filosofie, religie en bewustzijn

We beginnen met een algemeen inleidend gedeelte dat een begripsverheldering geeft van het verband tussen wetenschap, filosofie en religie, en basisbegrippen als materie, bewustzijn, ziel en geest. Dit bredere kader geeft tevens een aansluiting bij het vorige artikel deel 1 en het volgende artikel deel 3 over verenigende veldtheorieën van de moderne fysica. Sectie 2 van dit artikel geeft een samenvatting van de integrale en complementaire visie van enkele grondleggers van de moderne fysica: Heisenberg, Bohr en Pauli, die nauw hebben samengewerkt, dat geldt look voor Einstein en Eddington en tenslotte Schrödinger.

 

Waarom kwantumfysica?

Vorig artikel Dichter bij de wetenschap eindigde enigszins abrupt over ‘het licht van het bewustzijn’. Daar valt veel meer over te schrijven: dit vervolg. Hierin komt de integrale visie naar voren van enkele grondleggers van de moderne fysica over bewustzijn, wetenschap en filosofie. Waarom deze fysici?

Hun levenswerk leidde tot een wetenschappelijke revolutie met verstrekkende gevolgen. Zij voelden zich hiervoor verantwoordelijk en zochten oplossingen vanuit een integrale visie. De gevolgen zijn niet zijn te overzien: van kernwapens tot nulpuntenergie en teleportatie. Dat is verplaatsing van informatie en energie zonder geleider (zie deel 3 in volgend nummer). Fysici worden vaak meer serieus genomen dan filosofen en sociologen, vanwege het effect van hun ontdekkingen, waarvan we leren op school. Hun integrale visie is weinig bekend, terwijl deze essentieel is voor de ontwikkeling van de moderne fysica.

 

Deze selectieve bekendheid heeft te maken met een ‘cultural lag’; de cultuur en de wereldbeschouwing lopen achter op de techniek en wetenschap. Technische implicaties worden meteen overgenomen; culturele implicaties volgen later, hoewel er ook culturele en wereldbeschouwelijke veranderingen aan zijn voorafgegaan. Er is een wisselwerking of interdependentie tussen wetenschap en wereldvisie, filosofie en religie, die hier aan de orde komt (zie o.m. Wilterdink, Samenlevingen, hfst 4 cognitieve bindingen).

 

Moderne wetenschap en techniek stellen eisen aan het bewustzijn

 

Aan het eind van artikel deel 1 in Civis Mundi van 27 juni stelt fysicus en filosoof Von Weizsäcker in Wege in der Gefahr: “Techniek kan niet het falen van de rede rechtzetten… verbetering van technische middelen stelt eisen aan het bewustzijn, die voorheen onbekend waren.” (p 258). Dit geldt met name voor de atoomtechniek die het resultaat is van de kwantumfysica. Dit is een reden om deze in een breder maatschappelijk relevant perspectief te plaatsen in plaats van slechts in te gaan op de wetenschappelijke kant en technische toepassingen. Uiterlijke technieken om de wereld te beheersen vragen als complementaire aanvulling innerlijke technieken om onszelf te reguleren en ons bewustzijn te integreren. Dit roept de vraag op welke verandering van bewustzijn nodig is en waarom?

 

Von Weizsäcker wijst op de noodzaak van een holistisch waarnemingsvermogen om het geheel te kunnen zien en ons erop te kunnen afstemmen. Het gaat volgens zijn collega fysicus Heisenberg (zie deel 1) om een bewustzijn waarbij ons kompas zich weer oriënteert op ‘een gemeenschappelijk middelpunt’ in plaats van op de ijzermassa van het stuurloze schip van de techniek, die het kompas ontregelt. Als wetenschap en techniek “als deelorden zich afsplitsen van de centrale orde of er niet in passen.., kunnen ze veel onheil veroorzaken,” als zij niet gestuurd worden door een geïntegreerd bewustzijn dat het geheel kan waarnemen en erop is afgestemd, schrijft Heisenberg in Physics and Beyond (p 214).Von Weiszäcker bepleit integratie van oosterse en westerse benaderingen “van wetenschappelijke en meditatieve waarneming :..scholing van de waarneming, de bereidheid de wil stil te laten worden en het licht [van het bewustzijn] te zien dat in die toestand naar voren komt.”

 

In het artikel in Civis Mundi mei 1983 ‘Bewustzijn als bewapening’ over ons gelijknamige boek wordt dezelfde vraag beantwoord met de volgende criteria voor methoden tot verandering van bewustzijn:

  1. wetenschappelijk toetsbaar
  2. holistische en collectieve effecten
  3. algemeen, universeel toepasbaar voor iedereen die wil,
  4. dus niet te moeilijk, persoonlijke vrijheid, politieke en levensbeschouwelijke visie respecterend.
  5. als vijfde valt hieraan toe te voegen: zingeving, een zingevend perspectief, een belangrijk criterium dat wetenschap niet biedt, zoals Weber te kennen gaf. Religie en filosofie kunnen dit wel bieden. Het heeft ook te maken met ethiek en oriëntatie. Wilterdink noemt kennis een oriëntatiemiddel.

Bewustzijnsverandering volgens dergelijke criteria vraagt ook om een wetenschap van het bewustzijn, inzicht in de aard van het bewustzijn. De wereld is in het bewustzijn gestructureerd en wordt gekend en waargenomen door ons bewustzijn. Daar kunnen we niet omheen en het valt niet weg te denken. Dat is ook in de kwantumfysica gebleken. Diverse filosofen hebben inzichten gegeven die bij kunnen dragen tot een wetenschap die het bewustzijn omvat. Ook religies bevatten veel relevante kennis en inzichten voor zo’n integrale wetenschap, als deze wetenschappelijk te onderbouwen zijn. Verschillende kennisgebieden kunnen we dus als complementair zien.

 

Wat heeft kwantumfysica te maken met bewustzijn?

Bewustzijnsverandering betreft ook een verandering van visie, van paradigma, een soort ‘Gestalt switch’. Bijvoorbeeld van een meer materieel gericht naar meer geïntegreerd perspectief, dat het bewustzijn erbij betrekt. Bij de fysici die aan de orde komen, zien we zo’n verruiming van visie. Zij leggen ook een verbinding met filosofie en religie, die zij impliciet of expliciet, zoals bij Einstein, als aanvulling of complement zien van wetenschap. De natuurkunde is op het bewustzijn ‘gestuit’ als significante, mogelijk of zelfs beslissende factor in de ‘objectieve materiële’ werkelijkheid.

Ingaan op natuurkunde roept vragen op: welke beperkingen heeft de wetenschap, waarop ook de fysica stuit? Hoe zijn enkele grondleggers van de kwantumfysica met deze beperkingen omgegaan? In het voorgaande artikel deel 1 kwam onder meer de uitsluiting van het subject, het bewustzijn, naar voren. Volgens kwantumfysici speelt de waarneming en de waarnemer, dus het bewustzijn een beslissende rol.

In sectie 2 gaan enkele fysici in op het verband tussen de objectieve wereld en het bewustzijn. Zij zetten stappen in de richting van een wetenschap van het bewustzijn. Filosofen deden dit al eerder op grond van onderzoek van de natuur en zelfonderzoek. Deel 3 in volgend nummer zal gaan over verruiming van paradigma’s en onderzoeksmethoden. Het gaat onder meer over verenigende veldtheorieën van de moderne fysica in relatie met bewustzijn als fundamenteel gegeven, zoals in de filosofie en religie.

 

Wat houdt de kwantumfysica in?

Motz en Weaver, Geschiedenis van de natuurkunde, dat ik heb vertaald, schijven hierover het volgende, vereenvoudigd en puntsgewijs weergegeven.

  • Het begrip kwantum, meervoud kwanta, is in 1900 geïntroduceerd door Max Planck. Het is een minimale hoeveelheid of pakketje energie of materie, weergegeven door de constante van Planck. De wereld is opgebouwd uit dergelijke kwanta, bijv. diverse elementaire deeltjes en ook licht.
  • Einstein introduceerde in 1905 het begrip foton, een soort golfpakketje licht of straling, als het ware één lichtstraal. Hij verenigde hiermee de golftheorie van licht van Huygens en de deeltjestheorie van Newton, die beide geldig en toepasbaar blijken in verschillende experimenten. Licht bestaat zowel uit deeltjes als uit golven van een elektromagnetisch veld.
  • Deeltje en golf of veld zijn dus complementair. Dit is een essentieel aspect van het begrip complementariteit, dat door Niels Bohr in 1927 in dialoog met Heisenberg werd geformuleerd uitgebreid voor andere deeltjes en velden dan fotonen.
  • Wat het kwantum, ‘golfdeeltje’ of golfpakketje precies is, welke eigenschappen het heeft, zoals energie, impuls en spin en waar het precies is gelokaliseerd in de ruimtetijd, kunnen we niet tegelijk met zekerheid vaststellen, maar alleen in termen van waarschijnlijkheid. Dit geeft de kern weer van het onzekerheidsbeginsel van Heisenberg (in dialoog met Bohr) Oudere fysici zoals Einstein en ook Schrödinger hadden hiermee grote moeite omdat zij meer deterministisch dachten in termen van zekerheden.
  • Bovendien is de plaatsbepaling afhankelijk van (het bewustzijn van) de waarnemer en het instrument van waarneming. Hierdoor is het bewustzijn een onlosmakelijk integraal aspect van de wereld of de werkelijkheid.
  • Schrödinger heeft vergelijkingen voor het golfkarakter van deeltjes geformuleerd. Door Dirac zijn deze verder uitgewerkt. Dirac heeft ook een prototype van een verenigd veld ontwikkeld: de ‘zee van Dirac’, zie deel 3 in volgend nummer
  • Een ander essentieel beginsel is het uitsluitingsprincipe van Pauli, dat in deel 3 aan de orde komt. Dit principe zegt dat twee of meer deeltjes niet in dezelfde locatie en (kwantum)toestand kunnen zijn. Ze kunnen dus niet samenvallen. Daardoor hebben elektronen verschillende banen en andere deeltjes verschillende plaatsen en eigenschappen; zitten ze niet in elkaar op een ‘kluitje’ op dezelfde plek. Daarom ‘valt de wereld niet in elkaar’ en zijn er verschillende elementen.

Voor hun ontdekkingen, die ingewikkelder zijn dan hier weergegeven en een fundamenteel andere visie op de wereld openden, hebben deze en andere baanbrekende fysici Nobelprijzen gekregen. Dit artikel en het volgende deel 3 gaan in op deze verandering van visie, niet alleen de natuurwetenschappelijke visie, maar vooral ook hun belangwekkende filosofische en religieuze visie.

 

Wat voegen filosofie en religie toe aan wetenschap?

Wat onderscheidt filosofie en religie van wetenschap? Het vorige artikel ging over wat kenmerkend is voor wetenschap. Filosofie houdt zich bezig met dezelfde gebieden als wetenschap, en daarbij ook nog “met datgene wat met de zintuigen niet te ervaren is”, aldus Störig, Geschiedenis van de filosofie (p 23). Ook de kwantumfysica beweegt zich op de grens van het waarneembare.

De methode van de filosofie is echter meer gericht op systematisch, methodisch en logisch denken dan op toetsing aan de waarneming zoals bij wetenschap. Ook is er volgens Störig de tendens naar “totale samenhang van al het zijnde…naar het geheel, het alomvattende,.. afzonderlijke verschijnselen in een groot allesomvattend geheel onder te brengen, een gemeenschappelijke zin erin te ontdekken, en ook de resultaten der wetenschappen in een synthese tot een omlijnd wereldbeeld, een wereldbeschouwing samen te voegen… Deze trek naar het geheel deelt de filosofie met de religie en kunst. Maar ook met de verenigende veldtheorieën van de moderne fysica sinds Einstein, het onderwerp van deel 3. Filosofie kenmerkt zich door het denken als middel. Dus niet geloof, gevoel of uitbeelding. Vooral vroeger waren religie, filosofie en kunst verbonden, zoals in India en China en bij diverse westerse wijsgeren. Ook bij sommige fysici zien we deze toenadering en verwevenheid, vooral in sectie 2 van dit artikel.

 

Eeuwenoude filosofische vragen die in dit artikel aan de orde komen zijn het ‘mind-body’ probleem, de relatie tussen lichaam en geest of bewustzijn. Hiermee samenhangend de metafysische vraag of de wereld uiteindelijk materieel of ideëel is, of beide, dus dualistisch, in termen van dit artikel: complementair en hoe de wereld eigenlijk in elkaar zit. Dit betreft de discussie materialisme versus idealisme en dualisme. Om de hoek komt de vraag naar de zin van het bestaan kijken, gerelateerd aan de religieuze vraag naar zingeving in termen van de verbinding met ‘de kosmische orde’ als verruimd soort godsbegrip en de vraag of iets dergelijks bestaat.

Religie ‘betekent letterlijk verbinding, namelijk met het geheel, “de kosmische orde… die al het zijn omvat… en te boven gaat of transcendeert”, zoals aan het begin van sectie 2 onder kosmische orde wordt toegelicht. Het is dus ruimer dan geloof in een persoonlijke god en ook ruimer dan filosofisch denken. Ook gevoel en intuïtie of ‘schouwen’ speelt een belangrijke rol.

De benadering van het geheel is een punt van overeenstemming van filosofie en religie met een holistische wetenschap, die het bewustzijn insluit in plaats van uitsluit zoals bij de objectiverende wetenschap. De waarneming van het geheel, vormt conform Von Weizsäcker een noodzakelijke aanvulling op de toetsing aan de waarneming, die het bepalende kenmerk is van wetenschap. Door de combinatie van een toetsbare ervaringsbasis en een visie en waarneming van het geheel kunnen wetenschap, filosofie en religie tezamen tot meer adequate en omvattende inzichten komen, met name wat betreft de samenhang van ons bewustzijn met de wereld waarvan wij ons bewust zijn. Volgens de wetenschapsfilosofen als Popper c.s. is een meer omvattende theorie of paradigma met een ruimere ervaringsbasis meer geavanceerd.

 

Claude Monet, Klaprozenveld. De mensenfiguur vervloeit ermee

 

In de bomentuin                      2006 05 14             Wageningen, Arboretum

                                                                           bomentuin van de Universiteit

Vervloeien met de bloemen

Dromen met de bomen

Zittend in het gras

vervluchtigen met de lucht

weerspiegeld in een plas

 

Zingende vogels in het struikgewas

dansende muggen bij een waterval

de zon weerspiegeld in een waterplas

onthullen de geheimen van het Al

 

Tekening: Jan Willem van Borselen, Waterplas, met weerspiegeling

 

Stelling: In de natuur en de materie zien wij ordenend vermogen, informatie, wetten en weten, orde en structuur volgens welke materie en energie bewegen.

Wat is de natuur in essentie? Kan materie ‘bezield’ zijn met een latent, zich manifesterend bewustzijn, geest, rede en orde? Wat hebben de inzichten van de moderne (kwantum)fysica hierbij te zeggen? Wat is het verband van het bewustzijn met de natuur, waarvan het bewustzijn een integraal aspect is?

Een kort antwoord van Niels Bohr luidt: we zijn niet alleen observator maar ook deelnemer, participator.

De scheiding tussen subjectieve en objectieve wereld, tussen bewustzijn en natuur is niet scherp. Beide gaan over in een continuüm of complementair geheel. Volgens sommigen zou dit ook een bezield geheel of energetisch en geordend geheel kunnen zijn, dat kosmos of kosmische orde wordt genoemd. Voor we hier dieper op ingaan volgt een begripsverheldering van de weinig omlijnde begrippen ziel, geest en bewustzijn in een soort grondslagenonderzoek van materie en van het bewustzijn waarmee we de materie kennen.

 

Begripsverheldering van ziel, de geest en bewustzijn

Bestaat de ziel nu wel of niet

bij de objectieve wetenschap

die alleen gelooft wat je ziet

en niet het ongeziene vat?

 

Wat is bewustzijn? Wat is bezield? Wat is de ziel? Volgens Dessaur in De droom der rede. Het mensbeeld in de sociale wetenschappen (p 191) is “het wetenschappelijke taboe dat op het woord ‘ziel’ rust, kenmerkend voor onze dominante cultuur”. Dat komt niet alleen door “een steeds meer dogmatisch wordend geloof” in de materie en zintuiglijke kennis, maar ook omdat de term niet eenduidig en duidelijk wordt gebruikt . Er zijn talloze omschrijvingen van ziel en geest, in het Engels mind, van het Latijnse mens, dat geest betekent, verwant met het Sanskriet manas. Mensen worden gekenmerkt door hun geest of mentale vermogens en zijn geestelijke wezens. Dan is er nog de term spirit, spiritus in het Latijn, dat ook geest betekent, meer in ‘spirituele’ dan in mentale zin. Mentaal heeft dan te maken met denken. Mind wordt wel omschreven als het denken, denkende geest, denkvermogen, dat typisch menselijk is. Spirit komt meer in de buurt van ziel, geïnspireerd wil zeggen bezield.

 

Bij geest komt vooral het denken en voorstellingsvermogen naar voren. De ziel betreft het niet stoffelijke, energetische levensbeginsel, dat bij het sterven het lichaam zou verlaten en eeuwig en niet sterfelijk zou zijn. Ook volgens Aristoteles in Over de ziel, De Anima, is de ziel het beginsel van bezield leven, aldus Fred A. Wolf, Het spirituele universum. Quantumfysica en het bestaan van de ziel (p 38).

Bloem en Komen definiëren in Ziel en Geest, de ziel als een immateriële energiebundeling, in levende wezens levensenergie. Ook mineralen, stenen en metalen zouden energie kunnen opnemen en uitstralen en bevatten mogelijk immateriële energie. Ook in omschrijvingen van anderen wordt geest met denken in verband gebracht, in ruimere zin ook met willen en voelen en overlapt dan deels het begrip ziel. Volgens de fysica is massa of gewicht het kenmerk van materie. Immateriële energie zou dan geen gewicht hebben.

 

Bewustzijn betekent letterlijk: wetend zijn (Duits: wissen, wusst, gewusst), weet hebben van zichzelf of iets anders. Volgens Van Dale: vermogen tot besef, tot weten en erkennen van het bestaan van zichzelf en van dingen. ‘Bij bewustzijn’ betekent wakker zijn, bewust aanwezig zijn, weten dat je er bent in tegenstelling tot onbewust of bewusteloos zijn; eigenlijk is dit latent bewust zoals bij slaap of ‘buiten kennis’ zijn. Zie D. Ruarus, ‘Het bewustzijn en zijn bespeler’, in D. Grabijn e.a. Bewustzijnscrisis en cultuurverandering.

Duidelijke begripsafbakening van ziel, geest en bewustzijn wordt zelden gegeven. Ze worden door elkaar gebruikt als een soort immateriële energie of vormgevend vermogen, dat is verbonden met ons lichaam, vooral met hersenen en zenuwstelsel, maar er toch van te onderscheiden is, zoals bij Eddington en Schrödinger .  Er is veel over geschreven in uiteenlopende tradities. Zie o.m. F. Zeylmans van Emmichhoven, De menselijke ziel. Hij verwijst naar Goethe en Rudolf Steiner, o.m. De wetenschap van de geheimen der ziel  en andere werken over weinig bekende, verborgen aspecten van de ziel.

 

  Heraclitus: bewustzijn kent geen einde

 

Energievelden in verband met leven en bewustzijn

Uit onderzoek blijkt dat leven en bewustzijn samenhangen met energievelden waardoor organismen een relatief autonoom levend geheel vormen. Deze velden verdwijnen als organismen sterven en uiteenvallen. Een interessante vraag is in hoeverre deze velden een autonoom bestaan hebben dat van het materiële lichaam te (onder)scheiden is. Volgens The Electrodynamic Theory of Life van neuroanatoom H.S. Burr en fysicus en filosoof  F.S.C. Nothrop van Yale University zouden elektrische veranderingen te constateren zijn vóór zij zich organisch manifesteren, bijv. bij de ovulatie en bij ziekten. “De hoofdcomponenten van dat veld beheersen de organisatie van het levende organisme… m.a.w. het leven wordt beheerst door een regulerend elektro-dynamisch beginsel,” Burr, in S.W.Tromp, Grondbeginselen der psychische fysica (p 113) en Psychical Physics. In Blueprint for Immortality gebruikt Burr de term ‘life fields’.

 

Tromp (p 99) formuleerde met anderen een psychische golftheorie of veldtheorie, die hij op grond van velerlei onderzoek relateert aan organische, geofysische en atmosferische velden, zoals zwaartekracht, elektromagnetische, radioactieve, seismische en klimatologische velden. R Sheldrake gebruikt in A New Science of Life de term morfogenetisch veld. E. Russell gebruikt in Design for Destiny: Science reveals the Soul het begrip ‘Thought fields’. Dit is te relateren aan het sociologische begrip collectief bewustzijn van Emile Durkheim. Ook het werk van C. Tart, Transpersonal Psychologies en astronaut E. Mitchell Psychic Exploration  is in dit verband interessant. Zijn maanreis leidde tot een paradigmaverandering en aanzet tot een bewustzijnswetenschap. Zie ook mijn Ph D Dissertatie Collective Consciousness and Peace, het hoofdstuk Field Theory and Collective Consciousness.  In deel 3 worden begrippen als ziel als energetisch levensbeginsel en geest als bewustzijnsveld gerelateerd aan veldtheorieën en ‘veld’onderzoek. Daardoor krijgen ze ‘handen en voeten’ in een organisch verband.

 

Nuancering lijkt wenselijk. Zoals de wereld van de materie en de elementaire deeltjes meer gedifferentieerd is dan elektronen, protonen en neutronen, zo is de wereld van lichaam, ziel en geest of bewustzijn ook meer gedifferentieerd in een samengesteld geheel met diverse niveaus. De Oud-Indiase Oepanishaden onderscheiden zeven niveaus (van bewustzijn), maar de indeling varieert in diverse Oepanishaden: 1. fysiek, 2. vitale drijfveren, 3. zintuiglijk, 4. mentaal, 4.rationeel, 5. onderbewust, herinnering en verbeelding, 6. de ego-functie, 7. spiritueel of transcendent, aldus C.I. Dessaur, De droom der rede, het mensbeeld in de sociale wetenschappen (p 38), P T Raju, Oosterse en westerse wijsbegeerte. H. Groot in Verborgen wijsheid in de Oepanishaden refereert ook naar het oude Egypte en de Joodse Kabbala.

 

In het westen bestaat vanouds het meer eenvoudige onderscheid in lichaam, geest en ziel. De geest is op te vatten als het mentale, het denken in ruime zin van bewustzijnsinhouden die behalve gedachten ook gewaarwordingen, waarnemingen, zintuiglijke indrukken en gevoelens omvatten. Deze bewustzijnsinhouden hangen samen met parallelle fysieke processen in de hersenen, het zenuwstelsel, de hormoonhuishouding en het hele lichaam. De geestelijk-mentale processen zouden dan kunnen worden opgevat als verbindend niveau tussen de onstoffelijk opgevatte ziel en het fysieke lichaam, als de drager van mentale processen.

De ziel zou dan conform Van Dale het spirituele, onstoffelijke levensbeginsel zijn voorbij het zintuiglijke, mentale en materiële. In India kent men de termen ‘jiva’ en ‘atman’, verwant aan ons woord adem. Het Latijnse spiritus heeft eenzelfde betekenis. Bezieling wordt wel eens voorgesteld als een soort energetische ‘inblazing’ van de ‘spirit’.

 

Bewustzijn en bewustzijnsinhouden

Belangrijk bij dit onderscheid tussen ziel en geest is dat de ziel hier kennelijk wordt opgevat als een meer subtiel niveau van het bestaan dan het manifeste mentale en materiële. Dit onderscheid komt overeen met het verschil tussen mentale bewustzijnsinhouden en het bewustzijn zelf, het bevattingsvermogen dat deze inhouden bevat. Het is voor te stellen als een vat of ‘emmer’ met indrukken en inhouden die steeds veranderen als een stroom van ervaringen. Dit vat ervaren wij zelden in pure ‘lege’ toestand an sich. Dit is wel mogelijk bij meditatie-ervaringen en wordt in India de vierde bewustzijnstoestand ‘turiya’ genoemd, naast waken, dromen en slapen (in de Brihadaranyaka Oepanishad: ‘het grote woudboek’). Een alerte rusttoestand van ‘restfull alertness’ die de rust van de diepe slaap combineert met de alertheid van de waaktoestand. Dus een niet actieve vorm van alertheid of waakzaamheid, volgens de Dissertatie van Robert Keith Wallace, The Physiological Effects of Transcendental Meditation.

De toestand van transcendent of zuiver bewustzijn wordt vergeleken met het achterliggende witte filmdoek waar beelden op worden geprojecteerd, maar dat zelden zonder beelden wordt ervaren als wit verlicht scherm. Meestal gaat het licht van het bewustzijn dan uit, zoals bij diepe slaap en het scherm wordt donker, maar blijft wel latent aanwezig. Het onderscheid tussen bewustzijn en bewustzijnsinhouden lijkt duidelijker dan de termen ziel en geest.

 

Over bewustzijn is veel geschreven, ook op basis van onderzoek. Een pionier, neurofysioloog Penfield schrijft bijv. in J. Eccles Ed., Brain and Conscious Experience (p 546): “Er is iets meer dat in staat is te zien en te denken… Er is iets voorbij de stroom van bewuste ervaring dat we niet kunnen noemen, identificeren of bevatten,” aldus A Campbell, The Seven States of Consciousness (p 41). Zie ook Popper and Eccles, The Self and Its Brain. Recent heeft Deepak Chopra samen met Rudolphe Tanzi, een vooraanstaand neuroloog van Harvard Medical School het boek Superbrein geschreven over recent hersenonderzoek in relatie met bewustzijn. Dit is een actueel thema waarbij dominerende materialistische, oude en recente idealistische en dualistische of relationistische visies, zoals bij Descartes en Popper, met elkaar botsen.

Materialistische, idealistische en dualistische visies

De opvatting van bewustzijn, ziel en geest als eigensoortige werkelijkheid sui generis, die niet te herleiden is tot materie, past in idealistische visies, die de werkelijkheid als ideëel of geestelijk beschouwen. Materialistische visies daarentegen zien de werkelijkheid als materieel. Het geestelijke, ideële of het bewustzijn zou daartoe te herleiden zijn. Daarnaast zijn er dualistische visies, zoals bij Descartes en het relationisme van Popper en Eccles. Verder zijn er diverse varianten, die zowel materie als geest, ziel of bewustzijn beschouwen als twee reële complementaire componenten van de werkelijkheid, die op een of andere wijze in elkaar kunnen overgaan en met elkaar zijn verbonden, die wij nog niet begrijpen.

In termen van de kwantumfysica van Bohr en Heisenberg zouden materie en bewustzijn, geest of idee complementair kunnen zijn. Er zou dan een verbinding en onderliggend beginsel kunnen zijn, dat misschien transcendent kan worden opgevat en onkenbaar, zoals bij filosofen als Kant. Volgens de Oosterse filosofie, Plato, Plotinos, Bruno, Spinoza, Schelling, Hegel en anderen is deze ideële werkelijkheid intuïtief en/of intellectueel te (aan)schouwen. Er zijn tal van beschrijvingen gegeven van deze verenigende ervaringen of cognities op de grens van het bevattingsvermogen van ons bewustzijn.

 

Ook kwantumfysici zoals Schrödinger gebruiken termen als geest en bewustzijn door elkaar. Hij brengt wel de nuancering aan tussen het ene onderliggende bewustzijn en de mentale inhouden. Eddington heeft een eigen terminologie: ‘worldstuff’ en ‘mindstuff. Eigenlijk is dat bewustzijn, de substantie of het veld waar gedachten uit bestaan als een soort vibraties. Hij beschouwt dit als onderliggende immaterieel beginsel, zoals bij idealistische filosofen. Maharishi Mahesh Yogi, die ook een natuurkundige achtergrond heeft, omschreef de geest als vibrerend bewustzijn. Bewustzijnsinhouden zijn vibraties van een onderliggend veld van bewustzijn. De verenigende veldentheorie in relatie met het bewustzijn komt aan de orde in deel 3.

Bezielende, leven gevende of energetische beginselen zouden volgens eerdergenoemde stelling in de hele natuur aanwezig kunnen zijn, niet alleen in de levende natuur, die levend en bezield kan zijn, zij het in diverse gradaties. De Indiase filosofie en psychologie biedt hiervoor een meer gedifferentieerd achtvoudig begrippenkader, dan de westerse, christelijke driedeling in lichaam, ziel en geest. Zie deel 3.

 

Verschraling van het mensbeeld

Volgens Dessaur zien we in de loop van de geschiedenis een verschraling van het meer gedifferentieerde en spirituele Indiase [en Egyptische], Griekse en Christelijke mensbeeld. Het komt neer op ‘ontgeestelijking’, door Max Weber intellectualisering, rationalisering en ‘Entzauberung der Welt’ genoemd. Materialisering kunnen we hier aan toevoegen. Dit proces hangt samen met de ontwikkeling van geestelijk gerichte, idealistische naar materieel gerichte cultuurtypen, volgens Sorokin, Social and Cultural Dynamics.

Radicaal materialisme dat de ziel ontkent, is cultureel-antropologisch en historisch gezien betrekkelijk uitzonderlijk. “Binnen alle ons bekende culturen wordt een onderscheid gemaakt tussen het lichaam en ten minste één ander element, dat er ten nauwste mee verbonden is… aan te duiden met het woord ziel… echter op sterk uiteenlopende manieren… Radicale aanhangers van de materialistische variant gaan echter zo ver dat ze het bestaan van de ziel ontkennen,” aldus de Grote Spectrum Encyclopedie.

 

Sommigen zien deze visie als een hoger niveau van (wetenschappelijke) kennis. ‘Dit nietige wezen meent een nooit eerder bereikt ontwikkelingsstadium te hebben verworven’, schreef Max Weber aan het slot van De protestantse ethiek en de geest van het kapitalisme. Dit goldaanvankelijk ook voor de positivistische filosofie van Auguste Comte, die daarvan is teruggekomen en de wereld weer als bezield ging zien.

Het is kennelijk niet zo simpel als de notoire materialist Lamettrie in 1747 schreef in De mensmachine: “dat wat men denken en bewustzijn noemt, moet worden opgevat als product van een mechanisme der organen in het bijzonder van de hersenen”, zoals de maag maagsap produceert, aldus A. Vloemans, Leven en Leer der grote denkers (p 374). In Dieren: meer dan machines schreef Lamettrie aan dieren, dus ook aan mensen, een ziel of vorm van bewustzijn toe, die afhankelijk van de materie zou zijn, aldus Popper, The Self and Its Brain (p 206). Lamettrie noemt hij een invloedrijk maar geen radicaal materialist, omdat hij het bewustzijn en de ziel opvatte als bestaand gegeven, dat afhankelijk is van de materie, die is begiftigd met gevoel en een bewegende kracht.Hoe is deze bezielende kracht te verklaren uit de werking van moleculen en atomen? Wat zeggen kwantumfysici over materie en bewustzijn?

 

Weten en vergeten                            2014 05 28 

 

We hoeven niet alles te weten

hoeven niet van alles na te streven

We mogen vergeven en vergeten

We mogen ons leven overgeven

aan de omvattende kosmische orde

waaruit alle wezens zijn geworden

Waarin wij leven, bewegen en zijn

en ons hiervan bewust mogen zijn

 

Sectie 2 Enkele fysici over materie en bewustzijn, wetenschap en religie

 

Grondleggers van de moderne kwantumfysica, zoals Planck, Einstein, Bohr, Schrödinger, Pauli, Heisenberg kennen een grote betekenis toe aan het bewustzijn, de geest. Sinds de formule van Einstein E=mc2 worden materiële deeltjes ook energetisch en immaterieel in de zin van gewichtsloos opgevat als ‘golfpakketjes’, energiekwanta en golven. Materie is vibrerende energie die zich beweegt volgens inherente informatie, wetmatigheden, patronen en formules, die eigenlijk meer wezenlijk zijn dan de concreet waargenomen materiële deeltjes. Deze blijken energetisch van aard te zijn en zich volgens wetmatige informatie te gedragen, evenals de ziel energetisch van aard is en informatie zou bevatten. De scheiding tussen bewustzijn en materie is bij de kwantumfysica vervaagd, volgens Schrödinger afwezig.

“Materie is een gecondenseerde vorm van energie die de-materialiseert in straling. Het materiële atoom wordt opgelost in niet-materiële elementaire deeltjes… beelden van golven die zich ontpoppen als golven van waarschijnlijkheid, golven van bewustzijn”, aldus P A Sorokin, Social and Cultural Dynamics (p 703)

 

In de reductionistische visie die eenzijdig op materie is gericht, houden we geen ziel en geest meer over, alleen een materieel lichaam. Bij de kwantumfysica gaat materie over in energie die werkt volgens wiskundige formules van golffuncties bij Schrödinger en volgens een matrix van waarschijnlijke elektronenbanen bij Heisenberg. Bij de waarneming krijgen deze hun plaats in dit bewustzijn als begripsconstructies en ideeën van geestelijke aard, die toetsbaar corresponderen met de fysische wereld.

Materie, energie, straling, licht, denkbeelden en ideeën, wetmatigheden en formules, ziel en geest zijn realiteiten die in de drie werelden van Popper, zie deel 1, zijn onder te brengen. Ze houden met elkaar verband, maar zijn voor alsnog niet op aantoonbare wijze tot alleen materie of alleen geest of bewustzijn te herleiden. Toch vormen deze werelden of werkelijkheidsgebieden samen op één of andere manier complementern van een samenhangende werkelijkheid, die op raadselachtige wijze een eenheid in verscheidenheid of uni-versum vormt.

 

Chopra schrijft in Superbrein (p 336): “Bewustzijn zou wel eens een veld kunnen zijn dat lijkt op elektromagnetisme. Het strekt zich uit tot het gehele universum… Er is slechts één tijdruimtelijkheid in de kosmos. Dat wij die gemakshalve opdelen in kleine partjes, doet niets aan dit gegeven af. Op een dag zal de wetenschap al deze zaken integreren. Het is al begonnen… Max Planck, de man die ruim een eeuw geleden de kwantumrevolutie begon, zei het heel mooi en mysterieus: ‘Het universum wist dat we zouden komen.’ Chopra verwijst naar Schrödinger en de Indiase filosofie. Materie en geest zijn te beschouwen als twee polen van één werkelijkheid met diverse tussenliggende lagen en verbindingen die slechts ten dele inzichtelijk zijn. Spinoza noemt het twee modi of wijzen van zijn van één substantie. Materie, energie en geest of bewustzijn, zoals stof en vorm bij Plato en Aristoteles, kunnen complementair worden opgevat zoals natuurkundige verschijnselen en wiskundige formules complementair zijn.

 

Overgave van het intellect                              2014 06 04

 

Het intellect wordt door passie aangedreven

lijkt te willen heersen over het spontane leven*

Het lijkt soms gelijk aan God te willen zijn*

Maar heeft slechts een beperkt bewustzijn

 

In potentie een gevaarlijk instrument

dat gevoelloos lijkt en geen genade kent

kan ook dienstbaar zijn aan het leven

Waarom zou het alles beter weten?

 

Het kan zich aan het leven overgeven

alle ballast dan gewoon vergeten

Aan ons immer onvoltooide weten

is het volmaakte niet gegeven

 

Het dwingende denken bedrukt het leven

Kan de drang tot weten zich ook overgeven?

Kan het eigenzinnige hovaardige verstand

zich laten leiden door een ongeziene hand?

 

Het verstand kan leren luisteren

naar wat diepere lagen fluisteren

Zich schikken in verborgen symmetrie

Leven volgens een verloren harmonie

 

Het intellect kan leren zwijgen

om zich naar het kosmische te neigen

zich in te zetten voor een hoger doel

in harmonie met het diepere gevoel

 

Als het stil is daagt een dieper weten

Al het andere wordt niet vergeten

maar als het ware opgeheven

vanuit de bron van alle leven

 

Geïnspireerde kunst gaat boven weten

Gestreste kunst mag men vergeten

Het goede vindt het schone en het ware

waardoor het leven op kan klaren

 

*Ludwig Klages, Der Geist als Widersacher der Seele, geïnspireerd door Nietzsche en Goethe.

De traditionele, rationele en reductionistische filosofie wordt door hem verworpen en vereenzelvigd met de gevaarlijke ’geest’, die tegenover de menselijke ’ziel’ staat. De oorspronkelijke onbedorven ziel zou volgens hem in staat zijn de wereld te vatten in haar zuiverheid. Alle levende wezens zouden zo’n ziel hebben. De mens heeft echter ook een ’geest’. Deze geest zou, vooral via de wetenschap, dit oorspronkelijk wereldbeeld verbreken en de ziel scheiden van het lichaam, aldus Wikipedia.

*Zie scheppingsverhaal in Genesis

 

 

 

Filosofen zoals Spinoza en Schelling verwoorden een intellectuele aanschouwing van een onderliggende eenheid. Kwantumfysici herleiden rationeel, empirisch en intuïtief uit hun verkregen bevindingen de grondpatronen van de ‘centrale orde’, zoals Heisenberg deze noemt. Zij hebben aanvankelijk een soort intuïtief vermoeden of hypothetisch aanvoelen, zij ruiken als het ware het spoor en het voorlopige doel waar de zoektocht van hun onderzoek hen heen leidt in meer uitgewerkte en aangetoonde of bewezen vorm.

Einstein ‘wist’ bijv. op een of andere manier dat zijn relativiteitstheorie juist was en aangetoond zou worden, zoals later door Eddington. Ook Bohr, Heisenberg, Pauli en Schrödinger wisten in beginsel dat hun ideeën juist waren of dat zij een vruchtbare weg bewandelden, ondanks alle onzekerheden en contradicties, die zij samen wisten op te lossen of te incorporeren in een nieuwe natuurkunde met een ander wereldbeeld.

Het gaat in het volgende niet over zomaar een paar natuurkundigen, maar over wetenschappers die geschiedenis hebben geschreven. Zij hebben deze in een turbulente tijd een andere wending gegeven door een revolutie in ons wetenschappelijk wereldbeeld met onder meer de atoombom en kernenergie als wrange vruchten. De verstrekkende invloed hiervan hebben zij beseft, maar konden zij niet overzien.

De god(in) Maät is in het Oude Egypte de personificatie van het concept van waarheid,

stabiliteit, rechtvaardigheid en kosmische orde, in teksten in het 3e millennium v.Chr.

 

De kosmische orde volgens godsdienstwetenschappers

De conceptie van een ‘centrale orde’, een term van Heisenberg in Physics and Beyond (p. 213 e v), is ouder dan de Griekse filosofie en heeft een universeel karakter: van de ‘kosmische religie’ van Einstein tot de Indiase Veda’s en Egyptische bronnen, die beschouwd worden als de oudste overleveringen. De Indiase term Rita of kosmische orde is verwant aan ons woord rite. Religie wordt door Peter Berger, ‘Religious Institutions’, in N. Smelser, ed., Sociology en in The Sacred Canopy omschreven als “de menselijke houding ten opzichte van een heilige orde die al het zijn omvat… het geloof in een kosmos waarvan de betekenis de mens omvat en te boven gaat (transcendeert).”

Dat hoeft dus niet per se een persoonlijke god of goden te zijn. De kosmische orde of het religieuze beginsel kan ook onpersoonlijk worden opgevat of beide tegelijk en naast elkaar, zoals bij vele religies.

Volgens G. van der Leeuw, Inleiding tot de godsdienstgeschiedenis,  ”wordt in religieuze theorieën het universum verklaard als een uiteindelijke orde waarin het menselijk leven zijn definitieve betekenis krijgt. Deze conceptie van een alomvattende zingevende orde is prominent in het werk van Mircea Eliade: de tegenstelling tussen kosmos en chaos… Het menselijk leven wordt weer hersteld in zijn wezenlijke verbinding met de uiteindelijke orde van het universum… ‘Kosmisering’ is de inlijving of incorporatie in de kosmos… De menselijke orde, waaronder de samenleving en sociale instituties, is ‘juist’ of ‘goed’ in zoverre deze in overeenstemming is met de ‘juiste’ orde van het universum,” aldus Peter Berger.

Voor alsnog hebben we echter ook te maken met kosmische, in elk geval aardse wanorde en problemen.

 

Claude Monet, Zonlicht onder de populieren

 

De ‘centrale orde’ van het universum volgens Heisenberg

In boeiende gesprekken met Niels Bohr en Wolfgang Pauli over wetenschap en religie beschrijft Heisenberg (p 214) de ‘kosmische orde’ ongeveer hetzelfde: ”Verschillende namen in verschillende religies, zoals de wil van God, de zin van het leven, al deze formuleringen proberen de menselijke verbinding met een centrale orde uit te drukken… Als mensen waarden nastreven, streven zij waarschijnlijk naar het soort daden dat in harmonie is met de centrale orde. We denken aan het ordelijke als het goede en het verwarde, chaotische als het slechte. In de wetenschap kan de centrale orde worden herkend in metaforen zoals ‘de natuur is gemaakt volgens dit plan… Principes in alle gebieden van de natuurkunde hebben een universeel karakter en zijn het resultaat van de symmetrie inherent in de fundamentele wetten.Dan is het verleidelijk te zeggen dat symmetrie een beslissend element is in het plan op basis waarvan de natuur is gecreëerd. Mijn idee van waarheid raakt de realiteit van de religieuze ervaring. Deze verbinding is veel duidelijker sinds we de kwantumtheorie hebben begrepen, die ons helpt bij het formuleren van ordelijke processen door een abstracte wiskundige taal…” (p 212 e.v.)

De centrale orde

 

“Toen vroeg Wolfgang [Pauli] onverwacht: Geloof je in een persoonlijke God?’ Ik [Heisenberg] geef de voorkeur aan de volgende formulering: kun je de centrale orde… direct bereiken zoals de ziel van een ander mens? De term ziel gebruik ik weloverwogen… omdat de term ‘ziel’ verwijst naar de centrale orde, naar de innerlijke kern van een zijn, waarvan de uiterlijke manifestaties ons begrip te boven kunnen gaan…

Het moderne positivisme sluit zijn ogen voor de ruimere realiteit… moedigt niet aan over dit onderwerp na te denken… Ons kompas moet de relatie met een centrale orde zijn. Als de magnetische kracht die dit kompas heeft geleid - en wat kan deze anders zijn dan de centrale orde -  wordt uitgeschakeld, kunnen er verschrikkelijke dingen gebeuren, erger dan concentratiekampen en atoombommen… Laten we hopen dat het centrale gebied onze weg opnieuw zal verlichten. Als we wat betreft de wetenschap niet langer denken over ruimere verbanden, zijn we zonder kompas, dus in gevaar onze weg kwijt te raken.” (p. 214 e.v)

Als “deelorden zich afsplitsen van de centrale orde of er niet in passen…, kunnen demonen veel onheil veroorzaken” (p 214). In principe zouden problemen, het ’slechte’, onrecht en wanorde berusten op disconnectie met de centrale orde, verstoring van de connectie met de kosmische orde.

 

Heisenberg en Bohr                                                            Wapenschild van Bohr met Yin en Yang symbool

 

De complementaire visie van Niels Bohr

De visie van Niels Bohr komt overeen met die van Einstein, Pauli en zijn vriend Heisenberg. Pauli zegt: “Einsteins conceptie staat dicht bij de mijne. Einstein heeft een gevoel van de centrale orde… Ik denk niet dat hij bij een religieuze traditie behoort met een persoonlijke God. Bij hem is er geen splitsing tussen wetenschap en religie: de centrale orde is deel van het subjectieve zowel als het objectieve gebied…

Als de wetenschap zich begeeft buiten de strikte visie van een objectieve wereld die zijn beloop heeft door tijd en ruimte volgens strikt causale wetten - bij de relativiteitstheorie de kwantumtheorie - dan zal de relatie tussen de wetenschap en de inhoud die religies uitdrukken moeten veranderen en verdiepen. Het begrip complementariteit, dat Niels Bohr cruciaal beschouwd in de interpretatie van de kwantumtheorie, was niet onbekend aan filosofen… In de Aziatische filosofie en Oosterse religies vinden we dit idee,” aldus Pauli (Heisenberg, p 84, 85). De complementaire symbolen Yin en Yang staan op het familiewapen van Bohr.

 

“Volgens Bohr ”is de taal van religie dichter gerelateerd aan de taal van poëzie dan de taal van de wetenschap… We denken dat wetenschap zich bezig houdt met objectieve feiten en poëzie met subjectieve gevoelens… Ik vind de verdeling in een objectieve en subjectieve kant te willekeurig. Dat religies in termen van beelden, parabels en paradoxen spreken… betekent niet dat het geen werkelijke realiteit is... Ontwikkelingen in de natuurkunde laten zien hoe problematisch begrippen als subjectief en objectief zijn… Het is niet langer mogelijk een predictie te doen zonder relatie met de waarnemer. In dit opzicht kan van ieder fysisch proces worden gezegd dat het objectieve en subjectieve kenmerken heeft… Daarom kan ik goed begrijpen dat we niet over de inhoud van religie kunnen spreken op een objectiveerbare wijze. Misschien moeten we naar religies kijken als complementaire beschrijvingen die de rijke mogelijkheden weergeven van de relatie van de mens met de centrale orde… die op termijn bij elkaar passen… als niet tegenstrijdige delen van dezelfde werkelijkheid. We kunnen nog niet zeggen hoe.” (Ibid. p 88-91)

In Fysica in perspectief schrijft Heisenberg: “Bohr was op de eerste plaats filosoof… maar hij wist dat natuurfilosofie pas aanvaard wordt indien deze zich aan de onverbiddelijke juistheidscriteria van het experiment onderwerpt” (p 34). Deze filosofische interesse van Bohr, Heisenberg, Pauli en Schrödinger voor “regionen van de werkelijkheid en de menselijke ziel die niet rationeel te benaderen zijn” (p 28) was fundamenteel voor het ontstaan van de kwantumfysica, bijv. voor het begrip complementariteit.

 

De complementaire eenheidsfilosofie van Wolfgang Pauli

Heisenberg wijdt in Fysica in perspectief ook een hoofdstuk aan ‘De filosofische opvattingen van Wolfgang Pauli’, die ten grondslag liggen aan zijn fundamentele bijdrage tot de kwantumfysica. Pauli schreef als 18-jarige het eerste boek over de relativiteitstheorie. Het werd door Einstein enthousiast ontvangen. Bohr introduceerde in 1927 het begrip complementair. “Pauli was een van de eerste fysici die zich zonder reserve achter deze opvatting schaarde… als nieuwe denkmogelijkheid waarmee de eenheid der tegendelen uitgedrukt kon worden. In de alchemistische filosofie werd hij geboeid door de poging om materiële en geestelijke processen in dezelfde taal te beschrijven.” (p 31) Hij interesseerde ook zijn collega Schrödinger voor de kwantumfysica.

“De poging tot psychofysisch monisme om de eenheid van alle zijn, de eenheid van het al, uit te drukken, lijkt meer kans van slagen te hebben, nu de (nog niet bekende) eenheidstaal op een diepere , onzichtbare realiteit betrokken wordt, die de causaliteit van de klassieke fysica te boven gaat… A priori elementen [die voorafgaan aan de waarneming] brengt hij in verband met de oerbeelden, de archetypen van Jung, [Jung en Pauli, Naturerklärung und Psyche]… Steeds weer het streven… het gewone denkpatroon te verlaten om de eenheidsstructuur van de wereld te benaderen… steeds in conflict met het godsbegrip en met een naïef-rationalistisch georiënteerd atheïsme.”

Aan het einde van een betoog over wetenschap en westers denken schrijft Pauli: ”voor wie het beperkte rationalisme zijn overtuigingskracht verloren heeft en bij wie ook een mystieke instelling geen bekoring heeft… blijft niets anders over dan deze tegenstellingen te aanvaarden. Juist hierdoor kan de onderzoeker ook min of meer bewust de weg naar een innerlijke heilstoestand inslaan. Langzaam ontwikkelen zich dan innerlijke beelden of ideeën… waarin mogelijke toenadering van tegengestelde polen zichtbaar wordt… waartoe ook de synthese behoort die zowel het rationele denken als het mystieke beleven van eenheid omvat.” (p 32-33)

Pauli legde als een van de eerste fysici verbindingen met mystiek en Oosterse filosofie zoals later in de Tao van de fysica van Fridjof Capra, Michael Talbot, Mysticism and the New Pysics; Lawrence Leshan, The Medium, the Mystic and the Physicist; Gary Zukav,The Dancing Wu Li Masters, David Bohm, Wholeness and Implicate Order; Fred Alan Wolf, Het spirituele universum. Quantumfysica en het bestaan van de ziel.

 

Nobelprijswinnaars Bohr 1922, Einstein 1921, Planck, 1918, Pauli 1945, Heisenberg 1932, Schrödinger 1933

 

“Pauli werd niet bevredigd door de zuiver empiristische opvatting volgens welke natuurwetten alleen aan de waarneming ontleend konden worden… Hij hechtte meer waarde aan intuïtie en opmerkzaamheid bij het opstellen van een systeem van natuurwetten, met begrippen en ideeën die ver boven de waarnemingen uitgaan. Hij postuleert een ordening van de kosmos, die hij onderscheidt van de wereld der verschijnselen. Zowel de ziel als de waarnemingsgegevens ‘zijn afhankelijk van een objectief gedachte ordening.’ De brug die van het waarnemingsmateriaal naar de ideeën leidt, ziet Pauli in bepaalde, in de ziel pre-existerende oerbeelden of archetypen, zoals ze door Kepler zijn aangeduid en ook in de psychologie van C.G. Jung… Deze opvatting gaat tot Plato terug en is via het neo-platonisme in het christelijke denken doorgedrongen (Plotinos, Proklos).”

“Pauli probeert aan te tonen dat reeds bij Kepler… bepaalde oerbeelden, archetypen een beslissende rol hebben gespeeld [de drieëenheid, de bol, het heilige getal drie enz…] en die zinnebeeld is van de houding waaruit de moderne natuurwetenschap is ontstaan… ‘Vanuit een inwendig centrum lijkt de ziel zich naar buiten te bewegen in de wereld der dingen waarin, naar verondersteld wordt, al het gebeuren automatisch is, zodat de geest deze wereld met zijn ideeën als het ware rustend omspant.’… De wereldziel werd echter in de latere natuurwetenschap vervangen door de abstracte mathematische natuurwet… Uit de door gnosis en alchemie bepaalde stroming ontstond aan de ene kant de wetenschappelijke chemie en aan de andere kant de religieuze mystiek, bijv. Jacob Boehme.”[Over Kepler zie F A Wolf, Het spirituele Universum, p 281]

 

“Pauli onderkende in deze geestelijke ontwikkelingslijnen complementaire relaties die vanaf het begin het westerse denken bepaald hebben en die wij nu beter begrijpen kunnen dan vroeger, doordat ons de logische mogelijkheid van zulke relaties door de kwantummechanica duidelijk is geworden. ‘Waarom weerspiegelt zich het ene in het vele, wat is het dat weerspiegelt en wat is het dat weerspiegeld wordt?’… Wetenschappelijk streven heeft geleid tot de voorstelling van een objectieve van waarnemingen afhankelijke materiële wereld; mystieke beschouwingen tot een met de godheid verenigde ziel los van alle objecten.

Tussen deze twee uitersten ziet Pauli als het ware het westers denken uitgestrekt. ‘In de ziel van de mens zullen altijd beide ideeën wonen en de ene zal de andere als kiem van zijn tegenstelling in zich dragen. Daardoor ontstaat een soort dialectisch proces… dat wij als complementair erkennen. Terwijl wij ons realiseren dat elke weg naar kennis of verlossing afhankelijk is van factoren die in de religie met genade wordt aangeduid.’ Bij Griekse mysteriescholen, Pythagoras, Plato, alchemisten en geheime genootschappen zijn wetenschap, filosofie en alchemie innerlijke scholings- en inwijdingswegen, waarbij psychische processen de mystieke overeenkomst weergeven tussen macro- en microkosmos… Alchemistische processen in een retort zijn symbool van psychische processen.” (Heisenberg, p. 30,31).

 

De, filosofische oriëntatie van de grondleggers van de moderne fysica lijkt mede bepalend geweest voor hun baanbrekende werk. Materieel en de geestelijk georiënteerde tegenpolen bestaan nog steeds. De materialistische visie lijkt nu dominant. Een fusie van het rationele en metafysische zien we bij veel Griekse filosofen, Bruno, Spinoza en het Duitse idealisme: bij Kant, Fichte, Schelling en Hegel vanuit een ‘intellectueel aanschouwen’ van de metafysische werkelijkheid.

Volgens Heisenberg, Physics and Beyond (p 186), heeft het absolute een vreemde fascinatie bij de Duitsers terwijl bij de buren pragmatisme wijdverspreid is. “Als Duitsland wetenschappelijke en artistieke bijdragen heeft verleend die de wereld hebben veranderd - denk aan Hegel en Marx, Planck en Einstein, Beethoven en Schubert - was dit dankzij deze liefde voor het absolute, dankzij het volgen van principes tot hun uiteindelijke consequenties. Maar alleen als deze hang naar het absolute ondergeschikt wordt gemaakt aan logisch denken in de wetenschap en regels van harmonie in de muziek kan de volle kracht zich onthullen.”

 

 

Einstein over kosmische religie en wetenschap

De ‘kosmische religie’ van Einstein komt overeen met Heisenberg en Pauli in de zin dat hij ook zich nog meer nadrukkelijk bewust is van een omvattende orde, die hij bijna beschrijft in termen van haast mystieke belevingen. ”Het kosmische religieuze gevoel is moeilijk te verduidelijken, omdat er geen beeld van god mee overeenkomt… De verhevenheid en wonderbaarlijke orde openbaart zich zowel in de natuur als de wereld van het denken… als één zinvol geheel… Religieuze genieën hebben zich onderscheiden door dit soort religieus gevoel dat geen dogma kent en geen god gevormd naar een menselijke voorstelling… Dit gevoel te doen ontwaken is de belangrijkste functie van kunst en wetenschap. We komen tot een andere conceptie van de relatie tussen wetenschap en religie als onverzoenlijke antagonisten. Het kosmische religieuze gevoel is het sterkste motief voor wetenschappelijk onderzoek… een diepe overtuiging van de rationaliteit van het universum en een hunkering om een zwakke reflectie te begrijpen van de geest die zich in de wereld onthult… Een tijdgenoot heeft gezegd: serieuze wetenschappers zijn diep religieuze mensen… anders dan bij naïeve mensen.”

“Hun religieuze gevoel neemt de vorm aan van bevlogen verwondering over de harmonie van de natuurwetten, die een intelligentie openbaren van zo’n superioriteit, dat al het systematische denken en handelen van mensen een uitgesproken onbeduidende reflectie is. Het is verwant met dat wat religieuze genieën bezielde… Wetenschap zonder religie is lam, religie zonder wetenschap is blind. Waarachtige religie wordt veredeld en verdiept door wetenschappelijke kennis,” aldus Einstein, Ideas and Opinions over Science and Religion, p 47-50, 55, 57. Hij verwijst naar Spinoza en diens Amor Dei Intellectualis (p 61).

Einstein was evenals Bohr en Schrödinger ook bekend met oosterse geschriften, zoals de Bhagavad Gita, en zou volgens Narada Kush, De Veda’s (p 72) intuïtieve vermogens vergelijkbaar met een ‘ziener’ hebben gehad. Dit gaat verder dan wat Motz en Weaver schreven in de Geschiedenis van de natuurkunde.

 

Einstein bij Eddington 1930; en in Leiden met Ehrenfest, De Sitter en Lorentz

 

Eddington leverde empirisch bewijs voor de relativiteitstheorie. Einstein werd toen wereldberoemd, aldus Motz en Weaver, Geschiedenis van de natuurkunde, p 294. Volgens de film Einstein and Eddington

“zou Einstein zonder Eddington nooit zijn status van icoon hebben bereikt als wereldberoemd persoon. Hun riskante partnerschap zou de moderne wetenschap voor altijd veranderen en hoe wij het universum zien.” Eddington schreef vele boeken waaronder filosofische, zoals The Nature of the Physical World (1928), New Pathways of Science (1935) and The Philosophy of Physical Science (1939)”, vaak gebaseerd op lezingen.

 

Eddington over materie en bewustzijn, ‘worldstuff’ en ‘mindstuff’

Eddington was natuurkundige, astronoom, filosoof en schrijver. Hierna volgend  wordt The Nature of the Physical World samengevat in citaten, mede vanwege zijn ‘prachtige beeldende stijl’ volgens Schrödinger (Mind and Matter, p 130). De geest, ‘mindstuff’ is op een of andere wijze verbonden met de fysieke wereld, ‘worldstuff’. “Ook een materialist zal in de fysische wereld iets nodig hebben dat staat voor de eenheid van atomen die met bewustzijn zijn verbonden… Hij moet de veelvoudige gedachten en beelden in de geest vertalen in materiële configuraties en ook een of ander fysisch substituut voor het ego.” (Eddington, p 315).

Dit is nog niet gelukt en lijkt niet goed mogelijk.

Eddington (p 273-92) verklaart in het volgende lange citaat de wereld uit de geest. Zijn conclusie is: “de ‘stuff’ van de wereld is ‘mind-stuff… Dat is iets meer algemeens dan onze individuele geest… Bewustzijn is niet scherp gedefinieerd, maar vervaagt in onderbewustzijn en daar voorbij moeten we iets onbepaalds voorstellen, maar toch in een continuüm met onze geest. Dit neem ik aan als de ‘world-stuff’. We zien gelijkenis met onze bewuste gewaarwordingen want er is niets anders om het mee te vergelijken, nu wij overtuigd zijn van het formele en symbolische karakter van de entiteiten van de fysica [zoals wiskundige vergelijkingen]… Er moet iets zijn waar zowel geest als materie uit ontstaan. Dit impliceert twee benaderingen [via de geest en via de materie]. We hebben echter maar één benadering, namelijk door onze directe kennis via de geest. De benadering via de fysische wereld leidt slechts tot de cyclus van de fysica, waarin we rondrennen als een kat die zijn staart probeert te pakken en niet bij de ‘world-stuff’ uitkomt.”

 

“Het is moeilijk voor de ‘matter of fact’ fysicus om de visie te aanvaarden dat het substratum van alles een mentaal karakter heeft. Maar de geest is het eerste en meest directe in onze ervaring en al het andere is daarvan afgeleid, intuïtief of weloverwogen… Deze visie van de relatie tussen de materiële en de geestelijke wereld ontspant een spanning tussen wetenschap en religie… Het enige onderwerp dat aanwezig is voor mij is de inhoud van mijn bewustzijn… en jouw bewustzijn, dat ik eenzelfde status toe ken. Bijgevolg wordt mijn onderwerp gedifferentieerd in de inhouden van vele ‘bewustzijnden’, die een gezichtspunt vertegenwoordigen… Maar er is een stabiel gemeenschappelijk element met andere ‘bewustzijnden’. Dit willen we zo volledig en accuraat mogelijk bestuderen, wetten ontdekken en gezichtspunten combineren.”

 

“Beweringen kunnen waar of onjuist zijn… Er wordt gezegd dat wetenschappelijke theorieën waar noch onwaar zijn, maar slechts passend of niet passend (ze komen uit of niet)... De vraag naar de realiteit van de fysische wereld impliceert een hogere instantie dan de wetenschappelijke methode zelf kan bieden… Vanuit dit perspectief erkennen we een geestelijke wereld naast de materiële wereld. Ervaring, dat is het zelf met de omgeving, omvat meer dan kan worden omvat door de fysische wereld… Degenen die op zoek naar waarheid beginnen bij bewustzijn als zetel van zelfkennis, komen net zo goed de harde feiten van de ervaring tegen als degenen die bewustzijn zien als een middel om spectroscopen en microscopen te lezen.”

 

“Wat een elektron bijvoorbeeld is weten we niet precies. Iets onbekends doet iets wat we niet weten, daar komt onze theorie op neer... Zoiets heb ik elders ook gelezen: ‘The slithy toves did gyre and gimble in the wabe.’… Daar is dezelfde onzekerheid wat betreft de activiteit en wat actief is. Toch komen we ergens uit… De reden voor deze vooruitgang is dat onze beschrijving niet beperkt is tot onbekende actoren die onbekende activiteiten uitvoeren, maar dat we zo vrij zijn getallen toe te kennen… Door acht elektronen in het ene atoom en zeven elektronen in het andere atoom te beschouwen, beginnen we het verschil tussen zuurstof en stikstof te realiseren. ‘Eight silthy toves gyre and gimble in de oxygen wabe, seven in the nitrogen.’ [atoomnummer 8 en 7]. Door een paar getallen toe te kennen kan zelfs ‘Jabberwocky’ wetenschappelijk worden… Het is niet verkeerd de wezenlijke onbekendheid van de fundamentele entiteiten te vertalen in ‘Jabberwocky’. Uit de getallen volgt de harmonie van de natuurwetten die de wetenschap poogt te onthullen. We kunnen de toon vatten maar niet de speler.”

 

Een recente dissertatie van Stijn van Tongeren, Quantum field theory through a stringy mirror. Integrability of the AdS5 x Ssuperstring and its deformations over de snaartheorie beschrijft materie als vibraties van ‘snaren’ zoals muziek. Het bestaat uit wiskundige formules die voor een niet ingewijde volkomen onbegrijpelijk zijn: ‘Jabberwocky’, maar dan met getallen, waarin een symmetrie wordt onthuld, die volgens Heisenberg en Pauli c.s. fundamenteel voor de orde in het universum is.

 

 

Wat niet te vatten is                2014 06 09

 

De werkelijkheid die niet te vatten is

gaat voorbij methodische bemoeienis

Wat ons bezielt is immaterieel

desondanks toch meer reëel

dan al hetgeen wij zien en horen

 

Zijn wij als mens daaruit geboren?

Zonder dat wat niet te vatten is

zouden wij als mens niet kunnen zijn

en zonder zweem van droefenis

niets weten en van niets bewust zijn

 

Wetenschap en religie

Eddington (p 321 e v), die lid was van de geestelijk georiënteerde protestantse Quakers, ziet evenals Einstein, Heisenberg en Pauli “onze geest niet apart van de wereld… De harmonie en schoonheid van het gezicht van de Natuur is in de grond één met de blijdschap die het gezicht van de mens verandert… Voorbij de fysische entiteiten is een natuur die een continuüm met de onze vormt… In het mystieke gevoel wordt de waarheid van binnen gekend als deel van onszelf… Wetenschapsbeoefening komt voort uit een streven dat is geboren met ons bewustzijn of een innerlijk licht dat voortkomt uit een grotere macht dan de onze... een verlangen naar waarheid dat in onze aard aanwezig is.” (p 327-28)

 

“Een compleet beeld kan niet worden verkregen zolang we ons bewustzijn scheiden van de wereld waarvan het deelgenoot is… en dat de getallen herkent… De eenheid van het geheel is essentieel voor een complete theorie… De ‘worldstuff’ achter getallen is een continuüm met de geest… De symbolische aard van de entiteiten van de fysica wordt algemeen erkend. Het schema van de fysica wordt nu zo geformuleerd dat het bijna zelf-evident is, dat het een deelaspect is van iets ruimers. We erkennen dat de fysische wereld volkomen abstract, geen ‘werkelijkheid’ is zonder verbinding met bewustzijn en we herstellen het bewustzijn in zijn fundamentele positie in plaats van een complicatie die toevallig te midden van de anorganische natuur is gevonden in een laat stadium van de evolutionaire geschiedenis.” (p. 330-32)

“We hebben gezien… hoe de geest het verloop van de opbouw van de wereld dicteert, zonder geest is er slechts vormloze chaos. Het streven van de natuurwetenschap is de fundamentele structuur te onthullen die aan de wereld ten grondslag ligt… Het idee van een universele geest of Logos zou een vrij plausibele gevolgtrekking zijn uit de huidige toestand van de wetenschap. Maar dit rechtvaardigt dan slechts een vormloos pantheïsme… De wetenschap zegt: ‘ik kom er niet tussen. Ik gun je een weg erheen door zelfkennis van het bewustzijn, zodat het geen domein is van agnosticisme. Maar hoe benader je dit domein? Heb je een of ander systeem van gevolgtrekking en van mystieke ervaringen, vergelijkbaar met het systeem waarmee wetenschap kennis van de uiterlijke wereld ontwikkelt? Ik sta er niet op dat je mijn methode hanteert, die niet toepasselijk is, maar je moet een te verdedigen methode hebben. De veronderstelde basis van de ervaring kan mogelijk valide zijn, maar heb ik enige reden om de religieuze interpretatie te beschouwen als meer dan warhoofdig romantiseren?’ Hoewel ik alleen mystieke religie in beschouwing neem, ben ik niet competent een antwoord te geven dat enigszins compleet kan zijn.” (p 335-39)

 

Eddington pleit voor systematische studie van het bewustzijn en mystieke ervaringen, zoals bij het ‘verruimde empirisme’ van de filosoof Schelling, dat ook innerlijke ervaringen omvat. Over de materialistische wetenschap, die kleur alleen in termen van golflengten kan beschrijven, zonder gevoel of beeld, zegt hij (p 341):

“We hebben nog niet de praktijken van de bewoners van Laputa [zie Jonathan Swift, Gullivers Travels over het eiland Laputa, waar de bewoners alles in meetkundige figuren weergeven, een parodie op de wetenschap] die de schoonheid van een vrouw prijzen door haar te beschrijven in cirkels, ellipsen, parallellogrammen en andere meetkundige figuren. De materialist die ervan overtuigd is dat alle verschijnselen ontstaan uit elektronen en kwanta die door wiskundige formules worden bepaald, zal kennelijk de opvatting hebben dat zijn vrouw een uitgebreide differentiaalvergelijking is.”

Een vrouw zonder ‘materieel omhulsel’ zal ook minder aantrekkelijk zijn. De materie mag er ook zijn. Gaat het eigenlijk niet om de combinatie, de complementariteit van materie en bewustzijn, van wetenschap, filosofie en religie, materialisme en idealisme?

 

Schrödinger over materie en geest

In Mind and Matter gaat Schrödinger hier diep op in. De lijn van zijn betoog wordt in het vervolg geciteerd. Zijn visie berust op de fysica, de filosofie van de Grieken, Schopenhauer en de Oepanishaden. Zijn golfmechanica was een doorbraak in de kwantumfysica. “De wereld is een construct van onze waarnemingen… en wordt manifest door gebeurtenissen in de hersenen: een speciaal stukje van deze wereld. Dit roept de vraag op: waardoor zijn de hersenen in staat deze manifestatie voort te brengen? Wat voor materieel proces houdt direct verband met bewustzijn… waardoor de wereld oplicht tot zichzelf in het licht van het bewustzijn? Volgens Spinoza is ieder zielloos ding ‘een gedachte van God’, de oneindige substantie, dus het ding bestaat ook als gedachte. Hier komen we de stoutmoedige gedachte tegen van universele bezieling…Tweeduizend jaar eerder kregen de Ionischefilosofendaardoor de naam hylozoïsten” (p 99). Zij zagen materie, stof hylos als levend zooan of bezield. Ook grondleggers van de psychologie als Fechner en Wundt schreven aan planten en de aarde bezieling toe. Men denke ook aan de Gaia hypothese van de aarde als bezield geheel van James Lovelock.

Wat betreft het bewustzijn geldt volgens Schrödinger (p 127) dat “de wetenschap het kennend subject uitsluit van de wereld. Als persoon treden we terug als toeschouwer die niet tot de wereld behoort. Deel van het object (de werkelijke wereld om mij heen) vormen mijn lichaam en… ook de lichamen van anderen die verbonden zijn of als het ware zetels zijn van sferen van bewustzijn… Ik neig ertoe deze ook aan te nemen als deel van de werkelijke wereld… en mijzelf ook. Ik breng mijn eigen waarnemende zelf (die deze wereld als mentaal product heeft geconstrueerd) terug in de wereld - met een pandemonium aan rampzalige logische consequenties die voortvloeien uit de voorgaande keten van foute conclusies. De eerste contradictie is de bevinding dat ons wereldbeeld ‘kleurloos, koud en stom’ is… Geen wonder dat dit ontbreekt in een wereld waaruit wij onze geestelijke persoon hebben verwijderd. De tweede is onze vruchteloze zoektocht naar de plaats waar de geest op de materie inwerkt en vice versa… De geest maakt geen deel uit van de materiële wereld, klaarblijkelijk kan hij er daarom niet op inwerken of delen van die wereld niet op hem inwerken.”

Hij citeert Jung: ‘Alle wetenschap is een functie van de ziel, waar alle kennis in is geworteld. De ziel is de grootste van alle kosmische mirakels, de conditio sine qua non van de wereld als een object. Het is buitengewoon verbazingwekkend dat de westerse wereld daar weinig van erkent… Het kennende subject is naar de achtergrond gedreven in een schijnbaar niet bestaan’.” (p 129, uit Eranos Jaarboek 1946, p 308)

 

Schrödinger (p 130-31) verwijst naar Eddington en ‘het onsterfelijke boek’ van neurofysioloog Sherrington, Man on his Nature (p 357): ”De geest beweegt in onze ruimtelijke wereld spookachtiger dan een geest. Onzichtbaar, ontastbaar… Hij is geen ‘ding’. Hij blijft zonder bevestiging van de waarneming en blijft dat voor altijd… De natuurwetenschap confronteert ons met de impasse dat de geest op zich geen piano kan spelen, de vinger niet kan bewegen.” De impasse is dat wij niet weten hoe de geest inwerkt op de materie.

 

Spinoza schreef reeds (Ethica deel 3, stelling 2): ”Het lichaam kan de geest niet tot denken bewegen, noch de geest het lichaam tot bewegen of tot rust of tot iets anders. Uitleg: wat de geest tot denken drijft is een bestaanswijze van het denken, niet van de uitgebreidheid [materie]. Verder moeten beweging en rust hun oorsprong vinden in een ander lichaam… Dit is nog duidelijker te begrijpen uit de opmerking bij Stelling 7, deel 2: ‘De orde en het verband van de voorstellingen [in de geest] zijn dezelfde als de orde en het verband van de dingen’. Geest en lichaam zijn één en dezelfde zaak die… als denken en uitgebreidheid wordt beschouwd… Vandaar dat de orde of aaneenschakeling van de dingen dezelfde is ongeacht of de Natuur onder het ene dan wel het andere attribuut wordt beschouwd en vandaar dat de reeks van handelingen van het lichaam van nature samenvalt met de reeks van handelingen van de geest.’’

 

De visie van Spinoza en anderen vat Popper samen in The Self and Its Brain (p 183). Geest en materie of uitgebreidheid zijn twee attributen van de Natuur, de oneindige substantie, die hij God noemt, die net als bij Einstein kosmisch wordt opgevat, niet persoonlijk. Dus de verbinding, eigenlijk complementariteit of identiteit van geest en materie, vindt zijn grond in een verenigende substantie. In moderne natuurkundige termen: een verenigend veld, waar Einstein en andere fysici naar zochten en zoeken. Dit veld is evenmin als de verbinding tussen geest en lichaam te vinden in de materiële wereld, waarvan de geest geen deel uitmaakt. Als hij er geen deel van uitmaakt, is hij daar niet te vinden en is er ook geen verbinding te vinden.

 

Schrödinger (p 131) komt evenals Eddington, de Indiase Oepanishaden en Schelling in zijn identiteitsfilosofie tot vergelijkbare conclusies wat betreft een verenigend beginsel. “De geest heeft de objectieve wereld opgebouwd uit zijn eigen ‘stuff’… Hij kon deze gigantische taak niet aan zonder zichzelf buiten te sluiten als middel om deze taak te vereenvoudigen. Dus de wereld bevat niet zijn schepper… Spinoza schreef reeds: ‘De geest kan lichaam niet bewegen…’ [noch vice versa]. Een impasse. Zijn we dan niet de doeners van onze daden?”

 

”De huidige wetenschap kan dit niet oplossen door het ‘principe van uitsluiting’ [van het bewustzijn]… De wetenschap moet worden herbouwd en vernieuwd… We staan voor een opmerkelijke situatie. Terwijl de stof van ons wereldbeeld voortkomt uit onze zintuigen als organen van de geest en een construct van de geest is en blijft, kan toch niet bewezen worden dat de geest een ander bestaan heeft. De bewuste geest blijft zelf een vreemde in dat construct, heeft er geen leefruimte in. Je kunt hem nergens in de ruimte lokaliseren. We realiseren ons dit niet, omdat we volkomen opgaan in het denken dat de persoon in het lichaam is gelokaliseerd…”

“We zijn eraan gewend dat de bewuste persoon in iemands hoofd is gelokaliseerd - laten we zeggen 5 cm midden achter de ogen. Het lokaliseren van de persoon, van de bewuste geest is slechts symbolisch. Laten we een kijkje nemen in het lichaam… Nergens via het oog en de zenuwkanalen - hoe ver de fysiologie ook vordert, nergens zal je ooit de persoon tegenkomen. Evenmin de vreselijke pijn of de ontstellende bezorgdheid in deze ziel, hoewel de realiteit ervan zo werkelijk is dat je eronder lijdt.” (p 131-34).

Vergelijkbaar neurofysiogisch onderzoek vermelden Anthony Campbell, The Seven States of Consciousness; Karl Popper en John Eccles, The Self and its Brain; Pim van Lommel, Eindeloos bewustzijn en de recente discussie over Dick Swaab, Wij zijn ons brein en Alva Noë, Wij zijn ons brein toch niet.

 

Volgens Chopra en neuroloog Tanzi, Superbrein, (p 265, 101, 99) “kunnen neurowetenschappers niet uitleggen wat er in het brein gebeurt als wij iets zien. Als je naar een dagelijks object kijkt - een tafel, een stoel, een boek - is er nergens in jouw brein een beeld aanwezig van dat object… We weten niet waar bewustzijn en zelfbewustzijn in de hersenen gelokaliseerd zijn. Het is waarschijnlijk dat dit niet op één plek is. Niemand heeft die puzzel nog kunnen leggen… Het is niet correct om te zeggen dat de hersenen een gedachte, ervaring of waarneming ‘creëren’. Het is immers ook niet zo dat de radio Mozart creëert...  De hersenen zijn als het ware de radio die het luisteren naar muziek mogelijk maakt.”

Het beeld of geluid is aanwezig in het bewustzijn. De hersenen bevatten geen beelden als zodanig, maar verwerken wel de prikkels en informatie, waardoor het beeld wordt gevormd. We weten nog niet precies hoe. Mogelijk spelen verbindende veldwerkingen of vibraties, vergelijkbaar met radiogolven, op het grensvlak van lichaam en geest een rol. Veldtheorieën komen aan de orde in deel 3.

 

Vervolgens vat Schrödinger de bevindingen van zijn collega-fysici Bohr, Heisenberg e.a. samen (p 135-37). “We kunnen geen feitelijke constatering doen zonder in aanraking met een object te komen (‘getting in touch’). Deze ‘aanraking’ is fysische interactie. Ook als het alleen ‘kijken naar het object’ is. Het object wordt beïnvloed door onze observatie. Deze verstoring is niet helemaal te volgen. Sommige kenmerken zijn bekend (die zijn geobserveerd), maar andere zijn niet precies bekend (die beïnvloed zijn door de observatie). Dit wordt gegeven als verklaring waarom geen complete kennis zonder hiaten van een fysisch object ooit mogelijk is… Er wordt bevestigd dat recente ontdekkingen in de natuurkunde dichter gekomen zijn bij de mysterieuze grens tussen subject en object. Die grens, wordt gezegd, is helemaal niet scherp…”

 

“Weinig of geen filosofen hebben niet benadrukt dat onze waarnemingen sterk subjectief getint zijn en niet de wezenlijke aard weergeven van het ‘Ding an sich’, met de term van Kant… Het idee van de subjectiviteit van alle verschijnselen is heel oud en bekend. Wat nieuw is in de huidige opzet is dat de omgeving wordt veranderd door ons en de middelen om deze te observeren… Toch wil ik dit niet een directe invloed van het subject op het object noemen… Gevoelens en gedachten behoren niet tot de ‘wereld van energie’, zij kunnen er geen enkele verandering in voortbrengen, zoals we weten van Spinoza en Sherrington.” (p 137)

 

Is dit zo? Ons denken en voelen blijken van invloed te zijn op onze gezondheid. Denken en voelen gaan gepaard met fysische processen en lijken een soort ‘veldwerking’ te hebben. Een veld is niet materieel, maar zien we in materiële processen. Schrödinger beschrijft vanuit zijn gezichtspunt het onderscheid tussen subject en object, die wel te onderscheiden maar niet te scheiden zijn. De objectieve wereld is een construct van onze (intersubjectieve) waarnemingen in ons bewustzijn. Eigenlijk is er geen scheiding, maar een voortdurende verwevenheid en wederzijdse beïnvloeding van geest en materie, twee attributen van één realiteit.

 

“Hoewel we dit onderscheid in het dagelijks leven moeten accepteren, moeten we het volgens mij opheffen in het filosofisch denken. De rigide logische consequentie is door Kant onthuld: het sublieme, maar lege idee van het ‘ding op zich’ waarover we voor altijd niets weten. Het zijn dezelfde elementen die mijn geest en de wereld maken… De wereld is mij één keer gegeven, niet één bestaande en één waargenomen wereld. Subject en object zijn eenvoudig één. De barrière ertussen kan niet worden opgebroken door recente ervaringen in de natuurkunde, want deze barrière bestaat niet.” (p 137)

 

Schrödinger: de eenheid van de wereld en het bewustzijn

In het hoofdstuk over de eenheid van de geest gaat hij hier verder op in (p 137). ”De reden waarom we ons voelend, waarnemend en denkend ego nergens in onze natuurwetenschappelijke wereld tegenkomen kan in zeven woorden: omdat het zelf dat wereldbeeld is. Het is identiek met het geheel en kan er daarom niet worden bevat als deel ervan. Maar hier stuiten we op een rekenkundige paradox; er lijkt een groot aantal van deze ego’s te zijn, hoewel er maar één wereld is. Dit roep allerlei vragen op: is mijn wereld dezelfde als de jouwe? Is er één werkelijke wereld onderscheiden van de beelden van de waarneming die binnenkomen in ons?...Deze komen allen voort uit de rekenkundige paradox: vele bewuste ego’s en één wereld.”

“De oplossing van de paradox ontdoet ons van deze vragen als schijnvragen… Er is een alternatief, namelijk de vereniging van ‘bewustzijnden’. Hun veelvoud is slechts schijnbaar, in waarheid is er maar één geest. Dit is de leer van niet alleen de Oepanishaden. De mystiek ervaren eenheid met God gaat geregeld gepaard met deze houding, tenzij er verzet is van sterke vooroordelen. Dit betekent dat het minder wordt aanvaard in het Westen dan in het Oosten. Als voorbeeld een 13e eeuws Islamitisch Perzisch mysticus Aziz Nasafi:

‘Bij de dood keert de geest terug naar de geestelijke wereld, het lichaam naar de lichamelijke wereld… De geestelijke wereld is één enkelvoudige geest die achter de lichamelijke wereld staat en die als door een raam door een schepsel heen straalt wanneer dit schepsel ontstaat. Afhankelijk van het soort en de grootte van de ramen komt er meer of minder licht de wereld in. Het licht zelf echter blijft onveranderd’.”(p 139)

 

“In Aldous Huxley, Perrenial Philosophy staan vele overeenkomstige prachtige uitingen. Je wordt geraakt door de wonderbaarlijke overeenstemming tussen mensen van verschillende volken, religies, die niets van elkaar weten, gescheiden door eeuwen en millennia en grote afstanden. Toch heeft deze leer in het westers denken weinig appèl. Hij is onverkwikkelijk, fantastisch, onwetenschappelijk. Want onze wetenschap is gebaseerd op objectivering, zij heeft zich afgesneden van een adequaat begrip van het kennend subject, de geest. Dit is m.i. precies het punt waar onze denkwijze dient te veranderen, wellicht door bloedtransfusie van oosters denken… Dit vraagt zorgvuldigheid… We willen de logische precisie van ons wetenschappelijk denken niet verliezen… Mijn doel is bij te dragen tot de toekomstige assimilatie van de identiteitsleer met onze wetenschappelijke wereldvisie, zonder verlies van soberheid en logische precisie…”

 

“Verder vind ik het onmogelijk een idee te vormen hoe mijn bewuste geest (die ik als één voel) ontstaan zou zijn door de integratie van de ‘bewustzijnden’ van de cellen die mijn lichaam vormen, als het ware als hun resultante… In de woorden van Sherrington (p 142): ‘Ons leven dat een eenheid is bestaat uit [vele] cel-levens… Als de vraag naar de ‘geest’ aan de orde komt, integreert het zenuwstelsel zich niet door centralisatie in een pontificale cel… Het concrete leven onthult de geïntegreerde sub-levens… van cellen als minutieuze focuspunten van leven die tezamen handelen… Als wij ons echter naar de geest keren, is daar niets van dit alles… De cellulaire bouw van het lichaam geeft geen enkele hint van de geest… Materie en energie lijken, evenals het leven, een granulaire deeltjes-structuur te hebben, maar de geest niet.’” (p 144)

 

“Dit is een andere paradox dan die van de ene wereld die kristalliseert uit de geest van velen. Sherrington’s paradox is die van de ene geest gebaseerd op de vele cel-levens, vele sub-breinen. “Ik veronderstel dat beide paradoxen opgelost kunnen worden. De geest is in wezen enkelvoudig. Het aantal geesten is één… De geest is altijd nu. Er is geen voor en na voor de geest. Er is alleen een nu, dat herinneringen en verwachtingen omvat. Onze taal is niet adequaat om dit uit te drukken en ik spreek nu in termen van religie, die niet tegengesteld is aan de wetenschap, maar ondersteund wordt door wetenschappelijk onderzoek… Ik heb niet de pretentie hier nu in onze westerse wetenschap de oosterse leer van de identiteit op te nemen.” (p.145 Dit is te vergelijken met Eckhart Tolle, De kracht van het Nu en de identiteitsfilosofie van Schelling, zie deel 3 in volgend nummer).

 

Tot slot noemt Schrödinger “het notoire atheïsme van de wetenschap… Een persoonlijke God kan geen deel uitmaken van een wereldmodel dat alleen toegankelijk is ten koste van het verwijderen van al het persoonlijke… Net als de persoon moet hij ontbreken in het ruimte-tijd plaatje. Ik vind God nergens in de ruimte - zegt de eerlijke naturalist… Een blamage voor wie er staat geschreven ‘God is geest’.” (p 149-50)

De volgende passage geeft een antwoord op de paradox van Schrödinger van het ene in het vele. Alsof het licht van het bewustzijn bij een diamant het licht weerkaatst vanuit onze talloze invalshoeken.

De wijze waarop de scheppende geest zichzelf in zijn creaties kan uitdrukken is door bewustzijn dat zich bewust wordt van zijn creatie, en dit bewustzijn in de schepping wordt het bewustzijn in jou en mij.” MacDonald-Bayne, Divine Healing of Mind and Body, p 60.

 

In het hoofdstuk Wetenschap en religie, vraagt Schrödinger zich af. “Waardoor heeft Plato’s levenswerk zo’n onovertroffen distinctie dat het meer dan tweeduizend jaar schijnt met onverminderde pracht?... Hij heeft het idee van tijdloos bestaan beschouwd als een realiteit die werkelijker is dan onze feitelijke ervaring. Naar zijn zeggen is deze ervaring daarvan maar een schaduw, waaraan de hele ervaren werkelijkheid is ontleend: de ideeënleer… Wiskundige waarheid is tijdloos.”

In de materiële wereld zag Plato de manifestatie van ideeën, vormen en formules van de wiskunde. Zoals volgens Heisenberg (Fysica in perspectief, p 22, 25), Pauli en anderen bewegen elementaire deeltjes volgens mathematische patronen en symmetrie. Spinoza beschouwt de dingen als gedachten van God, de ene oneindige substantie. Ieder ding is geschapen naar een idee of uit een verenigend veld, fysisch gezien.

De ‘centrale orde’ van Heisenberg raakt de religie, de verbinding met de kosmische orde, zoals bij Einstein en anderen. Als de wereld zich beweegt volgens patronen en symmetrie van die orde, kan dat filosofisch gezien betekenen, dat zij zich beweegt naar de ideeën van Plato of ‘de gedachten van God: de oneindige substantie’ van Spinoza? Dus materie als ruimtelijke manifestatie van geestelijke ideeën.

 

 

Verruiming van paradigma, veldtheorieën en onderzoeksmethoden

De complementariteit van wetenschap, filosofie en religie en kunst roept de vraag op: hoe kan deze subjectieve en objectieve kennis integreren? Er zijn fysici die bewustzijn als fundamenteel gegeven beschouwen. Nobelprijswinnaar Eugene Wigner schrijft in Symmetries and Reflections. Scientific Essays: "de zin van het leven is een mysterie dat ons bevattingsvermogen te boven gaat." Hij raakte evenals Schrödinger en anderen in Indiase filosofie geïnteresseerd, vooral in het idee van het universum als aldoordringend bewustzijn. ”Het was niet mogelijk de wetten van de kwantumtheorie consistent te formuleren zonder betrekking met bewustzijn.” Dit vraagt een uitbreiding van het paradigma zodat het bewustzijn niet meer wordt buitengesloten, zoals Jung en Schrödinger eerder opmerkten.

 

In deel 1 aan het begin is gezegd: wat niet past in ons paradigma zien we vaak niet, willen we niet zien of kunnen we niet zien, laat staan bevatten. Zich verdiepen in het onbekende, ongerijmde kan een lastige opgave zijn, gezien de gevestigde patronen. Het vraagt weetgierigheid, verwondering en ‘liefde tot wijsheid’, filo-sofos. Volgens Josephson, zie deel 1, worden ideeën te snel verworpen door ‘science by consensus’. “Er is van alles mogelijk in de fysica, ‘cosmic wormholes, time travel’, zolang er afstand is van iets mystieks… De houding dat ‘zelfs al zou het waar zijn, zou ik het niet geloven’,” noemt hij ‘Pathological Disbelief’ in een lezing voor Nobelprijswinnaars, Lindau, 30 juni 2004.

Normale wetenschap is volgens Thomas Kuhn, The Structure of Scientific Revolutions, niet uit op falsificatie in de zin van Popper, maar op bevestiging en uitbreiding van gevestigde theoriëen, zolang deze houdbaar blijken. Veldtheorieën kunnen in principe worden uitgebreid, zodat deze ook het bewustzijn erbij kunnen betrekken. Dit zou een verruiming of verandering van het paradigma kunnen vragen.

 

Veel mensen, ook wetenschappers - niets menselijks is hen vreemd - houden zich ook aan cognitieve kaders die houvast geven en waarin intellectuele kapitaal is geïnvesteerd en reputaties mee gemoeid zijn. Vasthouden aan paradigma’s heeft te maken met behoeften aan zekerheid, sociale verbindingen, erkenning en zelfverwerkelijking en ook met (materiële) belangen, conform de behoeftepiramide van Maslow. Maar veel wetenschappers willen het onbekende onderzoeken en hun paradigma verruimen, zoals we hebben gezien, en brengen daardoor wetenschappelijke revoluties teweeg.

Deel 3 in volgend nummer zal gaan over verruiming van paradigma’s en onderzoeksmethoden bij verenigende veldtheorieën van de moderne fysica, waarbij het bewustzijn wordt betrokken als fundamenteel gegeven, zoals eerder in filosofie en religie het geval was. Einstein, Heisenberg, Pauli, Schrödinger en anderen hebben met name hun latere leven aan verenigende veldtheorieën en filosofieën gewijd.

In hoeverre komt hun visie overeen met die van filosofen als Plato, Spinoza, Kant, Schelling, Hegel?

Welke verruiming van paradigma’s en wetenschappelijke methoden is nodig om meer inzicht te krijgen in het verband van het bewustzijn met de wereld van energie en de materie op basis van ervaringsgegevens? Dit zijn alvast een paar vragen voor het vervolg.

 

Onthulling van het Ene    Loenen 2014 08 15

 

Zoals vele oude wijzen menen

is het universum uiting van het Ene

dat van zichzelf de oorsprong is

zonder welk het andere niet is

 

Ook wij mensen zijn een onderdeel

van het alomvattende geheel

Een voor het oog verborgen godheid*

onthult zich als het ware in de eenheid

 

Het is niet als een persoon begrensd

toch aanwezig diep in ieder mens

toont een glimp in ieders ogen

in liefde en begrip en mededogen

 

*Deus absconditus

 

De schrijver Dr Piet Ransijn (1949) studeerde westerse en niet-westerse sociologie en filosofie te Amsterdam, vooral cultuur- en godsdienstsociologie en kennissociologie. Schreef een boek over Bewustzijn als bewapening (1982), een proefschrift Collective Consciousness and Peace , Jaipur, India 1984, vertaalde de boeken History of Physics van Motz en Weaver, (1993) en Perfect Health van Deepak Chopra, over Ayur Veda, Indiase geneeskunde. Was medeoprichter en onderwijsadviseur van een onderwijsprogramma over sociaal-emotionele vaardigheden: Leefstijl voor jongeren en docent sociologie en keuzemodulen over onder meer bewustwording en intuïtie aan Hogeschool Windesheim, Zwolle.

 

Met dank aan Nico Schulte, Antoinet Verwegen, Jaap Ransijn en Ben Cornelissen voor hun feedback.