Op zoek naar de katholieke identiteit

Civis Mundi Digitaal #29

door Wim Couwenberg

Bespreking van: Valeer Neckebrouck, Wie is katholiek? Op zoek naar de katholieke identiteit. Uitgeverij Garant, Antwerpen, Apeldoorn, 2014.

In de literatuur wordt het probleem van de katholieke identiteit in verschillende toonaarden beschreven, onder andere als de vraag die bij alle pogingen tot hervorming van de r.k.-kerk ondoordacht meeweegt als het belangrijkste probleem van het hedendaagse rooms-katholicisme. De bedoeling van de auteur van deze publicatie – een sociaal-antropoloog en theoloog, en emeritus hoogleraar aan de Katholieke Universiteit Leuven – is een ondubbelzinnig antwoord te vinden op de vraag wie zich katholiek mag noemen. Dat antwoord is in zijn ogen een terugkeer naar de algemeen aanvaarde en door kerkelijke gezagsinstanties voorgeschreven opvatting van die katholieke identiteit. Ik betwijfel of dat nog mogelijk is in de moderne, pluralistische context waarin we leven, en de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging die daaraan ten grondslag ligt. Er zijn nu verscheidene opvattingen van die katholieke identiteit, die vreedzaam naast elkaar verkeren. In de eerste plaats is er natuurlijk het traditionele premoderne concept van die identiteit, zoals dat nog steeds verkondigd wordt door het kerkelijke gezag van de r.k.-kerk, en vooralsnog vooral in veel niet-westerse landen met succes standhoudt, zoals recent opnieuw bleek bij het bezoek van Paus Franciscus aan de Filippijnen, waar de Kerk nog oppermachtig is, en bijvoorbeeld voorbehoedsmiddelen en echtscheiding als gevolg daarvan volstrekt taboe zijn. Ik heb die taboes in mijn jonge jaren zelf nog volop meegemaakt.

Daarnaast zijn er sinds lang de visies van de oud-katholieke en de weinig bekende Vrij-Katholieke kerk op die katholieke identiteit.[1] En er zijn ook gemoderniseerde, i.c. vrijzinnig-liberale opvattingen, waaraan ik eerder al een boek gewijd heb.[2] Die zijn echter niet meer welkom, zoals recent bleek uit een conflict van een groep katholieken, bestaande uit em. hoogleraren en priesters, diakens, pastoraal werkers en parochiemedewerkers, met kardinaal Wim Eijk, die consequent opereert in de lijn die het Vaticaan spoedig na het tweede Vaticaans Concilie heeft ingezet, met doelbewust genomen conservatieve bisschopsbenoemingen. Het meest bekend is de benoeming van kapelaan Ad Simonis tot bisschop van Rotterdam en daarna tot aartsbisschop van Utrecht; en die van Jo Gijsen tot bisschop van Roermond.

De kardinaal wil kennelijk terug naar een klein kerkelijk verband van orthodoxe gelovigen. “We dienen orthodoxe gelovigen te zijn. Er is geen andere keuze,” zei, al even benepen, zijn voorganger, kardinaal Simonis. De leegloop van zijn kerk in Nederland lijkt hij als een onomkeerbaar proces te interpreteren en te aanvaarden.

 

Wantrouwen tegen openlijk belijden van eigen religieuze identiteit

Deze Leuvense theoloog begint met zich af te zetten tegen het kameleoneffect: de obsessie te zijn zoals alle anderen, zich dus maximaal aan te passen aan de eigen sociale omgeving. De oorzaken van die lichtschuwheid van hedendaagse katholieken zoekt hij in twee oorzaken: wantrouwen en perplexiteit. Wantrouwen ziet hij als een van de houdingen die de westerse mens tegenwoordig in hoge mate kenmerkt. Argwaan in de eerste plaats tegenover identiteit als maatschappelijk fenomeen, vanwege de ongewenste effecten daarvan op sociaal gebied, zoals wij-zij denken, uitsluiting of discriminatie van mensen die niet tot de eigen groep behoren; en het stimuleren van vijandige gevoelens jegens outsiders. Gezien de mist van wantrouwen, zo meent de auteur, waarin zowel het concept van identiteit in het algemeen als dat van identiteit in religieuze of katholieke zin in het bijzonder zijn gehuld, is het begrijpelijk dat de katholieken moeilijk warm te krijgen zijn voor een openlijke affirmatie van de eigen identiteit in religieuze zin.

Die argwaan tegen identiteit heb ik zelf ondervonden toen ik Nederland als multiculturele natie niettemin verbond met een eigen nationale identiteit.[3] Dat werd meteen als kwalijke rechtse opvatting gediskwalificeerd. Het idee van nationale identiteit gold als een gepasseerd station, zo luidde de toenmalige sociologische moderniseringsthese. Met de culturele en politieke revolte van de jaren ’60 wordt dat idee zelfs een taboe, want haaks staande op een aanzienlijke verschuiving van loyaliteiten en prioriteiten die zich dan voltrekt in de richting van individualisme en internationalisme. Maar dat is nu niet langer het geval. Kosmopolitische culturele elites die geen boodschap meer hebben aan in hun ogen zoiets voorbijgestreefds als een nationale identiteit en cultuur, blazen niet meer zo hoog van de toren als voorheen, al blijven zij op dit punt hun reserves koesteren. Zij willen niet verder gaan dan zoiets als politiek patriottisme als nationaal identiteitsbesef te erkennen en blijven dat in etnisch-culturele zin (met culturele integratiefactoren als taal, geschiedenis, stijlkenmerken e.d.) afwijzen. Over nationale identiteit kunnen we nu in ieder geval discussiëren zonder dat dat meteen geridiculiseerd wordt en geassocieerd met xenofobie, racisme en exclusivisme, wat jarenlang gebeurde met onmiskenbaar politieke, i.c. electorale bedoelingen.

Katholieke identiteit is echter nog wel een gewantrouwd begrip. De auteur spreekt zelfs van een diepe argwaan, waarvan het politiek correcte discours blijk geeft. Vandaar de terughoudendheid van katholieken om zich hiervoor openlijk uit te spreken, en hun voorkeur voor een low profile godsdienstigheid. Het openlijk affirmeren van die katholieke identiteit wordt bovendien aanzienlijk bemoeilijkt, voegt hij hieraan toe, doordat de consensus daarover verdwenen is, en verwarring daaromtrent de overhand heeft gekregen. In de eerste helft van de vorige eeuw was dat heel anders. Als katholiek verwees men toen spontaan naar de catechismus. Daarin werd immers duidelijk uitsluitsel gegeven over de vraag wat het katholieke geloof betekent en inhoudt. In het kielzog van een aantal naoorlogse ontwikkelingen kwam aan die consensus sinds de jaren ’60 bruusk een einde.

 

Latent schisma

De processen van subjectivering en individualisering strekten zich sindsdien ook uit tot de vraag wat katholiek zijn betekent, met een waaier van verschillende opvattingen daaromtrent als gevolg. Er sluimert in de westerse r.k.-kerk zelfs een latent schisma, zo vreest de auteur. In Nederland voltrekt dat zich al in feite, nu kardinaal Eijk zijn kerk, zoals gezegd, lijkt terug te willen brengen tot een klein kerkelijk verband van alleen orthodox gelovigen, wat als consequentie gepaard gaat met een drastische vermindering van kerkgebouwen.

De Leuvense theoloog constateert aan het slot van zijn boek dat er een reële kloof is gegroeid tussen de officiële kerkelijke opvatting van katholieke identiteit en de manier waarop een zeer groot aantal westerse katholieken effectief hun katholiek-zijn opvatten en beleven. Daardoor raken we in een situatie waarin de kerk uiteen dreigt te vallen in een aantal uiteenlopende groepen, die niet langer een gemeenschappelijke geloofstaal spreken, met een geleidelijke verdamping van de kerkelijke eenheid tot gevolg. Er zijn ‘katholieken’ die niet geloven in de godheid van Christus. Anderen verwerpen de realiteit van zijn verrijzenis, ontkennen zijn maagdelijke geboorte, doen de presentia realis, de tegenwoordigheid van Jezus in de eucharistie, af als een mythe, beschouwen de tenhemelopneming van Maria als een vergissing van de Kerk of barsten uit in onbedaarlijk lachen bij de vermelding van de pauselijke onfeilbaarheid. Men zal moeten toegeven dat in dergelijke gevallen de voeling met de katholieke traditie ver te zoeken is, zo stelt deze Leuvense theoloog.

Dat is juist, maar nu eenmaal het resultaat van het religieuze moderniseringsproces, dat zich in versterkte mate sinds de jaren ’60 in Europa heeft doorgezet, en in de r.k.-kerk opnieuw is mislukt. En voor zover christenen, i.c. katholieke christenen, nog openlijk uitkomen voor hun traditionele geloof, is er gerede twijfel of zij zich wel eens onbevreesd rekenschap geven van wat zij zeggen te geloven. Wat mij opvalt, is dat zij een serieuze discussie hierover liefst doelbewust uit de weg gaan.

In dit en het volgende nummer zal ik mij nader rekenschap geven van mijn eigen Werdegang als oorspronkelijk rooms-katholiek gelovige. Als intellectuelen over religie schrijven, is dat bijna altijd over die van anderen, maar niet die van henzelf, signaleert Jan Oegema, de man die het thema soloreligiositeit lanceerde in het dagblad Trouw.[4] Zij moeten het lef hebben ook zichzelf bloot te geven en hun eigen levensbeschouwelijke positie ter discussie te stellen. Dat doe ik dan ook in twee volgende bijdragen, de eerste in dit nummer.



[1] Zie www.vkk.nl

[2] S.W. Couwenberg, Katholiciteit en Vrijzinnigheid. Een zoektocht naar een nieuwe geloofsoriëntatie, 1990.

[3] Zie S.W. Couwenberg (red.), Nationale identiteit. Van Nederlands probleem tot Nederlandse uitdaging. Civis Mundi Jaarboek 2001, pp. 9-63.

[4] J. Oegema, Soloreligieus: ik wil uitkomen op het religieuze nulpunt, Volzin, 1 januari 2007.