De ‘tweevoudige waarheid’ bij Plato en Aristoteles. Zijn Plato en Aristoteles tegenstrijdig of complementair?

Civis Mundi Digitaal #29

door Piet Ransijn

Vervolg op eerder artikel met een aanvullende reactie op  J. Buve, Liber Universitatis

Plato 427-347 v Chr  (2 maal jonger en ouder)                               Aristoteles 384-322 vChr

 

Inhoud

1. Inleiding: zijn Plato en  Aristoteles nog relevant voor onze wetenschap, cultuur en samenleving?

  • Wat zij de tekortkomingen van de huidige wetenschap die aanvulling vragen van de filosofie?
  • Geen antwoord op de vraag waarheen?
  • Bureaucratisering en belangenverstrengeling met de industrie
  • Verschraling van het mens- en wereldbeeld vraagt een tegenwicht

2    Plato: de geschreven en ongeschreven leer

  • Punten van kritiek op Plato en Aristoteles
  • De filosofie van Plato als meervoudige waarheid
  • Verheffing naar het Goede
  • Ongeschreven kennis
  • De methode van de dialectiek om de ideeën en de geest te kennen

Gedicht Levend weten

3    Aristoteles als eigenzinnige leerling van Plato

  • De ratio en de gelaagdheid van de persoonlijkheid
  • De invloed van Plato op Aristoteles
  • Complementaire verdiensten van Plato en Aristoteles
  • Hoe Aristoteles inspireerde tot de wetenschapsfilosofie van Thomas Kuhn
  • Kritiek op Plato van Popper en Nietzsche

4. Tegengesteld of complementair?

  • Onvoorstelbare ideeën in voorstelbare vorm en stof
  • De universaliënstrijd tussen de interpretaties van Plato en Aristoteles
  • Wat is de tegenstelling? Realisme versus nominalisme, idealisme versus materialisme
  • Complementaire werelden, dimensies en werkelijkheidsopvattingen
  • Ze lijken tegenover elkaar te staan maar vullen elkaar aan
  • De relatie tussen Plato en Aristoteles en de dubbele waarheid
  • De kloof tussen leraar en leerlingen en het verloren gaan van de oorspronkelijke kennis

Gedicht Op de drempel van een nieuwe tijd

Samenvatting en enkele conclusies - puntsgewijs overzicht van het artikel

 

1.   Inleiding: Zijn Plato en  Aristoteles nog relevant voor onze wetenschap, cultuur en samenleving?

Deze inleiding geeft een actuele toelichting op wat er aan de hand is met de moderne wetenschap en legt een verbinding met eerdere artikelen, waarin wetenschap, filosofie en religie als complementair worden beschouwd. Dit vervolgartikel is een ‘uit de hand gelopen’ reactie op de het boek van Buve over ‘de dubbele waarheid’. Hij baseert zijn visie op Plato en Artistoteles op een wijze die inspireert om hen nader te bestuderen.

Dit artikel benadrukt evenals Buve de relevantie van Plato en  Aristoteles. Daarna volgt een typering van beide filosofen in een wetenschappelijk, filosofisch en cultuurhistorisch kader dat de visie van Buve aanvult en waarbij de filosofie van Aristoteles voortvloeit uit die van Plato. Zij blijken elkaar aan te vullen als complementaire tegenwichten, ook al lijken zij soms tegenstrijdig en is dit niet altijd even duidelijk, zoals Buve laat zien.

 

Tekortkomingen in de huidige wetenschap zouden volgens hem teruggaan op eenzijdigheden, contradicties en onduidelijkheden bij Aristoteles, die zouden zijn te compenseren met de metafysica van Plato.

Zijn Plato en Aristoteles nog relevant voor de moderne wetenschap, cultuur en samenleving?

Buve toont hun relevantie overtuigend aan. Zij hebben meer dan welke denkers ook hun stempel gedrukt op onze westerse cultuurgeschiedenis. Volgens Buve zijn hun visies tegengesteld en sluiten zij elkaar uit. De geschiedenis en andere bronnen laten zien dat er enige contradictie en oppositie is. Maar zij vullen elkaar ook aan, zoals zal worden toegelicht.

Aristoteles heeft met zijn ongeëvenaarde bijdragen de grondslagen van de wetenschap gelegd. Zijn wetenschap was geïntegreerd met filosofie, anders dan de gespecialiseerde wetenschap van nu. Zijn tekortkomingen van de huidige wetenschap Aristoteles aan te rekenen na 2300 jaar?

 

Wat is de waarde van wetenschap?

Max Weber schrijft in Wetenschap als beroep en roeping dat de moderne wetenschap het leven geen zin en waarde kan geven (zie Civis Mundi nr 25). Dat was bij Plato en Aristoteles anders.

“Plato heeft het begrip ontdekt als  een van de belangrijke instrumenten van wetenschappelijke kennis. Hij was niet de enige. In India vinden we het begin van een logica die overeenkomt met die van Aristoteles… Hieruit leek te volgen dat men het wezen van iets kon vatten als men het juiste begrip van het schone of het goede vond. En dit leek de weg te openen voor het kennen en leren van hoe juist te handelen in het leven en als staatsburger.”

Het verschil tussen wetenschappelijke begrippen en concepten en Platoonse ideeën ligt genuanceerder volgens Buve en anderen, zoals in dit artikel zal blijken. Plato (be)schouwt ideeën als realiteiten en  verschijnselen als schaduwen die verschijnen, terwijl dat in de wetenschap niet zo wordt gezien.

“In Plato’s Mythe van de grot zien geketende gevangenen schaduwbeelden op de wand van de grot. Ze kunnen de lichtbron niet zien… Eén van hen bevrijdt zich, keert zich om en ziet de zon. Eerst is hij verblind, dan leert hij het licht te (aan)schouwen. Hij is de filosoof, zijn taak is de mensen naar het licht te leiden. De zon is de waarheid van de wetenschap, die geen illusies of schaduwen, maar het ware zijn (be)grijpt.

Wie ziet nu de wetenschap zo? Het is nu eerder omgekeerd. Intellectuele constructies vormen nu een onwerkelijk gebied van kunstmatige abstracties, die met benige handen het bloed en sap van het ware leven pogen te pakken... Hoe is deze verandering gekomen?” (Verkort citaat).

Weber gaat daar in zijn lezing op in. Wetenschap is losgemaakt van filosofie en religie en kan zo geen zin, waarden en doelen geven; geen antwoord op de vraag waarheen, met de woorden van Nietzsche.

Wetenschap kan ook geen normen en waarden voor het handelen geven. Zelfs wat betreft de beoefening van wetenschap lijkt zij hierin tekort te schieten. Zie het artikel over de medische wetenschap en industrie.

 

Wat zijn de tekortkomingen van de moderne wetenschap die aanvulling vragen van de filosofie?

Nietzsche uitte de ‘biljante verzuchting’ dat de wetenschap niet in staat is doelen aan ons handelen te geven, nadat zij heeft bewezen dat zij deze doelen kan wegnemen en vernietigen (zie Civis Mundi nr 25). Daarom dient wetenschap te worden aangevuld met filosofie en religie, zoals bij Plato en Aristoteles.

Max Weber. Tolstoi en anderen wezen op de beperkingen van de wetenschap, die geen doelen, zin en waarden aan ons leven kan geven. De levensbeschouwing van nu, die op wetenschap berust, kan daarom de religieuze en filosofische levenschouwing niet vervangen en kan leiden tot nihilisme in de zin van verval van waarden: “het ontwaarden van de hoogste waarden. Het doel ontbreekt, het antwoord op de vraag waarheen?”, aldus Nietzsche, in J. Goudsblom, Nihilisme en cultuur (p 11).

De integrale wetenschap en filosofie van Aristoteles wordt gekenmerkt door doelgerichtheid, teleologie. Hij ontvouwt een doelgericht ontwikkelingsproces, gericht op de verwerkelijking van ‘hogere waarden’. Hij lijkt vooruit te lopen op de humanistische psychologie van Maslow en anderen, waarin zelfverwerkelijking centraal staat. In de dominante wetenschap heeft deze visie weinig ingang gevonden.

Verbinding van wetenschap en filosofie kan een uitweg bieden uit genoemde tekortkomingen van de wetenschap, die het leven geen zin en waarden kan geven. Op basis van Plato en Aristoteles kan een dergelijke verbinding op diverse wijzen worden geaccentueerd, van complementair en elkaar aanvullend tot tegengesteld of contradictoir, zoals bij Buve.

 

Geen antwoord op de vraag waarheen?

Wat betreft de huidige wetenschap kunnen vergaande specialisering en het enorme kennisaanbod ertoe leiden dat kenis en wetenschap bronnen van desoriëntatie worden. “Men raakt in het doolhof van kennis het spoor bijster.” Er  is geen antwoord op de vraag waarheen? ”Radicale twijfels aan rationaliseringsprocessen worden geuit onder de noemer van postmodernisme… geloof in  rationaliteit, wetenschap, vooruitgang en beheersbaarheid maakt in toenemend mate plaats voor een meer relativistische en sceptische houding”, zoals het nihilisme in de 19e eeuw, aldus Wilterdink, Samenlevingen (p 166).

Ook de  toenemende verscheidenheid van levensbeschouwelijke alternatieven, filosofieën en interpretaties

zou kenmerkend zijn  voor de postmoderne samenleving. Anderzijds zijn er fundamentalistische bewegingen, waarbij “strikte godsdienstigheid een nieuw houvast geeft” (p 154).

Bij de “vooruitgang in wettenschappelijke kennis, technisch kunnen en toenemende rationaliteit… hebben ook steeds tegengeluiden geklonken… Karl Marx wees op uitbuiting en vervreemding… Max Weber waarschuwde tegen bureaucratisering… Emile Durkheim uitte zijn vrees voor normloosheid” (p 79).

Verder noemt Wilterdink ongelijkheid, werkloosheid, (baan)onzekerheid en aantasting van het milieu. Dergelijke problemen werden reeds genoemd door Buve in het voorgaande artikel.

 

Bureaucratisering en belangenverstrengeling met de industrie

“Deze bureaucratisering samen met vergaande specialisering en met het feit dat steeds meer onderzoek gefinancierd wordt ten behoeve van economische en militaire doelen en organisaties. Deze ontwikkelingen roepen problemen op… Innoverend onderzoek is daar niet altijd mee gebaat, omdat het een zekere zelfstandigheid van wetenschapsbeoefenaren vraagt… De verstrengeling van wetenschap met commerciële en militaire belangen leidt ertoe dat de resultaten van veel onderzoek geheim worden gehouden. Technisch-wetenschappelijke kennis dient hier als bron van macht van grote publieke en particuliere organisaties…

Wetenschapstoepassingen hebben  ook tot nieuwe problemen geleid… Denk aan vervuiling van chemische fabrikeken en radioactief afval… steeds vernietigender wapens. Of aan morele kwesties door genetische manipulatie… In hoeverre is het mogelijk wetenschappelijk onderzoek zodanig te sturen dat er positieve toepassingen van te verwachten zijn - en wie bepalen dat?” (p 164).

Het artikel over de medische industrie gaat in op dezelfde problematiek en geeft antwoord op de laatste vraag: industriële belangen bepalen in toenemende mate het onderzoek en de toepassingen ervan. Bovendien is er een toenemende ongelijkheid en  ondoorzichtige machtsconcentratie die botsen met democratische principes, die Buve en Dehue bepleiten in het spoor van Plato en Aristoteles.

Bij toegepaste wetenschap zijn ethische overwegingen van belang, om onethische toepassingen uit winstbejag of machtsdrang te voorkomen of tegen te gaan. Ethiek is een onderdeel van de filosofie, die ook in dit opzicht verbonden dient te zijn met wetenschap, zoals vanouds.

 

Verschraling van het mens- en wereldbeeld vraagt om een tegenwicht

De moderne wetenschap en het daarop gebaseerde dominante mens- en wereldbeeld is volgens Dessaur in De droom der rede (p 257) materialistisch en reductionistisch geworden sinds de tijd van Plato. Zij geeft een antwoord op de vraag waarheen? en pleit voor “integratieve visies en aspiraties om al die (specialistische) detailkennis ergens toe te laten leiden… Voor volwaardige wetenschapsbeoefening zijn complementaire benaderingswijzen nodig. Het canoniseren van één attitude… gaat ten koste van de diepte, de reikwijdte en zelfs de praktische relevantie van de (mens)wetenschappen. Niet alleen alleen het mensbeeld is in de loop der eeuwen verschraald, ook onze (dominante) opvatting van wat toelaatbare wetenschapsbeoefening mag heten, is meer en meer ingeperkt”.

Door filosofen als Plato en Aristoteles te behandelen geeft zij een “tegenwicht tegen de censuur tegen alles wat alternatief is, wat zweemt naar originaliteit, spiritualiteit, creativiteit, (bijv. ) ausradierte neoplatonici… De onverdraagzaamheid van vooral de lagere gezagsdragers van de Kerk der Rede gaat zover, dat vele jonge intellectuelen eenvoudig niet (kunnen) weten… dat er ooit, op een serieus te nemen wijze, anders over mens en wereld is gedacht dan aanhangers van het materialisme, neopositivisme, het reductionisme juist en wenselijk achten…; dat vroeger en nu door filosofen en wetenschapsbeoefenaars fundamenteel andere inzichten zijn verkondigd dan die nu gewoonlijk van de academische kansel worden gepreekt” (p 258).

Daarbij dienen we te besefen dat het materialisme en positivisme ooit ketterse vernieuwingen waren en dat het oorspronkelijke positivisme van St Simon en Comte ruimer, origineler, spiritueler en creatiever was, evenals het materialisme van met name de voorsocratische Griekse filosofen.

Ziehier een overtuigend pleidooi voor een nadere beschouwing van Plato en Aristoteles.

 

1.   Plato: de geschreven en ongeschreven leer

 

Punten van kritiek op Plato en Aristoteles

Buve prijst Plato en bekritiseert Aristoteles als grondlegger van de moderne wetenschap. Deze kritiek is een reden om hen in hun onderlinge relatie en  hun verdiensten nader te beschouwen. Zonder Aristoteles zou de wetenschap niet zo’n hoge vlucht hebben genomen, ondanks de tekortkomingen.

Ook Plato heeft beperkingen die aanleiding geven tot kritiek. De filosofie van Plato lijkt een basis te bieden aan een soort communistische heilstaat. Popper bekritiseert Plato in The Open Society and Its Enemies, een tegendraadse visie op Plato. Voor de meesten van ons is hij een groot en geliefd filosoof.

De reserve van Plato voor de democratie heeft te maken met de ter dood veroordeling van Socrates door democratische machthebbers. De democratie was toen nog meer dan nu een kliek zelfzuchtige machthebbers die het volk misleidden (Plato, 7e brief, H Groot, De betekenis van Plato voor onze tijd, p 72).

Vandaar dat Plato zijn hoop vestigde op wijze, verlichte leiders en gerechtigheid door hoger inzicht. Hij benadrukt de politieke en maatschappelijke verantwoordelijkheid van de filosoof voor de leiding en educatie van de bevolking. Degene die het licht heeft gezien, gaat terug in de grot om de gevangenen erover te vertellen. Maar hij wordt niet begrepen. Men ziet het niet, wil het niet zien of kan het niet zien.

 

De filosofie van Plato als meervoudige waarheid

De Plato-interpretatie van H Grootbiedt een meer volledige aanvulling op de beknopte visie van Buve op Plato, aangevuld met standaardwerken van Will Durant, Störig en Vloemans.

     “Zijn betekenis ligt in zijn absolute eenheid, die alle tegenstellingen oplost… de bron van scheppend bewustzijn, die in staat stelt alle waarden te transformeren tot de gelijkenis van Waarheid, Goedheid en Schoonheid zelf. Dit bewustzijn laat ook de empirische werkelijkheid vol zinrijke betekenis schijnen, doorstraald van licht uit de metafysische wereld. De conceptie van de van de eenheid van de geest moet noodzakelijk alle begrenzingen van haat, alle strijd en alle egoïsme in zich oplossen. De verlossing is bij Plato… in ons wezen besloten… indien wij dit maar wisten. Maar… op aarde is de herinnering aan ons ware zijn verloren geraakt. De weg die opnieuw leidt naar die weer-herinnering… wordt door de Ideeënleer en de Eros gewezen.” (Groot, inleiding)

Plato onderscheidt minstens drie soorten weten, zoals in de Indiase filosofie:

  1. op de zintuigen gebaseerde ‘meningen’ of doxa, die Groot ook emotief noemt (p ix)
  2. redelijk, rationeel weten of ‘episteme’, waarin Groot een ‘ideatieve’ variant onderscheidt
  3. intuïtief en mystiek denken. Plato zou zijn ingewijd in de geheime leer van mysteriescholen.

“Het richtinggevende in ons leven is niet het discursieve, maar het intuïtieve denken.” (p x)

“Rondom het eilandje der redelijkheid heeft hij de oceaan der bovenredelijkheid ontdekt.” (p 15)

 

Van de hoogste inwijding zegt hij in Symposium (Civis Mundi nr 24, schoonheid vertaald als liefde, eros):

“Een wijde zee van liefde opent zich voor wie in de mysteries van de liefde wordt ingewijd, een wonderlijk mooie visie die het wezen van de liefde is… een altijddurende liefde die niet komt en gaat, niet ontstaat en vergaat, niet bloeit en verwelkt, niet nu eens mooi en dan weer niet… Ook zal deze liefde zich niet vertonen als een gezicht of iets van het lichaam… of ander wezen, maar iets dat op zichzelf en in zichzelf bestaat in een eeuwige eenheid waar alle mooie dingen aan deelhebben, zonder meer of minder te worden, maar steeds hetzelfde onschendbare geheel…Wanneer iemand... door op de juiste wijze lief te hebben boven zichzelf uitstijgt en die liefde begint te zien, raakt hij dichtbij het einddoel… omwille van de ene liefde op te stijgen langs de treden van een mooi lichaam… tot mooie aspiraties… tot de ene liefde zelf.., als hij de liefde zelf aanschouwt. Als hij dat eenmaal heeft gezien wordt hij niet meer verleid door goud, mooie kleren of mooie lichamen…”

 

Verheffing naar het Goede

In deze dialoog zien we een stapgewijze verheffing, sublimatie of transcendentie, die lichaam en geest verheft tot wat Buve ‘het onvoorstelbare’ noemt. Plato weet dit toch weer te geven. De Eros heeft diverse niveaus. Groot (p 109) verwijst naar Bierens de Haan, Amor, Caritas en het Altruïsme. Verder noemt hij de Agapè, geestelijke of zedelijke liefde ende mystieke liefde tot God (p 237). De Eros onderdrukt niet de zinnelijkheid, maar verheft, transfigureert en “doorstraalt de zinnelijkheid” (p 117, 124).

Plato’s doel was “gelijkwording aan of éénwording met de godheid: homonoiosis toi theoi” (p 1, 110),  aangeduid als de hoogste Idee van het Goede. Hij vergelijkt dit met de zon die alles zichtbaar en kenbaar maakt, groei en voedsel verleent, en aan gene zijde van het Zijn alles verre overtreft (p 87, 206). De Eros “richt het oog van de ziel opwaarts, datgene aanschouwend, wat aan de dingen hun licht verleent en inzicht in het Goede” (p 126, De Staat; B.Delfgauw, Beknopte geschiedenis der Wijsbegeerte,  p 23).

 

Centraal staat de gerechtigheid en ‘deugdzaamheid’, bij gebrek aan een betere term. Groot (p 167) verwijst naar het Indiase dharma en het Chinese Tao, deugd. Deugd dient gegrond te zijn in (intuïtief kennen of schouwen van) het Goede en afstemming hierop en op de kosmische orde die eruit voortkomt.  Dit vraagt geestelijke scholing en opvoeding tot een ‘hoger weten’. Plato beschrijft dit in De Staat. Waarachtige waarden, deugd en gerechtigheid kunnen niet berusten op relatieve ‘meningen’, zoals bij de Sofisten, die allerlei tegenstrijdige standpunten en belangen konden beredeneren.

Kenmerkend voor Plato is de integratie van redelijk denken en intuïtief schouwen, voor zover mogelijk. Op grond daarvan kan ‘intellectuele aanschouwing’ met wetenschap worden geïntegreerd, zie mijn artikel in Civis Mundi nr 27. “Kenmerkend voor Plato is dat bij hem wetenschap, religie en wijsbegeerte één levend organisch geheel vormen… Zelfkennis is de hoogste kennis” (p xi).

Rationeel denken zoals wiskunde “beschouwt Plato als voorstadia tot het directe schouwen” (p 94). Schouwen is (innerlijk) zien en weten, vidya van de Sanskriet wortel vid, waarvan videa, veda, weten, idea, eidos, videra in resp. Sanskriet, Grieks en Latijnzijn afgeleid, en waarop de ideeënleer van Plato is bebaseerd, die op ‘schouwend weten en inzien’ berust. (p 80) Dit geeft hij weer in mythische taal, of hij zwijgt erover: “Er bestaat van mij geen werk hierover… Deze kennis laat zich niet onder woorden brengen zoals overige kennis... Plots springt een licht tevoorschijn in de ziel, waar het zichzelf voedt” (p 8, 7e brief).

 

Ongeschreven kennis

De vraag is wat deze kennis inhield en wat Aristoteles ervan wist. Plato lijkt op een ziener in de zin van de Indiase (maha)rishi’s: zieners, wijzen. Hij zou hebben kennisgenomen van esoterische geheime kennis uit Egypte en mysteriescholen, mogelijk ook in India volgens Durant, Van Socrates tot Bergson (p 29). Dit geldt voor meer Griekse, met name voorsocratische filosofen volgens Vloemans, Profetische gestalten in de wijsbegeerte.

Deze kennis heeft te maken met de geestelijke werkelijkheid van de ideeën(wereld) voorbij de materiële fysische wereld. Deze subtiele geestelijke ideeënwereld onderscheidt Plato van de onvoorstelbare transcendente dimensie van het Hoogste Goede. De ideeën zijn mogelijk op te vatten als een soort substanties, geestelijke realiteiten of entiteiten, informatie-eenheden, formules, vormen of vormende potenties, zoals Aristoteles ze heeft overgenomen, of ‘intelligenties’ in de zin van de Indiase devas: in godheden gepersonificeerde ideeën.

Deze geestelijke wereld kan in fysische termen gelokaliseerd zijn in een soort nonlokale ruimte, die onvoorstebaar is en ontoegankelijk is voor zintuigelijke kennis en empirische wetenschap: lokas, werelden, in de Indiase filosofie. Door overheersing van de rationele en empirische kennis is het intuïtieve contact ermee verloren. In mythen en oude overleveringen leeft deze kennis voort, verhuld in beeldspraak en symbolentaal. Het  verstand begrijpt deze taal niet, die resoneert met diepere lagen in ons onderbewustzijn, waarin archetypische ideeën in de zin van Plato en Jung in geestelijke zin werkelijk zijn. Tekenend zijn titels van Jung: De werkelijkheid van de ziel en Symboliek van de geest, van Fromm, Dromen Sprookjes, mythen. Inleinding tot het verstaan van een vergeten taal en Campbell, Mythen en bewustzijn

Deze kennis heeft ook te maken met geheime leringen van mysteriescholen, waar Plato aan zou hebben deelgenomen, en met de daarmee verwante Verborgen wijsheid uit de Oepanishaden, zoals Groot in zijn gelijknamige boek schrijft. De Griekse en de Indiase taal, cultuur en filosofie heeft verwante Indogermaanse wortels. In de oudheid was er cultuurcontact. Alexander de Grote heeft later Noordwest India veroverd. Door het Hellenisme werden veel Oosterse invloeden verbreid.

In Eastern Religions and Western Thought toont de Indiase filosoof S Radhakrishnan, voormalig president van India, welke ideeën het Westen ontleent zou hebben aan oudere Indiase bronnen, niet alleen in de Griekse filosofie, ook in de Evangelieën en andere christelijke bronnen. Interessant in dit opzicht zijn boeken van theoloog Hans Stolp, zoals Johannes de ingewijde en Esoterisch Christendom. Eeuwenoude esoterische geheime kennis bestaat nu nog steeds bij scholen en genootschappen zoals de Rozenkruizers en Vrijmetselaars, waarvan vele beroemde staatslieden en kunstenaars lid waren zoals enkele Founding Fathers van de VS, Roosevelt, Drees, Goethe en Mozart.

Oosterse kennis vinden we ook bij de theosofie en de antroposofie van Rudolf Steiner, die theosoof was is geweest. Mogelijk begeeft hij zich in De wetenschap van de geheimen der ziel en andere werken op vergelijkbaar terrein als Plato. Ongeschreven kennis heeft ook invloed gehad op de neoplatonische filosofie van onder meer Plotinos. Wat Aristoteles heeft overgenomen is mogelijk meer dan wij weten. Zijn mythische en poëtische dialogen zijn verloren geraakt. De werken die bekend zijn, geven geen volledig beeld.

 

De methode van de dialectiek om de ideeën en de geest te kennen

Het betreft hier kennis van een andere orde dan rationele en empirische kennis. Deze kennis berust op direct intuïtief schouwen van “een licht in de ziel” dat “zich opent als de een wijde zee van liefde en schoonheid”, die voortvloeit uit het Hoogste Goede (Zie 7e brief en Symposium). Plato schrijft in De Staat

“dat de methode der dialectiek de enige is, die volgens een vast plan tot de kennis van de dingen op zichzelf (de Ideeën dus) leidt… De kracht van de dialectiek kan alleen ondervonden worden door iemand die geoefend is in de reeds genoemde en geanalyseerde wetenschappen” (Groot, p 215).

“Wiskunde is een ideale voorstudie, maar ook niet meer dan een voorstudie. ‘Haar strekking is, het altijd-Zijnde te leren kennen, niet echter iets dat onstaat en weer vergaat… Zij richt de ziel op de wezenlijke waarheid,’ zegt Plato van haar… Naast Plato’s mystieke wiskunde wordt harmonieleer genoemd als voorbereidende wetenschap… De harmonie der getallen… is de expressie van de Idee van het Goede, die zich hier openbaart als de Harmonie der Sferen” (p 210-11).

 

“Wiskundige waarheid is tijdloos,” schrijft Schrödinger in Mind and Matter (p 154, zie vervolg). Andere kwantumfysici zoals Heisenberg, Pauli en Wigner, in Symmetries and Reflections, wijzen op symmetrie en harmonie als het ‘wezen’ van de wereld, die in wiskundige formules is weer te geven. In zijn boek over Het Akshaveld wijst Lazslo op coherentie, vormende in-formatie in een soor nonlocaal veld of dimensie die overeenstemming toont met de ideeënwereld van Plato en de vormen van Aristoteles. Akasha is het Indiase begrip voor ruimte die non-locale ruimte en in-formatie omvat. De ‘String- of snaartheorie ziet deeltjes en kwanta als vibrerende snaren volgens wiskundige formules of ingewikkelde trillingsgetallen. Zo nadert kwantumfysica Plato.

De dialectische methode wordt niet duidelijk toegelicht bij Plato, laat staan ‘geoperationaliseerd’. Het lijkt een nogal intellectuele ‘weg van het inzicht’. Groot (p 216) vergelijkt deze weg met de Indiase gyana yoga, letterlijk vereniging door kennis, gnosis, en met atmavidya. Dat is intuïtieve, schouwende kennis van de ziel, atman. Dit isde nous, de ziel of geest bij Plato, die dichtbij de hoogste Idee van het Goede komt.

De Indiase filosofie is meer methodisch uitgewerkt in meditatiemethoden dan de filosofie van Plato. Volgens Groot en anderen is er een onmiskenbare verwantschap. die interessant is om Pato (beter) te begrijpen en zijn leer toepasbaar te maken. Maar ook in India zijn (meditatie)methoden en technieken schriftelijk niet goed te leren en is direct onderricht nodig.

 

Wetenschappers hebben herontdekt hoe de oude Babylonische taal van Sumerië te spreken

 

Levend weten                         2014 11 06

 

Op een gegeven moment

als wij het oude weten

dreigen te vergeten

maakt het zich bekend

en daagt een levend weten

 

Als een licht van binnen

voorbij de uiterlijke zinnen

een innerlijk gewaar zijn

dat in het uiterlijke schijnt

 

Een veld van levend weten

dat wij bijna zijn vergeten

Wij zijn erin geboren

en in de kindertijd verloren

 

Het is ons niet ontnomen

Wij kunnen er weer komen

Eenvoudigweg door stil te zijn

in luisterend aanwezig zijn

 

Verborgen werelden fluisteren mij

de mensheid wordt geleidelijk vrij

Herauten van een nieuwe tijd

verkondigen het wijd en zijd

 

Coryfeeën van een dieper weten

zijn de weg erheen nog niet vergeten

Wetenschap heeft nog niet afgedaan

maar zal op nieuwe wegen gaan

 

Wegen naar bewustzijn

Wegen naar het eigenlijke zijn

Dat lang verloren is geweest

voor de wetenschappelijke geest

 

De wetenschap is doorgedrongen

tot het binnenste der dingen

Zoals de oude wijzen zongen

in een dichterlijke beeldentaal

zullen nu geleerden zingen

in een wetenschappelijk verhaal

Na programma Radio Merlijn  met Hans Stolp over zijn boek Esoterisch Christendom

Twee druïden, in hen verenigden zich de taken van priester, bemiddelaar, arts, wetenschapper en rechter

 

 

2. Aristoteles als tegendraadse leerling van Plato

 

Plato zou zich erover hebben beklaagd “dat Aristoteles hem behandelde zoals veulens, die hun moeder schoppen. Veel waarde behoeft  men niet te hechten aan deze kwaadsprekerij, te meer daar Aristoteles zelf grote eerbied voor zijn leermeester betoont, ook al bekritiseerde hij herhaaldelijk Plato’s leer…”, schrijft Vloemans in  Leven en leer der grote denkers (p 99). Hun onderlinge relatie komt in het vervolg uitvoerig aan de orde en ook de kritiek van Buve en anderen op  Aristoteles.

 

De ratio en de gelaagdheid van de persoonlijkheid

Buve maakt een onderscheid in rede en ratio. Hij associeert Plato met de rede en Aristoteles met de ratio. Dit vraagt enige nuancering. Er zijn meer niveaus. Het onderscheid van Buve in rede en ratio is nogal eenvoudig - eigenlijk tweevoudig - in vergelijking met de acht bewustzijnsniveaus en de drie vormen van zintuiglijk, rationeel en intuïtief weten bij Plato en in de Indiase filosofie, zie mijn artikelen in nr 26 en 27.

Bij Aristoteles krijgt het logische rationele denken veel nadruk. Daarom wordt het bij hem wellicht overschat, aldus Störig, Geschiedenis van de filosofie (p 179). Bij Plato gaat het intuïtieve schouwen boven de rede uit. Buve omschrijft de rede zo ruim dat deze intuïtie omvat.

Evenals bij Plato vinden we bij Aristoteles “de leer van de ‘gelaagdheid’ van de persoonlijkheid die in de nieuwste psychologie terugkeert” (p 177).  Deze leer omvat meer dan rede en ratio. Er zijn minstens drie lagen in zijn evolutionaire visie van vorm- en doel-verwerkelijking, te vergelijken met zelfactualisering in humanistische psychologie van Maslow. Zintuigen, ratio, rede, geest en de goddelijke ‘Nous’ hebben hun plaats in deze zielsleer en psychologie. De Nous zou overeenkomen wat Buve de rede noemt bij Plato. Deze zou onvoorstelbaar zijn en betreft eigenlijk de Nous. Plato’s gelaagde leer staat in de gelijkenis van de wagenmenner in de Phaedrus, die lijkt op de gelijkenis in de Katha Oepanishad (Groot p 126). De paarden als de vitale drijfveren, de teugels de zinduigen en de rede of geest is de wagenmenner.

De zielsleer van Aristoteles bevat volgens Vloemans (p 115)  

     “tal van onopgeloste raadselen en onduidelijkheden… Begripsmatige preciesheid, vastomlijnde afbakening, die overal elders zijn sterkte zijn, ontbreken hier… Wanneer Aristoteles over de ziel spreekt neemt hij evenals Plato zijn toevlucht tot mythen en metaforen, die moeten verbeelden wat hij niet geheel kan verklaren”.

De visie van Aristoteles beperkt zich dus niet tot de ratio en is niet uitsluitend rationeel en voorstelbaar. De ratio is prominent in zijn werk, maar geeft een onvolledige typering van zijn filosofie. Gerelateerd aan de tweeledige waarheid is ook het onderscheid in diverse kennisbronnen zoals zintuigen, verstand en intuïtie of (aan)‘schouwen’. We vinden dit bij Schelling, Spinoza en bij Sorokin en in de Indiase filosofie van de Oepanishaden, die met de Griekse verwant zou zijn volgens Groot.

De werkelijkheid of waarheid kan ook drieledig worden opgevat als ‘veritas triplex’ of ‘multiplex’. De dualistische filosofie van Plato en Aristoteles is meer gedifferentieerd en pluralistisch op te vatten in lagen of dimensies, zoals de gelaagde psychologie van Aristoteles en de Indiase filosofie.

In de mythe van de grot van Plato kunnen we bijvoorbeeld verschillende lagen onderscheiden: de onderlaag van de grot of het hol, met schaduwen van voorwerpen, die ontstaan door de werking van het licht van een vuur of schijnsel dat straalt op de voorwerpen, verder het bovenaardse licht en de zon zelf, een verblindend licht dat niet te vatten en onvoorstelbaar is.

 

Licht dat niet te vatten is

 

De invloed van Plato op Aristoteles

Aristoteles was ruim twintig jaar de leerling van Plato. Daarom schrijft Vloemans (p 99 e.v.): “kan men niet alleen verwachten dat hun beider leer in wezenlijke trekken met elkaar overeenstemt, maar dat ook hun geestelijke betrekkingen volkomen doorzichtig zullen zijn. Niets is nochtans minder waar! De invloed van de leermeester op de leerling staat natuurlijk vast en Aristoteles zelf erkende die ten volle. Maar toch staan zijn in de geschiedenis van de wijsbegeerte steeds tegenover elkaar. Zo scherp zelfs, dat men hun verhouding het best aan het beeld van een weegschaal kan duidelijk maken: stijgt de één, dan daalt de ander. Aristoteles zelf betoont grote eerbied voor de nagedachtenis van zijn leermeester. Ook al bekritiseerde hij herhaaldelijk Plato’s leer, toch voelde hij zich Platonist genoeg om niet alleen zijn meester aan te halen, doch zulk een aanhaling dan tevens in te leiden met: “Wij zeggen…”. Zo b.v. in het eerste boek van de Metafysica.” ‘

 

In zijn zevende brief schrijft Plato “dat hij er niet aan dacht zijn eigenlijke leer op schrift te stellen, daar deze alleen mondeling door voortdurende ‘omgang’ begrepen kon worden”. Dit geldt ook voor de leraar-leerling relatie in India, waarbij ‘verlichte’ wijsheid wordt overgedragen.

“Moderne beoordelaars… hebben Aristoteles verweten dat de leer van zijn meester door hem verkeerd werd begrepen. Doch wanneer één leerling in staat was… Plato te volgen dan moet het toch wel Aristoteles zijn geweest. Ook andere leerlingen bevestigen de mededelingen van Aristoteles omtrent de ouderdomswijsheid van hun meester… Bij alle kritiek geeft Aristoteles toch ook herhaaldelijk blijk van volkomen instemming…

Evenals Plato, die in zijn jonge jaren dichtte, schijnt ook Aristoteles zich met literaire arbeid te hebben bezig gehouden. Ook hij heet een reeks voor ons verloren gegane dialogen te hebben geschreven, die nog Cicero om hun taalkundige schoonheid roemde… De gepubliceerde geschriften van Aristoteles  zijn verloren gegaan, zodat wij ons moeten vergenoegen met de ‘lessen’”. (Vloemans, p 102-03)

Of zijn dialogen en verloren gegane geschriften meer verwant zijn met Plato, weten we niet.

 

Complementaire verdiensten van Plato en Aristoteles

De verdiensten van Plato en Aristoteles worden door Schrödinger in Mind and Matter (p 153) als volgt toegelicht. Daarna volgen toelichtingen van Thomas Kuhn, Störig en Vloemans:

“Waardoor heeft Plato’s werk zo’n onovertroffen distinctie dat het meer dan tweeduizend jaar schijnt met onverminderde pracht?... Hij heeft voor zover wij weten niet het krediet van een speciale wiskundige ontdekking. Zijn inzicht in de materiële wereld van de fysica en het leven is vaak fantastisch en inferieur ten opzichte van anderen… In de kennis van de natuur werd hij ruimschoots overtroffen door zijn leerling Aristoteles…

Zijn dialogen geven de indruk van gekibbel over woorden, zonder de wens deze te definiëren… Zijn sociale en politieke Utopi