Kan wie politiek onafhankelijk is, want partijloos, toch toegelaten worden tot politiek-bestuurlijke functies?

Civis Mundi Digitaal #31

door Wim Couwenberg

Met de voordracht van de partijloze kandidaat Annemarie Penn-te Strake – thans hoofdofficier van het OM in Maastricht – als nieuwe burgemeester van Maastricht beleeft die Maasstad een kleine primeur. In decennia is het niet meer voorgekomen dat de burgemeester in een van de grote steden geen partij-affiliatie had, zoals de Volkskrant meldde onder de kop ‘Kan een partijloze werkelijk neutraal zijn?’. Die vraag werd aan een aantal deskundigen voorgelegd, waaronder de bekende politicoloog André Krouwel. Die stelt nadrukkelijk dat de benoeming van partijloze burgemeesters zo snel mogelijk de kop moet worden ingedrukt. Neutraliteit, boven de partijen staan, hij heeft er geen goed woord voor over. Die partijloze burgemeesters zijn namelijk niet ideologieloos. Wees burgers dus ter wille, zegt hij, en toon je partijpolitieke label, in plaats van die te verstoppen.

 

Politieke onvrede als achtergrond van Fortuynrevolte

Dit noopt tot enkele kritische kanttekeningen. In de eerste plaats is de vraag niet goed gesteld. Het gaat in dit geval niet om de benoeming van mensen met een neutrale opstelling, maar over de vraag of men als politiek onafhankelijke, want partijloos, toegelaten moet kunnen worden tot politiek-bestuurlijke functies. Daar valt op grond van 1 jo. 3 van onze grondwet niet aan te twijfelen. Maar ik herinner in dit verband ook nog eens aan de Fortuynrevolte. De onvrede die in die revolte met onstuimige kracht aan de oppervlakte trad werd tevens gevoed door de arrogantie en de zelfgenoegzaamheid van de oude politiek met haar ‘dicht getimmerde en zichzelf bedienende politieke regentenklasse’ zoals de historicus H.W. von der Dunk[1] zijn gramschap over de oude politiek vertolkte na de moord op Fortuyn; of zoals Eerste Kamer voorzitter G. Braks[2] in zijn herdenkingstoespraak een dag na die moord het verwoordde: met haar grauwsluier van gesloten netwerken die de Fortuyn-revolte met zoveel respons aan de kaak had gesteld. Nederland, aldus Braks, bood altijd het toonbeeld van een lieve democratie waarin een politieke moord ondenkbaar leek. Maar lief is die democratie vooral en voornamelijk voor wie deel uitmaakt van het politieke establishment, van “ons soort mensen”, zoals Fortuyn dat niet zonder enig sarcasme placht te zeggen.

Wie de machtsposities waarover dat establishment beschikt in gevaar brengt wordt ook in onze lieve democratie ongenadig aangepakt en onderuit gehaald. Fortuyn heeft dat op extreme wijze aan den lijve ervaren. Wie zoals hij deed de sluier optilt achter het zelfbeeld van onze lieve democratie, hem staart met kille blik het Gorgonenhoofd van de macht in het gezicht. En die laat niet met zich spotten.

 

Politiek benoemingsbeleid ter discussie

De geslotenheid van ons oude politieke bestel, waartegen Fortuyn van leer trok, is in Civis Mundi al vroegtijdig ter discussie gesteld. Ook hier fungeert het ambtelijk apparaat als object van politieke buitverdeling, constateerde o.a. de bestuurskundige A. van Braam in Civis Mundi[3]. Nadien is dat beleid in allerlei andere bladen aan de kaak gesteld.Bijzonder scherp deed dat bijvoorbeeld de publicist Geert Mak in NRC-Handelsblad. Het systeem van de Nederlandse ‘nomenclatura’ verschilt in wezen niet van dat van de voormalige Sovjet-Unie. Ook hier gaat het om een half politieke, half bestuurlijke ‘inner circle’ met nimmer uitgesproken maar niet minder belangrijke privileges. En een van de belangrijkste is het eeuwige recht op een belangrijke positie, ook al heeft de betrokkene geenszins blijk gegeven van bepaalde speciale vaardigheden of in het verleden zelfs een spoor van wanbeleid achter zich gelaten. Ook de leden van onze nomenclatura zijn niet zozeer bezig met zich in te zetten voor hun dierbare principes, maar met het veilig stellen van hun posities.

Het politieke benoemingsbeleid, zo stelde ikzelf in het Nederlands Juristenblad[4], staat op gespannen voet met artikel 1 van onze grondwet (verbod van discriminatie op grond van politieke gezindheid) en artikel 3 (het grondrecht van gelijke benoembaarheid volgens objectieve criteria). Als gevolg van dat beleid krijgt het in dat artikel gewaarborgde grondrecht een corporatief karakter. Het wordt van een individueel een groepsrecht dat men alleen kan uitoefenen als men tot een bepaalde partijpolitieke groepering behoort. De overgrote meerderheid van de bevolking wordt hierdoor uitgesloten van publiek-bestuurlijke functies en publieke adviesorganen. Een dergelijk beleid, aldus de politicoloog A. Hoogerwerf, kan niet alleen makkelijk afbreuk doen aan de kwaliteit van het politiek-bestuurlijke personeel, maar ook aan de legitimiteit van het overheidsbeleid en het politieke systeem. Vandaar zijn pleidooi bij de selectie van bestuurders ook partijlozen aan bod te laten komen.[5] Als columnist sprak Ronald Plasterk indertijd een vernietigend oordeel over D’66 als een partij van opportunisten en baantjesjagers. Geldt dat alleen voor D’66, was toen ons commentaar.

Als partijloze, zo was ook mijn ervaring, ben je in dit land een politieke paria, een non-person, zoals overal waar achter de façade van een parlementaire democratie een particratie schuil gaat die publieke functies gesloten houdt voor ieder die er voor kiest politiek onafhankelijk te blijven. Een prominent PvdA-lid als de politicoloog J van den Berg[6] erkende naar aanleiding van de Fortuynrevolte volmondig de praktijk van politieke benoemingen. Niet lid van een partij zijn is dom als je enige ambitie koestert. Maar, zo voegde hij er even verder aan toe, als we niet-partijleden blijven uitsluiten is dat dodelijk voor onze eigen toekomst.

 

Kentering

De laatste jaren is er gelukkig sprake van een zekere kentering. Bepaalde Tweede Kamerleden, die voorheen plachten te lobbyen om zoveel mogelijk burgemeestersposten voor de eigen partij binnen te halen, hebben die taak inmiddels ingeruild voor die van talentenscouts, met als vraag: wie past er het best bij een bepaalde gemeente? De partijpolitiek is met het oog hierop niet langer de enige vijver waarin gevist kan worden.

Een nieuwe, welkome stimulans is in dit verband de recente start van een nieuwe politieke beweging onder de naam Meer Democratie, met als eerste actie het entameren van het nationale burgerinitiatief ‘Stop Partijpolitieke Benoemingen’, waarin men een einde wil maken aan de praktijk van gevestigde partijen die binnenskamers het gros van publieke functies in het openbaar bestuur onderling verdelen. Wij ondersteunen dit initiatief natuurlijk van harte.

Overigens ben ik van mening dat een door de bevolking rechtstreeks gekozen burgemeester, zeker voor de grotere gemeenten, de voorkeur verdient, zoals in 1967 al bepleit in het eerste jaarboek van ons tijdschrift.[7] Dat is ook de voorkeur van D’66, die bezig is de burgemeestersbenoeming aan onze starre grondwet te onttrekken. Een initiatiefwet van D’66 hierover is inmiddels door de Tweede en Eerste Kamer aangenomen.



[1] H.W. von der Dunk, Nederland heeft zijn onschuld verloren, NRC Handelsblad, 8 mei 2002

[2] Ontleend aan een hoofdartikel van NRC Handelsblad, 6 mei 2003

[3] A. van Braam, Enige aspecten van de recrutering van hogere ambtenaren in de Nederlandse Rijksdienst, in: Het benoemingsbeleid en het vraagstuk van de machtsverdeling, II, Civis Mundi, 11/12, 1974

[4] S.W. Couwenberg, Politisering benoemingsbeleid en de grondwet, Nederlands Juristenblad, 7 mei 1992

[5] A. Hoogerwerf, Politiek als evenwichtskunst, 2003, pp. 20-21

[6] Geciteerd bij G. van Westerloo, Niet spreken met de bestuurder, 2003, pp. 255-256

[7] S.W. Couwenberg, Problemen der gemeentelijke democratie, in de door mij geredigeerde bundel pProblemen der democratie II, 1967, p. 119. Zie ook G.E. van Walsum, De plaatselijke democratie in de mist in dezelfde bundel, pp. 110-123.