In hoeverre heeft het socialisme nog zin en toekomst? Terug naar de bron bij Saint-Simon Over de beteugeling van mateloze behoeften, economie, moraal en religie Reactie op Emile Durkheim, Socialism and Saint-Simon

Civis Mundi Digitaal #31

door Piet Ransijn

Opgedragen aan mijn jarige sociaaldemocratische ‘linkse’ zus

 

Inleiding: hebben ideologieën zin?

Heeft geschiedenis zin? Zo luidde de titel van het laatste jaarboek van Wim Couwenberg. Jazeker, aldus diverse ideologieën, utopieën en religies. Ze geven verschillende antwoorden en bieden perspectief, zingeving bij problemen en uitdagingen, zoals Wilterdink toelicht in Samenlevingen (5.3)

Vervolgens kunnen we vragen: in hoeverre hebben dergelijke ideologieën nog zin en toekomst? Dat geldt met name voor het socialisme, dat op zijn retour lijkt, maar ook voor het liberalisme. De vraag is actueel na de ‘liberale triomf’, die Couwenberg noemt in zijn voorgaande jaarboek (2012). Volgens sociologen als Lipset en Bell luidde deze triomf The End of Ideology in, of zelfs The End of History bij Fukayama.

Een integrale visie verbindt de drie belangrijkste complementaire ideologieën. Couwenberg noemt dit een middenpositie. Hij neigt echter meer naar liberalisme en conservatisme. Dat is een reden te meer om op het socialisme in te gaan, met name de sociaaldemocratische variant. In gesprek met Couwenberg voel ik mij ondanks bepaalde liberale en conservatieve sympathieën en aversies als vroegere gematigd linkse student uit de jaren 60 meer verwant met het socialisme, vooral met de integrale visie van Durkheim en de spirituele visie van Saint-Simon.

Laeyendecker plaatst het socialisme in het ruimere kader van radicalisme in zijn studie Orde, verandering en ongelijkheid (p 68). Deze drie termen geven de kernthema’s van genoemde ideologieën weer. Orde en gemeenschap bij het conservatisme; bij het liberalisme verandering in de zin van bevrijding en vooruitgang en gelijkheid bij het socialisme. Tezamen vrijheid, gelijkheid en broederschap.

 

‘Schrikbarende’ toename van ongelijkheid als actueel thema

Het thema ongelijkheid, en daarmee het socialisme, is actueel. De ongelijke verdeling van welvaart en welzijn, rijkdom en macht nemen wereldwijd ‘schrijnend en schrikbarend’ toe. Deze trend lijkt vanaf de jaren 80 exponentiële proporties te krijgen, al eerder dan de ‘liberale triomf’ en economische recessie, die de onderlagen van de samenleving het hardst treft. Zie Peter Turchin, ‘Return of the Oppressed’ in Aeon Magazine (http://aeon.co/magazin) over The History of Inequality; Thomas Pikkety, Kapitaal in de 21e eeuw; Christa Freeland, The Plutocrats en anderen. Hierover volgt een artikel ikn een volgend nummer. Dit onderstreept in dit verband de actualiteit van een hoofdthema van het socialisme: ongelijkheid.

Terug naar de integrale visie van Saint-Simon, die als de grondlegger van het socialisme wordt beschouwd, maar ook liberale ideeën had. Dit artikel beperkt zich tot het boek Socialism and Saint-Simon van Durkheim. Het liberale socialisme van Saint-Simon en Durkheim verbindt een ideologische politieke visie met een morele en religieuze visie, die veraf staat van het huidige materialistische socialisme dat op een revisie van Marx berust.

Marx is algemeen bekend. Maar leest Das Kapital? En wie leest Saint-Simon de voorloper van Marx en de grondlegger van het socialisme? Durkheim heeft beide bestudeerd. Zijn studie Socialism and Saint-Simon van is een interessante en onthullende studie. Het is wat dat betreft te vergelijken met de vroege economische en filosofische geschriften van Marx, die in de 20e eeuw hebben geleid tot een herinterpretatie van diens visie. Zo kan de bestudering van de oorspronkelijke visie van Saint-Simon leiden tot een herinterpretatie van het socialisme en integratie met het liberalisme en conservatisme.

 

Gelijkwaardigheid en gemeenschappelijk belang als uitgangspunt

Saint Simon was evenmin als Durkheim gekant tegen ongelijkheid, zoals Marx dat was. Zij zien het als een gegeven dat talenten en vermogen(s) niet gelijk verdeeld zijn. Durkheim ging in zijn artikel ‘Het individualisme en de intellectuelen’ in vorig artikel uit van het Verlichtingsbeginsel van de waardigheid van de menselijke persoon. Uit dit beginsel volgen de beginselen van vrijheid en gelijkwaardigheid, die resp. door het liberalisme en het socialisme worden benadrukt, terwijl het conservatisme het gemeenschapsprincipe benadrukt. Deze beginselen zijn niet tegengesteld maar complementair. Dat geldt dus ook voor de drie ideologieën, die elkaar aanvullen, zoals in de sociologische visie van Durkheim.

Saint-Simon benadrukt de gelijkwaardigheid van de mensen niet de gelijkheid en het verrichten van nuttige arbeid naar hun vermogens en talenten. Hij hekelt rijke, nutteloze parasieten in zijn beroemde parabel (zie Civis Mundi nr 25).

Onze topzware bureaucratische verzorgingsstaat was nog twee eeuwen van hem verwijderd en stond ver af van zijn socialisme, dat geen staatssocialisme was. Hij zag tussen werknemers en werkgevers geen tegengestelde maar overeenstemmende belangen en neigde evenals Durkheim naar een visie die consensus benadrukt in plaats van conflict en klassenstrijd zoals bij Marx. Het ‘poldermodel’, het overlegorgaan van de overheid, werkgevers en werknemers komt in de richting van zijn visie van een centraal bestuursorgaan als de ‘hersenen’ van de samenleving waarin diverse groeperingen met een gemeenschappelijk sociaal belang participeren, als organen van het sociale lichaam.

Als oorspronkelijke inspiratie van het socialisme na de liberale triomf en het echec van het marxisme, is de visie van Saint-Simon als grondlegger relevant. Terug naar de bron. Durkheim was van plan ook studies over Marx, Lasalle, Proudhon en Fourier te schrijven, maar religie en moraal als bron van sociale cohesie kreeg uiteindelijk zijn primaire interesse. Hoewel ook Marx actueel blijft, onder meer zijn crisistheorie en zijn visie op de dominantie van het kapitaal en de toenemende ongelijkheid, beperken we ons hier tot Saint-Simon en Durkheim.

In het moderne denken leken moraal en religie door de wetenschap achterhaald. Bijv. bij Marx, Nietzsche, aanvankelijk ook bij het vroege positivisme van Saint-Simon en Comte voor zij kwamen tot de een positivistische religie. Zij zijn van een niet-religieuze visie teruggekomen.

 

Wat is er van het socialisme en het liberalisme terecht gekomen?

Couwenberg zei dat er zo weinig van het socialisme is terechtgekomen, nog afgezien van omgekeerde en onbedoelde effecten, die in de Dialectiek van de Verlichting worden toegelicht, zie mijn artikel over het WTE complex. Hij noemde ook de intolerantie van de ‘linkse dominantie’, die vooral verbaal was, in de media. Links heeft nooit een politieke meerderheid behaald. Na de historische verkiezingsoverwinning verloor Den Uyl de formatie en volgde het kabinet Van Agt-Wiegel.

Maar wat is er van het liberalisme terecht gekomen? Behalve burgerrechten ook de bedreigende dominantie van de industrie, waar eerder artikelen aan zijn gewijd over de medische industrie en het WTE complex van wetenschap, techniek en industrie. Bovendien neemt de ongelijkheid en machtsconcentratie toe. Behalve liberale beginselen zijn ook sociaaldemocratische verworvenheden, zoals sociale wetgeving en de verzorgingsstaat gemeengoed geworden bij alle partijen. Ook bij de liberalen die de eerste sociale wetten hebben ingevoerd: vanaf 1874 met ‘de kinderwet van Van Houten’, die kinderarbeid verbood. Een toonaangevend voorbeeld van sociaal liberaal beleid. De situatie van de arbeiders is sindsdien bijna onvergelijkelijk verbeterd, Maar nog niet genoeg. Inkomensverschillen nemen sterk toe. In zogenaamde Derde Wereld landen en China is de uitbuiting van ‘het proletariaat’ zorgwekkend.

Dit is echter niet het thema van dit artikel. Het onderstreept wel het belang van socialistische thema’s zoals gelijkheid, rechtvaardigheid en solidariteit. Het gaat hier ook niet om partijpolitiek, maar om de meer integrale en socialistische en spirituele visie van Saint-Simon en Durkheim.

 

‘Linkse dominantie’

Wat betreft de ‘linkse dominantie’ was ‘links’ in de jaren 60 ‘in de mode’, vooral in de sociale sector en de sociale wetenschappen. Het woord conservatief kreeg een negatieve gevoelswaarde, hoewel conservatieve ideeën mogelijk een grotere invloed hebben gehad op de academische sociologie en de maatschappijkritiek dan ‘linkse’ en liberale ideeën. Dit geldt met name ook voor sociologen als Durkheim en Sorokin, die veeleer radicaal dan conservatief waren. Zie Nisbet, The Sociological Tradition en Laeyendecker, Orde, verandering en ongelijkheid (p 69). Bij vele sociologen zijn ideeën uit de drie ideologische tradities min of meer geïntegreerd; in de sociale wetenschappen meer dan in de politiek.

Kunnen geïntegreerde, substantiële oplossingen berusten op eenzijdige politieke ideologieën en belangen? Het lijkt een retorische vraag. Saint-Simon en Durkheim streefden naar een geïntegreerde spirituele visie, die relevant blijft.

 

Maatschappijkritische en spirituele visies

Een maatschappijkritische visie is  goed te combineren met een spirituele visie. Laeyendecker laat dit zien zien in mijn artikel over zijn boek Bedreigde cultuur. Het blijkt ook uit de geschiedenis van de maatschappijkritiek, waar hij zijn laatste boek Kritische stemmen over schreef. Ook Couwenberg en anderen hebben deze combinatie laten zien. Dient een maatschappijkritische visies niet te worden gecombineerd met een spirituele visie als tegenwicht voor oppervlakkig activisme, dat bij de linkse dominantie na de jaren 60 in de mode was?

In die tijd kwamen ook nieuwe spirituele bewegingen op. Een minderheid van vooral kritische jongeren nam eraan deel, maar ook andere bevolkingsgroepen. Het was een brede trend, die nog steeds doorwerkt. Het waren beslist niet allemaal ‘hippies’ en ‘drop outs’, zoals de dissertaties van Paul Schnabel en Tobias Witteveen over deze bewegingen laten zien. Het ging ook om een bijdrage tot maatschappelijke hervorming door bewustzijnsverandering, vanuit het inzicht dat het ene niet gaat zonder het andere. Een inzicht dat sociologisch is te onderbouwen aan de hand van bijv. Saint-Simon en Durkheim.

Dit besef klinkt bijvoorbeeld ook door in het recente boek van de politieke filosoof Marius de Geus, Filosofie van de eenvoud en vele andere boeken, tijdschriften, Dit besef klinkt ook door in het recente boek van Marius de Geus, De filosofie van de eenvoud en vele andere boeken, Dit besef klinkt ook door in het recente boek van Marius de Geus, De filosofie van de eenvoud en vele andere boeken, websites, tijdschriften, waaronder Civis Mundi.

 

Een integrale visie als uitweg uit de industriële problematiek

Volgens Saint-Simon en Durkheim is een synthese tussen wetenschap, filosofie en religie noodzakelijk voor meer integrale vooruitgang, die niet blijft steken of teniet wordt gedaan door de keerzijde van de industrie, de latere postmoderne problematiek van vervuiling, vervlakking, normloosheid, machtsconcentratie en onethische consequenties daarvan, die in mijn eerdere artikelen is genoemd.

On Liberty van John Stuart Mill zou volgens Dehue een richting wijzen waarin een uitweg is te vinden uit de problematische overheersing de industrie, die met behulp van ingenieuze reclame en marketing onze consumptiedrang en prestatiedrang stimuleert tot ongezonde proporties. Vrijheid is te beschouwen als een voorwaarde voor de bevrijding daarvan.

De verwante visie van Emile Durkheim complementeert de liberalistische visie van Mill en Dehue, zie Civis Mundi nr 29. Durkheim en Mill werden geïnspireerd door dezelfde leermeesters: Saint-Simon en Comte. Durkheim beschrijft het socialisme van Saint-Simon en het conservatisme van Comte op kritische wijze. Hij sympathiseerde met het socialisme van zijn vriend en geestverwant Jean Jaurès, zonder partijlid te zijn. Zijn sociologie is vooral geïnspireerd door conservatieve thema’s als orde en sociale cohesie, terwijl zijn politieke visie neigde naar het socialisme.

Socialisme en conservatisme zijn noodzakelijke complementen voor het liberalisme, dat mede heeft bijgedragen tot ongebreidelde industriële ontwikkeling en de  problematische kanten daarvan niet kan oplossen door liberale principes zoals vrij ondernemerschap. Vanuit een complementaire conservatieve visie zijn normen en waarden, moraal en religie nodig om onze strevingen, zoals het streven naar winst, te reguleren. Vanuit een socialistische visie is regulering nodig vanuit een centraal bestuur. Dat hoeft niet per se de overheid te zijn, maar wel centrale overlegorganen waaraan overheid en industrie deelnemen. Deze organen dienen de belangen te behartigen van de hele samenleving en andere bevolkingsgroepen dan alleen de dominante  industriëlen en industrie.

 

Claude Henri de Rouvroy, comte de Saint-Simon, 1760-1825; zijn ‘leerlingen’  Auguste Comte 1798-1857  en  Emile Durkheim 1858-1917

Over het bewogen leven van Saint-Simon

Saint-Simon is een ondergewaardeerde visionaire pionier, die meer bekendheid verdient en actueel blijft.

“Saint-Simon is de eerste geweest, die de moderne maatschappij als industriële maatschappij heeft gekarakteriseerd. Zijn nieuwe wetenschap… die bij zijn leerling Comte de naam sociologie zou krijgen… wil deze maatschappij plannen en organiseren.

Saint-Simon werd geboren als telg uit een oud adellijk geslacht, dat volgens hemzelf zou afstammen van Karel de Grote… Hij nam deel aan de vrijheidsoorlog in  Amerika. Terug in Frankrijk werd hij aanhanger van de Franse Revolutie… Hij verdiende een vermogen als speculant in kerkelijke goederen… In 1805 raakte hij in financiële moeilijkheden. Sindsdien leefde hij in armoede... en werd hij onderhouden…

Saint-Simon omringde zich met de geleerdste mannen van zijn tijd… ingenieurs, mathematici, de elite van de École polytechnique, revolutionairen van diverse pluimage, maar ook met jonge bankiers en ondernemers… zoals Ferdinand de Lesseps”.

Deze was het leidende brein achter het Suez Kanaal. In Amerika ontwierp Saint-Simon een plan voor een kanaal tussen de Atlantische en Stille Oceaan: het latere Panama Kanaal. In een persoonlijke crisis overleefde hij een zelfmoordpoging die hem een oog kostte. Daarna schreef hij zijn belangrijkste werken.

“Saint-Simon liet zich elke morgen door zijn huisknecht wekken met de woorden: “Opstaan mijnheer, u heeft grootse dingen te verrichten: Levez-vous monsieur le comte, vous avez de grandes choses de faire”. Hij zag aanvankelijk “de wetenschap als redder van de maatschappij”. Zijn laatste woorden waren echter: “de godsdienst kan niet ondergaan, ze kan slechts omgevormd worden… Ik leef in de toekomst was één van zijn geliefde uitspraken”, aldus B C Van Houten, Hoofdfiguren van de sociologie (p 22-24).

“Saint-Simon meent dat de maatschappij van de toekomst als een harmonieuze eenheid van industriëlen, wetenschapsbeoefenaren en moralisten gestalte zal krijgen,.. dat een verscheidenheid van functionele groepen… het geheel integreert vanuit de nieuwe gemeenschappelijke moraal van de onderlinge mensenliefde,” aldus Goddijn e.a., Geschiedenis van de sociologie (p 66-67; Laeyendecker, p 130-34).

In het WTE complex van wetenschap, techniek en economie, zie mijn eerdere artikel in dit nummer, zijn de moraal en de religie in gebreke, zoals Saint-Simon heeft voorzien en wilde voorkomen. Zijn overtuiging “dat de nieuwe samenleving behalve op wetenschap en industrie ook op een nieuwe moraal diende te steunen,” (p 64) is nog steeds geen gemeengoed en impopulair. Mensen willen meer geld en goederen, geen regulerende religie en moraal. Ook invloedrijke antireligieuze filosofen zoals Marx en Nietzsche beseften de noodzaak van (nieuwe) waarden en een bezielende en kritische maatschappijvisie.

 

Socialisme en Saint-Simon: de verbinding van economie en industrie met moraal en religie

Socialism and Saint-Simon is een minder bekend postuum verschenen en onvoltooid werk dat onmisbaar wordt genoemd voor het begrip van de visie van Saint-Simon en Durkheim. Het werk is ook onmisbaar voor een adequaat begrip van de oorspronkelijke visie van het socialisme, waarvan Saint-Simon de meest prominente grondlegger is. Marx en anderen zijn erfgenamen van Saint-Simon. Door de latere dominantie van Marx is deze oorspronkelijke visie in ten onrechte vergetelheid geraakt. Voor een bezinning op de zin van de geschiedenis en de toekomst van onze samenleving, in het bijzonder van de toekomst van het socialisme, is de visie van Durkheim en Saint-Simon relevant en actueel.

Hun visie gaat verder dan de politieke discussie over hoeveel geld er de collectieve sector dient te worden gestoken en hoeveel ruimte er voor marktwerking en industriële expansie dient te zijn: het gevecht om de centen, welke tegemoetkoming en welke lasten voor welke bevolkingslagen en beroepsgroepen? Zuerst das Fressen (dwz het geld), dann die Moral, zei Bertold Brecht. Daar gaat het nog steeds over, terwijl velen te veel eten en de moraal in diskrediet raakt.

De superrijken, The Plutocrats en The Power Elite in de gelijknamige boeken van Christia Freeland en Charles Wright Mills willen ook steeds meer. Zij worden daarbij niet belemmerd door morele beperkingen. Dit lijkt  evenmin te gelden voor de farmaceutische industriëlen en hun medische compagnons, die Dehue heeft beschreven in een eerder artikel.

 

Emile Durkheim: morele matiging van het mateloze verlangen naar meer

Durkheim benadrukt de verbinding van sociale en morele kwesties als twee zijden van een medaille. Sociale problemen kunnen niet worden opgelost zonder morele en religieuze dimensie, zoals Saint-Simon inzag. De belangenverstrengeling van industrie en wetenschap en onze excessieve productie en consumptie hebben een (im)morele kant en doen een beroep op onze morele verantwoordelijkheid, zoals Laeyendecker liet zien in mijn artikel over zijn boek Bedreigde cultuur.

Een cruciaal punt bij Durkheim is dat menselijke verlangens onbeperkt en onverzadigbaar zijn. Daarom dienen zij door morele waarden en normen te worden gereguleerd. Onze westerse cultuur kenmerkt zich door een Faustisch streven om grenzen te verleggen, zoals in Goethe’s Faust, aldus Oswald Spengler in Der Untergang des Abendlandes.

Mateloze verlangens kunnen destructief worden en leiden tot anomie of normloosheid, onvrede, zelfmoord, ziekte, misdaad, nihilisme en verval van beschaving, als zij niet door normen en waarden worden geleid, aldus Durkheim in zijn boeken Suicide (p 272-75) en Socialism (p 241. Zie ook zijn Selected Writings, A Giddens Ed., p 174: Anomie and the moral structure of industry):

“Een levend wezen kan niet gelukkig zijn, zelfs niet bestaan. Tenzij zijn behoeften adequaat verband houden met zijn middelen… Onze verlangens bereiken echter vroeger of later een grens die zij niet kunnen passeren. Hoe kunnen wij de hoeveelheid welzijn, comfort en luxe vaststellen die rechtmatig verlangd kan worden?

Er lijkt in de organische en psychologische menselijke constitutie niets te zijn dat een grens stelt aan deze tendensen… Het is een onverzadigbare en bodemloze afgrond… Onbegrensde wensen zijn per definitie onverzadigbaar… Zij kunnen niet worden vervuld… Een mens wil vooruitgaan en geen vergeefse pogingen ondernemen. Men gaat echter niet vooruit als men geen doel nadert of het doel in het oneindige ligt. Welke weg we ook nemen, de afstand tussen ons en het doel blijft hetzelfde, alsof wij er niet heen bewegen…De afgelegde afstand kan slechts deceptie en een misleidende bevrediging geven, want de afstand vermindert niet.

Een doel nastreven dat per definitie onbereikbaar is, betekent dat men zich doemt tot een toestand van voortdurend ongeluk… Wat kan de toekomst bieden als er nooit een aanvaardbare positie of het ideaal bereikt kan worden waarvan slechts een glimp is opgevangen? Dus hoe meer men heeft, des te meer men wil, de ontvangen bevredigingen stimuleren behoeften meer dan dat zij vervullen… Dit leidt tot rusteloosheid en ongelukkig zijn… Om een ander resultaat te bereiken dienen onze passies te worden beperkt. Alleen dan kunnen ze worden geharmoniseerd met onze vermogens en worden bevredigd. Omdat het individu geen manier heeft om ze te beperken, dient dit te worden bewerkstelligd door een kracht buiten hem… Deze kracht kan alleen moreel zijn.”

Onbeperkte passies zijn niet te bevredigen. Bevrediging is beperkt en niet blijvend omdat we steeds weer meer willen. Durkheim raakt hier ook de kern van de nihilistische problematiek van Nietzsche en het onvervulde streven naar zelfverbetering en meer presteren die Dehue heeft weergegeven in mijn artikel in nr. 29. Durkheim komt tot conclusies die de noodzaak van moraal en religie benadrukken bij wat Mill ‘zelfstilering’ noemde. Beide benadrukken de balans van individuele en collectieve factoren. Doorschieten naar ongebreideld individualisme of beknottend collectivisme dient te worden vermeden. Het socialisme van Saint-Simon heeft aanvankelijk raakvlakken met het liberalisme en utilitarisme van Mill, maar benadrukt uiteindelijk meer de morele en religieuze factoren om de economie te reguleren dan het streven naar nut.

 

Grenzeloze economische behoeften vragen morele regulering

 “Voor Saint-Simon lijkt het de weg om sociaal welzijn te realiseren de economische verlangens te bevrijden van alle beperkingen en ze te bevredigen door eraan tegemoet te komen. Maar een dergelijke onderneming is tegenstrijdig. Want deze verlangens kunnen niet worden bevredigd, tenzij ze worden beperkt en ondergeschikt worden gemaakt door een [moreel] doel dat er bovenuit gaat. Alleen onder deze voorwaarde kunnen zij worden bevredigd,” schrijft Durkheim (Socialism, p 241-42).

“De meest productieve economische organisatie en een verdeling van rijkdom die die zelfs aan de meest bescheiden mensen overvloed verzekert,... zou alleen een tijdelijke gratificatie kunnen voortbrengen. Want wensen zullen snel weer nieuwe eisen oproepen, ook al worden ze een moment gekalmeerd. [En] er zullen altijd arbeiders zijn die meer verdienen en anderen minder.” Dit leidt tot relatieve deprivatie: men vergelijkt zich met anderen, met degenen die meer hebben en wil dan ook meer. Dit geldt voor armen en voor superrijken.

“Omdat onze hypothese is dat deze behoeften grenzeloos zijn, hebben hun eisen noodzakelijkerwijs geen grens. Om het anders te laten zijn, is een morele macht nodig die erkend wordt en roept: ‘niet verder gaan’. Dit was in de samenleving van vroeger de rol van de machten, waarvan Saint-Simon de onttroning heeft opgemerkt. Religie… weerhield mensen ervan zich gekrenkt te voelen… Wereldlijke en geestelijke machten matigden industriële activiteit: collectieve krachten.” (p 243)

“Ook vandaag de dag net als vroeger zijn er sociale krachten en moreel gezag nodig die een regulerende invloed moeten uitoefenen, zonder welke lusten en verlangens uit de hand lopen en de economische orde gedesorganiseerd raakt… Deze kan alleen van de samenleving komen… vanwege het morele karakter waarmee zij is toegerust.” (p 244)

Meer dan bij het liberalisme benadrukt dit religieus getinte socialisme morele, spirituele en sociale betrokkenheid. Religie heeft bij Durkheim een onmisbaar en onmiskenbaar moreel en sociaal karakter. Vanwege de nadruk op sociale en collectieve morele krachten sympathiseert hij op kritische wijze meer met het socialisme dan met het liberalisme, omdat individuele ontwikkeling door sociale regulering wordt bevorderd en individualisme een sociale verworvenheid is. Zie Het individualisme en de intellectuelen, in H Goddijn, Sociologie, socialisme en democratie: De politieke sociologie van Emile Durkheim, en in Durkheim on Morality and Society, R Bellah, ed., samengevat in mijn artikel over Laeyendecker, die hierop in gaat in Orde, verandering en ongelijkheid (p. 273)

 

Definitie en strekking van het socialisme van Saint Simon

Durkheim (p 54) geeft een ruime definitie van socialisme na verwerping van diverse andere definities als een (hervormings)leer die economische functies verbindt met de regulerende en besturende en bewuste centra, de ‘hersenen’ van de samenleving. Hij spreekt van verbinding niet van onderschikking. Deze bestuurscentra hoeven niet de staat of de regering te zijn. Het gaat dus om afstemming, regulering en communicatie van economische en sociale activiteiten door ‘kennende en besturende organen van de samenleving’ (p 57). Dus het gaat niet zozeer om de regulering of eigendom van productiemiddelen door de staat. Ook niet om klassenstrijd of afschaffing van  privébezit van productiemiddelen. Het socialisme gaat verder dan het economische en ploitieke terrein, waar Marx de nadruk op legt. Ook tegenwoordig wordt meer gedacht in termen van economische belangen dan morele belangen, die ondergeschikt lijken, zie mijn artikel over Laeyendecker.

Volgens Durkheim gaat het om “een aspiratie om de sociale structuur te herordenen door de industriële opzet in de totaliteit van de samenleving te plaatsen… in het licht en onder controle van het geweten te plaatsen… in het algemene belang van de samenleving. [Dit] gaat dus verder dan het economische domein” (p 61, 63).

Durkheim onderscheidt socialisme van communisme waarbij de maatschappij of de staat zich de productiemiddelen toe-eigent. Hij onderscheidt diverse richtingen, maar geeft vooral een uitvoerige en  kritische beschouwing van het veelzijdige werk van Saint-Simon, die een enigszins vergeten sleutelfiguur is. Bij hem vinden vele uiteenlopende en tegenstrijdig lijkende benaderingen hun inspiratiebron, van het liberalisme van Mill en het socialisme van Marx tot het conservatisme van Comte.

Zijn belangrijkste werken zijn La science de l’homme (1812), Le Physiologie sociale (sociologie, 1813), Réorganisation de la société européenne (1814), Système industriël, 1821), Le Catéchisme des industriels (1824), Le Nouveau Christianisme (1825).

Saint-Simon is volgens Durkheim  (p 11) de eigenlijke grondlegger van de sociologie. Comte wordt als zodanig beschouwt omdat hij de naam sociologie heeft bedacht en de visie van Saint-Simon heeft uitgewerkt. Het kwam Amerikaanse sociologen niet goed uit de sociologie te associëren met een grondlegger van het socialisme, dat ‘verdachte’ en ‘onacceptabel’ was. Vandaar de promotie van de meer conservatieve Comte als grondlegger. Saint-Simon typeerde zijn filosofie ook als ‘industrialisme’, positivisme en internationalisme. Zijn industrialisme is gericht op nuttige productie, bevrediging van behoeften en algemeen welzijn en bevat elementen van het latere utilitarisme van Bentham en Mill.

Le Nouveau Christianisme mondt uit ineen soort sociale religiezoals de Religion de l’ Humanité, de weinig serieus genomen mensheidsreligie van zijn leerling Comte. Het socialisme van Saint-Simon heeft een moreel en religieus aspect, waardoor economische en sociale activiteiten worden gereguleerd, zoals Durkheim uiteenzet. Een andere intellectuele erfgenaam, John Stuart Mill werkt het positivisme van Comte en Saint-Simon verder uit in het weinig religieuze, pragmatische en nuchtere utilitarisme, dat hij ontleent aan Bentham: “het grootst mogelijke geluk voor het grootst mogelijke aantal mensen”, zie Störig, Geschiedenis van de filosofie ( p 207).

 

Socialisme, industrie, moraal en religie

De sociale organisatie heeft een ‘ziel’ nodig die de organisatie moreel en geestelijk verbindt. Coöperatie van industriële en sociale activiteiten onder een gemeenschappelijk bestuur is onvoldoende. “De religieuze institutie is principieel” (p 223). Dit geldt met name de onderlinge verbinding en solidariteit van de mensheid, een universele verbondenheid door een visie van de verbondenheid en eenheid van al het bestaan. Deze visie heeft bij Saint-Simon een christelijk en tegelijk een wetenschappelijk en universeel religieus, pantheïstisch karakter, gekenmerkt door universeel geldende wetmatigheden. Hij verwierp een antropomorf persoonlijk godsbegrip dat God buiten en boven de wereld plaatst. De wereld van de materie zag hij in wezen als goddelijk en doordrongen van geest. God is immanent. 

De religie van Saint-Simon toont enige gelijkenis met de kosmische religie van Albert Einstein. Zoals bij zijn leerling Comte is zijn aards gerichte, wetenschappelijk-religieuze visie nauwelijks begrepen in de moderne tijd van secularisatie, waarin religie in diskrediet raakte. Evenals klassieke sociologen zoals Durkheim, Weber, Mannheim en Sorokin, zagen Saint-Simon en Comte al eerder de sociale functies van religie en moraal voor de zingeving, solidariteit, orde en integratie van individu en samenleving. Deze waarden zijn in het geding zijn in de moderne materialistische tijd waarin economie en industrie domineren.

Materialisme, wetenschap en politiek kunnen religie niet vervangen. Tenzij het wetenschap betreft die zich met religie laat integreren, zoals Saint-Simon nastreefde. Deze impopulaire aspiratie heeft aan actualiteit niet ingeboet. De wetenschap lijkt meer heil te zien in industrie dan in religie; lijkt meer gericht op geld dan op waarden zoals waarheid en het hoog gegrepen ‘heil van de mensheid’ dat op het spel staat. Wetenschappers willen evenals politici en andere fuctionarissen hun functies en banen continueren, liefst uitbreiden en hebben daarvoor geld nodig. ‘Zuerst dan Fressen, dann die Moral’, zei Brecht. Bij gebrek aan moraal eet de één de ander op.

De vraag is of wetenschap en techniek de ondergang van de mensheid bespoedigen als we zo doorgaan, of kunnen voorkomen, als we vorderingen maken met substantiële verbeteringen in plaats van meer van dezelfde postmoderne problemen. Zie mijn artikel over het WTE complex in dit nummer.

 

Religie, rehabilitatie van de materie en regulering van de economie

Aan het eind van Socialisme and Saint-Simon (p 270-71) vat Durkheim zijn visie als volgt samen:

“De kerk plaatste het fysieke buiten de religie… De nieuwe religie dient zich te uit te breiden tot de hele werkelijkheid en zich evenzeer te wijden aan het materiele en het geestelijke, het fysieke en het intellectuele en deze wereld tot zijn domein te maken”.

Zoals bij de protestantse ethiek, die Max Weber toelicht in zijn beroemde studies, waren productie en economische activiteit religieus gemotiveerd. Zoals bij Marx de productie de zelfverwerkelijking van de mensen behoort te dienen. Dit is een antiek, klassiek en modern spiritueel en religieus doel. De Saint-Simonist Bazard beschrijft dit doel als ‘de rehabilitatie van de materie’ op basis van het fundamentele pantheïstische principe van de universele eenheid. Maar is het materialisme niet te ver doorgeschoten?

Saint-Simon meende aanvankelijk dat zoveel mogelijk nuttige productie de diverse menselijke behoeften kon bevredigen, zoals bij het latere utilitarisme van Bentham en Stuart Mill. Later zag hij in dat onze behoeften en de bevrediging van behoeften waarmee de economie zich bezighoudt, dienen te worden gereguleerd door morele waarden die in de grond een zelf-overstijgend religieus karakter.

“Eén van de functies van religie was altijd om de economische verlangens in het gareel te houden” (p 275). Dat kon door God boven de dingen en  de materie  te plaatsen en niet in  de materie. Als de materie een  uitsluitend pantheïstisch religieus karakter zou hebben, zouden de productie, de economie en zouden onze materiële wensen een zelfregulerend karakter hebben. Dat is blijkbaar niet het geval. Want zonder morele regulering zijn wensen ongebreideld; productie en exploitatie eveneens.

Durkheim benadrukt de eigensoortige realiteit ‘sui generis’ van het sociale, morele en religieuze, dat zich onderscheidt van de materiële  werkelijkheid. Elders spreekt hij van homo duplex, mensen als materiële en geestelijke wezens. Ook volgens Durkheim dienen industriële, economische en sociale activiteiten te worden gereguleerd door religie en moraal, zoals filosofen in het Oosten, het Westen en het Christendom de passies door de geest wilden laten besturen. Bijv. in de gelijkenis van de wagenmenner in de Katha Oepanishad en bij Plato in zijn dialoog Phaedrus. Dit vraagt een herleving van geestelijke waarden en beginselen, zoals in mijn eerdere artikelen is bepleit. Oude verhalen in een actueel kader.

 

De ervaring en zelfverwerkelijking van een meer omvattend  bewustzijn

Durkheim beschrijft de regulering van verlangens in termen van beperking en beteugeling (constraint), zoals in het Christendom en andere religies. Max Weber  gebruikt de term ascetisme, bijv. bij de protestantse ethiek. Durkheim beschrijft in The Elementary Forms of the Religious Life ook geestelijke ervaringen van een meer omvattend bewustzijn die een vervulling geven op een niveau dat verder gaat dan lustbevrediging. Dit thema vinden bij diverse psychologen, met name ook in de godsdienstpsychologie van bijv. Jan Weima, Reiken naar oneindigheid.

In Jeseits de Lustprinzips beschrijft Freud het ‘Nirvana-principe’ van het stillen van verlangens zoals bij meditatiemethoden, dus het omgekeerde van lustbevrediging die verlangens nog meer aanwakkert. Sorokin heeft dergelijke methoden diverse werken beschreven: Forms and Techniques of Altruïstic and Spiritual Growth; A Symposium en The Ways and the Power of Love: Types, and Techniques of Moral Transformation. Zijn werk is meer omvattend dan Moral Education van Durkheim.

Maslow schrijft over een dergelijke behoeftevervulling in termen van zelfverwerkelijking in zijn studies Motivation and Personality; Religions, Values and Peak-experiences;Toward a Psychology of Being enThe Farther Reaches of Human Nature.Zijn piramide en hiërarchie van behoeften is algemeen bekend. Zijn werk lijkt echter vergeten. De humanistische psychologie krijgt weinig aandacht meer op universiteiten.

Reeds Plato beschrijft het proces van verheffing of sublimering door de ervaring van een meer omvattend bewustzijn in zijn dialoog Symposium. Zie mijn artikel over Plato en Aristoteles in nummer 30 en mijn artikel in nummer 23: Het onbereikbare in gedichten weergegeven. Daarin komt het verlangen naar meer en naar het onbegrensde ter sprake. Dit is een thema is bij vele dichters, van Goethe’s Faust tot Slauerhoff, zie de gedichten die volgen na dit artikel.

Religie en religieus ritueel verenigen individuen met de groep en de samenleving en versterken het moreel en collectief bewustzijn http://mens2000

Homo duplex, lichaam en ziel en de psychosociale grondslag van religie

Dan volgt nu de godsdienstpsychologie en -sociologie van Durkheim samengevat in The Elementary Forms of the Religious Life, onder The Idea of the Soul IV (p 263). Dit idee lijkt enigszins verwant met Plato en Christelijke visies. Bij Durkheim heeft de ziel echter geen transcendente, bovenzinnelijke maar een maatschappelijke oorsprong, door de verinnerlijking van sociale waarden, opvattingen en gevoelens, in het collectieve bewustzijn.

“Het idee van de duale mens, die naast de lichamelijke ervaring ook de ervaring heeft van een geestelijk innerlijk, wordt door Durkheim volledig onderschreven… Hij vond dat de mens is opgebouwd uit twee delen… het wereldse en het heilige, als het nuttige tegenover het morele, als plezier tegenover deugd, als eigenbelang tegenover universeel belang. In zekere zin herbergt de mens dus een sprankje goddelijkheid, vanwege de continue inwerking van de samenleving op het individu”, schrijft De Jong in Grootmeesters van de sociologie (p 90), onder Homo duplex en de oorsprong van religies. Deze geestelijke en morele inwerking van de samenleving gebeurt vooral via de religie. Met de woorden van Durkheim:

“Het heilige karakter dat mensen aan  zichzelf toekennen is geen product van puur illusie. Zoals de ideeën van religieuze kracht en goddelijkheid, heeft ook het idee van de ziel een basis in de werkelijkheid. Wij bestaan uit twee delen… het heilige en wereldse en we kunnen zeggen dat er goddelijkheid in ons is.”

Deze goddelijkheid wordt in ons verlevendigd door de samenleving, door religie, door collectief ritueel, maar volgens anderen ook door bijv. individuele meditatie.

“Hoewel ons morele bewustzijn of geweten een deel is van ons bewustzijn, zijn wij er niet helemaal aan gelijk. In deze stem, die zich laat horen om ons opdrachten te geven… herkennen we niet onze eigen stem; de toon waarop wordt gesproken drukt iets uit dat niet van onszelf is. Dat is de objectieve fundering van de ziel: ons innerlijk leven bestaat uit twee soorten die niet tot elkaar zijn te herleiden. Sommige voorstellingen houden verband met de uiterlijke en materiële wereld; andere met een ideale wereld, waaraan wij een hogere moraliteit toekennen… Dat is de antithese die mensen hebben ervaren tussen lichaam en ziel, tussen het materiële en geestelijke wezen die samen bestaan in ons…

Als we geen idee hebben van morele en religieuze imperatieven, wordt ons psychisch leven gereduceerd tot één niveau, al onze bewustzijnstoestanden zouden zich op hetzelfde vlak afspelen… Het is niet nodig een mysterieuze niet weer te geven substantie voor te stellen onder de naam van de ziel tegenover het lichaam… Er is in ons een goddelijk deel want… wij delen in de ziel van de groep” (The Elementary Forms of the Religious Life, p 262-64; zie ook Laeyendecker, Orde, verandering en ongelijkheid, p 268, ‘De dubbele mens’).

De term ‘ziel van de groep’ lijkt een vaag en omstreden begrip. Het voert hier te ver om in te gaan op de visie van Durkheim op collectief bewustzijn. Dit begrip is te relateren aan het Über-ich van Freud, dat bestaat uit verinnerlijkte groepsnormen en waarden via de ouders of via ‘generalized others’, in termen van George Herbert Mead. In Dieptepsychologie geeft J H van den Berg een psychologische verklaring  van deze begrippen en een overzicht van de bijdragen hiertoe van baanbrekende psychologen en sociologen.

 

Het streven naar zelfverwerkelijking en zelfverbetering

De eerder genoemde menselijke motivatie tot zelfverwerkelijking bij Maslow en anderen en het streven zelfverbetering in het boek van Dehue (zie nr. 29) krijgt bij het socialisme van Saint-Simon een ruimer integraal kader.

Volgens Durkheim  en vele andere Griekse, christelijke, humanistische, oosterse en andere niet-westerse bronnen waarop Durkheim zijn studie van religie baseert, is de ervaring van een meer omvattend geestelijk bewustzijn nodig om tot substantiële zelfverbetering of zelfverwerkelijking te komen.

De materialistisch gerichte prestatiedrang gericht op de onstilbare bevrediging van materieel gerichte behoeften, leidt tot steeds meer consumptie, ook van medicijnen, om te kunnen blijven presteren. Dit leidt in het algemeen niet tot bevredigende zelfverbetering, geestelijke en lichamelijk gezondheid en zelfverwerkelijking.

De problematiek van steeds toenemende consumptie en het eerder genoemde mateloze verlangen naar steeds meer is mogelijk te doorbreken als mensen weer tot zichzelf komen, meer zelfstandig en zelfredzaam worden door zelfverwerkelijking en middelen, methoden tot psychosociale bewustwording en inzichten die daarbij kunnen helpen, zoals in mijn voorgaande artikelen is geschreven.

 

De zin en toekomst van het socialisme in breder verband

De vraag naar de zin en toekomst van het socialisme is hiermee ten dele impliciet beantwoord. De samenleving ontwikkelt zich in de loop van de geschiedenis naar grotere eenheden en een groter geheel. Maar er zijn ook beschavingen die in verval zijn geraakt. Ondanks The Collapse of Complex Societies die Joseh Tainter analyseert, is er een proces van mondialisering en internationalisering gaande, zoals Saint-Simon voorzag.

Wilterdink (1.7) beschrijft de toenemende interdependentie of onderlinge afhankelijkheid van sociale verbanden in steeds grotere gehelen in termen van economische, politieke, affectieve en cognitieve (ver)bindingen. Daar zijn nog meer verbindingen aan toe te voegen. Processen van individualisering op microniveau gaan samen met collectivisering op macroniveau. Zo kunnen er paradoxale situaties ontstaan waarin we contacten hebben andere continenten maar de buren nauwelijks kennen.

Norbert Elias spreekt in zijn laatste grote werk van een samenleving van individuen. Liberalisme en socialisme kunnen samengaan, zoals in ons sociaaldemocratisch en sociaalliberaal bestel. De ideeën van Saint-Simon, Durkheim en het reformistische en revisionistische socialisme en andere gemengde of geïntegreerde politieke visies, zijn gemeengoed geworden in onze liberale en sociaaldemocratische politiek. Fracties zijn genoodzaakt samen te werken om tot gezamenlijk beleid te komen. Kortom, socialistisch, liberalistisch en conservatief erfgoed werkt door in een gemêleerd geheel.

Dit is globaal de stand van zaken. Maar hoe zit het met de toekomst? Socialistische dichters zoals Herman Gorter en Henriëtte Roland Holst hebben er utopische verzen aan gewijd (zie slotgedichten) met een religieus elan, dat ook bij grondleggers als Saint-Simon en Marx onmiskenbaar is. Van Praag plaatst Marx, die evenals Durkheim een telg is uit een geslacht van rabbijnen, in de traditie van Joodse profeten in Karl Marx: Profeet van deze tijd.

 

Een seculier utopisch substituut voor moraal en religie?

Ondanks de pogingen van haar grondleggers om er een wetenschappelijke wereldbeschouwing van te maken, heeft het socialisme in zekere zin het  karakter gekregen van een seculier utopisch substituut voor religie, afgezien van politiek en economisch touwtrekken om de besteding van (belasting)geld. Het lijkt op een seculiere vorm van christendom, waarbij de hemel in de toekomst wordt verlegd. Het nieuwe Christendom was eigenlijk niet zo’n vreemde typering van Saint-Simon. Hij (voor)zag de ontwikkeling naar een toenemende mondiale verbinding van de mensheid, waarin hij bij nader inzien religie en moraal onontbeerlijk achtte. Op louter economische en politieke grondslag blijkt deze onderlinge verbinding te stagneren in (soms moordende) concurrentie, waarin echter ook een zekere afstemming en samenwerking vorm krijgt.

Zijn landgenoot Teilhard de Chardin heeft een nog meer spirituele christelijke evolutionistische visie op de groeiende eenheid van de mensheid. Hij was vooral na de jaren 60 populair. In Civis Mundi krijgt zijn visie aandacht door de bijdragen van Gerrit Teule. De originele cyberneticus S T Bok beschrijft in Het ontstaan van het leven de ontwikkeling van steeds grotere ‘norm-gebonden eenheden’ in een toenemende orde en onderlinge verbondenheid en afnemende wanorde of entropie. Zo is er ook een ontwikkeling naar steeds grotere en meer omvattende systemen, naar een wereldsysteem, met een favoriete term van wijlen Bart Landheer, die eveneens voor Civis Mundi heeft geschreven. Aan toekomstvisies geen gebrek.

Het ziet er naar uit dat collectief onbewuste van Jung tot bewustzijn komt via het collectieve bewustzijn van Durkheim, dat zich ontwikkelt naar een meer bewust en meer verlicht kosmisch bewustzijn, waarin het individueel bewustzijn deelheeft aan een meer universeel bewustzijn.

Het socialisme en conservatisme gaan uit van een hogere sociaal gereguleerde wijze van integratie en meer omvattende norm’-gebonden eenheden’ dan het meer individueel gerichte liberalisme. De  fysische, biologische en sociale evolutie beweegt zich onmiskenbaar in de richting van grotere (sociale) verbanden en integratieniveaus, die door de ‘liberale triomf’ van de vrije markt niet zijn te weerhouden maar wel een zekere marktwerking zijn plaats heeft.

 

Manifestatie van een impliciet orde in de materie, het bewustzijn en de samenleving

De impliciete orde en het bewustzijn, die de fysicus David Bohm in Wholeness and the Implicate Order in de natuur ziet en gewaar wordt, komt meer en meer tot bewuste manifestatie in de mensen en de mensheid. Saint-Simon zag de zwaartekrachtwet van Newton reeds als een uitdrukking van de universele eenheid van het bestaan. De verenigende veldtheorieën van de moderne fysica lijken zijn verenigende visie een natuurwetenschappelijk theoretisch fundament te geven. Bewustzijn en materie zijn uitdrukking van dezelfde impliciete orde van een andere dimensie.

“We moeten daarin uiteindelijk ook andere mensen, de samenleving en de mensheid als geheel omvatten… We moeten de verschillende elementen daarbij niet zien als relatief onafhankelijk van elkaar… maar als projectie van een subtotaal van een hogere ‘dimensie’. Dus is het misleidend te veronderstellen dat elk menselijk wezen een onafhankelijke werkelijkheid is die met andere menselijke wezens en met de natuur in interactie is. Veeleer zijn dit allemaal projecties van één totaliteit… op niveaus waarvan we in het algemeen nog niet bewust zijn,.. een onbekende achtergrond van innerlijke diepten die analoog zijn met de ‘zee’ van energie die de waargenomen ‘lege’ ruimte doordringt… Als een mens deelneemt aan deze totaliteit, verandert hij fundamenteel… Is [bewustwording van] die grond, ‘de totaliteit van al wat is’, het absolute doel van alles… of een fase naar verdere ontwikkeling… in een eindeloos proces?”, vraagt Bohm zich af aan het eind van zijn studie (p 210, 213).

De groeiende interdependentie, die Wilterdink noemt, kan worden gezien als een uitdrukking zijn van deze totaliteit. Het liberalisme neigt naar individuen als basiseenheden, het socialisme en de visie van Durkheim naar de samenleving als basis. Eigenlijk zijn individu en samenleving de tweevoudige basis die in de  mensen samenkomt (als homo duplex). De beschrijving van Bohm toont enige overeenstemming met de beschrijving van collectief bewustzijn door Durkheim, die aldus een natuurwetenschappelijke basis krijgt.

De eenheid in verscheidenheid heeft nog lang niet de vorm die deze zou kunnen krijgen. Ook de vervulling van onze gezamenlijke materiële, sociale en geestelijke behoeften aan welvaart, welzijn, veiligheid, zekerheid, erkenning en zelfverwerkelijking volgens de hiërarchie van Maslow, heeft nog lang niet het gewenste niveau. In velen blijft een onvervuld verlangen naar vereniging, zoals bijv. Slauerhoff in zijn  gedichten uitdrukt. Dat geldt ook voor de superrijken, die naar elkaar kijken en nog meer willen dan anderen, maar met lege handen arm sterven, omdat zij hun rijkdom niet kunnen meenemen, zoals de superrijke heerser Alexander de Grote besefte en wilde laten zien, toen hij op jonge leeftijd stierf.

 

De Indiase waardenhiërarchie, de  behoeften-piramide van Maslow en de visie van Saint-Simon

In de Indiase traditie worden de volgende hoofdwaarden en doelen onderscheiden:

1. kama of genot, 2. artha of rijkdom, 3. dharma of gerechtigheid, normen en waarden, cultuur in ruime zin, 4. moksha, verlichting of geestelijke bevrijding, zelfverwerkelijking, het uiteindelijke levensdoel.

Zoals in de behoeften-piramide van Maslow geldt ook bij deze waarden een hiërarchie. Genot en verlangens en lusten en ook de verwerving en verdeling van rijkdom en winst dienen te worden gereguleerd door gerechtigheid, door de cultuur, ethiek en religie, en uiteindelijk de zelfverwerkelijking te ondersteunen.

Dit komt overeen met de visie van Saint-Simon en Durkheim, waarbij moraal en religie de economie en bevrediging van behoeften en verlangens dient te reguleren in een sociaal democratisch bestel waarin een bestuurscentrum als ‘het brein van de samenleving’, dit regelt en niet een aantal machtige individuen, conform de ruime definitie van Durkheim van het socialisme. In algemene zin zou dit ook kunnen gelden voor onze sociaaldemocratische en/of sociaalliberale samenleving.

 

De Rig Veda over de verbondenheid van al wat is

Tot slot één van de laatste hymnen uit de Indiase Rig Veda  (X.191.2-4, Samiti samani genoemd, ons woord samen) over de impliciete toekomstige verbondenheid van de mensheid (vrij vertaald met commentaar van Maharishi Mahesh Yogi).

Wees tezamen. Spreek tezamen. Ga tezamen.

Laat je beden gemeenschappelijk zijn

Laat je geest in overeenstemming kennis nemen.

Laat je doelstellingen overeen komen

Laat je gevoelens in overeenstemming zijn

Laat je harten en intenties verenigd zijn

Opdat er volkomen eenheid mag zijn

 

Weet dat je geest werkzaam is vanuit een gemeenschappelijke grond.

Zoals de natuurwetten vanaf het begin tezamen werken vanuit de bron.

Laat de uiting van kennis geïntegreerd zijn in het samenzijn en de geest verenigd zijn,

terwijl hij vol wensen is. Handel door te zijn verenigd en door dat wat één blijft

om heelheid in het leven voort te brengen.

Laat je doel verenigd zijn, je gevoelens in harmonie, je geest gezamenlijk werkzaam zijn,

zoals de diverse aspecten van het universum samen bestaan en een geheel vormen.

Een verwante mantra, die verbondenheid van alles en iedereen ik het universum uitdrukt, is de volgende:

Lokah samastah sukhino bhavantu: Moge iedereen overal vreugdevol en vrij zijn. En mogen al mijn gedachten, woorden en handelingen bijdragen aan het geluk en de vrijheid van een ieder.

 

Noot

Integrale fasen in een spiraalvormig, lineair èn cyclisch proces van ‘vooruitgang’

De visie van Couwenberg en anderen die onderscheid maken in pre-modernisme, modernisme en postmodernisme, is verwant met Saint-Simon, Comte, Sorokin en anderen. Zij zien een opeenvolging van premoderne religieuze en ideële filosofische fasen naar moderne wetenschappelijke, materialistische fasen. Deze fasen lijken lineaire vooruitgang te vertonen. Bij nadere beschouwing tonen de fasen tegelijk ook een cyclisch karakter of een dialectisch, spiraalvormig verloop. Zij menen namelijk nieuw soort synthese te voorzien die zij ook noodzakelijk achten.


 

Gedichten over mateloos verlangen, over socialisme en de gedoemde dichter Slauerhoff

De gedoemde dichter Slauerhoff  2015 03 19/20/22

                                                                                

Hoe naar hij ook kon wezen

hij wordt de hemel in geprezen

Hoe zwaar zijn leven ook geweest is

behept met heimwee en gemis

Iets in hem beroert het hart

dat al zijn beschrijvingen tart

 

Een diep oprecht verlangen

naar een ver onaards geluk

Dat in geen verzen is te vangen

Bevrijding van de aardse druk

 

De geest verheft zich uit een tranendal

verlangend naar de eenheid met het Al

De aarde draagt ons overal altijd

En om ons straalt de eeuwigheid

 

                   ******

 

In het leven diep teleurgesteld

wilde hij steeds reizen over zee

Maar wist niet goed waarheen

Naar een geliefde die verdween?

 

Hij zocht een ongekend moment

waarbij de ware vreugde wordt gekend1         

die niet meer wijkt en eeuwig blijft

zich altijd naar ons wenken neigt

 

Hij keerde steeds weer terug

door onbestemd gemis gekweld

Een soort van heimwee

naar een ooit gekend geluk

 

Naar een leven zonder druk

om steeds maar voort te gaan

Naar simpelweg bestaan

eenvoudigweg te zijn

Te leven, te bewegen en te zijn                              

in een bevrijde staat van zijn

 

 

Hij was behept met een kwaal

die niet was te genezen

In menig gedicht en verhaal

heeft hij daarop gewezen

 

Een permanente onrust

dreef hem van kust tot kust

Een onvervulbaar heimwee

droeg hij met zich mee

 

Waarvan hij nooit genas

omdat het niet te stillen was

‘Nergens vind ik vree

op aarde niet en niet op zee’2                                              

 

Toch heeft hij een moment

een vredig ogenblik gekend

Hij vond een onderkomen

in onbewoonbare gedichten3                                  

Is tot bewustzijn gekomen

zoals hij schreef in zijn gedichten:

 

‘In een stilte zo onaangedaan

dat ik geloof in slaap te zijn gekomen

in de diepten waar geen onderstromen

door het eeuwig stilstaand water gaan’4                  

 

Geschreven na lezing van zijn aangrijpende verhaal Larrios en zijn biografie

1 Faust verkocht voor zo’n moment zijn ziel aan Mefistofeles

2 Uit Het einde. Op aarde niet en niet op zee is de titel van een bloemlezing door Henny Vrienten

3’Alleen in mijn gedichten kan ik wonen’

4 Uit In mijn leven.

Zie zijn Verzamelde gedichten

 

 

  

 

Een minnestreel

Seelisberg 1977/78

Als ik een edelman

was met een droomkasteel

geboren in de adelstand

O schoonste van het land

 

dan zou ik dingen naar je hand

Maar ik ben geen edelman

Ik ben een minnestreel

die in zijn minnezangen

 

aan jou verhaalt

zijn mateloos verlangen

naar liefde en geluk

in vers noch vorm te vangen

 

 

Mijn nimmer rustende verlangen

                                               Wassenaar 1977/78

Mijn nimmer

rustende verlangen

mijn immer

drijvende drangen

 

lossen soms op

in liefde zo zacht

die niet meer hoopt

niet meer verwacht

 

die niet meer vraagt

en niet meer denkt

alleen maar is

alleen maar schenkt

 

die niet meer wenst

niet meer wil streven

die overvol is

en wil geven

 

Verlangen in vlagen

                                               Wassenaar 1977/78

Mijn verlangen

is zo groot

in vlagen

die ik amper

kan verdragen

 

Het dijt uit

in de oneindigheid

en komt tot rust

in grenzeloze

zaligheid

 

Het is of

mijn verlangen

even zwijgt

mij overstijgt

zich naar jou neigt

 

Dan voel ik

alle weemoed

al het lijden

in grenzeloos geluk

met jou verglijden

 

Bevrijding                                                         2014 08 24 

 

Als wij ons niet bevrijden1                             

is er geen einde van het lijden2                    

Behoeften van een mens

kennen eigenlijk geen grens

Behoeften vragen discipline

om het geheel te dienen

 

Discipline is een gave van de geest

Sinds antieke tijden is dat zo geweest

Maar in de moderne tijd

lijken wij die geest vaak kwijt

 

De reclame moedigt ons aan

om ons te buiten te gaan

Verleiding is nu overal

Vermijding zelfden het geval

 

Het vraagt om meer bewustzijn

Realisatie van wie en wat wij zijn

Voorbij de grenzen van het bewustzijn

kunnen mogelijkheden onbeperkt zijn

 

Een bevrijde staat van zijn

met een verruimd bewustzijn

zou mogelijk zijn voor mensen

Vrij van wensen, vrij van grenzen

 

Waarin wensen komen en gaan

en waar grenzen in bestaan

lijnen in een onmetelijk domein

‘waarin wij leven bewegen en zijn’3              

 

Als wij daarheen konden gaan

krijgen wij een ander bestaan

een innerlijke bewustzijnsstaat

waarin het licht niet uit gaat

 

We worden ons bewust

van een weldadige rust

die in ons aanwezig blijft

tot een wens het weer verdrijft

 

 

 

Zoals ijs op water drijft

bevroren water dat verstijft

kunnen lagen van bewustzijn

ook tegelijkertijd aanwezig zijn

 

Een vibratie of golfbeweging van een onderliggend veld

 

Geluid is vibrerende lucht

dat door de stilte klinkt

als een hoorbaar gerucht

zoals licht door duister dringt

 

Zo is alles een vorm van vibratie

een vibrerende manifestatie

van een onderliggende realiteit

die zich manifesteert in ruimte-tijd

 

1 Bijv. bevrijding van hebzucht en lust e.d.

2 Dit is de omschrijving van Nirvana

3 Handelingen van de apostelen 17,28

 

 

 

Wij zullen u niet zien lichtende vrede                       Henriëtte Roland Holst

                                                                     (Spelling enigszins gemoderniseerd)

wij zullen u niet zien lichtende vrede
wij zullen niet voelen uw weligheid

van onze lippen naar ons hart gegleden

en niet wikken om onze leden

de weke plooi van uw broederlijkheid

 

Wij zullen niet wonen in het voorportaal

van die eenheid glorieus waarnaar wij staren

Met stom ontzag en niet de donkere scharen

eendrachtig tot de worsteling zien varen

Wij zullen hen niet in hun roem zien staan

 

De grote denker met de felle blik*                           *Karl Marx

hij heeft het lot van dit geslacht voortekend

hij heeft ons wankelen voorgerekend

het droeve en armzalige beschik

 

[…8 strofen weggelaten]

 

Wij zullen u niet zien lichtende vrede
wij zullen niet proeven uw weligheid

van onze lippen naar ons hart gegleden

wij zullen het hunkeren naar uw zaligheid

meedragen, ongestild, in eeuwigheid

 

Uit: De dag gaat open als een gouden roos              Herman Gorter, Bloemlezing

 

Met een oneindige zoetheid ziet mij aan

De stralend rijke geest der Nieuwe Mensheid

Vanuit der Toekomst wonderlijk bestaan

En ik voel een Vreugde, waaraan geen grens leidt

 

En zij begint te zingen een Muziek

Van uit de verte, uit de verre tijd

Die ruimte is, van zulk een geestelijkheid

Dat mijn lichaam gezond wordt, dat was ziek

 

En ik tracht één te worden met haar en ik dring

Naar haar toe door de ruimte en de tijd

En O! zij komt in hare lieflijkheid

 

Maar mij toe in haar goudstralend gezing

Zoals een geest in geest en ziet

Wij worden één in dat wolkende lied