Argumenten voor en tegen leven na de dood

Civis Mundi Digitaal #34

door Piet Ransijn

De zin en functie van voorstellingen over leven na de dood

In het vorige nummer was mijn artikel onder dit thema weinig expliciet over het al of niet voortbestaan na de dood, stelde Wim Couwenberg. De nadruk lag op de zin en functie van het postmortale perspectief in dit leven. Een visie van voortbestaan geeft het leven meer zin dan de dood als definitief einde van ons leven. Dit artikel maakt in grote lijnen expliciet hoe ik tegen voortbestaan na de dood aankijk. Velen zien de dood niet als zingevend perspectief. Mede daarom zijn er allerlei voorstellingen over voortleven na de dood. Deze voorstellingen worden beschouwd als fantasieën door niet religieuze, modern en wetenschappelijk denkende mensen, zoals bijv. Norbert Elias, zie deel 1 van dit artikel (1). Zulke voorstellingen kunnen volgens hem ook een zingevende en oriënterende functie hebben om het leven meer zin en perspectief te geven, ook al zou dit denkbeeldig zijn.

Ideeën over beloning en straf na dit leven hebben ook een morele functie en zijn vaak gebruikt om mensen ‘in het gareel te houden’ om te verhinderen dat zij er ‘ongestraft op los leven’ of anderen leed aandoen. Als je weet dat je niet alleen tijdens dit leven, maar ook na dit leven verantwoording moet afleggen en ‘je streken krijgt thuisbezorgd’, dan kun je daarmee rekening houden, omdat je de gevolgen voor het aangerichte leed onder ogen moet zien. Hans Komen beschrijft dit in zijn artikel.

 

Voorbeeld van een voorstelling van het overlijden als overtocht naar een paradijselijk land

http://sunnah4holland.nl/het-paradijs 

Dit beeld komt voor in één van de mooiste liederen van Schubert Auf dem Wasser zu singen

naar een gedicht van Graaf Friedrich Leopold zu Stolberg-Stolberg uit 1783. De boot is ‘het voertuig van de ziel’.

 

Over het water dat glanst en weerspiegeld                          Mitten im Schimmer der spiegelnden Wellen

glijdt zo geluidloos en licht onze boot                                  Gleitet, wie Schwäne, der wankende Kahn:

voel hoe teder het water ons wiegelt                                   Ach, auf der Freude sanftschimmernden Wellen

zoals de moeder het kind op haar schoot                             Gleitet die Seele dahin wie der Kahn;

strelende stralen van zon op het water                                Denn von dem Himmel herab auf die Wellen

avondrood speelt om de ziel en de boot                               Tanzet das Abendrot rund um den Kahn.

 

Over de kruinen van ruisende bomen                                   Über den Wipfeln des westlichen Haines

weifelt nog even de dalende zon                                          Winket uns freundlich der rötliche Schein;

hoor je fluistering al van je dromen                                     Unter den Zweigen des östlichen Haines

stemmen van ver uit een eeuwige bron                               Säuselt der Kalmus im rötlichen Schein;

zachte gedachten zo laat op het water                                Freude des Himmels und Ruhe des Haines

eeuwigheid speelt om de ziel en de zon                                Atmet die Seele im errötenden Schein.

 

Over het water vervloeien de uren                                       Ach, es entschwindet mit tauigem Flügel

langzaam verdwijnt in de schemer de tijd                             Mir auf den wiegenden Wellen die Zeit;

alles vernevelt tot ijle figuren                                              Morgen entschwinde mit schimmerndem Flügel

alles vervaagd en verwaait en verglijdt                                Wieder wie gestern und heute die Zeit,

tot ik ook niet zelf meer langer kan duren                            Bis ich auf höherem strahlendem Flügel

zelf ontstijgend aan aarde en tijd                                         Selber entschwinde der wechselnden Zeit.

 

Vrije vertaling Herman Pieter de Boer, Lenny Kuhr zoals zij Schubert zingt, Stemmen in  de nacht

 

De hypothese van voortbestaan na de dood als zinvol, functioneel en rationeel

De hypothese van voortbestaan na de dood lijkt niet alleen meer functioneel en minder absurd en zinloos dan de dood als definitief einde, maar kan ook worden beschouwd als minstens zo rationeel en is te onderbouwen met diverse aanwijzingen. Vanuit het paradigma dat er niets is na dit leven dan een lichaam dat vergaat, is deze hypothese discutabel en verwerpelijk. Er is echter geen bewijs dat de dood het einde zou zijn, slechts schijnbewijzen die passen in het paradigma dat de wereld uit materie bestaat.

Anderzijds zijn er ook geen bewijzen voor voortbestaan na de dood, hooguit aanwijzingen. Is het dan een kwestie van geloven en van een keuze uit verschillende hypothesen en levensvisies? Hierover ging mijn vorige artikel over dit thema en het artikel van Hans Komen in dit nummer.

De discussie en paradigmastrijd hieromtrent kan eindeloos, onbeslist en met heftig verbaal, soms zelfs met fysiek geweld voortduren en lijkt daarom niet erg zinvol. Het reductionistische en materialistische paradigma gelooft in de dood als einde en laat geen ruimte voor een immaterieel bewustzijn, dat vanouds ‘ziel’ of ‘geest’ werd genoemd. Onder wetenschappers is echter ook een minderheid die deze mogelijkheid open houdt of meer aannemelijk acht dan een ‘zielloos’ leven.

 

Evenals de geboorte is de dood te zien als paradigmaverandering waarbij we het materiële omhulsel doorbreken

 

Wat geldt als ‘feit’ en ‘bewijslast’ is afhankelijk van het paradigma

Deze kwestie en de discussie erover hangt af van wat we als ‘feiten’ en ‘bewijslast’ beschouwen. Als feiten beperkt zijn tot ervaringen met zintuigen, die alleen materiële verschijnselen kunnen waarnemen, wordt het moeilijk aanwijzingen, laat staan bewijzen, te vinden voor immateriële verschijnselen. En als deze worden gevonden, zullen ze in het paradigma worden gepast waarvan men overtuigd is, worden ontkend of worden beschouwd als fantasieën.

Het serieus nemen van energetische aanwijzingen en verschijnselen die meer verfijnd zijn dan materiële energie, vraagt ‘een ‘verruimd empirisme’. Dit is een term van de natuurkundige (en) filosoof Schelling, zie mijn artikel in nr 27. De ervaringswereld is bij dit verruimde empirisme niet beperkt tot zintuiglijke ervaringen, maar omvat ook niet-zintuiglijke ervaringen. Zo niet, dan zou onze wereld zich beperken tot de materie, terwijl er meer kan zijn dan onze zintuigen kunnen waarnemen. Als we onze waarneming niet verruimen, dan blijft de discussie over het al of niet postmortaal voortbestaan, een betrekkelijk zinloze paradigmastrijd tussen geloofsrichtingen, omdat het niet zintuiglijk waarneembaar is.

 

Aanwijzingen of fantasieën en ‘dromen van een geestenziener’?

Als leraar levensbeschouwing en maatschappijleer gebruikte ik ooit een artikel dat eenmalig leven vergeleek met voortleven en reïncarnatie. De hypothese van een eenmalig bestaan met de dood als einde werd niet als meer aannemelijk en rationeel gezien dan de hypothese van voortbestaan na de dood. Voortleven kan in de vorm van reïncarnatie of een voortbestaan in niet-materiële ‘sferen’, die vanouds hemelen werden genoemd. Als we overleveringen en informatie van beschavingen door de eeuwen heen serieus nemen als meer dan ‘bijgeloof’, zijn deze te beschouwen als aanwijzingen voor de hypothese van voorbestaan na dit leven. Ook in onze cultuur wordt deze hypothese nog veelvuldig aangenomen.

Veel mensen geloven wel in ‘iets’ of weten het gewoon niet en laten het open: ‘We zien wel’. De grote uitzondering vormt de meerderheid van de moderne wetenschappers, naast enkele oudere materialistische filosofieën. Met hun geloof en ongeloof drukken zij sterk hun stempel op wat door velen nu als ‘waar’ wordt aanvaard. De wetenschap kan waarheid slechts benaderen in termen van waarschijnlijkheid, die andere mogelijkheden niet volkomen uitsluit. Een significant aantal baanbrekende wetenschappers is het oneens met de hypothese van de dood als definitief einde. Onder hen grondleggers van de moderne natuurkunde, zie mijn artikelen in nr 26 en 27.

Naast talloze overleveringen, religies en esoterische ‘wetenschappen’, is er parapsychologisch onderzoek en zijn er Bijna Dood Ervaringen. Deze zijn voor velen omstreden en worden naar het rijk der fabelen verwezen. Een beroemd voorbeeld is het boek van de filosoof Kant over zijn collega Swedenborg: Dromen van een geestenziener (1766). Deze passen niet in zijn rationele paradigma. Als hij deze ervaringen serieus zou nemen, zou hij zijn filosofie dienen te herzien, zoals Fichte, Schelling en Schopenhauer later deden. Het is gemakkelijker een collega die het anders ziet, verdacht te maken. De geestelijke wereld van het bewustzijn, het ‘noumenon’ of “Ding an sich’, is volgens Kant onkenbaar. Hij geloofde als christen in leven na de dood of in een hemel. Kant koesterde “heimelijk grote belangstelling en zelfs bewondering” voor hem, aldus filosoof Herman Wolf (2). “Swedenborg was de eerste moderne wetenschapper die de hemel in kaart probeerde te brengen”, d.w.z. het leven na de dood, aldus neurochirurg Eben Alexander in De hemel in kaart (3, p 102).Zie hierover het artikel van Hans Komen.

Alexander beschrijf ervaringsfasen of werelden die volgden na de eerste ervaringsfase van zijn reis. De ‘eerste wereld’ noemt hij het “Rijk gezien door de ogen van een regenworm…  een primitieve oerstaat van bewustzijn.., terwijl ik het gevoel had levend begraven te zijn”. Hij geraakt uit deze ‘primitieve duisternis’ via een ‘wezen van licht’ en ging door een poort naar wat hij ‘de Poortwereld’ noemt.

”Er was een breed scala van universums, die de vorm aannamen van wat ik ‘bovensfeer’ ben gaan noemen... en een andere poort naar nog hogere werelden… totdat ik de Kern bereikte van het Bovenaardse…barstensvol onbeschrijflijke, goddelijke, onvoorwaardelijke liefde,” (p 29-31 ).

Hij vergelijkt zijn ervaringen met mythen en beschrijvingen van andere ‘kenners’, zoals Plato en Swedenborg. Hij gaat onder meer in op de bevindingen van de psycholoog William James en diens baanbrekende studie The Variëties of the Religious Experience en beschrijvingen van Indiase en Perzische mystici, de Aboriginals en andere oude volken.

Alexander wil laten zien dat er behalve culturele verschillen er ook overeenstemming is in talloze beschrijvingen van het hiernamaals. En ook dat hij veel meer ervaren heeft dan ‘het Rijk gezien door de ogen van  een regenworm’, dat veel lijkt op het stoffelijk overschot. Zijn beschrijving van de uiteindelijke liefde komt overeen  met die van de Middeleeuwse dichter Dante. Zijn poëtische beschrijving van de hemelse liefde volgt als slot.

 

Het pararijs  Hendrick de Clerck en Denis van Alsloot c. 1607

Oud-Indisch: parads: para: over, voorbij en desa: gebied, dus het buitenland. dat vroeger werd gezien als exotisch land

 

‘Verruimd empirisme’ bij Swedenborg?

Om dergelijke onderwerpen voor zover mogelijk wetenschappelijk te besturen, met ‘boerennuchterheid’, alomvattende interesse, openheid en ‘verruimd empirisme’, dienen we ook niet-zintuigelijke ervaringen te onderzoeken. Daarom ben ik recentelijk Swedenborg, een tijdgenoot van Newton, gaan lezen als vervolg op literatuur van andere nuchtere en visionaire onderzoekers (4, 6). “Hij  was in alle opzichten een genie” (3, p 102), één van de meest veelzijdige wetenschappers van zijn tijd. Als baanbrekend (neuro)wetenschapper was hij meer empirisch gericht dan Kant, de filosoof van de ‘transcendentale apperceptie’ (dat is het achteraf waarnemen of vaststellen van het niet waarneembare bewustzijn).

Het lijkt niet aannemelijk Swedenborg te bestempelen als ‘schizofreen’, zoals filosoof en psychiater Karl Jaspers meent. Zouden de dichters Dante, William Blake, Goethe en filosofen als Plato dan ook schizofreen zijn, vanwege soortgelijke bevindingen? Hun werken kunnen worden beschouwd als dichterlijke fantasieën. Swedenborg beschouwde zijn waarnemingen als rationele en empirische gegevens: “gehoorde en geziene dingen” (4). En dat is ketterij, zowel in de kerk als in de wetenschap.

Ontwerpen van Swedenborg, zoals een vliegmachine(vleugel)

Evenals Wim Couwenberg, Hans Komen en vele anderen ben ik geneigd de reïncarnatiehypothese te beschouwen als meer aannemelijk, zinvol en rationeel dan de andere opties, vanwege het verklarend vermogen. Andere opties geven geen bevredigende verklaring voor verschijnselen die hierbij als onverklaarbaar, onbevredigend of absurd, zinloos, immoreel en onethisch zouden gelden, zoals leed en voorspoed, ongelijkheid en onrecht.

Een theorie of hypothese met een groter verklarend vermogen verdient wetenschapsfilosofisch en wetenschappelijk gezien de voorkeur boven een theorie die minder kan verklaren. Dit geldt met name als daar ook meer aanwijzingen voor zijn. Voor vertegenwoordigers van het paradigma dat alleen materiële, zintuigelijk waarneembare feiten gelden, zullen deze verklaringen echter ongeldig zijn. Wat zijn het dan? Bedenksels en fantasieën van ‘geestenzieners’, die het leven meer perspectief willen geven?

Het lijkt niet aannemelijk om de grootste genieën en beschavingen die  de mensheid heeft voortgebracht daarmee af te doen vanuit een nu geldende cultuurgebonden visie van mensen die als “nietig wezen” menen “een niet eerder verworven een beschavingsniveau te hebben bereikt,” zoals Max Weber schrijft aan het eind van De protestantse ethiek en de geest van het kapitalisme.

 

‘De mensen weet nauwelijks iets van de hemel, de hel en het leven na de dood’ (voorwoord)

Zijn bevindingen komen enigszins overeen met Bijna Dood Ervaringen, zie Eben Alexander(3)

 

Rudolf Steiner over ons waarnemingsvermogen en kenvermogen

Naast Swedenborg is er andere ‘geestenziener’, die wetenschappelijke pretenties heeft, namelijk Rudolf Steiner in De wetenschap van de geheimen der ziel en Waarheid en wetenschap over kennistheorie. Hij doelt op verborgen aspecten van ons bewustzijn, in meer neutrale termen.

Evenals Swedenborg en anderen zegt hij deze aspecten te kunnen waarnemen en beschrijven, zoals mensen dat konden in andere beschavingen. Daar leken velen meer ‘helderziend’ dan nu over het algemeen het geval is in onze sterk op de materie gerichte cultuur. Het fenomeen helderziendheid is daarin voor velen omstreden en verwerpelijk. Evenals de Oosterse filosofie, Plato en anderen heeft Steiner het over ‘bovenzinnelijk kenvermogen’ (p 54). Dat komt ook in de buurt van Kant, bij wie dit meer theoretisch en verstandelijk blijft. De filosofie van Fichte en Schelling, opvolgers van Kant, omvat ook niet-zintuiglijke ervaringen, zie mijn artikel in nr 27.

Het waarnemingsvermogen van mensen en andere levende wezens blijkt verschillend. Met behulp van technische instrumenten zoals microscopen en telescopen kunnen we onze waarneming uitbreiden tot het domein van de kwantumfysica. Daar doen zich ‘spookachtige’ verschijnselen voor die moeilijk verklaarbaar zijn. Er lijkt meer tussen hemel en aarde te zijn, dan wij kunnen bevatten met ons verstand en ons beperkte waarnemingsvermogen, gaf Shakespeare in Hamlet te kennen. Daarom dienen wij ruimte te laten voor andere mogelijkheden en werkelijkheden dan waarvan wij nu weten.

 

Volgens Steiner en anderen kunnen we ons waarnemingsvermogen oefenen en uitbreiden. Bijvoorbeeld door meditatie, zoals vanouds bekend is in vele culturen, ook de onze. Laten we dat maar eens toepassen en dan kijken wat het oplevert. Hij vergelijkt de niet-zintuiglijke waarnemingen met het “lezen van het verborgen schrift” (p 304). Daarbij leren we dergelijke waarnemingen als het ware als klanken, lettertekens en symbolen te lezen en te duiden.

“Een beschrijving van de menselijke toestanden na de dood blijft volledig onbegrijpelijk en waardeloos, tenzij de mens die kan verbinden met begrippen die aan die ver verwijderde dingen zijn ontleend” (p 306). Hij doelt hier op zijn bovenzintuiglijk begrippenkader, zoals zonnetoestand of zonnelichaam, maanlichaam, levenslichaam en andere energetische of immateriële ‘lichamen’ of zielsaspecten, die buiten dit bestek vallen (p 66 e v) (6).

Formules en begrippen in de kwantumfysica zijn voor een niet ingewijde minder goed te volgen dan Steiner. De realiteit die zij beschrijven is met complexe apparatuur direct of indirect waar te nemen en te beschrijven met theoretische wiskundige formules. De relatie met de werkelijke wereld is daarbij niet goed meer te volgen. Dit leert de dissertatie van Stijn van Tongeren, Quantumfield theory through a stringy mirror: Integrability of the AdS5 x S5 superstring and its deformations.

 

  

Het wegen van het hart. Scène uit het Egyptische Dodenboek. Bij sterven scheidt zich de ‘ba’-ziel van het lichaam, als één van de zielen.

Na de dood werd het hart van de overledene, dat alle goede en slechte daden bevatte, op een weegschaal gelegd. Aan de andere kant van de weegschaal legden de goden de Ma’at, de veer die de goddelijke gerechtigheid voorstelde. Als je hart zwaarder was dan de Ma’at, werd het opgevoerd aan een vrouwelijk monster. Was je hart ’licht’, dan ging  je naar hemelse oorden waar de zon altijd scheen en niemand  tekort kwam. Dat oordeel werd geveld in het bijzijn van de dodengod Osiris. Volgens de Egyptenaren was de ziel een samengesteld geheel van zielen.

www.trouw.nl/tr/nl/4464/Religie-filosofie/campaign/item/detail/1833023/44901/tag/2155/Visies-op-het-hiernamaals-deel-1-de-levensschouw.dhtml. Over de nabeschouwing en afweging van het leven. Het is symbolische beeldentaal over subtiele processen.

Deze symboliek komt overeen met de Indiase karma-leer en het Christelijke beginsel dat God het goede loont en het kwade straft

 

De samengestelde natuur van de mens en het mysterie van de dood

Evenals De Indiase filosofie, de Egyptische mythologie (5) en de Joodse Kaballa beschrijft Steiner “de samengestelde natuur van de mens en het mysterie van de dood,” zoals H Groot dit noemt in Verborgen wijsheid uit de Oepanishaden (p 119 e.v.). Steiners visie vanuit de theosofie komt overeen met deze Indiase filosofie, maar toont ook een christelijk aspect. Soms komen zijn beschrijvingen van bewustzijnstoestanden en processen overeen met die van bijv. Maharishi Mahesh Yogi.

Een andere pionier die het voortbestaan na de dood van onze samengestelde psyché wetenschappelijk wilde onderzoeken is Frederick Myers, stichter van deSociety for Psychical Research. Zijn boek  Human Personality and Its Survival of Bodily Death heb ik deels gelezen, maar het heeft mijn verhuizingen niet overleefd. Het aantal boeken en persoonlijke getuigenissen over leven na de dood is groot. We beperken ons tot genoemde pioniers. Dergelijke ervaringen vragen serieus en kritisch onderzoek, zonder alles te geloven. Hierbij dienen we ons de beperkingen van ons paradigma te realiseren en ze te onderzoeken.

Vroeger las ik onze kinderen onder meer voor uit sprookjes en Tales and Parables of Ramakrishna. Deze 19e-eeuwse Indiase wijze vertelt over een kikker die meent dat zijn modderige put de hele wereld omvat. Als de deksel van de put zou worden weggenomen, zou hij bovenin de put het licht zien dat toegang geeft tot een onmetelijke wereld. Zo ervaren mensen bij een Bijna Dood Ervaring het sterven. Sommige wetenschappers zien de wereld als beperkt tot de ‘modderige put’ van de materie. Anderen pogen voorbij de deksel te kijken en menen een licht te zien, dat toegang geeft tot een meer omvattende wereld dan de ‘modderige materie’.

 

De wereld als put waar we uit of in kunnen klimmen met de ladder van de wetenschap, te vergelijken met de Plato’s Mythe van  de grot

 

“Ogen en oren zijn slechte getuigen voor mensen met barbarenzielen,” schreef de kritische filosoof Heracleitos rond 500 voor Chr. De waarnemer is het bewustzijn, ziel genoemd. De zintuigen zijn werktuigen, instrumenten waarmee wij waarnemen. Wat wij waarnemen hangt af van de verfijndheid en subtiliteit van onze zintuigen, ons bewustzijn en ons paradigma. Daar valt wellicht nog veel aan te verfijnen, als we Heracleitos, Plato en vele andere wijzen en wetenschappers serieus nemen.

 

Materie en bewustzijn en Bijna Dood Ervaringen

Materie bestaat uit deeltjes en golven met diverse frequenties en golflengten. Wij zien echter beelden die ons bewustzijn samenstelt uit golflengten enz. Beelden zijn niet materieel, evenmin als betekenissen. Een computerscherm lijkt ook beelden te maken, maar toont slechts stralingsimpulsen, waar ons bewustzijn beelden van maakt. Wij zien en beleven een geestelijke, immateriële wereld van beelden, geluiden en andere impressies in ons bewustzijn, geen golflengten en frequenties of chemische verbindingen. Wij zien en horen beelden en geluiden, die iets voor ons kunnen betekenen. We horen niet de verdichtingen van de lucht, die de materiële basis zijn van het geluid en zien niet de fotonen of lichtgolven. Evenmin ruiken we chemische verbindingen die een bepaalde geur hebben. We ruiken geuren. Zintuiglijke indrukken bestaan uit ‘mindstuff’ volgens de astonoom Arthur Eddington, die als eerste het empirische ‘bewijs’ leverde voor de relativiteitstheorie, waardoor Einstein daarna beroemd werd, zie mijn  artikelen in nr 26 en 27. (7)

 

 

Deze beelden en impressies slaan we op in ons geheugen. Bij ons overlijden is het in principe mogelijk dat deze database als een soort harde schijf, eigenlijk zachte schijf, uit de computer van ons lichaam wordt gehaald en naar een andere computer kan gaan. In een dergelijk model is het mogelijk dat ons bewustzijn de informatie van ons leven meeneemt na dit leven en daar verwerkt en ‘opschoont’, ordent, zuivert en loutert, zoals bij Bijna Dood Ervaringen wordt gerapporteerd.

Met alleen materie, die bestaat uit deeltjes, golven, frequenties en golflengten, is het niet mogelijk beelden en betekenissen te verklaren. Ook waarneming niet, omdat waarneming in en met het bewustzijn geschiedt. De kwantumfysica kan niet om de waarnemer en het bewustzijn heen als iets anders dan materie dat daaruit niet is af te leiden, ook al menen neurowetenschappers van wel. Ze zijn daar echter nog niet in geslaagd. Het lijkt een ‘mission impossible’ en ‘contradictio in terminis’ bewustzijn uit materie te verklaren, omdat bewustzijn en de beelden en betekenissen die dit bevat, geen materiële substantie is en daartoe niet is te herleiden, evenmin als betekenis en zin daaruit is af te  leiden.

Dit kan verklaren waarom bij Bijna Dood Ervaringen de ervaringswereld in eerste instantie lijkt op de ervaring in deze materiële wereld, zoals bij dromen, die echter geen tastbare substantie hebben. Dat komt omdat dezelfde databasis is meegenomen, die later wordt ‘bewerkt’ met ‘paste up’ en software in het hiernamaals en afhankelijk is van ons paradigma. Als we denken dat we het lichaam zijn en dat ‘we’ zullen verrotten in de grond en door wormen worden opgegeten, is het niet onmogelijk dat we de ‘worm-ervaring’ krijgen, die Eben Alexander beschrijft. Zie het artikel in dit nummer van Hans Komen (3, 4).

Een fundamentele ervaring die Eben Alexander, Swedenborg en anderen rapporteren is de onbeschrijfelijke liefde die zij ervaren “een diepte en schoonheid die zover boven mijn macht liggen dat ik ze niet kan uitleggen… weten dat er grenzeloos van me werd gehouden” (3, p 31). Plato beschreef de liefde als schoonheid aan het eind van Symposion en Dante aan het eind van zijn Divina Commedia (9).

 

Dante, Divina Commedia

“O stervelingen in een zorgelijke waan

hoe dwing je toch jezelf met valse syllogismen

in het lage land de vleugels uit te slaan

De een wijdt zich aan rechten, anderen aan aforismen

terwijl weer anderen voor kerkelijke ambten gaan

 

Maar ik, die al dit aards begeren bluste

zweef hier opgenomen heerlijk

met Beatrice aan hemelse kusten

 

Ook natuur en kunst zijn mooi en van gewicht

Zij veroveren de geest en strelen en de ogen

met een levend lichaam of een beeldend gezicht

Maar dit alles liet mij geen bekoringen meer over

vergeleken bij het goddelijk licht dat mij belicht

 

Ik voelde door de kracht die uit haar wezen scheen

opnieuw de oude Liefdesmacht ontwaken

toen voor mij de aanblik zich herhaalde

de verheven invloed welke in mijn jeugd verdween

die toen ooit in mijn ziel een keer neerdaalde

 

Hoe wonderlijk het ook mag zijn, deze Liefde baarde

het volmaakt aanschouwen; zie nu hoe zij straalt

in onze geest als eeuwig licht van boven de aarde

dat liefde ontsteekt, zodra het in de ziel neerdaalt (8)

 

Toen antwoordde de liefde die daarin verbleef

’Goddelijk licht, maak mij tot brandpunt, stralend

in dit aldoordringend licht waarin ik leef’

 

Haar vermogen in verbinding met mijn schouwen

verhief zich boven mijzelf, zodat ik de Essentie

die dit uitzendt, kon aanschouwen (canto 21, 82-87)

 

Wat ik aanschouwde, leek mij een glimlach

van het heelal waardoor er een vervoering

over mij kwam door wat ik hoorde en zag (canto 27, 4-6)

 

Als alles wat tot dusver over haar gekend

was, geheel werd samengevat in één groot loflied

dan was dat niet te zeggen in dit moment (canto 30, 16-18)

 

Daarop richtte zij zich tot het eeuwige licht

waarvan geen enkel schepsel geloven kan

dat het helder zicht verkrijgen kan daarvan

 

Mijn zicht dat zuiver was gericht

werd meer en meer van het verheven licht

geheel doordrongen, dat waar is in zich

 

O Eeuwig licht dat slechts in U bestaat

en slechts uzelf begrijpt door eigen kracht

en uzelf in liefde vol begrip toelacht! (canto 33, 43-45, 52-54, 124-26)

 

De liefde die de zon beweegt en andere sterren (9, slotregel)

 

Dante en Beatrice aan de oevers van Lethe 1889, door de Venezolaanse schilder Cristóbal Rojas

 

Noten en literatuur

  1. Norbert Elias, De eenzaamheid van stervenden in onze tijd. Amsterdam, Meulenhoff, 1984, 2008.
  2. Herman Wolf, ‘Goethe en Swedenborg’ in  Uitzicht, onafhankelijk maandblad voor geestelijke stromingen, nr 1, mei 1939. p 16; Onsterfelijkheid als wijsgerig probleem,  Leiden, 1933, hfst 3; Hij verwijst naar Prof van Os. ‘Kant en Swedenborg’ en ‘Synthese’, 1937. Zie ook J J Poortman, ‘Immanuel Kant en de Parapsychologie’ in Theosofia 64, jan 1963.
  3. Eben Alexander, De hemel in kaart: Een neurochirurg onderzoekt de mysteries van het hiernamaals. Amsterdam, Bruna, 2014
  4. Emanuel Swedenborg, Over de hemel en des zelfs wonderlijke dingen en over de hel vanuit de gehoorde en geziene dingen. Den Haag, Swedenborg genootschap, 1953; Het huwelijk, De conjugio. Idem, 1927; Essential Readings, Michael Stanley, Ed., 1988;
  5. J C Bleeker, De overwinning op den dood. Naar Oudegyptisch geloof. Den Haag Servire, 1942.
  6. Zie ook Hein van Dongen en Hans Gerding, Het voertuig van de ziel. Het fijnstoffelijk lichaam; beleving, geschiedenis, onderzoek. Deventer Ankh Hermes, 1993, een voortzetting van het werk van J J Poortman (een leerling van de psycholoog Heymans), Vehicles of Consciousness en andere werken en W  TenhaeffHCHH C Tenhaeff, Beknopte handleiding der Psychical Research.
  7. Arthur Eddington, The Nature of the Physical World. University of Michigan Press, 1978; Erwin Schrödinger, Mind and Matter. Cambridge University Press, 1967. Samengevat in Civis Mundi nr 27.
  8. Uit H Engel, ‘Benaderingen van het Onzegbare in de oude mysteriën en in de moderne wetenschap’, Theosophia, 62, januari 1961, p 14, vertaling gemoderniseerd;
  9. Dante, Divina Commedia. Groningen, Wolters Nordhoff 1988. Vertaling aangepast met behulp van The Divine Comedy, transl. L G White en de Penguin Books editie vertaald door Dorothy Sayers.
    Het thema is verwant met dat van Symposion bij Plato en Goethe’s Faust en het werk van Novalis. Het gaat over een opstijgende, verheffende beweging van het stoffelijke naar het geestelijke en goddelijke, van lust naar liefde, waarbij de tijdelijke aardse geliefde versmelt met de goddelijke eeuwige liefde.