Kissingers Wereldorde versus de Internationale Rechtsorde

Civis Mundi Digitaal #34

door Gelijn Molier

Mr.dr. Gelijn Molier is als universitair hoofddocent werkzaam bij de afdeling Encyclopedie van de rechtenfaculteit te Leiden.

 

Inleiding

Het boek Wereldorde van Henry Kissinger is het goede boek op het juiste moment.[1] Falende staten, non-statelijke terroristische groeperingen, de oprichting van een Islamitisch Kalifaat, Ruslands eigenmachtige optreden op de Krim en in Oekraïne en een opkomende Chinese supermacht: het Westfaalse systeem van soevereine staten staat van alle kanten onder druk. Toch is het dit op Europese leest geschoeide systeem van het machtevenwicht geweest dat de afgelopen eeuwen de voorwaarden heeft geschapen waaronder enige vorm van wereldorde überhaupt mogelijk is geweest. Kissinger’s boek is om vele redenen een zeer belangrijk boek, niet in het minst omdat wij in een tijd leven waarin de machtsbalans ten nadele van het westen verschuift en enigerlei vorm van wereldorde niet langer een vanzelfsprekendheid is.

Aan de hand van een historische benadering neemt Kissinger ons mee naar de opkomst en neergang van Europa als wereldmacht die zijn wil en daarmee orde aan de rest van de wereld lange tijd heeft kunnen opleggen; vervolgens gaat hij nader in op de Islamitische vorm van wereldorde, alsmede het Chinese concept van orde, om te eindigen met een uitgebreide beschrijving van het model van wereldorde van de Verenigde Staten. Dit doet hij in een zeer welsprekende en boeiende stijl, waarbij hij zijn betoog onderbouwt met historische anekdotes zonder de hoofdlijn hiervan uit het oog te verliezen

In deze bijdrage staat echter het conceptuele kader van Kissinger’s boek centraal. Wat verstaat hij onder wereldorde? Aan welke voorwaarden moet worden voldaan wil hiervan sprake kunnen zijn? En, last but not least, hoe kan in de huidige tijd nog sprake zijn van een vorm van wereldorde?

 

Macht en legitimiteit

Kissinger, de politicus en theoreticus van het machtsevenwicht, wordt over het algemeen als een hard core realist beschouwd die het eigen belang van staten vooropstelt. Wereldorde lijkt eveneens een pleidooi voor deze realistische visie die uitgaat van een gezond machtsevenwicht als basis voor enige vorm van internationale orde; bij nadere beschouwing ontstaat echter een meer genuanceerd beeld en blijken regels, beginselen en waarden eveneens een belangrijke rol te spelen in het systeem van wereldorde zoals dat Kissinger voor ogen staat. Zonder macht gaat het weliswaar niet, maar op macht zonder legitimiteit kan geen duurzame wereldorde worden gebouwd. Die legitimiteit ontstaat en bestaat bij gratie van een gedeelde overtuiging ten aanzien van de aard van de regels, beginselen en waarden die aan die internationale orde ten grondslag zouden moeten liggen.[2]  Voor zover die regels, beginselen en de achterliggende waarden algemeen worden aanvaard, kan tevens gesproken worden van een internationale rechtsorde. Hoe sterker die internationale rechtsorde, hoe groter de legitimiteit van het systeem.  Macht en legitimiteit tezamen vormen dan wat we zouden kunnen aanduiden als het internationale systeem of de internationale orde. Juist die legitimiteit van het internationale systeem staat vandaag de dag onder druk. Om te kunnen begrijpen waarom dat het geval is en wat hiertegen gedaan kan worden, zullen we eerst iets zeggen over hoe Kissinger de relatie tussen macht en legitimiteit ziet en welke plaats waarden en internationale regels innemen in Kissingers theorie. Tot slot zal worden stilgestaan bij de internationale rechtsorde; bestaat er zoiets als een internationale rechtsorde en zo ja wat zijn dan de kenmerken van het systeem van internationaal recht? Alvorens we ertoe overgaan dit te bespreken zal eerst nog kort het Westfaalse systeem van orde worden besproken zoals dat door Kissinger wordt uiteengezet en waarvan hij zich een grote aanhanger betoont. Tevens wordt dan tegelijkertijd duidelijk dat ‘de internationale rechtsorde’ in feite de juridische codificatie van dit Westfaalse systeem behelst.

 

De Westfaalse Orde als moeder aller wereldordes

De eerste vorm van Wereldorde die Kissinger onderscheidt is die van de Westfaalse orde.[3] Deze berustte op een systeem van soevereine staten die zich niet inlieten met elkaars binnenlandse aangelegenheden en elkaars ambities in toom hielden door een algemeen machtsevenwicht. De Vrede van Westfalen die leidde tot een systeem van soevereine staten die elkaars territoriale grenzen respecteerden, was niet zozeer het gevolg van een uniek moreel inzicht, maar een praktische aanpassing aan de realiteit, juist omdat er als gevolg van de jarenlange godsdienstoorlogen niet één enkele waarheidsaanspraak als winnaar uit de Europese strijd naar voren was gekomen. Uitgangspunt was dat de staten binnen dit systeem elkaars interne structuur en religie zouden erkennen. Op deze wijze werden de ambities van de verschillende heersers in toom gehouden en kon de omvang van hun (toekomstige) conflicten worden beperkt. Het systeem was daarmee ten diepste waarden-relativistisch: op het overkoepelende niveau bestond er geen voor alle staten dwingende opvatting van het Goede; voor zover er al een waarde aan het Westfaalse systeem ten grondslag lag, was dat een negatieve waarde, namelijk die van pluriformiteit als enig levensvatbare waarde voor een statensysteem dat gekenmerkt werd door verdeeldheid en verschillende opvattingen over het Goede. Het uitgangspunt was een praktische houding waarbij verscheidenheid en pluraliteit het uitgangspunt en vertrekpunt voor de interstatelijke orde vormden.

Ondanks dat Kissinger zich dus een groot aanhanger betoont van het Westfaalse systeem stelt hij tegelijkertijd dat voor de levensvatbaarheid van een internationale orde naast het machtselement tevens sprake moet zijn van waarden. Hoewel hij erkent dat een internationale orde niet mogelijk is zonder macht, benadrukt hij dat ieder systeem van wereldorde wil het duurzaam kunnen zijn ook als ‘rechtvaardig’ moet worden beschouwd. Volgens Kissinger houdt dit in dat: 

 “It must reflect two truths: order without freedom, even if sustained by momentary exaltation, eventually creates its own counterpoise; yet freedom cannot be secured or sustained without a framework in order to keep the peace. Order and freedom,  sometimes described as opposite poles on the spectrum of experience, should instead be understood as interdependent.”[4]

 

Het is derhalve ‘realistisch’ om te erkennen dat waarden een rol moeten spelen in ieder systeem van internationale orde. De kern van de zaak is om de juiste balans te houden tussen de twee elementen van iedere internationale orde, te weten macht en legitimiteit. Immers:

“Calculations of power without a moral dimension will turn every disagreement into a test of strength; ambition will know no resting place; countries will be propelled into unsustainable tours of force of elusive calculations regarding the shifting configuration of power. Moral prescriptions without concern for equilibrium, on the other hand, tend toward either crusades or an impotent policy tempting challenges; either extreme risks the coherence of the international order itself.”[5]

Concluderend, het idee dat waarden onderdeel vormen van de internationale orde, a fortiori van de internationale rechtsorde is geen wishful thinking van kosmopolieten, maar dient als een vorm van realisme te worden aangemerkt, zowel uit het oogpunt van de internationale betrekkingen als vanuit het perspectief van het internationaal recht. Wat zijn nu de kenmerken van die internationale rechtsorde?

 

Soevereine gelijkheid als ‘grondnorm’ van de internationale rechtsorde

Een nadere analyse van de internationale rechtsorde leert dat deze kan worden gekarakteriseerd als een systeem van soevereine staten en daarmee in essentie niets anders behelst dan een juridificering van de Westfaalse orde. De soevereiniteit van de afzonderlijke staten vormt het fundament waarop het hele bouwwerk van het internationaal recht rust. De volgende aspecten of elementen kunnen aan het beginsel van staatssoevereiniteit worden toegekend: (politieke) onafhankelijkheid, autonomie, gelijkheid, territoriale onschendbaarheid en territoriaal bepaald gezag of (juridische) bevoegdheid.[6] Door verscheidene auteurs is er op gewezen dat deze elementen of aspecten van soevereiniteit de bouwstenen belichamen van een naar zijn aard en wezen liberaal statensysteem. Dat vraagt om een toelichting.[7]

Het internationaal recht gaat uit van een systeem van vrije, autonome, onafhankelijke en gelijke staten. Juist omdat staten verschillen vertonen waar het gaat om hun politiek of economisch systeem, alsmede in cultureel en religieus opzicht, dient te worden afgezien van bovenstatelijke waarden of normen die voor alle staten als leidraad zouden moeten gelden, behalve die waarden en normen die nu juist de vrijheid van zelfbepaling beschermen, zoals autonomie, onafhankelijkheid, non-interventie, territoriale onschendbaarheid en interstatelijke vrede en veiligheid. Vandaar de strikt juridische benadering: staten zijn vrij om te handelen zoals ze willen, om hun politieke instellingen vorm te geven op een wijze zoals het hen goeddunkt binnen de grenzen die het internationaal recht stelt.[8] Het gaat hier derhalve om een strikt formeel-juridische vrijheid.

Een logisch uitvloeisel van die autonomie en gelijkheid is dat een staat slechts aan het internationaal recht kan worden gebonden door middel van wilsinstemming. Net zoals de formele redenering in een liberale democratische staat luidt dat de burger zichzelf (indirect) de wet stelt, aangezien hij de volksvertegenwoordigers kiest die namens hem (in samenwerking met de regering) de wetten opstellen, zo impliceert binding van de soevereine staat aan het internationaal recht zelfbinding.[9]

De inherente logica van dit systeem brengt met zich mee dat het internationaal recht noodzakelijkerwijs dient af te zien van een visie op het Goede en pluriformiteit als vertrekpunt omarmt. Voor zover het al waarden (dus niet rechten) beschermt zijn dit primair ‘statelijke waarden’ verpakt in de norm van non-interventie, het geweldverbod en het beginsel van de soevereine gelijkheid van staten.[10] In die zin kan Cassese dan ook stellen dat “of the various fundamental principles regulating international relations, this is [i.e. the sovereign equality of States, G.M.] unquestionably the only one on which there is unqualified agreement and which has the support of all groups of States, irrespective of ideologies, political leanings, and circumstances.” [11]

Auteurs die stellen dat deze statelijke waarden en het statelijke paradigma aan betekenis verliezen als gevolg van een toenemend accent dat in de betrekkingen tussen staten wordt gelegd op samenwerking, tot uiting komend in de steeds belangrijkere rol die internationale organisaties op het wereldtoneel zijn gaan spelen, lijken daarbij uit het oog te verliezen dat: “Co-operation of States is largely for their benefit, not for the benefit of the community, nor for the benefit of individual human beings. International organizations promote technical, social and cultural co-operation by states.; they do not take “super-state” decisions in the interest of states or of all human beings everywhere.”[12]

Daarmee wordt tevens duidelijk dat de ontwikkeling en toenemende betekenis van mensenrechten een breuk vormt met dit systeem.  Naar de vorm kan weliswaar worden verdedigd dat zolang een staat partij is bij mensenrechtenverdragen dan wel hieraan gewoonterechtelijk gebonden wordt, hij in vrijheid (zelfbinding) de vrijheid om zijn burgers op bepaalde wijze te behandelen heeft beknot. Inhoudelijk echter kan worden gesteld dat: “The principle imposing respect for human rights, (…) is, in fact, competing – if not at loggerheads – with the traditional principles of respect for sovereign equality of States and of non-interference in the domestic affairs of other States.”[13]

Problemen ontstaan dan ook op het moment dat staat X of internationale organisatie Y claimen dat de niet-naleving van mensenrechten door staat Z een gewelddadige schending van diens territoriale soevereiniteit door staat X of internationale organisatie Y kan rechtvaardigen ter bescherming hiervan. In dat geval is er immers een botsing van rechten of beginselen en zal men slechts met een beroep op achterliggende waarden tot een oplossing kunnen komen. Al naar gelang de waarde waaraan het meeste gewicht wordt toegekend zal een besluit tot interventie gerechtvaardigd respectievelijk veroordeeld worden.

Koskenniemi heeft er op gewezen dat de formalisering van het internationaal recht nu juist tot doel had dit soort conflicten tussen waarden te vermijden.[14] Een strikt positivistische rechtsopvatting (alleen dat is recht waaraan staten zich door wilsinstemming hebben gebonden) moest voorkomen dat met een beroep op noties als rechtvaardigheid, humaniteit en universele mensheid  de moraal en het natuurrecht wederom het recht zouden worden binnengesmokkeld.[15] Kissinger zal eveneens een voorstander zijn van een dergelijk formeel-positivistische benadering van het internationaal recht. Tegelijkertijd stelt hij dat het zonder waarden niet gaat. Een beroep op mensenrechten of vrijheidsrechten (waarden) ter rechtvaardiging van de schending van de territoriale soevereiniteit holt het internationaal recht als een systeem van soevereine staten echter van binnenuit uit. Dit verklaart ook waarom de kwestie van humanitaire interventie zoveel controverses oproept binnen de statengemeenschap. Voordat daar nader op in wordt gegaan, wordt eerst nog stilgestaan bij een tweetal uitdagingen  voor het internationale systeem die Kissinger bespreekt, maar die evenzeer als uitdagingen aan het adres van de internationale rechtsorde kunnen worden aangemerkt.

 

De internationale (rechts)orde onder druk

Als eerste merkt hij op dat het concept van de staat zelf als fundament van het internationale systeem onder druk staat.[16] Enerzijds wordt de staat opzettelijk aangevallen en ontmanteld in delen van het Midden-Oosten door religieuze milities die zich niet langer iets aantrekken van grenzen; de facto is hier niet langer sprake van soevereine staten, maar van sektarische en etnische territoria die met elkaar in gevecht zijn. Anderzijds is er het probleem van de failed states, staten die niet zozeer bewust worden aangevallen, maar staten waarin de statelijke structuren te zwak zijn om nog effectief het gezag over de op hun grondgebied levende bevolking te kunnen afdwingen; verschillende staten in Afrika kunnen als dergelijke falende of fragiele staten worden gekwalificeerd. Daarnaast is in Europa een heel ander proces aan de gang, te weten een waarbij de soevereine staat wordt overstegen en de buitenlandse politiek wordt gebaseerd op economische macht en humanitaire waarden in naam van Europese instituties.[17] Daar de staten die deel uitmaken van de Europese Unie het machtselement in de Europese instituties bewust hebben ingeperkt en omdat zij hun militaire capaciteit aanzienlijk hebben afgeslankt, zijn zij nauwelijks in staat te reageren wanneer de Europese waarden worden geschonden dan wel hun belangen anderszins (dreigen) te worden aangetast.

Een tweede uitdaging die door Kissinger wordt genoemd is met name interessant voor de beoefenaren van het internationaal recht. Hij stelt dat er in internationaal verband geen effectief mechanisme bestaat voor overleg en samenwerking tussen de grote mogendheden.[18] In een tijd waarin voor ieder grensoverschrijdend probleem een internationale organisatie bestaat, lijkt dit een nogal boude stelling te zijn. Ofschoon Kissinger erkent dat die internationale organisaties zich inderdaad met alle mogelijke belangrijke onderwerpen bezighouden, ontbreekt het hen aan slagkracht en komen zij veelal niet verder dan het afkondigen van plechtige verklaringen. Kissinger noemt in het bijzonder de Veiligheidsraad als een internationaal orgaan dat ofschoon formeel met belangrijke bevoegdheden bekleed niet in staat is een vuist te maken, telkens wanneer het er op aan komt de internationale vrede en veiligheid te handhaven.[19]

Daarnaast noemt hij de Europese Unie, de G7 of G8, de APEC (Asia-Pacific Economic Cooperation) en de ASEAN (Association of Southeast Asian Nations) als voorbeelden van internationale organisaties die formeel zeer belangrijk zijn, maar in de praktijk zijn gereduceerd tot ‘papieren tijgers’.[20]

De aard en werkwijze van deze internationale organisaties en internationale overlegfora brengt dan ook met zich mee dat het formuleren van een lange termijn strategie zo goed als onmogelijk is; maar dit is nu precies wat nodig is om de huidige problemen te lijf te kunnen. De enige wijze waarop volgens Kissinger een structuur van internationale regels en normen nog relevantie kan behouden is wanneer deze wordt gekoesterd als een gezamenlijke overtuiging en niet enkel en alleen nog wordt bevestigd door middel van formele verklaringen waar geen  consequenties aan worden verbonden.[21]

De Westfaalse orde die door Europa werd gevestigd en door het Westen tot universeel systeem van orde werd verheven, staat volgens Kissinger dan ook op een keerpunt. Concepten als democratie, mensenrechten en internationaal recht worden vaak op zulke uiteenlopende wijze geïnterpreteerd dat beide strijdende partijen zich hierop beroepen en claimen het recht aan hun kant te hebben. En hoewel iedereen zich tegenwoordig dus op dezelfde regels beroept, hebben die internationale regels en normen weinig te betekenen wanneer zij niet (kunnen) worden gehandhaafd. In sommige delen van de wereld wordt het negeren van universele normen gezien als een deugd, juist omdat het westerse normen zouden zijn. Het gevolg van dit alles is volgens Kissinger niet zozeer een verdeling van de macht over meerdere polen, maar een wereld die gekenmerkt wordt door steeds meer tegengestelde waarden.[22]

De reconstructie van het internationale systeem is volgens Kissinger dan ook de ultieme uitdaging waar de internationale politiek vandaag de dag voor staat. Mochten de politieke leiders van de grote mogendheden daar niet in slagen dan zal het gevolg niet alleen oorlog tussen staten zijn, maar ook – en nog belangrijker - het ontstaan van verschillende invloedssferen die samenvallen met bepaalde binnenlandse structuren en regeringsvormen. Het moet in dit verband niet worden uitgesloten dat het Westfaalse model tegenover een radicaal islamitische versie van internationale orde komt te staan.[23] Het gevolg is behalve een oorlog tussen staten, een nog veel verlammender oorlog tussen verschillende regio’s, aangezien deze elkaars orde niet als legitiem zullen beschouwen.[24]

Een echte oplossing biedt Kissinger niet, behalve dat hij stelt dat het concept van het machtsevenwicht opnieuw doordacht moet worden en dat een daadkrachtig optreden van Amerika absoluut noodzakelijk is om de huidige uitdagingen te lijf te gaan. Tegelijkertijd erkent hij dat een wereldorde nooit kan worden afgedwongen door één land, hoe machtig dit land ook moge zijn.[25]

Hij eindigt zijn boek dan ook vrij abstract door een pleidooi te houden voor een herijking van het Westfaalse systeem. De kern hiervan is dat de afzonderlijke delen van de internationale orde hun eigen waarden moeten kunnen behouden, terwijl er tegelijkertijd een die afzonderlijke delen overstijgende structuur moet zijn die zowel wereldwijd als structureel als juridisch is; het gaat hier derhalve om een concept van orde dat het perspectief en de idealen van individuele regio’s overstijgt.[26]

 

Afsluitende Opmerkingen

Wat zou dit alles kunnen betekenen voor het systeem van internationaal recht of de internationale rechtsorde? Ten eerste moet worden vastgesteld dat wanneer het concept van de soevereine staat niet langer als fundament van het internationaal systeem wordt aanvaard, de internationale rechtsorde eveneens in het geding is. We hebben immers gezien dat de internationale rechtsorde in feite als een juridificering van het Westfaalse systeem kan worden beschouwd. De ontwikkeling en het toenemende belang van mensenrechten vormt een breuk met dit systeem in dier voege dat het uitgangspunt van pluraliteit wordt beperkt door de eis dat iedere soevereine staat binnen zijn grenzen fundamentele mensenrechten dient na te leven; zogenaamde humanitaire interventies blijven echter zeer problematisch omdat zij een inbreuk maken op het stelsel van soevereine en gelijke staten. Tegelijkertijd verplaatst de macht zich in toenemende mate naar China en enkele andere niet-Westerse staten. Deze hebben een andere opvatting van mensenrechten en verzetten zich zowel principieel als in de praktijk tegen humanitaire interventies. In dit licht ligt bezien valt eerder een terugkeer naar het klassieke Westfaalse systeem in de betekenis van vreedzame coëxistentie te verwachten, dan een op mensenrechten (individuele vrijheid) gestoelde orde van internationaal recht.

Een belangrijkere bedreiging voor de internationale rechtsorde echter vormen allerlei non-statelijke actoren die het stelsel van soevereine staten als zodanig afwijzen. IS en andere Islamistische terroristische groeperingen erkennen niet alleen de territoriale grenzen van staten niet, maar zijn uit op een Islamitisch kalifaat waarin niet langer plaats is voor soevereine staten; volgens deze Islamistische opvatting van orde zijn niet-islamitische entiteiten onwettig, omdat de principes van de Islamitische staat van God zijn ontvangen; niet Islamitische-entiteiten kunnen nooit worden geaccepteerd als werkelijk gelijkwaardige partners. Een vreedzame wereldorde kan vanuit de Islamistische visie slechts bestaan bij de gratie van de stichting en uitbreiding van het Islamitisch kalifaat en niet als gevolg van een machtsevenwicht tussen soevereine staten.

Tot slot is er de problematiek van de falende staten, deze zijn slechts nog in naam soeverein, maar kunnen de facto niet langer als soevereine staat worden beschouwd. Hoe dient het internationaal recht met dit alles om te gaan om zijn relevantie als een systeem ter regulering van de betrekkingen tussen staten te behouden?

De kwestie van de humanitaire interventie en de problematiek van de falende staten laten zich nog oplossen binnen het systeem van internationaal recht, aangezien in het laatste geval het antwoord is gelegen in een versterking van de soevereiniteit en in het eerste geval in een meer verantwoorde uitoefening hiervan (sovereignty as responsibility). Dit kan in het uiterste geval met zich meebrengen dat die verantwoordingsplicht overgaat van de staat op de internationale gemeenschap; voor zover de internationale gemeenschap die verantwoordingsplicht overneemt is dat alleen en voor zover als gevolg hiervan een verantwoorde uitoefening van die soevereiniteit weer mogelijk wordt; op het moment dat dit het geval is en de staat wederom in staat dan wel bereid is zijn bevolking te beschermen, komen alle soevereine rechten weer toe aan de staat. Het gaat hier derhalve slechts om een tijdelijke opschorting van soevereine rechten, die primair een herstel van soevereiniteit als verantwoordelijkheid tot doel heeft.[27] 

Waar het IS betreft ligt dit echter geheel anders. IS vormt een bedreiging voor het statensysteem an sich. Hoewel geen staat in juridische zin, kan een analogie gemaakt worden met wat Rawls in zijn Law of Peoples aanduidt als rogue states. Het gaat hier om staten die  de internationale rechtsorde niet erkennen, intern de mensenrechten schenden en in hun externe relaties agressieve bedoelingen hebben.[28] Omdat hun loutere aanwezigheid al een bedreiging vormt voor de vreedzame coëxistentie van staten is het gerechtvaardigd om hen preventief aan te vallen. In de woorden van Rawls:

“As we have worked out the Law of Peoples for liberal and decent peoples, these peoples simply do not tolerate outlaw states. (…) Liberal and decent peoples have extremely good reasons for their attitude. Outlaw states are aggressive and dangerous; all peoples are safer and more secure if such states change, or are forced to change, their ways. Otherwise, they deeply affect the international climate of power and violence.”[29]

Met betrekking tot de bestrijding van IS op Syrisch grondgebied kan dit met zich meebrengen dat we minder formeel juridisch met het soevereiniteitsbegrip moeten omgaan en een schending van de Syrische territoriale soevereiniteit gerechtvaardigd kan zijn juist met het oog op het behoud van het systeem van soevereine staten. Dit vormt een belangrijk verschil met het Assad-regime dat - hoe verwerpelijk dit in moreel opzicht ook moge zijn - geen bedreiging vormt voor de orde van soevereine staten; integendeel het wenst juist vast te houden aan de territoriale soevereiniteit van Syrië en is evenmin uit op aantasting van de soevereiniteit van andere staten.

Al met al valt te verwachten dat staten de komende jaren een meer rekkelijke interpretatie van de regels inzake het gebruik van geweld zullen geven, teneinde hun eigen soevereiniteit en dat van het statensysteem zelf te beschermen.[30] Het internationaal recht zal zich aan deze nieuwe ‘wereldwanorde’ aanpassen. Immers, alleen een internationaal recht dat geworteld is in de werkelijkheid en niet in een sociaal wenselijke constructie daarvan, blijft zijn relevantie behouden als een systeem ter regulering van het gedrag van staten. Het Westfaalse systeem van de soevereine staat zal – hoewel zwaar onder druk staand – daarbij het uitgangspunt blijven, al is het maar omdat het alternatief van het Islamitische Kalifaat voor de rest van de statengemeenschap totaal onaanvaardbaar is.



[1] H. Kissinger, World Order. Reflections on the Character of Nations and the Course of History, London: Allen Lane an imprint of Penguin Books 2014.

[2] Kissinger 2014, p. 9-10.

[3] Zie Kissinger 2014, Chapter I: Europe: The Pluralistic International Order.

[4] Kissinger 2014, p. 8.

[5] Kissinger 2014, 367.

[6] I. Brownlie, Principles of Public International Law, Oxford: Clarendon Press 1990, p. 287; A. Cassese, International Law, Oxford: Oxford University Press 2001, p. 89-90; L. Henkin, International Law: Politics and Values, Dordrecht: Martinus Nijhoff Publishers 1995, p. 10-11; G. Kreijen e.a. (eds.), State, Sovereignty, and International Governance, Oxford: Oxford University Press 2002, p. 47-48.

[7] Onderstaande paragraaf is deels overgenomen uit: G. Molier, ‘De soevereine staat en het internationaal recht: een ongemakkelijke symbiose’, in: G. Molier en T. Slootweg (red.), Soevereiniteit en recht. Rechtsfilosofische beschouwingen, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2009, p. 138-141.

[8] Zie b.v. Brownlie 1990, p. 287; H. Steinberger, ‘Sovereignty’, in: R. Bernhardt (ed.), Encyclopedia Of Public International Law. Volume Four, Amsterdam: Elsevier 2000, p. 511.

[9] Voor kritiek op deze ‘voluntarist theory’ of ‘theory of auto-limitation’, zie H.L.A. Hart, The Concept of Law, Oxford: Clarendon Press 1961, p. 219-221.

[10] Henkin 1995, p. 108.

[11] Cassese 2001, p. 88.

[12] Henkin 1995, p. 107.

[13] Cassese 2001, p. 104.

[14] M. Koskenniemi, From Apology to Utopia. The Structure of International Legal Argument, Cambridge: Cambridge University Press 2005, p. 189-197.

[15] Koskenniemi 2005, p. 189-197.

[16] Kissinger 2014, p. 367-368.

[17] Kissinger 2014, p. 368.

[18] Kissinger 2014, p. 369-370.

[19] Kissinger 2014, p. 370.

[20] Kissinger 2014, p. 370.

[21] Kissinger 2014, p. 370.

[22] Kissinger 2014, p. 365.

[23] Kissinger 2014, p. 371.

[24] Kissinger 2014, p. 371.

[25] Kissinger 2014, p. 371-372.

[26] Kissinger 2014, p. 373.

[27] Uitgebreid over de kwestie van humanitaire interventie en de problematiek van falende staten zie: G. Molier, ‘Humanitaire Interventie en de the responsibility to protect’, Militair Rechtelijk Tijdschrift (108) 2015, p. 165-188; G. Molier, ‘Falende Staten en non-statelijke actoren: Het internationaal recht onder druk’, Internationale Spectator (69) 2014,  p. 1-5.

[28] J. Rawls, The Law of Peoples, Cambridge, Massachusetts: Harvard University Press 1999, p. 80-81.

[29] Rawls 1999, p. 81.

[30] Vergelijk G. Molier, ‘Falende Staten en non-statelijke actoren: Het internationaal recht onder druk’, Internationale Spectator (69) 2014,  p. 5.