Problematiek export westerse democratie

Civis Mundi Digitaal #34

door Wim Couwenberg

Naïef verwachtingspatroon

Bij de export van westerse democratie wordt meer belang gehecht aan de vorm, het ritueel (vrije verkiezingen) dan aan de inhoud van politieke democratisering. Die valt immers niet te herleiden tot alleen een stembusgang. Verkiezingen invoeren is meestal niet zo moeilijk. Ook autocraten maken er tegenwoordig gebruik van, zoals recent nog in Egypte en Syrië. Maar waarborging van constitutionele vrijheden en effectieve democratische verantwoording van beleid met zo nodig wisseling van de wacht, dat blijkt heel wat problematischer te zijn.[1] De wijze waarop de westerse democratie in feite functioneert, in het bijzonder de partijendemocratie, staat trouwens zelf ook onder de nodige kritiek. Zij wordt zelfs als een lege huls gekritiseerd.[2]

Door de sterke nawerking van feodale, tribale en traditioneel-religieuze invloeden in de niet-westerse, i.c. Arabische wereld wordt met vrije democratische verkiezingen niet alleen een vruchtbare voedingsbodem geschapen voor interreligieuze groepsconflicten, dat leidt bovendien tot een toe-eigening van de staat door en ten bate van de etnische of religieuze groepen die daar langs democratische weg aan de macht komen. Dat gebeurde ook weer in Egypte onder president Morsi die als exponent van de moslimbroederschap voornamelijk een bewind voerde ter versterking van de eigen islamitische invloed. Dat resulteerde in een krachtmeting tussen het leger en de moslimbroederschap. En die is gewonnen door het leger. In plaats van een democratische ontwikkeling in westerse zin is de Arabische lente in Egypte vooralsnog uitgelopen op een nieuwe militaire dictatuur met legerleider El-Sisi als nieuwe machthebber, die zijn macht meteen gedemonstreerd heeft in een gewelddadige afrekening met de leiders en rebellerende achterban van de moslimbroederschap en in 2014 met overweldigende meerderheid (93% van de stemmen) tot de nieuwe president van Egypte gekozen is, zij het wel met een bescheiden opkomstpercentage van 46%.

Vanuit het naïeve en geschiedfilosofisch ondoordachte verwachtingspatroon over de export van westerse democratie, dat het uitgangspunt was van de westerse houding ten opzichte van de Arabische Lente, is ook de Syrische burgeroorlog benaderd. Vandaar spontane steun aan de rebellen. Maar het is spoedig duidelijk geworden dat grote delen van die Syrische rebellen er helemaal niet op uit zijn een westerse democratie in Syrië te stichten, maar een islamitische staat. Op spectaculaire wijze is dat luidruchtig gedemonstreerd door de eerder genoemde radicaal-islamitische beweging van de Islamitische Staat, aanvankelijk een lokale afdeling van Al Quaida, maar sinds de rebellie in Syrië in 2011 uitgegroeid tot de sterkste rebellenbrigade aldaar. Daar Assad zich als autoritaire leider nog steeds weet te handhaven, de rebellen sterk versplinterd raken en moslimradicalen daar de dienst uitmaken, rijst de vraag of deze machiavellistische potentaat van westerse zijde niet te vroeg is afgeschreven. Hij is een politieke schurk, maar hij wordt nu mede in het zadel gehouden door de steun van Rusland en Iran. Hij moet nog wel even blijven, zo luidt een realistisch getoonzet oordeel hierover, want het einde van het Assad-regime is in de huidige historische context nog erger.

 

Hoe geloofwaardig is de opportunistische wijze waarop westerse democratie wordt uitgedragen?

Is een regelrechte export van westerse democratie trouwens wel zo ongelofelijk veel doden, vluchtelingen en menselijk leed waard als het geval is in de Syrische burgeroorlog? Export van democratie in westerse zin ligt in de lijn van de geschiedenis van de moderniteit. Maar het moet geen fundamentalistisch beleden principe worden. In de westerse geschiedenis zijn vaak ook tal van tussenstappen nodig geweest, voordat een levensvatbare democratie van de grond kwam. Hoe dit zij, na drie jaar burgeroorlog worden veiligheid en stabiliteit, zoals de opnieuw gekozen president Assad die garandeert, door de meeste kiezers in het door hem beheerst gebied geprefereerd boven democratie.

Hoe geloofwaardig is eigenlijk de naïeve (lineaire) en opportunistische wijze waarop de democratische boodschap van westerse (in het bijzonder Amerikaanse) zijde wordt uitgedragen? Ik herinner in dit verband nog eens aan de democratische dominotheorie, waarmee de Amerikaanse president George W. Bush zijn Irakoorlog in tweede instantie probeerde te legitimeren. Hij bedoelde daarmee het domino-effect dat het brengen van vrijheid en democratie in Irak via die oorlog zou hebben op de andere niet-democratische staten in het Midden-Oosten. Het werd, zoals bekend, een tragische mislukking. Dat geldt  ook voor de westerse interventie in Afghanistan. Die interventies hebben Amerika 1 biljoen dollar gekost, 5.000 doden, 50.000 gewonden en enkele miljoenen ontregelde levens. Het verwerpelijke regime van Khadaffi in Libië is ingeruild voor een broeinest van jihadistische milities. En in Egypte is het ene militaire regime met een moslimfundamentalistisch intermezzo opgevolgd door een ander militair regime, dat op zijn beurt door Amerika financieel gesteund wordt. Met een autoritair, repressief en streng islamitisch – i.c. soennitisch-fundamentalistisch – regime als Saoedi-Arabië worden van westerse zijde sinds jaren ook uitstekende relaties onderhouden.

 



[1] Zie o.a. F. Zakaria, The rise of illiberal  democracy Foreign Affairs, 1997; en H. Leurdijk, Regimeverandering: de uitdaging van democratische interventie, Vrede en Veiligheid, 2, 2004

[2] Zie P. Mair, Ruling the Void. The Hollowing of Western Democracy, 2012