Evaluatie populisme: in hoeverre is het alarmerend? Niet zo alarmistisch, s.v.p.

Civis Mundi Digitaal #44

door Wim Couwenberg

Amerikaanse achtergrond

Populisme staat de laatste tijd weer volop ter discussie als neo-populisme. Dat neo-populisme duidt in de media veelal op een negatief gewaardeerd politiek fenomeen. Ik heb daar tijdens de Fortuynrevolte van 2002, toen dat ook aan de orde was, al stelling tegen genomen, en kom er nu nog eens op terug, temeer nu het in het vorige nummer van Civis Mundi zelfs opgevoerd is als nieuw politiek alternatief tegenover het in verval geraakte linkse alternatief. Uit een reeks van nieuwe boeken, die inzet zijn van de Socrates Wisselbeker, blijkt dat filosofen eensgezind lijken in hun voornemen populisme minder alarmistisch te benaderen dan gebruikelijk is. Daar sluit ik me bij aan. Er is vooralsnog geen reden voor zoveel politieke hysterie als we de laatste tijd beleven.

Populisme duidt oorspronkelijk op een politieke richting die in Amerika omstreeks de vorige eeuwwisseling op de voorgrond treedt en zich sterk maakt voor verbetering van het lot van minderbedeelde volksgroepen en uit dien hoofde een progressief imago had. Zoals eerder uiteengezet, is de Amerikaanse politiek gevrijwaard gebleven van de ideologische strijd zoals die in Europa sinds de Franse Revolutie van 1789 ontbrand is. Sinds lang hebben verkiezingscampagnes daar een populistische inslag zonder dat dit daar als een negatief verschijnsel ervaren en gehekeld wordt. De laatste presidentsverkiezingen met Donald Trump als nieuwe Amerikaanse president hebben dat, evenals de voorlaatste met Obama als president, opnieuw geïllustreerd. Dat populisme in de VS geen negatieve associaties oproept, komt omdat democratie daar niet, zoals in Nederland, geïdentificeerd wordt met representatieve democratie.

 

Populisme in Nederland in zwang sinds de Fortuynrevolte

In Nederland is populisme als politiek etiket sinds de Fortuyn-revolte ook in zwang gekomen. Die revolte werd geïnterpreteerd en bestreden als de opkomst van een populistisch getoonzet politiek alternatief dat als een negatieve ontwikkeling gehekeld werd. In de geest van die negatieve interpretatie onderscheidde de sociaal-democraat Arie van der Zwan in zijn boek De uitdaging van het populisme (2003) sinds de jaren ’80 een drietal populistische golven: de neoliberale golf van de Amerikaanse president Reagan en de Britse premier Thatcher in de jaren ‘80; de opportunistisch-pragmatische golf van de sociaal-democratische Derde Weg met de Britse premier Blair als boegbeeld in de jaren ’90; en het huidige rechtse populisme waarvan de Fortuyn-revolte in Nederland als voorbeeld dient. Dat zijn wel alle populistisch geheten golven met een politieke stellingname die de auteur niet zint. Het zijn golfbewegingen die veel weerklank vonden onder de bevolking. Maar is dat voldoende reden om ze populistisch in negatieve zin te noemen?

In de kern duidt populisme in de overheersende negatieve betekenis op het zich afzetten tegen gevestigde elites en hun toonaangevende opvattingen, en op de exploitatie van het wantrouwen en het ressentiment van het ‘gewone volk’ tegen de elites. Maar tijdens de Fortuynrevolte verweerden ook culturele elites zich tegen wat zij als populistische tendenties op hun terrein meenden te ontwaren. Op het terrein van de architectuur bijvoorbeeld zijn het critici die zich afzetten tegen het neotraditionalisme, en die stroming vanwege de weerklank ervan onder de bevolking in de populistische hoek duwden. In de literatuur waren het literaire critici die dat deden met literaire bestsellers; en in de media critici die zich afzetten tegen de sensatiezucht van de media, en het te veel tegemoetkomen aan de smaak van het lager ontwikkeld publiek met infotainment en kijkcijferjournalistiek.

 

Samenhang democratie en populisme

Dat er samenhang is tussen democratie en populisme is in de literatuur al uitvoerig uit de doeken gedaan. Democratiseringsprocessen gaan vergezeld van populistische erupties. Na de Patriottentijd (1788-1800) en de emancipatiebewegingen rond de vorige eeuwwisseling van arbeiders, gereformeerde Kleine Luyden en katholieken is zo’n populistische eruptie sinds de Fortuynrevolte en het optreden van Geert Wilders opnieuw op de voorgrond getreden. Dat is in eerste instantie op scherpe afwijzing gestuit. Verzet tegen de heersende politieke elite, groot wantrouwen in het gezonde verstand van gewone mensen, en de volkswil als uitgangspunt van de politiek. Dat waren de drie meest typerende aspecten van populisme, waarvan ook de Fortuynrevolte in de ogen van zijn critici een nieuwe kwalijke expressie was. Maar waarom is dat per se negatief? Is het democratische proces niet juist ontstaan uit verzet tegen het heersende in plaats van dienende elites? Is het algemeen kiesrecht niet ingevoerd in goed vertrouwen op het gezonde verstand van gewone mensen? En ligt de volkswil niet ten grondslag aan het oorspronkelijke concept van de democratie? Daarop bouwde een prominent staatsrechtgeleerde als Hugo Krabbe ook voort in zijn respectabele leer van de rechtssoevereiniteit.

Als uitvloeisel van de volkssoevereiniteit is de volkswil als democratisch grondrecht expliciet verankerd in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948 (art. 21 lid 3). Tijdens de culturele revolte van de jaren ’60 gooide die oriëntatie op de volkswil opnieuw hoge ogen in de radicaal democratische beweging van toen, met D’66 als partijpolitieke expressie. Populistisch heet ook het benadrukken van directe democratie. De Zwitserse democratie doet dat sinds lang, en zelfs op radicale wijze. Valt zij om die reden als populistisch in negatieve zin aan te merken? Opkloppen van politiek onbehagen geldt eveneens als populistisch. Maar is dat niet een gebruikelijke neiging van iedere alerte politieke oppositie?

Evenals de publicist H.J. Schoo heb ik die louter negatieve interpretatie van populisme zoals gezegd in een reflectie op de Fortuyn-revolte[1] al ter discussie gesteld. Die revolte richtte zich ongetwijfeld tegen het politieke establishment en het gevestigde politieke bestel. Maar deed dat ook niet de politieke revolte van de jaren ’60 en de radicaal-democratische beweging die daarin op de voorgrond trad met als strijdbanier de leuze terug naar de basis en D66 als belangrijkste partijpolitieke boegbeeld van die beweging? Ondanks die populistisch getinte leuze en daarop aansluitende activiteit werd die beweging niet als populistische reactie in negatieve zin in de ban gedaan. Aan de politieke linkerzijde werd D66 daarentegen begroet als neo-democratische correctie en tevens als welkome nieuwe uitdager van het confessioneel-liberale establishment en als zodanig spoedig betrokken bij de progressieve concentratie die daartegen ten aanval trok.

In meerdere commentaren – onder andere die van de historicus Piet van Rooij[2] - is de Fortuyn-revolte vergeleken met die van de jaren ’60 vanwege de luide nagalm van de opstandige geest van die jaren die daarin doorklonk, zoals de roep om meer directe democratie, stellingname tegen het verzuilde politieke denken en het daarachter vaak schuilgaande technocratische beleid, polarisatie van de politieke verhoudingen en politiek leiderschap als identiteitsbepalende factor. Beide revolten deelden ook een pragmatische in plaats van een ideologisch gekleurde politiek stijl.

 

Positieve en negatieve uitingen van populisme

Al spoedig na de Fortuynrevolte werd terecht onderscheid gemaakt tussen positief en negatief populisme.[3] Die louter negatieve interpretatie is het gevolg van de verabsolutering van de representatieve democratie die in Nederland zo lang tot de conventionele wijsheid behoorde en als regententraditie deel uitmaakt van de heersende politieke cultuur. Als we uitgaan van de oligarchische tendens die in iedere representatieve democratie optreedt en gekozen elites op termijn maakt tot een gesloten en in zichzelf gekeerde politieke klasse, is een populistische reactie daartegen een normale poging tot herstel van democratisch functionerende politiek en vervult zij als zodanig nuttige democratische functies als het signaleren en agenderen van niet of onvoldoende erkende problemen, het corrigeren van een naar binnen gekeerd politiek bestel en het herstellen van democratische legitimiteit.[4] Het succes van die reactie kunnen we interpreteren als een bevestiging van de realiteit van een te gebrekkig functionerende democratie. Na de Fortuyn-revolte valt het daarop aansluitende populisme daar eveneens in belangrijke mate toe te rekenen.

In democratisch opzicht is er derhalve niets mis met een populistische stellingname als die zich richt tegen een politiek establishment dat vervreemd geraakt is van zijn basis en politieke macht en posities in eigen beheer houdt, met bestuurlijke inteelt als gevolg. Dan hebben we te maken met een positieve uiting van populisme. Als de waan van de dag politieke standpunten bepaalt en als politici in hun streven naar politiek succes burgers zoveel mogelijk naar de mond praten en de complexe politieke realiteit versimpelen, bijvoorbeeld door die realiteit te reduceren tot een simplistisch links-rechts schema, kan men met recht spreken van populisme in negatieve zin.

Het orangisme kan als een typisch Nederlands populisme geïnterpreteerd worden, zoals de publicist Schoo eerder deed. Als verbond van het volk aan de basis met het Oranjehuis tegen de politieke regentenklasse, met haar vriendjespolitiek en hokjesgeest, is dat in zijn ogen een goed voorbeeld van gestolde argwaan tegen die politieke klasse.

In democratisch opzicht is er derhalve niets mis met een populistische stellingname, als die zich richt tegen een politiek establishment dat vervreemd is geraakt van zijn politieke basis, en politieke macht en posities in eigen beheer houdt, met bestuurlijke inteelt als gevolg. Tijdens de verzuiling hebben we dat in opvallende mate beleefd, en hebben we te maken met een positieve uiting van populisme. Als de waan van de dag politieke standpunten bepaalt, en politici in hun streven naar succes burgers zoveel mogelijk naar de mond praten, op onverantwoorde wijze inspelen op gevoelens van haat en ressentiment onder de bevolking, en complexe politieke realiteit versimpelen, bijvoorbeeld door die realiteit te reduceren tot een simplistisch links-rechts schema, kan men met recht spreken van populisme in negatieve zin.

 

Elitevorming voorwaarde voor innovatie en maatschappelijke vooruitgang

Daarvan is ook sprake als elitevorming als maatschappelijk fenomeen zonder meer ter discussie gesteld wordt en afgewezen. Dat gebeurde ook door de democratiseringsbeweging van de jaren ’60. Die wekte de illusie dat elitevorming uit de tijd zou zijn, evenals elitair gedrag. Elitair kreeg sindsdien jarenlang een negatieve connotatie. Een prominente linkse socioloog als W.F. Wertheim[5] heeft geprobeerd die illusie met wetenschappelijke argumenten te onderbouwen. Uitgaande van de emancipatie van de mens als dominerende trend in de wereldgeschiedenis ziet hij een toenemende gelijkheid van alle mensen in het verschiet, en dus een progressieve terugdringing van elitevorming en elitewaan, en van het aristocratisch-pessimistische mensbeeld dat daaraan ten grondslag ligt. Maar het moderniseringsproces impliceert niet alleen een permanent streven naar democratisering van maatschappelijke verhoudingen maar tegelijk ook naar innovatie en maatschappelijke vooruitgang. En dat laatste is niet denkbaar zonder het initiatief van creatieve en inspirerende culturele, politieke en economische elites.



[1] S.W. Couwenberg, Opstand der burgers, Civis Mundi jaarboek 2004, p 54 e.v.

[2] Zie Wat is een Nederlander? Uitgave Volkskrant, 2003, p 53

[3] Zie R. Cuperus, ”Ik ben uw leider, dus ik volg u”, Ons Erfdeel, juni 2005

[4] In die geest ook H.J. Schoo, Van oude en nieuwe klassen of de deftigheid in het gedrang, in: Haagse tegenstrijdigheden, 2003, pp. 18-19

[5] W.F. Wertheim, Evolutie en revolutie, 1972; idem, Elite en massa, 1975, pp. 18 e.v.