Bekentenissen van een vrijzinnig* atheïst

Civis Mundi Digitaal #60

door Ludo Abicht

(* ter attentie van de Vlaamse lezers: “vrijzinnig” is helemaal niet hetzelfde als agnostisch of atheïstisch, begrippen die in Vlaanderen helaas onterecht door elkaar gebruikt worden. Zie daarover het verhelderend artikel van Wim Couwenberg; “Brengt religie meer vrede of meer oorlog? – 2018)

 

Niet alle omkeringen zijn logisch correct: uit het feit dat bepaalde militante atheïsten de vrijzinnige christenen “crypto-atheïsten” noemen volgt niet noodzakelijk dat vrijzinnige atheïsten, waartoe ik mezelf reken, automatisch “crypto-gelovigen” zouden zijn. We moeten trouwens erg bedachtzaam omgaan met het woord “crypto” dat al te vaak een intentieproces verbergt: jij zegt bijvoorbeeld wel uitdrukkelijk dat je gelovig bent, maar wij weten wel beter. Daarmee scoren we tweemaal: ten eerste hebben we je ontmaskerd als een agnost of atheïst die zich om een of andere reden achter de eufemistische omschrijving als “vrijzinnig gelovige” verbergt, en ten tweede kunnen we de discussie over de gevaren, dwalingen en absurditeiten van “de godsdienst” vrolijk voortzetten, nu we ongewenste gesprekspartners die blijkbaar niet onder dat dogmatische label vallen semantisch hebben uitgeschakeld.

Onder andere omstandigheden zijn dergelijke intentieprocessen zeer gevaarlijk gebleken, bijvoorbeeld wanneer de Amerikaanse regering tijdens de McCarthy-periode alle gematigde, goed burgerlijke sociaaldemocraten en vakbondsleiders als “crypto-communisten” kon bestempelen, vervolgen en uit het maatschappelijke leven uitschakelen. Of wanneer we vandaag diegenen die twijfels uiten aan het multiculturele samenlevingsmodel meteen van “crypto-fascisme” beschuldigen en proberen hun het recht te ontzeggen om nog verder aan het maatschappelijke debat deel te nemen.

Een ander actueel voorbeeld van een efficiënte manier om een open democratische communicatie (Habermas) te verhinderen is de irritante gewoonte om iedere kritische vraag over de politiek van Israël ten opzichte van de Palestijnen als “crypto-antisemitisme” te vertalen en de vraagsteller maatschappelijk monddood te maken.

 

 

Wat is een vrijzinnig atheïst?

 

Deze ongewone uitdrukking impliceert dat ook er onder atheïsten, mensen die geloven, denken of beweren dat er geen bovenaards of buitenaards goddelijk wezen bestaat, dogmatici en vrijzinnigen, liberalen en fundamentalisten, humanisten en fundamentalisten te vinden zijn.  Op grond van onze kennis van de nog steeds niet afgesloten geschiedenis van de vorige eeuw moeten we er tevens op wijzen dat de grootste massamoordenaars en geweldenaars van onze tijd niet zozeer de moslimfundamentalisten en jihadisten geweest zijn, maar overtuigde atheïsten en agnosten als Stalin, Hitler, Mao-dze-Dong en hun geestgenoten en erfgenamen zowat overal ter wereld. Mogen we ervan uitgaan dat we het polemische en intellectueel oneerlijke stadium achter ons gelaten hebben, waarmee we de aanhangers van een godsdienst of ideologie identificeren met misdadigers en sociopaten die naar eigen zeggen in naam van een bepaalde godsdienst of politieke overtuiging gehandeld hebben? Uiteraard moet iemand die zich vandaag christen, moslim of jood noemt beseffen dat hij of zij met het kwalijke verleden van deze wereldbeschouwingen zal geconfronteerd worden. Dit verleden, of het nu gaat om de door God bevolen uitroeiing van vreemde volkeren in de Hebreeuwse Bijbel, over de kruistochten en de brandstapels van de inquisitie in naam van het christendom, over de goelags en de Killing Fields van het communisme of over de recente gruweldaden van de zogenaamde Islamitische Staat – er is voldoende stof voor een dozijn dichtbedrukte Zwartboeken - kan je als aanhanger van een van die religies of politieke stelsels onmogelijk negeren, want ze maken nu eenmaal onherroepelijk deel uit van je DNA. Je moet dwingend nagaan hoe zoiets in naam van de door jou beleden overtuiging mogelijk geweest is en er alles voor doen om een herhaling ervan te vermijden. Ik denk dat we het daar allemaal over eens zijn.

De vorige zin verraadt het geheim van onze overeenstemming: we delen allemaal een bepaalde humanistische, zeg maar modernistische levensbeschouwing die grosso modo samengevat werd in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948, drie jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog.  Dat we via verschillende wegen naar deze belangrijke consensus, volgens de Britse godsdiensthistorica Karen Armstrong (The Great Transformation: the Beginning of our Religious Traditions, 2006) wellicht hét belangrijkste ethische kantelmoment sinds de Achsenzeit (negende tot tweede eeuw vóór Christus), toegegroeid zijn is belangrijker dan de reële en illusoire verschillen tussen de levensbeschouwingen.

Deze overeenkomsten wijzen op een paradigmatische verschuiving van de eeuwenoude “breuklijnen” tussen gelovigen en atheïsten (en gelovigen onderling) die maar al te vaak tot geweldpleging en oorlog gevoerd hebben. Vandaag loopt volgens mij de belangrijkste breuklijn tussen wat ik heel algemeen “humanisten” en “fundamentalisten” noem. Deze breuklijn loopt doorheen alle levensbeschouwingen. Zo heb ik als vrijzinnig atheïst veel meer gemeen met vrijzinnige christenen, joden, moslims en aanhangers van andere religies dan met dogmatische atheïsten, overigens een contradictio in terminis van formaat. In het verleden hebben atheïsten en agnostici zich in naam van de wetenschappelijke waarheid altijd verzet tegen vaststaande dogma’s en leerstellingen, tegen de letterlijke lectuur van de zogenaamde gewijde teksten (waarbij bijna niemand zich verder over etiketten als “sacraal” en “gewijd” vragen schijnt te stellen).  Van mensen die zich tegen alle vormen van dogma (een niet verifieerbare of falsifieerbare maar door adepten te aanvaarden waarheid) verzetten mogen we toch op zijn minst verwachten dat ze beseffen hoe dogmatisch hun vaak karikaturale voorstellingen van religieuze overtuigingen en handelingen overkomen en, omgekeerd, hoe dicht hun eigen vrijzinnigheid wel staat bij die van hun gelovige opponenten.

 

Lof van de twijfel

 

In zijn gedicht Der Zweifler schrijft Bertolt Brecht dat we de plicht hebben op de allereerste plaats zelfkritisch te zijn: zijn we niet te meerduidig of zelfs dubbelzinnig bezig, zijn we voldoende luisterbereid vóór we een oordeel over de woorden en daden van anderen vellen en vooral: wat kunnen mensen die ons gehoord of gelezen hebben met onze bijdrage doen? Met andere woorden. Ik stel voor dat we onze aandacht daarop richten, om niet in Byzantijnse spelletjes het eigen theoretische gelijk te willen bewijzen. We zijn namelijk reeds lang tot de vaststelling gekomen dat we na duizenden jaren westerse filosofie en oosterse wijsheid nog steeds niet de absolute waarheid bereikt hebben, en dat is maar goed ook. Met al onze kennis en denkvaardigheden kunnen we in het beste geval aantonen dat een bepaalde interpretatie van de werkelijkheid of een bepaalde hypothese waarschijnlijker is dan de andere, wat niet hetzelfde is als absoluut zeker. In die zin is de evolutietheorie, vooral zoals ze verwoord werd door palentologen als Stephen Jay Gould in The Structure of Evolutionary Theory (2002) wetenschappelijk veel waarschijnlijker dan bijvoorbeeld het traditioneel religieuze creationisme of de theorie van het Intelligent Design.  En toch is het uitgerekend deze atheïstische wetenschapper die aan de oorsprong ligt van de NOMA-theorie: Non-Overlapping Magisteria (1997). In deze theorie is er plaats voor de inbreng van godsdienst (en kunst) die niet noodzakelijk in oppositie moeten staan tot de strikt wetenschappelijke benadering. Dit is geen voorstel om een wapenstilstand en nog minder een compromis tussen de “magisteria” (terreinen) tot stand te brengen, maar de wederzijdse erkenning dat religie geen legitieme uitspraken kan noch mag doen over zuiver wetenschappelijk onderzoek (zoals bijvoorbeeld de religieuze tegenstanders van de evolutietheorie proberen), maar dat de wetenschap niet noodzakelijk de enige geschikte instantie is om het laatste woord te voeren over morele waarheden en deugden (zoals heel wat militant atheïstische denkers claimen).

Wat blijft en in beide gevallen vruchtbaar is, is de twijfel: de wetenschap ontdekt in de macrokosmos én de microkosmos steeds nieuwe data. Deze ontdekkingen laten geen jaren of zelfs generaties op zich wachten, zoals de Wet van de zwaartekracht in de zeventiende en de Tweede Wet van de thermodynamica in de negentiende eeuw, maar volgens elkaar op met een exponentiële, duizelingwekkende snelheid, denk maar aan de voltooiing van het menselijke genoomproject. Deze nieuwe ontdekkingen en interpretaties, bijvoorbeeld de theorieën over het ene of het oneindig meervoudige heelal, over de oorsprong van ons sterrenstelsel enzovoort, laten geen dogmatische absolute zekerheid meer toe, indien ze dat ooit nagestreefd hebben.

Dat geldt ook voor de legitimiteit van de morele waarden en normen die volgens Gould binnen het magisterium van de religies liggen. Op de eerste plaats kunnen zij op geen enkel ogenblik tegen de waarheden (hoogste waarschijnlijkheden) van de wetenschap ingaan, dat wil zeggen dat ze nooit literalistisch of fundamentalistisch mogen zijn, en ten tweede moeten zij de volledige ontplooiing van ieder individu bevorderen en niet, op irrationele gronden, verhinderen of afremmen.

Daar deze tweede opdracht aan de religies niet vanzelfsprekend is en historisch vaak tegengewerkt of verwaarloosd werd is de nauwe band met de wetenschap onontbeerlijk. Zo kan een godsdienst nooit de gelijkwaardigheid van alle mensen zonder onderscheid in vraag stellen. Indien ze dat toch doet, bijvoorbeeld door vrouwen of mensen van andere culturen in naam van de godsdienst te discrimineren, is ze niet op een geloofwaardige manier wetenschappelijk bezig. Een door de volgelingen “sacraal” verklaarde tekst, zeg maar de Bijbel of de Koran, kan niet gebruikt worden om de vrouwen te discrimineren of een menstruerende vrouw “onrein’” te verklaren. Een kerk die een sociaal onrechtvaardig systeem verdedigt of, zoals onder het apartheidsregime in Zuid-Afrika, het racisme als door god verordend verdedigt zit niet alleen moreel, maar ook wetenschappelijk fout.

Dat wil zeggen dat er wel degelijk plaats is voor “inmenging” door de wetenschap in bepaalde theorieën en praktijken, en dat, omgekeerd, religieus geïnspireerde mensen, gelovigen dus, het recht en de plicht hebben in te grijpen, wanneer de wetenschap misbruikt wordt om universele mensenrechten te schenden, maar dat het ene magisterium nooit het andere volledig kan vervangen.

 

Doemdenkers zijn meestal conservatief tot reactionair

 

“Volgens Richard Dawkins is de mens een behoeftig zoogdier, ontwikkeld door blinde natuurwetten in een uithoek van het heelal. En eens zal deze raadselachtige intelligente diersoort van de aardbodem verdwijnen en zal het almaar uitdijende heelal zijn evolutie ‘jenseits von Gut und Böse’ voortzetten alsof er niets gebeurd is.” Zo beschrijft Wim Couwenbergh wat hij de “duistere kant van Darwins evolutie” noemt. Dawkins en gelijkgestemde filosofen en wetenschappers hebben hoogstwaarschijnlijk gelijk, maar ik zou dit nooit een duister perspectief noemen. We kunnen deze redelijk klinkende hypothese aanvaarden zonder daarbij pessimistisch te worden.

Pessimisme en doemdenken dienen bijna altijd conservatieve of reactionaire krachten: omdat er toch niets aan te doen is, en het in feite van kwaad tot erger gaat, zoals Hölderlin schreef: “von Klippe zu Klippe geworfen/ Jahr lang ins Ungewisse hinab.” Waarom zou je er dan niet alles voor doen om datgene wat je bezit te bewaren, nu je toch weet dat alle utopische toekomstvisioenen niets anders dan illusies en zelfbegoochelingen zijn?

We kunnen ook anders reageren: in plaats van gebiologeerd en verlamd naar onze eigen onvermijdelijke afgang te staren kunnen we dit onontkoombare einde over ongeveer vier en half miljard jaren, wanneer onze aarde door een of ander zwart gat zal opgeslokt worden, als een uitdaging beschouwen om de resterende tijd zo goed, dat wil zeggen zo menselijk mogelijk te gebruiken. Nu we na de catastrofen van de vorige eeuw geleerd hebben de abstracte, absolutistische maakbaarheidsidealen van de vooruitgang en de verlichting met de nodige gezonde scepsis te bekijken en we eindelijk, althans in principe, al de theoretische voorwaarden hebben uitgewerkt om letterlijk alle mensen op deze wereld de kans te geven op zo een volledige mogelijke ontplooiing wordt het de hoogste tijd deze principes ook in de praktijk te realiseren. En daar geen van de godsdiensten of grote maatschappelijke projecten die de generaties vóór ons diep en vaak emotioneel bewogen hebben daarin geslaagd is, hebben we geen andere eerbare keuze.

De Nicaraguaanse revolutionaire priester-dichter Ernesto Cardenal besluit zijn Canto Cosmico (1989) met de vaststelling dat we, ja, uiteindelijk zullen terugkeren tot geïoniseerde gassen, helium en sterrenstof, maar, voegt hij eraan toe “het zal een sterrenstof zijn dat ooit de liefde gekend heeft”. De evolutie van het heelal en onze aarde kunnen we niet tegenhouden, maar wij hebben de unieke keuze, daar nù al een kille, geatomiseerde ruimte van te maken of zoveel rechtvaardigheid, solidariteit, schoonheid en waarheid, zeg maar “liefde” te genereren als we met onze beperkte middelen kunnen. Deze keuze verbindt gelovigen en atheïsten op een niveau dat alle andere discussies, meningsverschillen en wederzijdse spitsvondigheden overstijgt.