Kritische kanttekeningen bij een nieuwe, ecomodernistische beweging

Civis Mundi Digitaal #61

door Toon van Eijk

Bespreking van: Marco Visscher en Ralf Bodelier (red.), Ecomodernisme. Het nieuwe denken over groen en groei. Nieuw Amsterdam, 2017.

De tekst op de achterkant van het boek Ecomodernisme luidt: “Een schoner milieu, meer natuur en welvaart voor iedereen? Het kan, met compacte miljoenensteden, hypermoderne landbouw en goedkope, betrouwbare CO2-vrije energie. Ecomodernisme is een nieuwe, groeiende beweging van groene denkers en doeners. De aanhangers zijn optimistisch en pragmatisch. Ecomodernisten geloven in méér, niet in minder. Ze verlangen niet naar een leven in harmonie met de natuur, maar vinden dat de mens meer controle over de natuur moet nemen. Ze zien meer in kerncentrales en gentech dan in windmolens en biologisch boeren. Ecomodernisme is een uitdagend boek, dat een opgewekte bijdrage wil leveren aan een verhit debat over klimaat, milieu en duurzaamheid”.

 

Een uitdagend boek is het zeker en de tekst op de achterflap zet de toon: confronterend, vaak kort door de bocht en niet altijd wetenschappelijk verantwoord. Desalniettemin is het een nuttig boek dat het waard is om gelezen te worden, mét de nodige kanttekeningen. Hieronder vindt u een aantal kenmerkende citaten uit het boek met direct daaronder mijn commentaar.[1]

 

1. Intensieve landbouw [maakt] ons voedsel betaalbaar en bevrijdt … arme, zelfvoorzienende boeren in ontwikkelingslanden van zware arbeid op het land. Daardoor is het voor hen mogelijk om te verhuizen naar de steden, waar meer kansen zijn op het gebied van onderwijs, gezondheidszorg en persoonlijke ontwikkeling (p.8).

 

Er is sprake van tendentieus taalgebruik in bovenstaand citaat. Kleine boeren in Sub-Sahara Afrika (SSA) verhuizen niet zozeer naar steden omdat ze ‘bevrijdt’ worden van zware arbeid op het land, maar omdat ze ‘gedwongen’ worden dit te doen binnen een systeem van modernisering van de landbouw, waar zij zelf nauwelijks of geen invloed op hebben. Mechanisering van de kleinschalige landbouw staat al decennia op het programma van lokale overheden en buitenlandse donoren, maar is eigenlijk nooit van de grond gekomen, simpelweg omdat de stap van een hak naar een tractor te groot is vanuit technologisch, infrastructureel, economisch en cultureel perspectief. Overal in SSA kun je kerkhoven van oud afgedankt landbouwmaterieel vinden, tot op de dag van vandaag. Waarom zou grootschalige mechanisatie nu wel lukken? Ik kom hierop terug in paragraaf 8.

 

De kansen op het gebied van onderwijs, gezondheidszorg en persoonlijke ontwikkeling zijn in steden in het algemeen inderdaad groter dan op het platteland, maar een belangrijk negatief element wordt niet vermeld en wel de afwezigheid van werkgelegenheid in de steden. Tot op heden heeft er geen noemenswaardige industrialisatie plaats gevonden in SSA, met als gevolg dat de door modernisering van de landbouw veroorzaakte uitstoot van boeren uit de landbouwsector niet gekoppeld is aan het beschikbaar zijn van alternatieve werkgelegenheid.[2] Dit is mijns inziens een van de moeilijkst oplosbare problemen in de ontwikkeling van SSA. Wat gaan al die miljoenen uitgestoten boeren doen? Met wat voor producten en/of diensten kan SSA effectief en efficiënt concurreren met al gevestigde en opkomende spelers op het geglobaliseerde wereldtoneel?

 

2. De Amerikaanse historicus Ian Morris geeft in zijn veelgeprezen boek De val van het Westen uit 2011 een helder antwoord op de vraag waarom de westerse wereld in de achttiende eeuw wereldwijd macht veroverde: fossiele brandstoffen (p.20).

 

Mijns inziens een te simplistische verklaring. Zie het boek Guns, Germs and Steel van Jared Diamond uit 1998, dat ik heb gebruikt in subhoofdstuk 8.5 Intercontinentale verschillen in technologieontwikkeling van mijn boek over Ontwikkeling en arbeidsethos in Sub-Sahara Afrika uit 2007.[3] De volgende paragraaf komt uit mijn 2007 boek (p.146-7): “Ook de Europese kolonisatie van Afrika had volgens Diamond niets van doen met verschillen tussen Europese en Afrikaanse volkeren. Ook hier waren (bio)geografische omstandigheden doorslaggevend en dan vooral de verschillende arealen, assen en sets van wilde plant en diersoorten op de beide continenten. De verschillende historische ontwikkelingswegen van Afrika en Europa komen dus uiteindelijk voort uit verschillen in real estate. De Europeanen hadden het drievoudige voordeel van geweren en andere technologieën, wijdverbreide geletterdheid, en de politieke organisatie die nodig was om dure ontdekkings- en veroveringstochten te beginnen. Deze drie secundaire factoren komen echter voort uit de ontwikkeling van voedselproductie. De voedselproductie in Sub-Sahara Afrika werd verlaat (vergeleken met Eurazië) door Afrika’s schaarste aan domesticeerbare inheemse plant en diersoorten, z’n veel kleinere areaal dat geschikt is voor inheemse voedselproductie, en z’n noord-zuid as die de verspreiding van voedselproductie en uitvindingen vertraagde … Het benadrukken van de verschillen in natuurlijke omgevingen - geografie als de uiteindelijke primaire factor - leidt al snel tot het label ‘geografisch determinisme’. Dit label schijnt onplezierige associaties op te roepen zoals het gesuggereerde onvermogen van de menselijke creativiteit om überhaupt iets tot stand te brengen, of van mensen als passieve hulpeloze robotten die geprogrammeerd worden door klimaat, fauna en flora. Natuurlijk zijn deze angsten ongegrond. Zonder de menselijke inventiviteit zouden we nu nog allemaal leven zoals onze voorouders een miljoen jaar geleden. Alle menselijke samenlevingen kennen inventieve personen. Maar sommige natuurlijke omgevingen voorzien in meer uitgangsmateriaal en gunstiger omstandigheden voor het gebruik van uitvindingen dan andere omgevingen”.

 

3. De industrialisatie bracht welvaart en dankzij de nieuwe welvaart kwam er een groeiende interesse om het milieu te beschermen … Dankzij de welvaart, gebouwd op fossiele brandstoffen, hebben we de luxe te werken aan [een] schonere omgeving. Moderne milieubescherming is te danken aan de fossiele brandstoffen (p.23).

 

De suggestie dat de moderne welvaart voornamelijk is gebouwd op fossiele brandstoffen is te simplistisch. Simplistische voorstellingen van zaken komen op veel plaatsen in het boek voor en doen afbreuk aan de geloofwaardigheid van het ecomodernistische betoog, dat zeker ook goede punten bevat. Zo is de constatering dat het welvarende westen de luxe heeft te werken aan een schonere omgeving terecht. In het bovenstaande citaat klinkt echter ook door dat uiteindelijk ‘de wal het schip zal keren’. Het is echter de vraag of het vertrouwen op dit fenomeen verstandig is. Is het mogelijk om door verstandig gebruik van het menselijk intellect dit fenomeen vóór te zijn zodat minder schade hoeft te worden hersteld?

 

4. Zowel in het laboratorium als in het veld is nu aangetoond dat je bij elke tweehonderd extra CO2-deeltjes per miljoen ongeveer 30 procent meer plantengroei krijgt … Het is wetenschappelijk onomstreden dat een toename van CO2 leidt tot meer plantengroei … (p.24).

 

Op de pagina’s 31 en 122 van het Ecomodernisme boek komt bovenstaande bewering terug. Het lijkt me inderdaad wetenschappelijk onomstreden dat een toename van CO2 tot meer plantengroei leidt, maar tot welke grens van CO2-toename en onder welke overige andere omstandigheden? (zoals temperatuur, regenval, bodemvocht en een hele trits van andere ecologische en sociaaleconomische factoren). Meer CO2 alleen is niet zaligmakend voor bossen en landbouwgewassen en dat is wel de suggestie die deze simplistische betoogtrant wekt. Ja, onze tuinders in Nederland maken in hun kassen gebruik van het CO2-fertilisatie effect (p.122), maar zij kunnen ook alle andere relevante factoren nauwkeurig afstemmen in een volledig gecontroleerde kunstmatige omgeving. Dat is niet het geval m.b.t. de groei van bossen en landbouwgewassen in een natuurlijke omgeving in SSA. Aangezien ik geen deskundige ben op het gebied van het CO2-fertilisatie effect kan ik de weinige wetenschappelijke literatuur waarnaar verwezen wordt niet goed beoordelen. Het valt echter wel op dat alle boude uitspraken in het boek (en dat zijn er nogal wat) altijd slechts van één verwijzing naar literatuur voorzien zijn. En regelmatig zijn deze verwijzingen krantenartikelen, geen wetenschappelijke literatuur. Bij controversiële opmerkingen zou men meer verwijzingen naar wetenschappelijke literatuur verwachten. Zo kan de ‘opmerkelijke vergroening van woestijnen sinds 1980’ (p.122) onmogelijk aan alleen een CO2-fertilisatie effect toegeschreven worden. Andere ecologische, sociaaleconomische en politieke factoren, inclusief al hun wisselwerkingen, hebben ook een rol gespeeld. Helaas is het ecologische en sociaaleconomische ontwikkelingsproces gecompliceerder dan de ecomodernisten in dit boek ons willen doen geloven.

 

5. De behoefte aan energie in opkomende economieën en arme landen zal immers snel toenemen. Daar zal geen internationaal verdrag om de uitstoot van CO2 te beperken iets aan veranderen (p.27).

 

Daar ben ik het volledig mee eens.

 

6. Het klimaat is een extreem complex, chaotisch systeem en het is de vraag of het ooit mogelijk zal zijn om het te vangen in een model, laat staan om betrouwbare voorspellingen te doen over hoe het klimaat er over twintig of vijftig jaar voor staat (p.30).

 

Dit is een correcte observatie, maar hier hebben de ecomodernisten dus opeens minder vertrouwen in de zegeningen van het menselijk intellect en het wetenschappelijk modelbouwen?

 

7. Uiteindelijk heeft een op de drie mensen die nu leeft, zijn leven te danken aan de vinding van Haber en Bosch (stikstof kunstmest; p.71).

 

Hoe is dit in hemelsnaam berekend? Kort door de bocht, dit soort opmerkingen.

 

8. Exporteren van onze overschotten naar Afrikaanse landen is geen goed idee, omdat het de productiecapaciteit daar ondermijnt en de landbouwkundige ontwikkeling frustreert. In Afrika moet de verhoging van de opbrengst juist topprioriteit zijn, omdat dit het enige continent is dat nog niet de vruchten plukte van de groene revolutie en de grootste voedselonzekerheid kent. Het voortzetten en uitbreiden van de groene revolutie is de enige mogelijkheid om te voldoen aan de groeiende vraag naar voedsel en onze behoefte aan meer natuur (p.72-3).

 

Dumping van overschotten in SSA frustreert inderdaad de landbouwkundige ontwikkeling daar. Maar hoe gaan we dit voorkomen? Niek Koning, landbouweconoom te Wageningen, benadrukt in zijn recente boek dat het vrije-markt-liberalisme het wereldvoedselprobleem niet kan oplossen.[4] Volgens Koning vereist moderne economische ontwikkeling een versnelde ontwikkeling van de landbouw als startmotor, maar deze modernisering van de landbouw ontstaat niet spontaan. Hij zegt met betrekking tot de divergerende historie van de wereldwijde economische ontwikkeling: “Omdat algemene ontwikkeling niet mogelijk was zonder landbouwontwikkeling en omdat landbouwontwikkeling afhankelijk was van effectief overheidsingrijpen, werd het lot van landen sterk bepaald door de landbouw­politieke keuzes die er gemaakt werden”.[5] SSA kan de landbouw als startmotor van moderne economische ontwikkeling alleen moderniseren door een afscherming van de eigen binnenlandse markt. Maar dit is in het huidige neoliberale klimaat een vrijwel onmogelijke zaak.

 

Het ‘voortzetten en uitbreiden van de groene revolutie’ in SSA komt neer op ‘meer van hetzelfde’ aangezien dit sinds de zestiger jaren van de vorige eeuw is geprobeerd, zonder veel succes. Waarom denken de ecomodernisten dat een groene revolutie nu in SSA wel zal slagen? In een analyse van het degelijke boek van Niek Koning schrijf ik: “In Sub-Sahara Afrika (SSA) heeft geen Groene Revolutie en industrialisatie plaatsgevonden. Een Groene Revolutie vereist niet alleen verbeterde zaden, kunstmest en bestrijdingsmiddelen maar ook ondersteuning door de overheid van harde infrastructuur (wegen, marktplaatsen, ruilverkaveling, elektrificatie, irrigatie) en zachte infrastructuur (landbouwkundig onderzoek, voorlichting en onderwijs, en coöperatievorming). Zelfs als nu een Groene Revolutie in SSA zou plaatsvinden, wat ik onwaarschijnlijk acht door de grote kloof tussen de politiek-economische elite en de ongeorganiseerde kleine boeren, dan nog is zonder afscherming van de binnenlandse markt industrialisatie niet mogelijk. Op dit moment kunnen Afrikaanse boeren en ondernemers niet concurreren met de import van Aziatische en Westerse landbouw- en industriële producten”.[6] Het boek Ecomodernisme besteedt mijns inziens te weinig aandacht aan zulke onderliggende economische en politieke factoren. Niek Koning merkt aan het eind van zijn boek (terecht) op dat de toekomstige wereldvoedselvoorziening een mentale transformatie vereist. Hij vermeldt helaas niet hoe zo’n ‘mentale transformatie’ tot stand moet komen.[7]

 

9. Biologische landbouw brengt gemiddeld 25 procent minder op (p.74).

 

Dit wordt herhaald op p.85. Indien echter in bijvoorbeeld Nederland de biologische landbouw gedurende decennia net zoveel geld voor onderzoek, voorlichting en onderwijs zou hebben ontvangen als de conventionele landbouw, dan is het nog maar de vraag of biologische landbouw minder zou opbrengen. Het is (zwaar ondersteunde) appels met (niet of nauwelijks ondersteunde) peren vergelijken. Hoeveel geld en mankracht heeft bijvoorbeeld Wageningen gestopt in onderzoek naar biologische landbouw in vergelijking met de conventionele landbouw? Ik heb daar nooit cijfers over gezien, maar het lijkt me sterk dat het budget voor biologische landbouw meer dan een paar procent is geweest van het conventionele budget.

 

10. Landbouw in de tropen (p.80-3).

 

Ik heb veel opmerkingen bij dit subhoofdstuk (mijn vakgebied), die gedeeltelijk reeds ter sprake zijn gekomen. Voor meer commentaar verwijs ik naar mijn website.[8] Het belang van sociaaleconomische en institutionele randvoorwaarden voor het bereiken van hogere landbouwopbrengsten dient benadrukt te worden. In het boek Ecomodernisme worden sociaaleconomische, politieke, institutionele en culturele factoren nauwelijks aangestipt. Het belang van nieuwe gewas variëteiten, al dan niet genetisch gemodificeerd, is gering zolang de vele al bestaande verbeterde variëteiten (nog op conventionele wijze veredeld) niet door boeren worden geadopteerd.[9]

 

11. Zo moeten boeren steeds verder het land strak trekken en intensiveren om de bedrijfslasten te drukken. Milieubeleid, met het nodige papierwerk rond de boekhouding van stikstof en fosfaat, is een belangrijke kostenpost … Al die regels en verplichtingen: het is negatieve energie die de boeren beter kunnen investeren in positieve energie voor verbetering van hun biotoop (p.170).

 

Met betrekking tot de voortdurende schaalvergroting en intensivering is er sprake van een treadmill: boeren worden gedwongen mee te doen of te stoppen met hun bedrijf. De recente en eerdere schandalen rond mestfraude laten zien dat verdere regelgeving weinig helpt. In een ingezonden brief aan het NRC schreef ik in november 2017: “Meer wetgeving gaat niet helpen als de betreffende actoren het onderscheid tussen de letter en geest van de wet niet zien. Als er geen voeling is met de geest van de wet zal men de letters (regels) van de wet opnieuw creatief omzeilen. Uiteindelijk draait het om persoonlijke ethiek”.[10] Er is inderdaad sprake van negatieve energie, maar positieve energie is gebaseerd op wederzijds ‘vertrouwen’ en dat is op zijn beurt gegrondvest in persoonlijk moreel besef. In plaats van het negatieve re-actieve gedrag van boeren zou men ecologisch en maatschappelijk verantwoord pro-actief gedrag van boeren verwachten (en van de andere actoren in de boer-consument keten). Met de ecomodernistische nadruk op voornamelijk verdere technologieontwikkeling gaan we het mijns inziens niet redden, dat is uiteindelijk ‘meer van hetzelfde’. Meer persoonlijk en collectief moreel besef zijn nodig.

 

12. Niet alleen vanuit een moreel perspectief dient armoedebestrijding voor te gaan op milieubehoud. Dat moet ook op praktische gronden. Zolang mensen arm zijn, zullen klimaat en milieu hen maar weinig interesseren (p.183).

 

Daar ben ik het volledig mee eens. Echter, armoedebestrijding en milieubehoud worden niet grondig aangepakt door ze als voornamelijk technologische problemen te beschouwen. Dit geloof in een technological fix is gerelateerd aan wat ik elders ‘de illusie van het intellectuele holisme’ heb genoemd.[11] Met gebruik van alleen het discursieve intellect verkrijgt men geen omvattende rationaliteit, geen holistisch overzicht of systeemperspectief. Zo laten de aanhoudende problemen in de Nederlandse landbouwsector zien dat een multidisciplinaire geïntegreerde aanpak moeilijk van de grond komt. De ongewenste neveneffecten van de moderne industriële landbouw (zoals milieuvervuiling, massale ruimingen van landbouwhuisdieren, humane gezondheidseffecten, en negatieve gevolgen in ontwikkelingslanden) getuigen van ons onvermogen om ecologische, geografische, technologische, economische, politieke, sociale en ethische dimensies met elkaar te integreren. Het ongrijpbare karakter van emergente eigenschappen in complexe systemen wordt ook duidelijk in de huidige discussie over door mensen veroorzaakte klimaatverandering, waar voor- noch tegenstanders het geheel kunnen overzien. Dit ongrijpbare karakter ontstaat door de synergetische effecten van (waarschijnlijk nog deels onbekende) interacties tussen vele (ecologische en sociale) deelsystemen.

 

Op dit moment wordt als sturend mechanisme vooral de onzichtbare hand van de vrije markt benadrukt. Ik denk dat meer onderzoek naar - en nadruk op - de onzichtbare hand van het onderliggend collectief bewustzijn nodig is. Het collectief bewustzijn is een soort onzichtbare hand die de dingen bij elkaar houdt, die sociaal kapitaal en vertrouwen genereert, waardoor publieke, private en groepsbelangen gemakkelijker verenigd kunnen worden.[12] Het belang van effectieve collectieve handelingsbekwaamheid - de bekwaamheid van op elkaar afgestemde groepen om gezamenlijk effectief te handelen - kan niet overdreven worden (bijvoorbeeld met betrekking tot de problemen van lokale en globale klimaatverandering). Hoe creëer je op elkaar afgestemde (like-minded) groepen? Onder welke specifieke omstandigheden ontstaat de vaak ongrijpbare collectieve handelingsbekwaamheid? Ik denk dat het collectief bewustzijn hier een grote rol in speelt. Een coherent collectief bewustzijn creëert eendracht. En eendracht creëert macht oftewel vermogen oftewel collectieve handelingsbekwaamheid.

 

13. De nadruk van ecomodernisten om het religieuze denken over de natuur te vervangen door rationeel denken, is een belangrijke overeenkomst met de verlichtingsdenkers (p.227).

 

Op pagina 227 van het Ecomodernisme boek wordt verwezen naar onder andere Spinoza als radicale sleutelfiguur. Ik verwijs hier graag naar mijn boek over Spinoza’s filosofie.[13] De ecomodernisten beschouwen zich als kleinkinderen van de westerse Verlichting maar mijns inziens zouden ze er goed aan doen ook te rade te gaan bij de oosterse vorm van Verlichting. Het vertrouwen op de menselijke ratio/rede/intellect dient vergezeld te gaan van effectieve en efficiënte technieken voor bewustzijnsontwikkeling - althans als we maatschappelijk en ecologisch verantwoorde ontwikkeling nastreven, op lokaal en globaal niveau. De vraag is of Spinoza’s Deus sive Natura (God oftewel Natuur), zijn immanente God-Natuur, gekend of ervaren kan worden door middel van alleen discursief (argumenterend, redenerend) denken?

 

14. … The Wealth of Nations, waarmee Adam Smith de basis legde voor de modern economie … Vandaag is het verzet tegen het idee van economische groei niet veel anders: er zouden natuurlijke en morele grenzen zijn waarbinnen we moeten blijven … Ecomodernisten (beschouwen) de ‘natuurlijke grenzen’ vooral als een sociale constructie (p.229-30).

 

Als men verwijst naar Adam Smith’s The Wealth of Nations moet men ook verwijzen naar zijn veronachtzaamde boek The Theory of Moral Sentiments (1790), waarin hij zegt dat aan de markt morele opvattingen ten grondslag moeten liggen. De ‘natuurlijke grenzen’ zijn inderdaad een ‘sociale constructie’ net zoals ook iedere nieuwe technologie of ieder ‘wetenschappelijk feit’ een sociale constructie is.

 

15. [Stewart Brand schreef in Whole Earth Discipline] dat meningen ‘sterk dienen te worden verwoord, maar losjes dienen te worden gehouden’ … Een sceptische houding is niet alleen wenselijk om de orthodoxe standpunten van een ander te bekijken, maar ook die van jezelf (p.231).

 

Het ‘sterk verwoorden van meningen’ is in het boek Ecomodernisme zonder meer goed gelukt. Ik hoop dat de zeven auteurs ook een sceptische houding ten aanzien van hun eigen standpunten kunnen opbrengen naar aanleiding van hetgeen hier is gezegd.

 

16. Twijfel aan alles … sterk bepleit door René Descartes … De enige manier om het onderscheid te maken [tussen betere en minder goede ideeën] is door te twijfelen en kritisch te denken (p.232).

 

Het twijfel experiment van Descartes resulteerde in zijn beroemde uitspraak cogito ergo sum: ik denk dus ik ben, maar dit impliceert dat de enig mogelijke vorm van ‘zijn’ een vorm van ‘denkend-zijn’ is. Dit ontkent de mogelijkheid van een toestand van bewustzijn die voorbij alle gedachten ligt, een toestand van alleen maar ‘zijn’, van een transcendent bewustzijn zonder enige bewustzijnsinhoud. Dit transcendent bewustzijn speelt een belangrijke rol in de oosterse vorm van Verlichting. Een combinatie van de westerse en oosterse vorm van Verlichting, van rede en bewustzijnsontwikkeling, is nodig.

 

17. Uit het Ecomodernistisch Manifest aan het eind van het boek: Technologische oplossingen voor milieuproblemen moeten ook binnen een bredere sociale, economische en politieke context worden beschouwd … Met modernisering bedoelen wij de langetermijn-evolutie van sociale, economische, politieke en technologische maatregelen in menselijke samenlevingen (p.248).

 

In het ‘Ecomodernistisch Manifest’ wordt terecht nadruk gelegd op een voortdurende evolutie van sociale, economische, politieke en technologische maatregelen en instituten. Het is jammer dat in het hoofdgedeelte van het Ecomodernisme boek de economische, politieke en sociaal-structurele factoren weinig tot geen aandacht krijgen. De bijlage met het ‘Ecomodernistisch Manifest’ maakt een gematigder en verstandiger indruk dan de rest van het boek.

 

Eindnoten

 



[1] Voor een meer uitgebreid commentaar verwijs ik naar mijn website: Ecomodernisme. Het nieuwe denken over groen en groei. Marco Visscher, Ralf Bodelier e.a. Nieuw Amsterdam, 2017. 2-ecomodernisme-boek-bespreking-2017

[2] Zie subhoofdstuk 6.3 The scientization process en subhoofdstuk 8.1 The rational-empirical consciousness in mijn proefschrift: Van Eijk T. (1998). Farming Systems Research and Spirituality. An analysis of the foundations of professionalism in developing sustainable farming systems. Ph.D. thesis, Wageningen Agricultural University, The Netherlands. 

[3] Van Eijk T. (2007) Ontwikkeling en arbeidsethos in Sub-Sahara Afrika. Het belang van gedragsverandering en bewustzijnsontwikkeling. Royal Tropical Institute (KIT), KIT Publishers, Amsterdam. ISBN: 978 90 6832 610 9 [niet langer nieuw leverbaar. Zie www.toon-van-eijk.nl voor een gratis pdf file]. Zie ook: Van Eijk T. (2010). Development and Work Ethic in sub-Saharan Africa. The mismatch between modern development and traditionalistic work ethic. Lulu [ingekorte Engelse vertaling van het 2007 boek]

[4] Koning, N. 2017a, Food security, agricultural policies and economic growth. Long-term dynamics in the past, present and future. Earthscan from Routledge.

[5] Koning, N. 2017b, Voedselzekerheid niet overlaten aan de vrije markt. Vork, editie 13.

[7] In mijn publicatie in Civis Mundi ga ik daar nader op in: zie eindnoot 6.

[8] Zie eindnoot 1.

[9] Zie subhoofdstuk 4.3 uit mijn proefschrift, een case studie over mijn werk in Tanzania op een landbouwkundig onderzoeksinstituut, om een idee te krijgen van wat er werkelijk speelt (Van Eijk 1998, p.61-71).

[11] Van Eijk 1998: subhoofdstuk 11.2.

[12] Wetenschappelijk onderzoek laat zien dat grootschalige gedragsveranderingen mogelijk zijn via het beïnvloeden van het collectief bewustzijn. Zie subhoofdstuk 9.4 in Van Eijk 1998. Zie ook hoofdstuk 9 (Wetenschappelijk onderzoek naar een techniek voor bewustzijnsontwikkeling) in Van Eijk 2010: Van Eijk, T., 2010. Economie, statuswedloop en zelfregulering. Civis Mundi digitaal # 1, september 2010. En zie Box 3 (Is wetenschappelijk onderzoek naar de effecten van meditatie überhaupt mogelijk?) in Van Eijk 2017 (p.88): Van Eijk T. (2017). Spinoza in het licht van bewustzijnsontwikkeling. Lulu.

[13] Van Eijk 2017, zie Eindnoot 12.