Boeiende reflectie op Couwenbergs Civis Mundi Jaarboek 2018

Civis Mundi Digitaal #65

door Paul Cliteur

Bespreking van: S.W. Couwenberg, Hoe universeel is de westerse idee van moderniteit? Civis Mundi Jaarboek 2018, Uitgeverij Aspekt, Soesterberg 2018.

In het nieuwe jaarboek van Civis Mundi (wereldburger), Hoe universeel is de westerse idee van moderniteit?, bespreekt S.W. Couwenberg (geb. 1926), emeritus hoogleraar staatsrecht aan de Universiteit van Rotterdam, alle thema’s die hemzelf en de door hem opgerichte stichting “Civis Mundi” de afgelopen decennia hebben beziggehouden. Het is niet zo heel gemakkelijk in enkele zinnen te karakteriseren wat voor soort boek dit is. Het is enerzijds geschiedschrijving. Couwenberg beschrijft de geschiedenis van de moderne tijd. Het is anderzijds geschiedfilosofie. De schrijver schuwt niet de begrippen “zin van de geschiedenis” en “vooruitgang” te gebruiken. Ook is het boek een bijdrage aan de theorie van de internationale betrekkingen. Koude oorlog, liberalisme, communisme, postcommunisme, Oost en West – het komt allemaal aan de orde. Maar het is ook cultuurfilosofie in de zin dat de schrijver ingaat op wat hij zelf zo aardig noemt zijn integratie in de moderniteit. Hij typeert zichzelf als een katholiek, geworteld in de premoderne wereldbeschouwing van het katholicisme, die de overgang heeft doorgemaakt naar de “moderniteit” (twijfel aan het geloof, geloofsafval zelfs, maar toch afstand bewarend tot volledig secularisme en zeker tot atheïsme). Hij zegt het zo: “Met andere katholieken ben ik sinds die jaren  (jaren ’60; PC) in geestelijk en politiek opzicht op drift geraakt en geleidelijk aan ingeburgerd in die eens zo gevreesde wereld van de moderniteit” (Ibid., p. 53). Dat levert ook een partiële autobiografie op.[1]

 

 

Moderniteit

 

Onder moderniteit verstaat Couwenberg de manier van denken en leven zoals die naar voren is gekomen sinds de Atlantische revoluties (de Franse en de Amerikaanse) en die wordt gekenmerkt door een oriëntatie op zelfbeschikking, democratie, mensenrechten, individualisme, secularisatie en secularisme. De moderniteit werd voorafgegaan door de premoderniteit. De premoderniteit was eens – met een uitdrukking van de historicus Jan Romein – een “Algemeen Menselijk Patroon”.[2] Maar tegenwoordig is dat niet meer zo, want tegenwoordig is de “moderniteit” het leidende model. Het levenswerk van Couwenberg is het plaatsen van kanttekeningen bij die moderniteit, met een nadruk op de juridische vormgeving aan die moderniteit. Als staatsrechtsgeleerde heeft hij natuurlijk veel aandacht voor constituties, staatsvormen, internationale verdragen en andere juridische documenten. En hij geeft daarvan verrassende interpretaties. Dat heeft hij gedaan in tientallen eigen boeken en tijdschriftartikelen (met die laatste erbij moeten we wel op honderden rekenen), maar ook in de jaarboeken van Civis Mundi. Soms, zoals in het onderhavige boek, schreef Couwenberg dat jaarboek alleen. Soms redigeerde hij een jaarboek en nodigde dan andere schrijvers uit voor bijdragen.

 

 

Beschrijving en normering

 

De methodiek of stijl van schrijven van Couwenberg is een mix van beschrijving en normatief commentaar. Hij is geen ethicus in de zin van Peter Singer. Singer poneert een stelling en gaat die vervolgens met alle denkbare argumenten verdedigen en de kritiek daarop ontzenuwen.[3] Maar Couwenberg is ook (het andere uiterste) geen neutraal-objectieve historicus die een ontwikkeling beschrijft en aan wie men nog niet op de pijnbank een commentaar kan ontlokken over wat hij daar nu zelf van vindt (ja, dat vind ik een irritant soort schrijfsels, die mensen die geen positie kiezen – dat voelt u goed aan). Couwenberg houdt daartussen ergens het midden. Het midden! Zijn favoriete positie, ook in politiek opzicht. Hij wil laten zien dat de moderniteit het heersende model is geworden en dat dit wordt gekenmerkt door een “beheersingsmotief” en een “emancipatiemotief” (zijn benadering lijkt hier overigens enigszins op die van de protestantse filosoof Herman Dooyeweerd (1894–1977),[4] maar ik weet niet of Couwenberg zich daarvan bewust is of dat hij het met mij eens zal zijn).

         Inherent aan deze benadering is natuurlijk dat je als lezer soms goed moet opletten waar hij nu precies staat. Neemt hij wel een normatief standpunt in of beschrijft hij alleen een feitelijke stand van zaken? In ieder geval is opvallend dat als hij een normatief standpunt formuleert, daarop onmiddellijk bedenkingen en bezwaren volgen waardoor het lijkt alsof hij zijn eerder ingenomen standpunt weer afzwakt. Ook is het soms moeilijk zijn standpunt te bepalen vanwege zijn stijl van wat ik maar noem “normatieve beschrijving”.

Laat ik uitleggen wat ik bedoel aan de hand van het boek dat hier centraal staat. De titel van het boek is “Hoe universeel is de westerse idee van moderniteit?”. Let op het vraagteken. Veel mensen zien dat niet, maar dit is een meerduidige vraag. De vraag kan immers in normatieve zin worden opgevat, maar ook in feitelijke zin.

         In feitelijke zin betekent het: zullen de idealen van de moderniteit de wereld gaan beheersen? Zal het gaan lukken van Afghanistan en Saoedi-Arabië moderne landen te maken met democratie, mensen­rechten en rechtsstaat?

         In normatieve zin moet men die vraag heel anders opvatten. Dan is de vraag: zou Afghanistan vrouwenrechten moeten gaan respecteren? En ook als de kansen daarop minimaal zijn, of zelfs geheel afwezig, dan kan je nog steeds de universaliteit van vrouwenrechten blijven verdedigen voor alle landen op de gehele wereld. Sein en Sollen, “is” en “ought” – dat zijn verschillende zaken.

 

 

Geleerd doen

 

Ik ga nu een beetje geleerd doen. Dit onderscheid is Kantiaans. Maar Hegel kon daar helemaal niet mee uit de voeten. Die twee, het normatieve (“ought”) en het feitelijke (“is”), vloeien in elkaar over voor de Hegeliaan. Ik heb al ongeveer 35 jaar (oh God, waar blijft de tijd?) een gedachtewisseling met Couwenberg over (i) wat het geval is en (ii) wat het geval zou moeten zijn. En mij is opgevallen dat hij daarbij vaak de Hegeliaanse kaart trekt. Dat wordt in een gesprek tussen ons doorgaans ingeleid met “beste”. “Maar beste Paul, zo zit dat toch helemaal niet?”. En dan onderwijst Couwenberg mij over het volledig naïeve van mijn moreel engagement ten aanzien van dit of dat, want zo gaat het er helemaal niet aan toe in de wereld, wordt mij dan verteld. Ik sputter dan tegen dat ik ook wel weet dat mijn normatieve aanbevelingen (nog) geen kans maken in deze wereld, maar de Hegeliaanse realist Couwenberg voelt zich door dat onderscheid tussen “is” en “ought” niet erg aangesproken, lijkt het.

 

 

Couwenberg over de moderniteit

 

Goed, na deze waarschuwingen, kom ik dan nu bij een centrale vraag: wat is het standpunt van Couwenberg over de moderniteit? Aan het eind van het boek stelt hij, als ik hem goed begrijp, dat hij het vooruitgangsgeloof van de moderniteit onderschrijft. Hij bedoelt dat in zowel beschrijvende als in normatieve zin. Dat wil zeggen dat hij denkt dat de moderniteit uiteindelijk zal zegevieren. En hij vindt het ook goed dat dit het geval is. De moderniteit is immers beter dan de premoderniteit. De geschiedfilosoof Couwenberg onderschrijft niet de woorden van Shakespeare:

 

Life’s but a walking shadow, a poor player

That struts and frets his hour upon the stage

And then is heard no more. It is a tale

Told by an idiot, full of sound and fury,

Signifying nothing (Macbeth Act 5, Scene 5).

 

Wat dan wel? Couwenberg verwijst naar Arnold Toynbee (1889–1975) die dit de “nonsense view of history” (Couwenberg, Ibid., p. 29) noemde en deze term in het geding bracht tegen onze Pieter Geyl (1887–1966). De geschiedenis heeft voor Couwenberg, net als voor Toynbee en voor Hegel, wel degelijk “zin”.[5] Maar hij neemt afstand van wat simplistische versies van het vooruitgangsgeloof. Hij wil, zoals hij schrijft, een “meer gerijpte” en “minder pretentieuze versie” verdedigen (p. 216). Hij denkt dat het menselijk kwaad het menselijk lot zal blijven begeleiden. Die gerijpte vorm van het vooruitgangsgeloof duidt hij aan als “cyclische progressie”. In dat model is het kwaad een “pijnlijk leermiddel”. De taak van de moderniteit is wel het bestrijden van het kwaad.

         So far so good. Maar dan voegt Couwenberg daar weer aan toe dat hij een “kritisch-loyale houding tegenover de moderniteit” wil verdedigen. Er is geen reden de moderniteit in haar liberale vormgeving te idealiseren (p. 219) en zeker niet de wereldwijde verbreiding en verwerking ervan.

Soms lijkt het er dan op dat, zoals ik dat dan maar noem, de meisjes in Afghanistan toch niet naar school hoeven (“Sorry ladies, wrong country”) en dat Couwenberg zich voegt bij de critici van het “westerse” moderniseringmodel. Die critici zijn de mensen die zeggen “democratie, mensenrechten en rechtsstaat zijn goed voor ons, maar niet noodzakelijk voor hen” (immers cultureel imperialisme). Dat standpunt presenteert zichzelf vaak als ruimdenkend en irenisch (“We gaan toch niet democratie op de punt van de bajonet invoeren! Irak. Kan helemaal niet.” Enzovoorts). Couwenberg hanteert soms ook een woordkeus waarmee hij het de tegenstanders van het moderniseringsproject zo makkelijk maakt dat het lijkt alsof we hem ook tot die groep moeten rekenen. Hij benadrukt namelijk vaak dat het bij dat moderniseringsproject om iets “westers” gaat. Neem deze zin: “In de wereldwijde expansie van de moderniteit is het als uitvloeisel van westers etnocentrisme gebruikelijk het toekomstbeeld van de niet-westerse wereld te zien als een weerspiegeling van de tot universele norm verheven waarden van het westers-liberale beschavingstype” (p. 219).

Als je zo’n zin leest, dan denk je natuurlijk: dat moeten we niet hebben. Etnocentrisme. Je stelt je eigen volk centraal. Expansie. Dat roept associaties op met imperialisme en kolonialisme. Ook wanneer dat expansiestreven niet met geweld gepaard gaat, dan nog krijg je met zo’n beschrijving als Couwenberg die geeft veel begrip voor het verzet daartegen. Couwenberg klinkt in dat soort passages als een criticus van het ideaal van de universaliteit van mensenrechten.[6] Maar, en dan gaat hij weer aan de andere kant van de boot zitten, hij werkt dat toch niet uit in cultuurrelativistische zin. Uiteindelijk gaat Couwenberg dan toch ook niet mee met het verzet tegen de universaliteit. Hij schrijft wel dat het streven naar universalisering een “oorspronkelijk westers-liberaal idee is” (p. 220), maar toch ook weer geen uiting van “westers etnocentrisme”. Wat dan wel? Couwenberg zegt dat dit streven naar universalisering “een historisch inzicht” is. En hij vervolgt: “Er kan dus alleen sprake zijn van universaliteit a posteriori” (p. 220).

 

 

Verdedigen van de moderniteit?

 

Ik vind dat persoonlijk een niet geheel bevredigend standpunt. Het heeft de Hegeliaanse afstandelijkheid van de beschrijving. Het geeft geen antwoord op de Kantiaanse vraag: wat moeten we nu doen (“Sollen”, “ought”)? Of vollediger geformuleerd: wat moeten (en kunnen) we doen om de (van oorsprong) westerse idee van democratie, rechtsstaat en mensenrechten universeel te maken? Mijn antwoord is: de moderniteit verdedigen. Je moet – met de ethicus Floris van den Berg[7] – de vraag stellen: waar is het beter om te wonen voor een vrouw, een koe, een gehandicapte of een atheïst? In Afghanistan of in Nederland? En als dan het antwoord is “in Nederland”, dan dienen zich vervolgvragen aan. Zo’n vervolgvraag is: wat kunnen, en mogen, wij doen om de meisjes in Afghanistan naar school te krijgen? Mijn antwoord is: Malala verdedigen.[8] Ayaan Hirsi Ali verdedigen.[9] En dit is het kaartje dat meisjesbesnijdenis in beeld brengt in Afrika, met daarbij het percentage van de meisjes dat besneden wordt. Machteld Roede heeft in Civis Mundi #63 hieraan al een bijdrage gewijd.[10] De cijfers hebben betrekking op 2013 en de bron is de UNICEF:[11]

 

 

Koploper is Egypte met 91 procent van de meisjes besneden. Wat kunt u daaraan doen? Mijn antwoord: zeggen wie gelijk heeft in de culture wars. Dat betekent als het op de meisjesbesnijdenis aankomt zeggen dat Assita Kanko gelijk heeft.[12] Maar de cultuurrelativisten en linkse nuttige idioten zeggen dan: “tja, moeilijk moeilijk”. De hardcore multiculturalisten zeggen: “die meisjes in Afghanistan zijn niet gewend om naar school te gaan. En ach, bij ons is ook niet alles perfect, toch?” Of ze zeggen dat de witte man zijn mond moet houden, want kolonialisme, slavernij, imperialisme, Bush-Irak-drones. En de iets minder zelotische cultuurrelativisten zeggen: “Maar we gaan toch niet, net als G.W. Bush, grondtroepen sturen en de Talibaan bevechten? Dat kan helemaal niet.” Dat laatste is natuurlijk weer waar, of enigszins waar, maar dat ontslaat ons nog steeds niet van de verplichting om (de normatieve vraag van Kant!) een standpunt in te nemen over wat wenselijk zou zijn dat met Afghanistan zou gebeuren.

De grote crisis van de linkse politiek tegenwoordig is dat deze zwaar wordt gedomineerd door een soort Nep-links, een wereldbeschouwing die geheel doordrongen is van westerse zelfhaat (occidentofobie). Ik wil daarmee niet elke vorm van linkse politiek desavoueren, want er bestaat ook een soort authentiek links dat een meer rechtvaardige wereldorde voorstaat. Peter Singer en in Nederland Floris van den Berg zijn daar exponenten van. Maar linkse politiek is tegenwoordig in de ban van identity politics en andere onzin.[13] Er is een enorme concentratie op – het klinkt misschien hard, maar toch –

nep-onderwerpen, zoals dat witte-mannengedoe, slavernij, kolonialisme en andere onzinnigheden. Witte mannen hebben geen slaven (beschouwingen hierover zijn dus hoogstens van historisch belang) , maar dat percentage meisjesbesnijdenis in Egypte is nog niet significant gedaald (beschouwingen hierover zijn dus van actueel belang). Nep-links wil echter over het laatste niet praten en is geobsedeerd met het eerste. Nep-links bestendigt daarmee het bestaande onrecht in de wereld, want het leidt onze aandacht af naar nep-onderwerpen (slavernij, kolonialisme). Ik verwijs naar de boeken van Floris van den Berg voor een inventarisatie van wat echte slachtoffers zijn in deze wereld (ter onderscheiding van het nep-slachtofferschap waarmee tegenwoordig zo vaak geflirt wordt).

Betekent het dat er geen slachtoffers zijn in deze wereld? Natuurlijk niet. Probleem is alleen dat de verkeerde slachtoffers worden aangewezen en de echte slachtoffers in de kou blijven staan. Daar heeft links het te druk voor. Zoals gezegd, wie op zoek wil naar de echte slachtoffers van deze wereld, men leze de boeken van Floris van den Berg. Wil je op zoek naar nep-slachtoffers, lees al die verhalen over haat, aanzetten tot haat, racisme, kolonialisme, slavernij, identity politics, no platformen op Amerikaanse campussen.[14] De moderniteit stagneert en deze zou verdedigd moeten worden. Maar “links” doet dat niet. Links is vaak rechts geworden.[15] Mijn grote vrees is dat ook het Openbaar Ministerie en de rechterlijke macht in de greep van de nep-linkse ideologie gaan komen en dat de veroordeling van Geert Wilders daarvan een eerste onheilspellende manifestatie is. Maar het voert te ver daarop verder in te gaan in dit kader en ik ga terug naar Couwenberg.[16]

 

 

Tweede wereldoorlog

 

Niet alleen in Hoe universeel is de westerse idee van de moderniteit? maar ook in de andere boeken van Couwenberg wijdt hij vele belangwekkende beschouwingen aan normatieve vraagstukken (“Sollen”, “ought”), maar je moet als lezer enorm goed opletten wat zijn standpunt is, want het zit verpakt in feitelijke beschrijving (“Sein”, “is”). Neem de volgende zin: “In de 19e eeuw, toen geschiedenis primair vaderlandse geschiedenis was, stond geschiedenisonderwijs nog in dienst van historische kennis van en trots op het eigen vaderland en goed burgerschap. De ervaring van twee wereldoorlogen in de 20e eeuw verandert dat oogmerk drastisch, tot bevordering van de vredesgedachte, het duiden van geschiedenis als een betekenisvolle strijd voor vrede, vrijheid en verdraagzaamheid” (Ibid., p. 29).

         Dit is beschrijving, maar met een ondertoon van afkeuring (en terecht). Couwenberg vindt het belangrijk dat we de vaderlandse geschiedenis niet helemaal bij het oud vuil zetten. Een zekere mate van trots op het eigen land is nodig voor goed burgerschap. En die Tweede Wereldoorlog heeft de bevordering van de vredesgedachte centraal gesteld, maar (en dit is belangrijk te benadrukken) op een ongezonde manier. Waarom “ongezond”? En nu komt mijn interpretatie (ik parafraseer hier dus niet Couwenberg, maar geef mijn eigen idee weer). Omdat de Nederlanders na de Tweede Wereldoorlog eenzijdig vrede proberen te bewerkstelligen door zich over te geven. Cultureel gezien is de naoorlogse geschiedenis één lang gewapper met de witte vlag. Pacifisme is de basale instelling geworden van de progressieve burger. Jezelf aanpraten dat in deze wereld geen vijanden bestaan, ziedaar het parool. Intensief proberen te denken dat iedereen van goede wil is. En anderen, en jezelf, ervan proberen te overtuigen dat wie goed doet, goed ontmoet in deze wereld. Het is au fond het cultiveren van de “weg met ons” mentaliteit en “leve De Ander”.[17] De naoorlogse Nederlandse mens van goede wil vraagt niet “hoe kan ik mijzelf teweer stellen tegen het kwaad in deze wereld?”, maar “hoe kan ik bewerkstelligen dat ik de fascist in mijzelf bedwing?”. De progressieve mens lijdt aan een cultuurziekte, een suïcidaal soort zelfverloochening.

 

 

Links/rechts

 

Dit leidt tot een heel nieuw soort links/rechts-denken waarbij links (in de ogen van rechts) komt te staan voor ontwapening, zelfkastijding, geloof in het goede zonder dat je daarvoor hoeft te strijden, en rechts voor (in de ogen van links) agressiviteit, zelfvergroting, en nationalisme. Couwenberg heeft altijd geprobeerd tussen links en rechts een tussenpositie te handhaven, een positie die, zoals hij zelf aangeeft, “het mogelijk maakt de politieke situatie en problematiek zowel met een linker als met een rechter politiek oog tegemoet te treden en zodoende meer genuanceerd en realistisch te opereren” (Ibid., p. 39). Maar al zijn pogingen ten spijt is hij daar in de ogen van links nooit in geslaagd. Hij werd ingedeeld bij “rechts”. Waarom? Omdat in de tweede helft van de twintigste eeuw links cultureel het primaat had en ook de macht om al diegenen die niet luidluchtig genoeg het linkse wereldbeeld tot norm verhieven (en Couwenberg deed dat niet) als “rechts” te verketteren. De Nieuwe Inquisitie van de racisme-monitoren (Jaap van Donselaar, tegenwoordig Anne Frank Stichting) hadden het maar druk met Couwenberg die werd gewantrouwd omdat hij te onbevangen over vraagstukken van migratie, integratie en nationaliteit dacht. Veel van de ideeën die zich later als “nieuwe politiek” zouden aandienen had Couwenberg vaak al decennia eerder verkondigd.[18] In de tweede helft van de twintigste eeuw had links (of wat men kan noemen “nep-links”) ook de macht bepaalde onderwerpen geheel van de agenda te krijgen als vrij te bediscussiëren onderwerpen. De multiculturele samenleving, migratie, nationale sociale cohesie, Nederland/Vlaanderen – allemaal onderwerpen waarover links niet wil spreken anders dan in termen van clichés. Civis Mundi wilde echter een discussieplatform zijn voor een diversiteit aan standpunten; links is daar als de dood voor. Wie vrije discussie wil faciliteren, is dus wel per definitie rechts of erger (fascisme, racisme).

 

 

Moderniteit en premoderniteit

 

De vraag is natuurlijk of het ooit wat kan worden tussen het gewoon onbevangen kritisch en vrij denken van Couwenberg en links (of nep-links). Ik heb daarover wel mijn twijfels. Het probleem is dat al onmiddellijk zijn uitgangspunt ergernis opwekt, namelijk de confrontatie van moderniteit en premoderniteit. Ik beklemtoon nog een keer, heel het uitgangspunt van het werk van Couwenberg is de “overgang van premoderne culturen met een tribaal en gesloten type samenleving naar de moderniteit” (Ibid. 43). Eens, toen het marxisme nog de huisfilosofie van links was, was die zin niet controversieel. Maar met de transformatie van het oude marxisme naar een veel vager cultuurmarxistisch identiteitsdenken is het helemaal verkeerd om in die dichotomie te denken. Sommigen zeggen “de moderniteit is helemaal niet beter”. Anderen zeggen: “de moderniteit is wel beter, maar dat is zo omdat die mensen in premoderne tribale samenlevingen door ons worden uitgebuit”. Wij hebben eigenlijk die moderniteit helemaal niet verdiend. Maar wat hier ook van zij, het is allemaal onze schuld. Wij, modernen, zijn een soort roofridders van de geschiedenis.

 

 

Nationalisme en natiestaat

 

Een ander punt waarop het werk van Couwenberg grote weerzin oproept bij wat Maaijd Nawaz noemt “the regressive left”[19] is zijn houding ten aanzien van nationale soevereiniteit en nationalisme. In weet nog goed dat toen ik in Leiden bij de Leidse rechtenfaculteit begon in 1984, ik getroffen werd door de houding van veel van mijn collega’s ten aanzien van een begrip dat ik in mijn naïviteit als absoluut centraal voor het Nederlandse en ook elk ander staatsrecht had beschouwd: nationale soevereiniteit. Ik was oprecht verbaasd dat “nationale soevereiniteit” als concept als een ouderwets en als een verwerpelijk idee werd beschouwd. In 1991 werkte ik mee aan een themanummer van het Tijdschrift voor Theoretische Geschiedenis over soevereiniteit.[20] Ik werd getroffen door de uiterst schampere wijze waarop over soeve­reiniteit werd gesproken. Ik dacht altijd: je hebt een staat en die staat heeft grenzen. En binnen die grenzen van die staat, heeft die staat jurisdictie. Dat wil zeggen: er zijn eigen wetten voor die staat. De wetten van de ene staat zijn niet die van de andere staat. Maar ik werd toen geconfronteerd met een ideologische denkwereld die totaal anders was en de mij onzinnig leek. Ik maakte kennis met mensen die zeiden dat “soevereiniteit” een afgeschreven begrip was. We leefden nu tenslotte in een “internationale wereld”. Die mensen presenteerden zich als “kosmopolieten” en zijn spraken in de meest afwijzende termen over andere mensen omdat die andere mensen dachten dat “nationale grenzen” er nog toe deden. Hoewel ik in dat Tijdschrift voor Theoretische Geschiedenis in 1991 een artikel schreef waarin ik probeerde aan te tonen dat nationale soevereiniteit geen afgeschreven  begrip was maar de basis voor elk gezond staatsrecht, moet ik toegeven dat deze houding van al die “kosmopolitische collega’s” mij danig in verwarring bracht. Was ik gek, of was ik in een gekkenhuis verzeild geraakt? Ik meen nu te weten dat ik niet gek was, maar dat ik, ideologisch gezien, in een zeer specifiek ideologische context verzeild was geraakt, maar toen, nogmaals, vond ik dat tamelijk verwarrend.

         Maar ook toen was Prof. Couwenberg toch wel een reddingsboei voor mij, want door hem leerde ik op een nuchtere en, ik ben geneigd te zeggen, gezonde manier naar nationale soevereiniteit te kijken. De manier waarop Couwenberg daar nu tegenaan kijkt, verschilt niet significant van de manier waarop hij daar in 1991 tegenaan keek, vandaar dat ik aansluiting zal zoeken bij zijn meest recente werk. In Hoe universeel is de westerse idee van de moderniteit? schrijft Couwenberg dat na de liberale triomf in de Koude Oorlog[21] een nieuwe, cultureel gerichte links-rechts tegenstelling groeide: “het onderscheid tussen kosmopolitisme en nationalisme/etnocentrisme, dat veelal parallel loopt met de nieuwe maatschappelijke scheidslijn tussen hoger en lager opgeleiden” (p. 77). Kortom (en nu komen mijn woorden), de “slimmen” (universitairen) wisten dat je kosmopoliet moest zijn. De “dommen” (mensen buiten de universiteit) bleven hangen in nationalisme. Couwenberg doorbreekt dat simplistische onderscheid en laat zien dat nationalisme een factor is die op verschillende momenten in de geschiedenis (i) conserverend maar ook wel (ii) progressief heeft gewerkt. In de 19e eeuw was het nationalisme als politieke ideologie constitutief voor de ontwikkeling van de nationale staat. “Als zodanig is het een cruciale factor in de ontwikkeling ervan”. Maar het nationalisme in de zin van het zelfbeschikkingsrecht van volkeren is ook een cruciale factor in het dekolonisatieproces geweest. Immers de voorheen gekoloniseerde naties beriepen zich op dat zelfbeschikkingsrecht ter legitimatie van dekolonisatie.

         Het interessante aan die laatste typering is natuurlijk dat hierdoor nep-links in verlegenheid wordt gebracht. Immers iets positiefs (dekolonisatie) wordt in verband gebracht met iets verwerpelijks (nationalisme). Het principe van de cognitieve dissonantie zorgt ervoor dat dit verband dus ook niet tot het bewustzijn van de universitair geschoolden doordringt. Dit alles leidt tot een conclusie van Couwenberg die voor menigeen als onverteerbaar zal gelden: “De nationale staat behoort, evenals het nationalisme, vooralsnog zeker niet tot het verleden. Allerlei staatloze volkeren eisen waar mogelijk nog een eigen nationale staat voor zich op. De meeste politici zien in die staat bovendien nog onverminderd de belangrijkste bron van politieke loyaliteit en soevereiniteit” (p. 79).

         Het enige wat op die zin valt af te dingen is, volgens mij, dat deze nog niet radicaal genoeg is geformuleerd. Couwenberg doet voorkomen alsof het belangrijkste positieve dat over nationalisme te vertellen valt is dat “de meeste politici” het nog niet hebben afgeschreven. Maar waarom zou dat belangrijk zijn? Waarom het gaat, is dat nationale staten het enige ontdekte bruikbare model van ordening op wereldschaal is dat we kennen. De wereld is opgedeeld in ongeveer 200 natiestaten met ongeveer 200 jurisdicties, 200 politiemachten, 200 legers, 200 ministeries van binnenlandse- en buitenlandse zaken. Wie een ander ordeningsmodel weet mag het zeggen. Het probleem van al dat ideologisch gefantaseer over afschaffing van nationalisme en de natiestaat die ouderwets zou zijn, is dat het de indruk wekt alsof we een ander ordeningsmodel in de aanbieding hebben. Dat hebben we niet. Sommigen denken wel dat zoiets bestaat, maar we hebben het niet. Het probleem met retorisch-populistische onzin als “Le nationalisme, c’est la guerre” (Mitterand) is niet zozeer dat het onwaar is (er worden wel meer onwaarheden verkocht in de politiek), maar dat ze schadelijk zijn: zij stimuleren dwaallichten hun oude schoenen weg te werpen voordat ze nieuwe hebben. De oude schoenen zijn in mijn vergelijking de “natiestaat” en een zekere mate van nationalisme dat nodig is om loyaliteit aan die natiestaat te stimuleren. We weten van Couwenberg dat Mitterand net zo goed had kunnen zeggen “Het nationalisme, dat is dekolonisatie”. Maar dat zegt hij niet omdat hij een megalomane retoricus is die zijn publiek het best kan bespelen met de onzinnige suggestie dat nationalisme altijd tot oorlog leidt en dus zegt hij dat. Een eerlijk politicus zou zeggen “Nationalisme, we hebben nog niks beters”.

 

 

De belangrijke inzichten van Couwenberg

 

Tot zover heb ik het gehad over de vraag waar Couwenberg nu precies uitkomt in zijn verdediging en beschrijving van de moderniteit. Maar zeker zo belangrijk is het aandacht te vragen voor de talloze punten waarop hij een enorm rijke beschrijving geeft van de processen die hij analyseert. Ik heb in de vijfendertig jaar dat ik Couwenberg ken vele artikelen in Civis Mundi geschreven.[22] Ook heb ik veel van zijn boeken besproken, in Rekenschap,[23] in Acta Politica[24] en in Civis Mundi.[25] In die tijd heb ik veel van hem geleerd. Een van de belangrijkste dingen die ik geleerd heb, is dat het staatsrecht dat we aan universiteiten doceren (het vak waarin Couwenberg hoogleraar was) een bepaald type staatsrecht is. Het is het staatrecht van de democratische rechtsstaat, zoals deze in de moderniteit tot ontwikkeling is gekomen. In die zin (en ook alleen in die zin) is het staatsrecht niet objectief-neutraal, want het is een staatkundige ordening die is gebaseerd op bepaalde moreel-politieke uitgangspunten. Die moreel-politieke uitgangspunten werden in de Koude Oorlog ter discussie gesteld door het communisme (een cultuurstrijd waaraan de stichting Civis Mundi een belangrijke bijdrage heeft geleverd), maar sinds 1979 (Iraanse Revolutie), 1989 (fatwa over Rushdie) of 9/11 2001 (terroristische aanslagen in de VS) door het islamisme. Het grote probleem met regressief links[26] is dat het die cultuurstrijd niet wil zien of daarin op de verkeerde wijze partij kiest. Foucault koos voor Khomeini.[27] Habermas denkt dat er niets verkeerd is met Iran.[28] Dat is precies zoals Sartre het communisme niet wilde bekritiseren.[29] De linkse intellectuelen hebben zich in de twintigste eeuw massaal geëngageerd aan totalitaire staten en samenlevingen.[30] En nu dus weer. Ze blijven het doen.[31] Ze zijn onverbeterlijk, lijkt het.

         Regressief links doet het graag voorkomen alsof niet-linkse intellectuelen heimelijke of meer openlijke racisten, fascisten, nazi’s, xenofoben of islamofoben zijn, maar het is veel eenvoudiger dan zij denken.[32] De mensen die tegenwoordig afstand houden tot links (en daartoe reken ik mijzelf, maar reken ik ook Couwenberg) hebben uit de geschiedenis geleerd dat echte verdedigers van de democratische rechtsstaat moeilijker te vinden zijn in linkse kringen dan elders. Links levert de democratische rechtsstaat – alle mooie praatjes ten spijt – maar al te vaak uit aan het communisme, cultuurmarxisme of (tegenwoordig) ISIS, Al-Qaida, Saudi-Arabië of Iran. Maar links maakte het ook onmogelijk de morele dilemma’s van onze tijd openhartig te bespreken. Couwenberg formuleert het zo: “In plaats van de vroegere confessioneel geïnspireerde taboes ontstonden nieuwe, nu linkse taboes die ten doel hadden de openbare discussie in bepaalde door linkse criteria bepaalde banen te leiden. Wie het waagde daarvan af te wijken in kwesties van migratie-, integratie- en veiligheidsbeleid, zoals bijvoorbeeld in Civis Mundi gebeurde, werd met stigmatiserende kwalificaties als extreemrechts, racistisch en zelfs fascistisch om de oren geslagen. Een inhoudelijke discussie werd zodoende bewust uit de weg gegaan” (p. 19).

Is dit juist? Ik zou zeggen van wel. En het ergerlijke is dat dit tot op de dag van vandaag doorgaat. Niet alleen Couwenberg heeft daarmee te maken gehad in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw, maar dat belasteren gaat door tot op de dag van vandaag. Er is dan ook grote behoefte aan een platform als Civis Mundi waar de grote vraagstukken van onze tijd onbevangen kunnen worden besproken.

         Tegenwoordig is weer veel aandacht voor kritiek op wat sommigen “cultuurmarxisme” noemen.[33] De Frankfurter Schule (Fromm, Horkheimer, Adorno, Marcuse, Habermas) wordt wel aanwezen als een belangrijk vehikel voor dat cultuurmarxisme.[34] Couwenberg zegt over die Frankfurter Schule het volgende. De “kritische”[35] maatschappijtheorie van de Frankfurter Schule, schrijft Couwenberg, “degradeert wetenschapsbeoefening tot louter instrument ten dienste van de heersende machten en daarmee van de bestaande orde” (p. 20).

         De vraag is natuurlijk of de Frankfurter Schule daar gelijk in heeft. Ik denk het niet. Bertrand Russell (1872–1970) denkt ook van niet. Natuurlijk staat ook wetenschap (wetenschappers zijn immers feilbaar) bloot aan allerlei verleidingen, maar de wetenschappelijke methode is, mits goed toegepast, kritisch.[36] Dit punt zal in de jaren zeventig bepalend worden in de strijd tussen het “positivisme” en de “kritische theorie” (althans wat de Frankfurters graag als “kritisch” wilden presenteren). De Frankfurters (Habermas met name) deden het voorkomen alsof de positivistische wetenschapsopvatting een – in de woorden van Couwenberg – “gehalveerde rationaliteitsopvatting”  voorstond. Deze kritiek op de wetenschap raakte ook de benadering die Civis Mundi tot uitgangspunt had gekozen, legt Couwenberg uit. De geloofwaardigheid van “ons beroep” (dat wil zeggen dat van Civis Mundi, en daarmee dat van Couwenberg) op “westerse waarden als uitgangspunt” werd ter discussie gesteld. Onder die westerse waarden verstaat  Couwenberg dan de “kernwaarden van de moderniteit” zoals die sinds de liberale revoluties van de 18e eeuw zich hebben ontwikkeld (p. 21). Die waarden worden tegenwoordig bestreden door “het islamitisch-fundamentalisme en -terrorisme”, voegt hij toe (p. 21).

         Opnieuw, de typering van Couwenberg is juist, lijkt mij. Maar ik vind wel dat hij onvoldoende uitlegt wat zijn positie is in deze kwestie. Volgens mij wil hij twee punten maken maar die worden vaak onvoldoende onderscheiden:

  1. De waarden van de moderniteit, de kernwaarden van de liberale revoluties, zijn in het Westen voor het eerst geformuleerd. In die zijn ze “westers”. Dit is dus een louter beschrijvende uitspraak (Sein). Maar nu volgt de normatieve uitspraak (Sollen).
  2. Die waarden van de moderniteit zijn beter dan de waarden van de premoderne samenlevingen. In die zin zijn ze dus niet “westers”, maar universeel.

Als ik Couwenberg goed begrijp, onderschrijft hij beide uitspraken. Maar omdat hij in soms niet altijd even duidelijke zinnen heen en weer gaat tussen het beschrijvende en het normatieve, kan wel eens verwarring ontstaan. Cultuurrelativisten, regressief links, zelfbenoemde antikolonialisten, antiracisten of antixenofobe activisten willen altijd alleen maar bij de eerste stelling blijven staan. Zij denken dat ze heel goed werk doen door onophoudelijk hedendaagse liberale rechtsstaten af te kammen als voormalige slavenhoudersmaatschappijen die hun oude streken nog niet verleerd zijn. Vandaar dat voortdurend beroep op herdenkingen van slavernijverleden die zich als onschuldig en ruimdenkend presenteren, maar die het feitelijke effect hebben om de weerbaarheid van democratieën tegenover het hedendaags religieus fanatisme te verzwakken. Westerse natiestaten, die vaak een christelijke cultuur als basis hebben, zijn voor dat schuldgevoel enorm ontvankelijk, zoals Paul Nielsen in vele podcasts heeft duidelijk gemaakt.[37] Een belangrijk punt van het werk van Couwenberg, iets wat zich ook manifesteert in Hoe universeel is de westerse idee van de moderniteit?, is dat hij laat zien dat stelling 2 ook door alle mensen van goede wil zou moeten worden onderschreven. Dat doet hij door bijvoorbeeld erop te wijzen dat nationalisme naast een bedenkelijke kant, waarmee we zijn geconfronteerd in de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog, ook een emancipatoire dimensie heeft die zich heeft gemanifesteerd in het naoorlogse dekolonisatieproces. Dat dekolonisatieproces wordt immers ingezet, zoals we hebben gezien, op basis van de gedachte van nationale zelfbestemming. Elk land, elk volk, heeft recht op een natiestaat van eigen keuze. Daar worden sommige mensen natuurlijk weer heel nerveus van, want het plaatst nationalisme niet in een voor 100% kwaad daglicht en ja, dan ben je dus een beetje verdacht.

Het werk van Couwenberg van de afgelopen decennia bevat vele stenen des aanstoots, vele aanknopingspunten voor “verdenkingen”. Maar ik denk dat hij, en met hem Civis Mundi, al meer dan vijftig jaar lang nuchter en rationeel politiek en staatkundige commentaar heeft gepresenteerd in tijden van decadentie en zelfverloochening.

 



[1] Zie daarover ook: Couwenberg, S.W., Katholiciteit en vrijzinnigheid: Zoektocht naar een nieuwe geloofsoriëntatie, Kok/Agora, Kampen 1990.

[2] Romein, Jan, “De Europese geschiedenis als afwijking van het Algemeen Menselijk Patroon” (1952), in: Historische lijnen en patronen, een keuze uit de essays, Em. Querido’s Uitgeverij BV, Amsterdam 1976, pp. 417-446 (voor het eerst gepubliceerd in: In de ban van Prambanan, 1954); Romein, Jan, “Het Algemeen Menselijk Patroon”, Ontstaan, belang en draag­kracht van historische theorieën (1955), in: Historische lijnen en patronen, een keuze uit de essays, Em. Querido’s Uitgeverij BV, Amsterdam 1976, pp. 491-511.

[3] Singer, Peter, Practical Ethics, Third Edition, Cambridge University Press, Cambridge 2011 (1980); Singer, Peter, The President of Good and Evil: Taking George W. Bush seriously, Granta Books, London 2004.

[4] Zie daarover: Cliteur, Paul, “Een inleiding tot de filosofie en rechtstheorie van Herman Dooyeweerd”, in: Radix, Uitgave van het gereformeerd wetenschappelijk genootschap, 9e jaargang, no. 4, oktober 1983, pp. 198-213; Verburg, Marcel E., Herman Dooyeweerd: The Life and Work of a Christian Philosopher, translated and edited by Herbert Donald Morton and Harry Van Dyke, Paideia Press, Jordan Station 2015.

[5] Couwenberg, S.W., Geschiedenis als noodlot, Kok/Agora, Pelckmans 1995.

[6] Zoals ik dat zelf heb proberen te verdedigen in: Cliteur, P.B., De filosofie van mensenrechten, 1e druk, Ars Aequi Libri, Nijmegen 1997, tweede druk 1999.

 

[7] Zie: Berg, Floris van den, “Minicollege van Floris van den Berg: Wat is theoterrorisme?

Opmerkingen bij het nieuwe boek van Paul Cliteur en Dirk Verhofstadt”, in: ThePostonline, 23 april 2018, maar natuurlijk vooral zijn boeken als: Berg, Floris van den, De olijke atheïst: filosoferen over de waan van religie, Houtekiet, Antwerpen/Utrecht 2018; Berg, Floris van den, Beter weten: filosofie van het ecohumanisme, Houtekiet en ISVW, Antwerpen/Utrecht 2015; Berg, Floris van den, De vrolijke feminist: een ecofeministische filosofie, Houtekiet, Antwerpen/Amsterdam 2016; Berg, Floris van den, Filosofie voor een betere wereld, Houtekiet/Atlas, Antwerpen/Amsterdam 2009.

[8] Yousafzai, Malala, I am Malala: the Girl who stood up for Education and was shot by the Taliban, Weidenfeld & Nicolson, London 2013.

[11] http://www.who.int/reproductivehealth/topics/fgm/prevalence/en/

[12] Kanko, Assita, De tweede helft: tijd voor een nieuw feminisme, Lannoo, Tielt 2015; Kanko, Assita, Parce que tu es une fille: histoire d’une vie excisée, Renaissance du livre, Waterloo 2014.

[13] Zie daarover: Marres, René, De verdediging van het vrije woord: de kwestie Wilders en de demonisering van het debat, Uitgeverij Aspect, Soesterberg 2008.

[14] Zie hierover: Bawer, Bruce, The Victim’s Revolution: The Rise of Identity Studies and the Closing of the Liberal Mind, Broadside Books, New York 2012; Hume, Mick, Trigger Warning: Is the Fear of being offensive killing Free Speech?, William Collins, London 2015; Valkenberg, Sebastien, “Waar blijft The Sceptic’s Annotated Koran?”, in: Frits Bosch, red., Waarom haten ze ons eigenlijk?, De blauwe tijger, Groningen 2016; Valkenberg, Sebastien, Op denkles: hoe wapenen we ons tegen “Iedereen heeft zijn eigen waarheid” en andere modieuze denkbeelden, Ambo/Anthos, Amsterdam 2015.

[15] Belangrijke linkse auteurs die dit onderwerp aan de orde hebben gesteld zijn Joost Zwagerman en Carel Brendel. Zie: Zwagerman, Joost, De schaamte voor links, Querido, Amsterdam/Antwerpen 2007; Het wilde westen. Nederland 2001-2003, De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen 2003; Hollands welvaren: Nederland 2004-2008, Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam 2007; Hitler in de polder & Vrij van God, De Arbeiderspers, Amsterdam 2009 en Brendel, Carel, De onzichtbare Ayatollah, met bijdragen van Hans Jansen en Nahed Selim, Uitgeverij Van Praag, Amsterdam 2010; Het verraad van links, tweede herziene druk, Uitgeverij Aspekt 2008.

[16] Cliteur, Paul, Bardot, Fallaci, Houellebecq en Wilders, De Blauwe Tijger, Groningen 2016.

[17] In de postmoderne ideologie wordt “Othering” ook als een grote zonde beschouwd. Je denkt dan niet “inclusief”. Goed handelen is denken dat er geen ander bestaat en alles en iedereen insluiten, ook de krachten die je eigen ondergang betekenen.

[18] Hij blikt terug in: Couwenberg, S.W., Opstand der burgers: De Fortuyn-revolte en het demasqué van de oude politiek, Damon, Budel 2004.

[19] Onder andere in: Harris, Sam, and Nawaz, Maajid, Islam and the Future of Tolerance, Harvard University Press, Cambridge, Mass., London 2015.

[20] Cliteur, Paul, “‘Wetgeverssoevereiniteit’ in Engeland, de Verenigde Staten en Nederland”, in: Soevereiniteit: Lotgevallen van een Begrip, speciaal nummer van Theoreti­sche Geschiedenis, Jaargang 18, nummer 3, 1991, pp. 435-445.

[21] Overigens is deze typering van Couwenberg natuurlijk ook weer een steen des aanstoots voor nep-links. In de visie van nep-links is die Koude Oorlog gebaseerd op een misverstand. Die oorlog had überhaupt niet plaats moeten hebben. Deze Koude Oorlog wordt ook alleen maar belicht vanuit de ontsporing daarvan in het McCarthyisme. In het vocabulaire van nep-links is “Cold Warrior” een depreciërende kwalificatie. “Cold Warriors” zijn havikken, oorlogshitsers, terwijl als men gewoon rustig afwacht komen communisten vanzelf wel tot bezinning. Bovendien, niet alles wat die communisten zeggen is toch slecht?

[22] Het eerste was: Cliteur, Paul, “Kant’s idee zu einer allgemeinen Geschichte in weltbürgerlicher Absicht”, in: Civis Mundi, 23e jaargang, juni 1984, pp. 87-94.

[23] Modern constitutioneel recht en emancipatie van de mens, in: Rekenschap, december 1985, pp. 210-213.

[24] Cliteur, Paul, “Modern constitutioneel recht en emancipatie van de mens”, in: Acta Politica, April 1985, pp. 229-240.

[25] Cliteur, P.B., “Macht en vrijheid - Een reflexie over het werk van S.W. Couwenberg”, in: Couwenberg, S.W., Geschiedenis als noodlot, Kok/Agora, Pelckmans 1995, pp. 117-140.

[26] Die term ontleen ik aan Maaijd Nawaz, zoals toegelicht in onder andere: Harris, Sam, and Nawaz, Maajid, Islam and the Future of Tolerance, Harvard University Press, Cambridge, Mass., London 2015.

[27] Zie: Afary, Janet, Anderson, Kevin B., Foucault and the Iranian Revolution: Gender and the Seductions of Islamism, The University of Chicago Press, Chicago and London 2005.

[28] Zie: Cliteur, Paul, en Verhofstadt, Dirk, In naam van God, Houtekiet, Antwerpen en Amsterdam 2018, p. 305 over Bassam Tibi en Jürgen Habermas.

[29] Een vernietigend portret schildert: Lévy, Bernard-Henri, Le siècle de Sartre: Enquête philosophique, Grasset, Paris 2000.

[30] Een breed overzicht geeft: Glazov, Jamie, United in Hate: The Left’s Romance with Tyranny and Terror, WND Books, Los Angeles 2009, maar zie ook de alternatieve geschiedenis van de filosofie van Michel Onfray.

[31] Zie daarover: Rooy, Wim van, “Frankrijk en zijn intellectuelen”, in: Paul Cliteur, Jesper Jansen en Perry Pierik, red., Cultuurmarxisme: er waart een spook door het Westen, Uitgeverij Aspekt, Soesterberg 2018, pp. 187-229.

[32] Laes, Willy, “Woorden als ‘racisme’ en ‘islamofobie’ hebben een betekenis”, in: Mondiaal Niews, 27 juli 2018.

[33] Cliteur, Paul, Jansen, Jesper, Pierik, Perry, red., Cultuurmarxisme: er waart een spook door het Westen, Uitgeverij Aspekt, Soesterberg 2018. Een van de beste inleidingen in het onderwerp voor wie de tijd vindt 1 uur te luisteren wil ik het gesprek aanraden tussen Perry Pierik en Eric C. Hendriks voor Café Weltschmerz:

https://www.youtube.com/watch?v=JGWjD-RWHXw

[34] Zie daarover: Lukkassen, Sid, Levenslust en doodsdrift: essays over politiek en cultuur, De Blauwe Tijger, Groningen 2017.

[35] Deze aanhalingstekens heb ik toegevoegd omdat wat vanuit een bepaald perspectief, het eigen perspectief, geldt als “kritisch” vanuit een ander perspectief “onkritisch” moet worden genoemd. Eigenlijk voegt het woord “kritisch” niks toe. Het is selfpraise. Daaraan gaven die Frankfurters zich onbekommerd over, door hun theorie “kritisch” te noemen.

[36] Zie: Russell, Bertrand, The Scientific Outlook, Routledge, London and New York 2001 (1931). Een kortere presentatie van zijn argument vindt men in: Russell, Bertrand, Religion and Science, Oxford University Press, London New York Toronto 1935. Maar ook Russell’s vermaarde History of Western Philosophy is geheel gebaseerd op de ambitie om kritische rationaliteit te laten zegevieren over de verleidingen van religieus-spiritualistische onzin die – helaas – ook in de filosofie veel grond aan de voeten heeft gekregen. Zie: Russell, Bertrand, History of Western Philosophy. And its Connection with Political and Social Circumstances from the Earliest Times to the Present Day, George Allen & Unwin, London 1974 (1946).

[37] Zie bijvoorbeeld: https://www.youtube.com/watch?v=fvNBej52ZLc