De spiritualiteit van Teilhard de Chardin

Civis Mundi Digitaal #65

door Paul Revis

Het centrale begrip in de spiritualiteit van Teilhard de Chardin is ‘wereldaanvaarding’. Wat verstaat men hieronder? In de meeste religies kan men een wereldaanvaardende en een  wereldontkennende tendens onderscheiden. In de wereldontkennende tendens gaat men ervan uit dat het ultieme geluk alleen te bereiken valt door zich te richten op het eigen Ik en de wereld de rug toe te keren. Wanneer in een religie deze tendens de overhand neemt, wordt zij voor de sociale en maatschappelijke ontwikkeling een groot gevaar. Wij hoeven maar te wijzen naar een Islam, die zich kenmerkt door vrouwonvriendelijkheid, imams die haat zaaien en zelfmoordaanslagen. Er bestaat echter ook een wereldaanvaardende Islam, zoals blijkt uit het werk van de dichter, filosoof en politicus Mohammed Iqbal (1877-1938), de geestelijke vader van Pakistan. Helaas moet geconstateerd worden dat in de huidige Islam de wereldontkennende tendens de boventoon voert. Ook het christendom heeft perioden gekend, waarin deze tendens overheerste. We hoeven maar te denken aan kettervervolging, inquisitie en heksenverbranding. In de wereldaanvaardende tendens gaat men ervan uit dat het ultieme geluk alleen te bereiken valt door te werken aan de ontwikkeling van de wereld. Religie is dan een motiverende kracht in gezondheidszorg, onderwijs, verbetering van landbouw en allerlei andere vormen van ontwikkelingswerk.

Het lijkt een gemeenplaats te constateren dat Teilhard een wereldaanvaardend christendom voorstaat. Toch is de radicale manier waarop hij dat doet zo opmerkelijk, dat het de moeite loont om zijn ontwikkeling op dit punt nauwkeurig te volgen. Zelf zegt Teilhard dat zijn geloof in twee gebieden wortelt, die gewoonlijk als tegenstrijdig beschouwd worden: “Door opvoeding en geestelijke vorming, behoor ik tot de ‘kinderen van de Hemel’, Maar door temperament en beroepsstudies ben ik ‘een kind van de Aarde.’ (OC[1]X,117).” Deze twee gebieden zullen in Teilhard tot een volledige harmonie versmelten. Zover zijn we echter nog niet. In het kind Teilhard zijn beide gebieden duidelijk aanwezig, maar naast elkaar, schijnbaar zonder enige verbinding. Enerzijds neemt hij het geloof van zijn ouders op een vanzelfsprekende manier over, anderzijds gaat hij op zoek naar zijn eigen God. Deze moet verborgen zitten in ‘onvergankelijke materie’. Aanvankelijk meent hij dat dit ijzer is, maar als de ijzeren voorwerpen, die hij heeft verzameld, tot zijn schrik zijn gaan roesten, ontwaakt bij hem een belangstelling voor stenen. Zijn heimelijke verering voor een ‘ijzeren God’ ruilt hij in voor een ‘God van de stenen’. In zekere zin zal deze ‘verering’ hem nooit meer verlaten. Hier ligt het terrein waar de vrijzinnigheid van Teilhard tot ontplooiing komt. Als wetenschapper zal hij de methodische eis van ‘exclusion de la transcendance’. tot zijn tweede natuur maken. Vrijzinnigheid mag hier niet gelijkgesteld worden met lichtzinnigheid. De ware vrijdenker buigt pas het hoofd als alle mogelijkheden van het verstand zijn gebruikt.

Aanvankelijk is bij de jonge Teilhard wereldaanvaarding nog lang geen vanzelfsprekende zaak. Eén van zijn leraren op de humaniora beschrijft hem als zeer intelligent, maar van een wanhopige braafheid. Iedere leerling liep wel eens ergens warm voor. Hij nooit. Ik heb pas lange tijd daarna het geheim van die schijnbare onverschilligheid begrepen. Hij had een andere hartstocht, angstvallig koesterend, absorberend, die hem ver van ons deed leven: de stenen[2].

Toch verflauwt tegen het eind van de middelbare schooltijd zijn hartstocht voor de stenen en krijgt het jongetje in hem, dat zich zo vol overgave onderwerpt aan het strenge regime van de school de overhand. De traditionele godsdienst krijgt steeds meer greep op hem en daarmee ook bepaalde wereldontkennende tendensen. Na een schitterend eindexamen, komt hij thuis als een aan de wereld afgestorven asceet. Zijn vader ziet zijn overspannenheid en eist dat hij een jaar thuisblijft. Daar knapt hij van op, maar zijn wereldverzaking is nog niet van de baan als hij aan zijn priesteropleiding begint. Ze mondt uit in een vraag die hij aan zijn novicemeester Paul Troussard stelt. Zou het niet beter zijn om zijn wetenschappelijk werk op te geven en zich als priester alleen bezig te houden met zuiver pastorale taken? Het antwoord van Paul Troussard luidt, dat hij juist vast moet houden aan zijn wetenschappelijke capaciteiten. Juist door zijn talenten te ontplooien, zal alles in orde komen. Met verdubbelde energie pakt Teilhard de studie van de paleontologie weer op en inderdaad: hij ontdekt dat er helemaal geen tegenstelling hoeft te bestaan tussen priesterschap en wetenschap.

Als hij aan de vooravond van zijn priesterwijding (24 augustus 1911) de geloften overweegt, die hij moet gaan afleggen, blijkt dat hij in zichzelf ieder spoortje van wereldontkenning heeft overwonnen:

Ik ga de gelofte van armoede afleggen: nooit heb ik beter begrepen hoezeer het geld een machtig middel kan zijn in de dienst en de verheerlijking van God.

Ik ga de gelofte van kuisheid afleggen: nooit heb ik beter begrepen hoezeer man en vrouw elkaar kunnen aanvullen om zich op te heffen naar God.

Ik ga de gelofte van gehoorzaamheid afleggen: nooit heb ik beter begrepen hoezeer God vrij laat in zijn dienst[3]

Teilhard wordt vrijgesteld voor de wetenschap en de rest van zijn leven verdiept zijn priesterschap zich door een radicale wereldaanvaarding.

Nu komt de vuurdoop: de Eerste Wereldoorlog. Teilhard zal laten zien dat tot zijn radicale wereldaanvaarding ook de oorlog hoort. Hij wordt benoemd tot brancardier, maar is teleurgesteld over deze benoeming. Het liefst wil hij in de frontlinie staan, maar een priester met geweer..? Hij weet dat dat niet geaccepteerd zal worden.

Vanwaar dit vreemde verlangen? Hij beseft dat deze oorlog anders is dan alle andere oorlogen. Terecht zal men er later de naam ‘Wereldoorlog’ aan geven. Hij ziet dat de steeds talrijker wordende mensheid op het gelijkblijvende oppervlak van de aardbol met zichzelf in botsing komt. Intuïtief voelt hij dat deze oorlog de barensweeën bevat van wat hij later de noösfeer zal noemen. Eén ding weet hij zeker: zoals in de evolutie niets tot stand komt zonder bloed en tranen, zo is dat ook hier het geval. En nog een ding weet hij zeker: hij zal hiertoe zijn bijdrage leveren.

Als brancardier zal hij de hele oorlog dode en gewonde kameraden ophalen. Hij toont hierbij grote koelbloedigheid. Zo beweegt hij zich dagenlang in een open schootsveld en dringt daarbij door tot op een twintigtal meters van de vijandelijke linies. Hij wordt voor dit (en soortgelijk) gedrag onderscheiden met het oorlogskruis, de militaire medaille en – wat zeer ongebruikelijk is bij een brancardier – met het Legioen van Eer.

Opmerkelijk is ook zijn gedrag in de rustpauzes. Hij schrijft, schrijft, schrijft… en schijnt zich geen rust te gunnen. Hij schrijft over de meest uiteenlopende onderwerpen, die op het eerste gezicht nauwelijks iets met elkaar te maken hebben. Bij nader inzien echter zijn het de onderwerpen van een mysticus, die de oorlog op een mystieke wijze beleeft. Wij laten hier een fragment volgen uit het misschien wel meest controversiële stuk, dat hij ooit geschreven heeft: Het heimwee naar het front.

Ik voor mij verklaar dat er een wereld van gevoelens bestaat die ik zonder de oorlog nooit zou hebben gekend noch vermoed. Niemand, behalve zij die er geweest zijn, zal ooit de van verrukking vervulde herinnering kennen die iemand kan behouden aan de vlakte van Ieper in april 1915, toen de Vlaamse lucht naar chloorgas rook en de granaten de populieren langs de Ieperlee doorsneden, - ofwel van de verschroeide hellingen van Souville, toen zij in juli 1916 naar de dood roken. Die meer dan menselijke uren doordringen het leven met een hardnekkige, blijvende geur van verrukking en inwijding, alsof men ze in het absolute had doorgebracht. Alle bekoringen van de Oriënt, heel de geestelijke warmte van Parijs, wegen (...) niet op tegen de modder van Douaumont (OC XII, 239).

Hoezeer het er op het eerste gezicht ook op lijkt: dit is geen verheerlijking van de oorlog. Terwijl de kogels hem om de oren fluiten, heeft Teilhard de ervaring dat de categorieën van tijd en ruimte zijn weggevallen. Men zou dit kunnen vergelijken met wat we tegenwoordig kennen als een bijna-dood ervaring.      

Na de oorlog breekt voor Teilhard de tijd van expedities aan. Om praktische redenen draagt hij vaak geen priesterkleding. Hij weet als echte Fransman een goed glas wijn te waarderen. Op diners is hij een graag geziene gast en het spreekt vanzelf dat zijn charme ook voor vrouwen aantrekkelijk is. Kortom: hij is ‘een man van de wereld’ en men kan zich afvragen: waar is de priester? Bij nader inzien heeft hij deze goed geïntegreerd.

Op de eerste plaats blijkt dat uit zijn beschikbaarheid voor mensen. Natuurlijk geldt voor ieder mens dat hij andere mensen – als dat nodig is – helpt, maar van een priester verwacht men dat in het bijzonder. Teilhard voldoet aan deze verwachting ruimschoots. Iedereen kan een beroep op hem doen. Tegen het eind van zijn leven heeft hij nog steeds een drukke spreekkamer en weigert hij extra rust te nemen.

Op de tweede plaats draagt hij dagelijks de mis op. Dat is geen strikte verplichting, maar wordt van een priester wel verwacht. Als hij – op expeditie – geen brood en wijn bij zich blijkt te hebben, schrijft hij een poëtische tekst – La Messe sur le Monde - over zijn mis op het altaar van de wereld. Vanwege de sterke wereldaanvaarding die uit deze tekst spreekt, geven wij hier het volgende citaat:

Doordat, Heer, ik andermaal, niet meer in de bossen van de Aisne, maar in de steppen van Azië, brood noch wijn noch altaar heb, zal ik mij boven de symbolen uit tot de zuivere majesteit van de werkelijkheid verheffen en ik, uw priester, zal u op het altaar van heel de aarde de arbeid en de nood der wereld aanbieden.

De zon heeft zojuist, daarginds, de uiterste rand van het Oosten verlicht. Onder de bewegende mantel van haar straling ontwaakt de levende oppervlakte opnieuw, huivert en herbegint haar schrikwekkende arbeid. Ik zal, o mijn God, op mijn pateen de verwachte oogst van deze nieuwe inspanning leggen. Ik zal in mijn kelk het sap gieten van alle vruchten die vandaag worden geperst.

(…) Laat ze dus tot mij komen (…) hen vooral die (…) in hun kantoor, in hun laboratorium of in hun fabriek, aan de vooruitgang der dingen geloven en heden hartstochtelijk het licht zullen nastreven[4].

Op de derde plaats is de priester verkondiger. Hij moet de christelijke boodschap doorgeven aan volgende generaties. Natuurlijk is ook dit een taak voor alle gelovigen, maar de priester is hiervoor speciaal aangesteld. Bij Teilhard krijgt deze taak een heel bijzondere dimensie. Hij leeft in een tijd dat het statische wereldbeeld doorbroken wordt ten gunste van een dynamisch wereldbeeld. Dat betekent dat ook de kerkelijke leer van haar statische vormgeving moet worden ontdaan ten gunste van een dynamische vormgeving. Hoewel dit een zware taak is, die Teilhard in conflict brengt met zijn kerkelijke overheid, is hij er uitermate goed voor toegerust. Door zijn scherpe wetenschappelijke speurzin, heeft ‘de vrijdenker’ in hem zich volledig kunnen ontwikkelen. Hij gebruikt zijn verstand volledig, ook in zijn benadering van het dogma. Pas als hij stuit op wat het verstand te boven gaat, buigt hij het hoofd.

Wij kunnen dit illustreren aan de hand van een opstel dat Teilhard schrijft over de erfzonde: Notitie over enkele mogelijke historische Voorstellingen van de Erfzonde[5](OC X, 59). De materie heeft altijd de neiging terug te vallen in een toestand van chaos (wetten van de entropie). Vanwege die neiging tot ontbinding, zijn ziekte en dood de onvermijdelijke begeleidingsverschijnselen van het leven. Een aards paradijs waar geen ziekte en dood heerst en waar het lam naast de leeuw slaapt, kan daarom niet bestaan hebben, althans niet – zoals Teilhard het uitdrukt – als ‘historische toestand’. Het is een dichterlijke ontboezeming vanuit een statisch wereldbeeld, waar God alles ‘kant en klaar’ schept. Het aards paradijs staat daarin symbool voor een metafysische bestemming van de mens.

Teilhard ontkent ook de zondeval als een afzonderlijke historische gebeurtenis. Hij plaatst de zondeval in het perspectief van een dynamisch wereldbeeld. Met het ontstaan van de mens breidde het reeds aanwezige fysieke kwaad zich uit tot een moreel kwaad.       

Op deze manier ‘vertaalt’ Teilhard dogma’s vanuit een statisch wereldbeeld naar een dynamisch wereldbeeld. Zijn kerkelijke overheid is er niet van gecharmeerd. In 1950 geeft zij de encycliek Humani Generis uit. De aarde heeft ondertussen zoveel fossiel bewijsmateriaal prijsgegeven, dat de Kerk zich niet langer tegen de evolutieleer kan verzetten. Zij heeft geen bezwaar meer tegen het onderzoek naar de evolutie van het menselijk lichaam, maar ze vraagt van haar gelovigen wel, dat ze eraan vasthouden dat God de ziel ‘apart’ heeft ‘ingestort’. Hoewel het de bedoeling is om vrede tussen geloof en wetenschap te stichten, wordt – door het trekken van een demarcatielijn – de tegenstelling juist op de spits gedreven. De strikte scheiding tussen ziel en lichaam, tussen de Cartesiaanse res extensa (de wereld van de uitgebreidheid) en res cogitans (de wereld van de geest), is weer helemaal terug. Teilhard wil dit statische wereldbeeld juist doorbreken. Volgens hem komt de geest uit de materie voort en kan God zich alleen maar in en door de evolutie openbaren. Dat is ook de reden waarom hij een hekel heeft aan het woord ‘materialist’. “De materie is heilig”, pleegt hij te zeggen.

Het is niet strikt bewezen, maar het kan haast niet anders dan dat de encycliek een directe reactie is op de geschriften van Teilhard. In 1948 is hij namelijk in Rome geweest met een drievoudige vraag: mag hij een aangeboden leerstoel aan het Collège de France accepteren en mag hij Het Verschijnsel Mens en Het Goddelijk Milieu publiceren? Op alle drie de vragen krijgt hij nul op het rekest. Daarbij komt misschien nog het ergste: hij moet Frankrijk verlaten.

Omdat de grenzen van China dicht zijn, wijkt hij uit naar New York. De reden van dit besluit is de angst van Romevoor verspreiding van zijn ideeën, met name onder de ‘prêtres ouvriers’, de ‘priesterarbeiders’. Deze zijn na de Tweede Wereldoorlog door kardinaal Suhard opgericht met de bedoeling het gelaïciseerde Frankrijk van binnen uit te kerstenen. De priesters bedrijven een ‘anonieme zielzorg’. Dit betekent dat zij zich niet als priester kenbaar maken. Om hun werk goed te doen, hebben zij een vakopleiding gevolgd waardoor zij in eigen levensonderhoud kunnen voorzien. Ze zijn werkzaam op het platteland (‘Mission de France’) en in de fabrieken van de Parijse banlieue (‘Mission de Paris’). Na zijn terugkeer in Frankrijk    (1946) vat Teilhard meteen sympathie op voor de prêtres ouvriers. Hij ziet in hen de priesters van de toekomst, die werkzaam zijn in de noösfeer ‘zoals de gist in het deeg’.

Met de priesterarbeidersbeweging komt het tot een dramatisch einde. Sommige priesters zijn lid geworden van een communistische vakbond, doen mee met demonstraties en raken slaags met de politie. Andere kunnen het celibaat niet volhouden. Het burgerlijke Parijse establishment is geshockeerd en stuurt een regen van klachten naar het Vaticaan. Eind 1953, begin 1954 gaat er een bevel uit naar de verschillende priesterorden om hun leden uit de beweging terug te trekken. De meeste gehoorzamen. Veel priesters zijn uitgeput en geknakt in hun idealisme. Het is een zwarte bladzijde in de geschiedenis van de Kerk. Teilhard kan de gebeurtenissen alleen maar vanuit het buitenland volgen. Voor hem is het experiment met de priesterarbeiders niet mislukt. Zij hebben een anonieme zielzorg beoefend, die hij zijn hele leven heeft beoefend en die nooit zal verdwijnen.

 

Na de dood van Teilhard (10 april 1955) wordt zijn werk – te beginnen met Het Verschijnsel Mens  – gepubliceerd (december 1955) en krijgt internationaal grote weerklank. Tegelijk verandert ook het geestelijk klimaat in de katholieke Kerk. In 1958 wordt een nieuwe paus gekozen, Johannes XXIII, die alle bisschoppen ter wereld in een concilie bijeenroept. Zijn idee is dat de Kerk gemoderniseerd moet worden. Het slagwoord dat hij daarbij gebruikt,  is ‘aggiornamento’ (‘modernisering’, letterlijk: het ‘bij de dag brengen’). Dit begrip loopt vrijwel parallel met het begrip ‘wereldaanvaarding’, zoals wij dat hier hanteren. Daarbij gaat het niet om een ‘passieve aanvaarding’ van een wereld die is, zoals zij nu eenmaal is, maar om een ‘actieve aanvaarding’ van een wereld die verbeterd moet worden. In teilhardiaanse termen: in de noösfeer staat de mens zelf aan het stuurwiel van de evolutie.  

In 1962 wordt het concilie geopend. Er ontstaan twee richtingen: progressieven en conservatieven. De progressieven willen aan het aggiornamento ruim baan geven. De conservatieven komen op voor de traditie.  Soms – als de progressieven te veel overboord willen zetten – is dat goed. Meestal echter streven de conservatieven ernaar om zaken, die aan vernieuwing toe zijn, ‘bij het oude’ te laten. Het zijn dikwijls zaken die wereldontkennende tendensen in stand houden.

Teilhards invloed lijkt niet groot te zijn. In hetzelfde jaar dat het concilie wordt geopend (11 okt. 1962) wordt tegen zijn werk een ‘monitum’ uitgevaardigd (30 juni 1962). Dit is een officiële kerkelijke waarschuwing. Later wordt hij wel door enkele bisschoppen in positieve zin genoemd. Ook wordt hij – wegens zijn internationale bekendheid op dat moment – in de wandelgangen besproken, maar daar blijft het bij. 

In 1963 sterft paus Johannes en in 1965 wordt het concilie gesloten. Na deze gebeurtenissen zal het aanvankelijk enthousiasme steeds meer bekoelen. Het besef dringt door dat veel conciliebesluiten niet op werkelijke wereldaanvaarding zijn gebaseerd. We lichten dit toe aan de hand van een vijftal onderwerpen.

 

Geboorteregeling

Het officiële standpunt van de katholieke Kerk luidt nog steeds dat alle anticonceptiemiddelen verboden zijn. Zowel voor een verantwoorde gezinsvorming als voor de leefbaarheid van de noösfeer is dit een gevaarlijk standpunt. We kunnen de voortplanting van de mens niet op zijn beloop laten. Enerzijds hebben ouders het recht om te bepalen hoeveel kinderen ze kunnen  opvoeden, anderzijds heeft de mensheid als geheel de verantwoordelijkheid om te bepalen hoeveel kindermonden op deze planeet gevoed kunnen worden. Door alle anticonceptiemiddelen te veroordelen, heeft de katholieke Kerk, zowel t.a.v. de individuele ouders als t.a.v. de bevolkingsproblematiek een wereldontkennend standpunt ingenomen.

 

 

 

Euthanasie

In het officiële standpunt van de katholieke Kerk wordt euthanasie gelijkgesteld aan moord. Hier schijnt de volgende gedachte achter te liggen. Hoe ‘ondraaglijk’ en hoe ‘uitzichtloos’ het lijden ook mag zijn, God heeft ons het leven geschonken en wij mogen het niet eigenmachtig beëindigen. Dit is een gedachte die voortkomt uit een passieve wereldaanvaarding: we hebben de wereld te aanvaarden zoals die nu eenmaal is, dus met al haar pijn die ze met zich meebrengt. Dit is een verkapte vorm van wereldontkenning.

Men kan opperen dat God ook de planten en dieren het leven heeft geschonken. Waarom zouden we die wel mogen doden en een mens niet? Het argument zal zijn: omdat het levensbeginsel van de mens – de ‘ziel’ – van een heel andere orde is. De ziel is door God ‘apart’ geschapen en het is aan God om hem weer ‘terug te nemen’. In deze ‘door God gewilde orde’ mag de mens niet ingrijpen. Deze gedachte komt voort uit een statisch wereldbeeld, waarin ziel en lichaam, materie en geest als twee afzonderlijke entiteiten door God geschapen zijn. Dit wereldbeeld staat haaks op het dynamisch wereldbeeld, waarin de mens verantwoordelijk is voor de evolutie en daarin ook mag (en moet) ingrijpen.

 

Abortus

In het officiële standpunt van de katholieke Kerk wordt abortus gelijkgesteld aan moord. Dit lost niets op. Bij een radicale afwijzing (dus bij een wereldontkennende houding) wordt de hele abortuskwestie in de criminele sfeer getrokken. Ook de vrouw die met de rug tegen de muur staat en geen andere uitweg weet, wordt als een moordenaar neergezet.

Het is echter gebleken dat abortus teruggedrongen kan worden met een wetgeving, die abortus onder bepaalde omstandigheden toelaat. Zo’n wetgeving is een duidelijk voorbeeld van actieve wereldaanvaarding. Men werkt aan de verbetering van een onvolmaakte wereld, waarin abortus waarschijnlijk nooit uitgeroeid kan worden.

 

De gehuwde priester

De beweging van de priester-arbeiders werd destijds opgericht, omdat het steeds moeilijker werd om zielzorg te bedrijven langs de hiërarchische lijnen van een parochie. Dat geldt nog steeds. Een pastor (herder) krijgt zijn schapen nauwelijks meer bij elkaar. Dat betekent dat het roer drastisch moet worden omgegooid. Al is de beweging van de priester-arbeiders officieel opgeheven, de priester van de toekomst kan zich niet meer boven de mensen stellen, maar zal ’tussen’ de mensen moeten leven. Dat betekent dat hij een ‘gewoon’ beroep zal uitoefenen en dat betekent in veel gevallen ook dat hij getrouwd zal zijn. Dit zijn de uitgangssituaties van waaruit hij zijn omgeving als priester van dienst kan zijn.

 

De vrouw in het ambt

Vrouwenemancipatie is een vorm van actieve wereldaanvaarding. Langzamerhand is er een belangrijk inzicht in brede lagen van de bevolking doorgedrongen. Als de vrouw alleen aan de huishouding gebonden blijft, gaat 50% van alle talent verloren. Dit geldt natuurlijk ook voor ‘geestelijke beroepen’. Ondertussen is bij vele christelijke denominaties de vrouw in het ambt een vertrouwd verschijnsel. Het protestantisme is al langer bekend met de vrouwelijke predikant, om precies te zijn: sinds de bevestiging op 5 nov. 1911 van Anne Zernike. Tegen het eind van de vorige eeuw maakt de vrouwelijke priester haar entree bij anglicanen, orthodox-katholieken, oud-katholieken enz., maar niet bij rooms-katholieken. Daar weigert men de vrouw tot het priesterschap toe te laten. Ondanks allerlei studies, komt men niet veel verder dan de constatering dat er onder de apostelen geen vrouw was. Kan men uit die constatering wel een deugdelijk argument afleiden? Mogen er – omdat er vroeger geen vrouwelijke priesters waren – vandaag geen zijn?

 

Nu echter het wonderbaarlijke: Teilhard is gestorven in 1955, dus voor het concilie (1962). Hij heeft geleefd in een tijd dat de Kerk nog een monolithisch blok van zekerheid was, waarin de termen ‘progressief’ en ‘conservatief’ nauwelijks klonken. Toch is hij voor ons moderner dan ooit. Bij nader inzien is hier wel een verklaring voor. Het programma van het concilie – samengebald in het woord aggiornamento – hield een actieve wereldaanvaarding in. Ofschoon hij het concilie niet heeft meegemaakt, is zowel het leven als het werk van Teilhard een consequente uitwerking van deze wereldaanvaarding. Hij zou dan ook hoogstwaarschijnlijk de wereldontkennende standpunten in bovengenoemde kwesties niet gedeeld hebben. Overigens zou hij zijn mening voor zichzelf gehouden hebben, want zijn loyaliteit naar Rome was zeer groot. We kunnen dat aflezen aan zijn voorzichtigheid in de erfzondekwestie. Het was niet zijn schuld dat een vertrouwelijk stuk hierover in Rome terechtkwam.

Nog beter als een modern priester, is Teilhard te karakteriseren als een priester van de toekomst. Zijn opvattingen laten zich gemakkelijk naar de toekomst extrapoleren. Zo is zijn opvatting dat de priester in de noösfeer werkzaam moet zijn als de gist in het deeg, ook van toepassing op het Instituut ‘Kerk’. Paus en curie zouden bv. in burgerkleding kunnen verschijnen. Hoe dan ook: de Kerken – en de religies in het algemeen – moeten volgens Teilhard de evolutie steeds meer ‘van binnenuit’ sturen.             

 

Samenvatting

Tenslotte bespreken we hier Teilhards persoonlijk credo, zoals hij dat in vier stellingen onder woorden heeft gebracht.

 

Stelling 1: Ik geloof dat het universum een evolutie is (OC X, 117).

Citaat Teilhard: Hoe getrouwer men de analytische aansporingen van het denken en van de moderne wetenschap volgt, des te meer voelt men zich in het net van kosmische verbindingen  gevangen. (…) Door de (…) biologie wordt het levende wezen in het hele weefsel van de biosfeer ingevoegd. Door de fysica wordt een eindeloze homogeniteit en solidariteit in alle lagen van de materie zichtbaar (OC X, 121).

Teilhard constateert hier dat de analyses van de moderne wetenschap niet geleid hebben tot een verbrokkelde werkelijkheid, maar “een in tijd en ruimte oneindig samenhangend systeem (OC X, 121)”. hebben opgeleverd. Bovendien is dit totale systeem in evolutie.

 

Stelling 2: Ik geloof dat de evolutie in de richting van de geest gaat (OC X, 117).

Citaat Teilhard: Te midden van een kosmos, waarin men het primaat nog altijd overlaat aan de mechanismen en het toeval, speelt het denken, dit geweldige verschijnsel dat de aarde in een omwenteling gebracht heeft en zich met de wereld meet, nog altijd de rol van een onverklaarbare anomalie. (OC X, 126).

In het darwinisme wordt de evolutie eenzijdig verklaard door het mechanisme van de natuurlijke selectie en het toeval. Daardoor ontstaat een reductionistisch wereldbeeld, waarin alle verschijnselen bestaan uit een meer of minder ingewikkelde materiële samenstelling. Op deze manier verschijnen planten en dieren als anomalieën, als vreemde uitzonderingen in een levenloos heelal. Daarbij verschijnt de mens ook nog eens als epifenomeen, als een bijverschijnsel in het dierenrijk.

Teilhard draait de theorie van Darwin om door haar te bevrijden uit haar reductionisme en te richten op de toekomst. Dit doet hij middels zijn wet complexiteit-interioriteit: hoe hoger de ingewikkeldheid van een verschijnsel, hoe hoger zijn interioriteit. Deze interioriteit brengt,  via het reactievermogen bij de plant, het bewustzijn bij het dier, het zelfbewustzijn bij de mens, uiteindelijk de geest voort. Op deze manier is de mens – volgens Teilhard – niet langer een anomalie, maar de “as en de spits” van de evolutie.

 

Stelling 3: Ik geloof dat de geest[6] zich voltooit in het persoonlijke (OC X, 117).

Citaat Teilhard: De onsterfelijkheid, d.w.z., in de zeer algemene betekenis waaronder ik hier het woord versta, de irreversibiliteit, scheen voor mij (…) te volgen uit ieder idee van universele vooruitgang. (…) Op zich is de geest een voortdurend groeiende fysische grootheid: er is namelijk geen te schatten grens aan de verdieping van het kennen en van de liefde (OC X, 129-130).

De complificatie is een onomkeerbaar proces. In de anorganische stof is de interioriteit niet waarneembaar. Toch beschouwt Teilhard de geest in potentie, als ‘binnenkant’ daarin aanwezig. In de organische stof wordt de interioriteit – en daarmee de geest – steeds meer manifest. Als aspect van de materie, is de geest een fysische grootheid, die uitmondt in een metafysische grootheid. Deze metafysische voltooiing vangt aan in de menselijke persoon en vindt haar beslag in een ‘Supra-Persoon’. Daarmee zijn we gekomen aan de volgende stelling.

 

Stelling 4: Ik geloof dat het hoogst persoonlijke Christus-universalis is (OC X, 117).

Citaat Teilhard: De kosmos kan, omdat hij convergeert, zich niet aan een Iets verbinden: hij moet, zoals reeds gedeeltelijk en elementair in het geval van de mens, zijn doel in een Iemand hebben (OC X, 135).                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                     

De persoon is, voor zover wij kunnen waarnemen, de belangrijkste vrucht van de evolutie tot nu toe. Om die reden kan Teilhard het pantheïsme niet aannemen. Daarin wordt een onpersoonlijke god beleden en hij kan niet aannemen dat de evolutie zou eindigen op een niveau dat beneden het persoonlijke ligt.

Het is overigens de vraag of het grondprincipe in veel religies (zoals het ‘Tao’ bij de Taoïsten,  het ‘Dharmakaya’ (‘Lichaam van Zijn’) bij de boeddhisten en zeker de ‘Opperbouwheer des Heelals’ bij de vrijmetselaars) wel beneden het persoonsniveau ligt. Is hier niet eerder sprake van een bovenpersoonlijk niveau, dat het niveau van de persoon omvat? Men kan dit zien in de lijn van de evolutie: de plant omvat het anorganisch niveau, het dier het plantaardig niveau en de mens het dierlijk niveau. Teilhard heeft dit probleem enigszins ondervangen door zijn term ‘Supra-Persoon’, maar hij legt o.i. te weinig nadruk op het woordje ‘Supra’.

Hier komen nog enkele problemen bij.

Een persoon is een tijdruimtelijk bepaald wezen, dat een ‘Ik’ heeft waardoor een subject-object splitsing tot stand komt. Dit wezen is gevormd binnen de context van onze aarde en die aarde is een bacterieel stofje dat rondzweeft in een onmetelijk heelal. Een goddelijk Persoon kan niet anders dan een metafoor zijn voor een bovenpersoonlijk niveau, dat niet alleen de natuurlijke persoon omvat, maar ook nog eens dit onmetelijk heelal te boven gaat.                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                 

Vervolgens: de aarde heeft nog miljoenen jaren voor de boeg. Wie zegt ons dat de mens de eindterm is van de evolutie? Bovendien heeft men sinds 1995 talrijke planeten buiten ons zonnestelsel ontdekt, zgn. exo-planeten. Statistisch gezien, kan het haast niet anders dan dat er buitenaards (bewust) leven aanwezig moet zijn. Was dit voor 1995 een science fiction onderwerp, sindsdien is de wetenschap hier serieus naar op zoek.

 

Ook al valt op de laatste stelling – zoals opgemerkt – nog wel wat af te dingen, Teilhard laat hier een indrukwekkende poging zien om geloof en wetenschap tot een synthese te brengen.



[1] Œuvres complètes. Hier en in het vervolg afgekort: OC.

[2] H. Bremond: Le Charme d’ Athènes, Paris 1925, p. 29-30.

[3] In Paris Match, 29 mei 1965, p. 96.

[4] Hymne de l’Univers, Paris 1961,  p. 17-18.

[5] Dit stuk uit 1922, schreef Teilhard op verzoek van enkele theologen. Ondanks dat het vertrouwelijk bedoeld was, werd het toch opgestuurd naar Rome, waardoor Teilhard een levenslang publicatieverbod kreeg.  

[6] “Vandaag zou ik zeggen: … Ik geloof dat in de mens de geest zich voltooit in het persoonlijke.” In 1950 voegde Teilhard in Le Cœur de la Matière deze voetnoot toe.