De hardnekkige morele illusies bij Neerhoff en Bakker

Civis Mundi Digitaal #77

door Stijn Bruers

Net zoals er optische illusies bestaan, bijvoorbeeld dat een lijnstuk langer lijkt dan een ander lijnstuk of dat een rechte krom lijkt, zo bestaan er morele illusies: spontane maar foutieve oordelen in de moraal. In mijn boek Morele Illusies, waarom onze intuïties niet te vertrouwen zijn, geef ik meer dan twintig voorbeelden van dergelijke illusies. Een kenmerk van optische en morele illusies, is hun hardnekkigheid. Zelfs met de beste meetlat lijkt het ene lijnstuk nog steeds langer dan het andere, en zelfs met de beste morele argumenten blijft men overtuigd van de spontane morele misvattingen. In hun visie op dierenrechten en discriminatie, blijken Neerhoff en Bakker vatbaar te zijn voor wel enkele zeer hardnekkige morele illusies. Het blijft me verbazen dat mensen die artikels kunnen schrijven met geleerde woorden (zoals “epigonen”, “feitencomplex”, “de facto”, “taboeïsering”, “ten principale”,…), en nadat ze tegenargumenten te lezen kregen die hen wezen op hun denkfouten, ze in een reactie nog eens diezelfde denkfouten expliciet herhalen.  

 

Willekeur en automatisch soortdenken

Ik had Neerhoff en Bakker reeds gewezen op de ongewenste willekeur in hun ethiek, in het bijzonder hun focus op een soort wanneer men evengoed kan focussen op een van de vele andere biologische categorieën zoals ras (bv. blanken), orde (bv. primaten) of klasse (bv. zoogdieren). In hun recente reactie beargumenteren ze nog steeds niet wat er zo bijzonder is aan die categorie ‘soort’ en waarom dat soortcriterium moreel relevant zou zijn. Wat ze wel doen, is hun oude argumenten herhalen, die getuigen van een automatisch soortdenken, waarbij men spontaan denkt dat een soort de moreel relevante biologische categorie vormt. Hier volgen enkele van hun citaten:

“De ethicus Stijn Bruers is als aanhanger van de vermaarde ethicus Peter Singer van mening dat voor diersoorten die kunnen lijden…” Ten eerste is een soort een abstracte verzameling van individuen, en abstracte verzamelingen hebben zelf niet het vermogen te kunnen lijden. Individuen kunnen lijden, soorten niet. Ten tweede, en belangrijker: waarom herhalen ze hier “diersoorten” en niet bijvoorbeeld dierondersoorten, of diergeslachten, of dierklassen, of dierstammen? Ik, Neerhoff en Bakker, wij behoren evengoed tot de dierklasse ‘zoogdieren’ als dat we tot de diersoort ‘mensen’ behoren. Als we honderd procent mens zijn, dan zijn we evengoed honderd procent smalneusaap, want alle mensen behoren tot de infraorde van smalneusapen.

“Op basis van gedragsobservaties kom je nauwelijks verder - zoals Bruers verderop zelf ook opmerkt - dan het onderkennen van het ultieme soort-belang van alle diersoorten, te weten hun ‘wil’ om in meerderheid te (over)leven.” Maar zo kunnen we evengoed spreken van het ultieme orde-belang van alle dierenorden om in meerderheid te overleven. Ik, Neerhoff en Bakker, wij behoren evengoed tot de dierenorde ‘primaten’ als dat we tot de diersoort ‘mensen’ behoren. De wil om te overleven is dus evengoed het ultieme orde-belang van alle dierenorden.

“Binnen de context van het door ons gestelde blijkt namelijk overduidelijk dat hier juist soorten worden bedoeld die kunnen lijden.” Aangezien ik kritiek uitte op hun focus op soorten, was het wel duidelijk dat ze soorten bedoelden. Maar ze geven geen argument waarom een soort wel moreel relevant zou zijn en bijvoorbeeld een ras, een infraorde of een klasse niet.

“Preciezer is het om het menselijk-genoom af te zetten tegen het genoom van elk ander organisme. […] Met ‘de mens’ bedoelen wij natuurlijk elk levend wezen met het menselijke genoom.” De vraag is wat een menselijk genoom is. Kijken we eens naar onze voorouders: wie van hen heeft een menselijk genoom? Heeft je moeder een menselijk genoom? Je grootmoeder? Je overgrootmoeder? Als we zo doorgaan, terug in de tijd, komen we dan een voorouder tegen die geen menselijk genoom heeft, wiens dochter wel een menselijk genoom heeft? En kijken we eens naar hybriden: we kunnen proberen paarden te definiëren als de wezens met een paardengenoom, en ezels als de wezens met een ezelgenoom, en dat zijn twee verschillende genomen want paarden en ezels zijn verschillende soorten. Maar welk genoom heeft een muilezel dan? Die van een paard, een ezel, of een nieuwe soort? Het punt is: er kan nooit een algoritme geschreven worden dat kan bepalen welk genoom menselijk is. We kunnen wel min of meer zeggen dat een wezen een mens is, net zoals we min of meer kunnen zeggen dat een kleur geel is. Maar kun je altijd goed bepalen of een licht met een bepaalde golflengte nu geel is of eerder groen? Zelfs al ken je de exacte golflengte, dan nog kun je het niet altijd zeggen. Zelfs al ken je het volledige genoom van een wezen, bijvoorbeeld van een voorouder, dan nog kun je niet altijd zeggen of dat wezen een mens is. Net zoals ‘de gele golflengte’ niet goed bepaald is, zo is ‘het menselijk genoom’ niet goed bepaald. Het toelaten van slecht bepaalde concepten in de ethiek is gevaarlijk, omdat ze dubbelzinnig te interpreteren zijn en er dus gemakkelijk ongewenste willekeur kan insluipen.

“Wat wij hier wilden zeggen, is dat de meerderheid van de exemplaren van een soort bovenal zal streven naar overleven, waarmee de hele populatie dat eveneens doet.” Deze uitspraak blijft even (on)geldig als het woord ‘soort’ vervangen zou worden door het woord ‘ras’, of ‘genus’, of ‘klade’. Er zijn zoveel biologische categorieën. Het blijft willekeur als men zonder goede reden telkens ‘soort’ blijft herhalen, alsof dat de enige en essentiële categorie zou zijn.

“..maar arenden en hazen zijn wel exemplaren van verschillende soorten…” Dit is opnieuw een vorm van automatisch soortdenken, want arenden en hazen zijn evengoed exemplaren van verschillende geslachten, verschillende orden, verschillende klassen, dus waarom spraken Neerhoff en Bakker dan niet van geslachten? Arenden en hazen zijn ook exemplaren van verschillende ondersoorten, want bijvoorbeeld de steppearenden zijn onder te verdelen in twee ondersoorten. En zijn de Europese haas en de Kaapse haas twee ondersoorten van dezelfde soort, of twee aparte soorten? Weten die hazen het zelf wel?

“Hierbij wordt de ingeburgerde definitie van (biologische) soort (‘populatie’ volgens Darwin) aangehouden, te weten de verzameling van alle dieren die vruchtbare nakomelingen kunnen produceren.” In de biologie is deze definitie slechts een van de vele omstreden definities. Kijken we naar de vele hybriden of kruisingen (bijvoorbeeld paard-zebra’s, lama-kamelen, leeuw-tijgers, schaap-geiten en orka-dolfijnen), dan kunnen we ons de vraag stellen hoeveel procent van die hybride nakomelingen onvruchtbaar moeten zijn om te kunnen spreken van twee verschillende oudersoorten. En wat als jij, als mens, onvruchtbaar blijkt te zijn? Behoor je dan niet meer tot de mensensoort? Of nog wel, omdat je naaste familieleden nog wel vruchtbare nakomelingen kunnen krijgen met andere mensen? Verder is er natuurlijk nog de vraag wat de morele relevantie is: als een soort gedefinieerd wordt op basis van de mate van vruchtbaarheid van nakomelingen van naaste familieleden, hoe kunnen we dan beargumenteren dat dit soortcriterium moreel relevant kan zijn? Dat is toch veel te vergezocht?

“Als voorbeeld van een faliekante onwaarheid noemt Bruers: ‘…onze hulp voor aangeboren mentaal gehandicapte zwarte peuters heeft niets met wederkerigheid te maken’. Wij menen echter van wel, want een mentaal gehandicapte peuter (of die nu zwart is of een andere kleur heeft) is net als wijzelf een mens, en diens belang stellen wij boven het belang van niet-menselijke wezens. In deze zin heeft onze hulp wel degelijk met wederkerigheid (tussen mens en mens) van doen, zoals die er niet is tussen mens en dier.” Als Neerhoff en Bakker geloven dat het helpen van ongeneesbaar diep mentaal gehandicapte zwarte peuters een vorm van wederkerigheid is, waarom zou het helpen van een hond dan niet evengoed een vorm van wederkerigheid kunnen zijn? Kan ik zomaar bepalen dat onze hulp van honden wederkerig is, omdat een hond net als wijzelf een zoogdier is, en we kunnen spreken van wederkerigheid tussen zoogdier en zoogdier? Zoogdieren behoren tot de klasse van zoogdieren en hebben dan ook dezelfde klassespecifieke belangen, net zoals mensen volgens Neerhoff en Bakker dezelfde soortspecifieke belangen hebben. Dus waarom herhalen Neerhoff en Bakker telkens de woorden ‘mens’ en ‘soort’ en focussen ze niet op bijvoorbeeld ‘zoogdier’ en ‘klasse’? Als ze geen regel kunnen geven waarom ze wel ‘mens’ in plaats van ‘blanke’, ‘primaat’ of ‘zoogdier’, en ‘soort’ in plaats van ‘ras’, ‘orde’ of ‘klasse’ zouden selecteren, dan bevat hun ethiek willekeur. Dan zijn ze gewoon naar willekeur anderen aan het uitsluiten van de morele gemeenschap, net zoals blanke racisten naar willekeur zwarten uitsluiten.

Dergelijke willekeur leidt tot discriminatie. Dat is het verband tussen racisme, speciesisme, en vele andere vormen van ongewenste willekeurige uitsluiting. De enige manier om dergelijke willekeur te vermijden, is om gewoon geen willekeurige categorie te selecteren. Dus niet het blanke ras (want dat is racisme), niet de menselijke soort (want dat is speciesisme), niet de mensapenfamilie, niet de primatenorde, niet de zoogdierklasse, niet het dierenrijk. De enige categorie die we kunnen selecteren, is de categorie van alles en iedereen. Dan wordt geen enkel wezen naar willekeur uitgesloten en dan wordt geen enkel wezen gediscrimineerd. Dus dan kunnen we zeggen dat gewoon niemands lichaam tegen diens wil in mag gebruikt worden als louter middel voor de eigen doelen.

 

Vreemde verdraaiingen

Neerhoff en Bakker geven soms bizarre verdraaiingen van de argumenten tegen speciesisme. Over Peter Singer schrijven ze: “‘Soort’ is voor Singer een sleutelbegrip. Nogal wiedes dat wij ter vermijding van misverstanden bij onze kritiek op Singer ook gebruik maken van zijn classificatie methodiek.” En over mijn argumenten: “Wat nog het meeste opvalt in zijn betoog is dat Bruers zichzelf daarin regelrecht tegenspreekt. Immers, enerzijds vind [sic] hij het soort-criterium (selectieregel) ongewenst, want willekeur, terwijl hij zich anderzijds uitspreekt tegen speciesisme, hetgeen het criterium ‘soort’ juist impliceert.” Dus ik en Peter Singer zeggen dat ‘soort’ niet moreel relevant is. Dan zeggen Neerhoff en Bakker dat Singer en ik zodoende net wel spreken over soorten, dat ‘soort’ dus wel een sleutelbegrip moet zijn voor ons. Vervolgens zeggen ze dat het dan een tegenspraak is om me uit te spreken tegen speciesisme. Dat is vergelijkbaar met het verwijt dat een antiracist zelf racistisch is van zodra die antiracist zegt dat ras moreel irrelevant is en dat blanken en zwarten gelijkwaardig zijn, omdat die antiracist zelf expliciet het woord ‘ras’ als begrip gebruikt en zwarten apart benoemt en dus differentieert van blanken. In een volgende stap insinueren Neerhoff en Bakker dat ze het niet eens zijn met Singer’s focus op ‘soort’ als sleutelbegrip, waarbij ze zelf noodgedwongen het woord ‘soort’ moeten herhalen en het voor hen dus ook een sleutelbegrip wordt. Ze insinueren dat dat niet mag, dat het leidt tot een regelrechte tegenspraak, maar ze doen het zelf, waardoor ze zichzelf nog eens tegenspreken met die tegenspraak… Wie kan daar nu nog aan uit geraken?

Nog een uitspraak waar niet aan uit te geraken valt: “Want kennelijk meent Bruers te weten wat niet-menselijke dieren “willen”. Omdat hij meent te kunnen denken voor (zich te kunnen identificeren met) wezens die net als hijzelf kunnen lijden, zoals bijvoorbeeld ratten, vissen of katten? Denkt hij hun soort-specifieke belangen binnen de context van de gehele biologische realiteit te kennen?” Denken Neerhoff en Bakker zelf dan wel hun soort-specifieke belangen te kennen? Blijkbaar wel, als ze bijvoorbeeld zeggen: “Punt is nu juist dat mens en dier elk soort-specifieke, dus ongelijke belangen hebben, uitgezonderd hun gezamenlijke overlevings-belang.” Is het overlevingsbelang nu soortspecifiek of niet? Indien wel, dan geven ze aan een soortspecifiek belang van andere dieren te kennen. Indien niet, dan is dat overlevingsbelang universeler, niet bepaald door de soort, en is het dus geen reden om dat onderscheid tussen soorten te maken. En bovenal: dan mogen ze zelfs van een andere soort zijn, dergelijk soortoverschrijdend universeel belang kan ik dan wel kennen. Als het doden en opeten van mensen tegen dat overlevingsbelang is, dan is het doden en opeten van niet-menselijke wezens dat ook.

 

Pseudowetenschap

Hoewel ik erop wees dat er onwetenschappelijke beweringen waren in het artikel van Neerhoff en Bakker, maken ze in hun reactie opnieuw een onwetenschappelijke bewering: “…beweerden wij nu juist dat ‘speciesisme’ (van ‘species’ = soort; de term is geijkt door Peter Singer) d.w.z. onderscheid tussen de verschillende soorten (of populaties) aan de basis ligt van Darwin’s evolutietheorie.” Wie iets kent van de evolutietheorie, begrijpt dat speciesisme niet aan de basis ervan ligt. Noch het onderscheid tussen soorten, noch het onderscheid tussen rassen, tussen ondersoorten, tussen geslachten, tussen families, tussen orden, tussen klassen, tussen kladen, tussen stammen,… ligt aan de basis van de evolutietheorie. Of anders gezegd: als je denkt dat het onderscheid tussen soorten wel aan de basis ligt, als je “aan de basis liggen” zo ruim interpreteert, dan moet je ook denken dat het onderscheid tussen rassen of tussen geslachten evengoed aan de basis ligt.

 

Naturalistische drogreden

Hoewel ik erop wees dat er een naturalistische drogreden vervat zit in het artikel van Neerhoff en Bakker, maken ze in hun reactie opnieuw een nog duidelijkere naturalistische drogreden: “dat speciesisme aan de basis ligt van Darwin’s evolutietheorie, en op grond van hun onderling afwijkende moraal derhalve niet ongewenst kan zijn.” Hun keuze van het woord “ongewenst” geeft hier toch wel duidelijk aan dat ze het hebben over iets normatiefs (een morele norm) in plaats van descriptiefs (een empirisch feit). En het woord “derhalve” wijst toch wel duidelijk op het gebruik van een afleiding. Dus uit een empirisch feit (de evolutietheorie) leiden ze een morele norm af (dat iets niet ongewenst is). Een duidelijkere naturalistische dwaling kun je niet hebben.

 

Macht

Eigenlijk kunnen we heel deze discussie vereenvoudigen: het komt volgens Neerhoff en Bakker neer op macht, het recht van de sterkste. Meerdere keren zeggen ze dat “biologische macht” volgens hen centraal staat. En dan gaat het natuurlijk over de macht van de groep waar ze een voorkeur voor hebben: de mensen, want ze schrijven: “De blote mogelijkheid om andere soorten moreel buiten te sluiten berust derhalve niet op wederkerigheid (tussen mens en mens), maar (wederom) op biologische macht van de mens. Die heeft als enige diersoort het primaat op macht, en is daarmee in de positie om die uitsluiting daadwerkelijk af te dwingen.”

We zien hier opnieuw dat automatisch soortdenken, want ze kunnen evengoed zeggen dat de mensaap als enige dierenfamilie het primaat op macht heeft. Met zulke uitspraken kan men ook gemakkelijk racisme rechtvaardigen. Blanke racisten hebben bijvoorbeeld letterlijk gezegd dat ze zwarten mogen onderdrukken omdat ze daartoe de macht hebben. Ze kunnen het, dus ze mogen het. Ten tijde van de slavernij had de blanke als enige ras het primaat op macht en was daarmee in de positie om de uitsluiting van de zwarte af te dwingen.

Eigenlijk is dit gewoon een vorm van: ik ben sterker dan jij, dus ik ben de baas en jij moet naar mij luisteren. Ze kunnen er logisch gezien niet in slagen om hun recht van de sterkste te rechtvaardigen. Ze schrijven bijvoorbeeld: “Binnen het dierenrijk heerst immers de wet van de sterkste, of Bruers dat nu goed vindt of niet.” Mochten ze hieruit concluderen dat die wet van de sterkste ook de moreel juiste wet is, dat het recht van de sterkste moreel goed is, dan begaan ze opnieuw een naturalistische drogreden. En gezien ze zelf ontkennen dat ze naturalistische drogredenen geven, zou het inconsistent zijn van hen om hier wel zo’n drogreden te geven.

Dus nu staan Neerhoff en Bakker voor een keuze. Ofwel begeven ze zich buiten de ethiek en gaan ze letterlijk voor dat recht van de sterkste. Maar dan mogen anderen dat ook doen. En dan kunnen Neerhoff en Bakker maar hopen dat zij de sterksten zijn, want er zal gevochten worden. Als er een groep is die Neerhoff en Bakker zouden kunnen uitsluiten en daadwerkelijk uitsluiten, dan hebben ze geen enkel moreel verweer. Ofwel begeven ze zich wel op het terrein van de ethiek, en dan gaat het om het kunnen geven van rationele argumenten. Dat wordt ook een uitdaging voor hen, want als zij een bepaald argument mogen geven, dan mogen anderen een gelijkaardig argument geven. Het zal blijken dat elk argument die ze geven voor speciesisme, door anderen ook in gelijkaardige vorm kan gegeven worden ter verdediging van racisme en seksisme. Dus dan moeten ze tot de conclusie komen dat als speciesisme toegelaten is, racisme en seksisme dat ook zijn.

Binnen het terrein van de ethiek geldt er een fundamenteel grondprincipe: voor elke keuze die men maakt (bv. de keuze om iemand anders – een zwarte, een niet-menselijk dier – uit te sluiten van de morele gemeenschap) moet men een rechtvaardigende regel kunnen geven waarvan men consistent kan willen dat iedereen ze volgt in alle mogelijke situaties, zonder willekeurige uitzonderingen. Neerhoff en Bakker geven bijvoorbeeld een rechtvaardigende regel voor veeteelt: ze halen een studie aan waaruit zou blijken dat een zekere, minimale vleesconsumptie duurzamer is dan veganisme, in termen van gebruik van landbouwgrond. Natuurlijk wordt duurzaamheid niet enkel bepaald door de effectiviteit waarmee men landbouwgrond gebruikt, maar ook door bijvoorbeeld de broeikasgassen die worden uitgestoten. En natuurlijk mogen we niet zomaar een enkele studie aanhalen die in ons kraam past, wanneer de meerderheid van studies in de andere richting wijzen. Volgens overzichtsstudies blijken veganistische voedingspatronen de duurzaamste te zijn. Het is pseudowetenschap om conclusies te trekken op basis van een studie die slechts kijkt naar een aspect van duurzaamheid, waarbij men geen goede regel kan geven waarom men de vele andere studies en duurzaamheidsindicatoren mag negeren.

Maar stel dat vleesconsumptie toch duurzamer was. De rechtvaardigende regel volgens Neerhoff en Bakker is dan waarschijnlijk dat men iemand anders mag opeten als dat duurzamer is. Die regel mag iedereen dus toepassen, in alle mogelijke situaties, dus ook in de situatie waarin het doden en eten van Neerhoff en Bakker duurzamer was geweest. En dat kunnen ze niet willen. Ze kunnen proberen hun rechtvaardigende regel aan te passen: enkel iemand die geen mens is mag men opeten als dat duurzamer is. Dan maken ze hier de keuze voor niet-menselijke wezens, en ook voor deze keuze moeten ze een rechtvaardigende regel kunnen geven. Omdat er bij de wezens die geen mens zijn geen wederkerigheid is? Nee, want bij de wezens die geen smalneusaap zijn, is er ook geen wederkerigheid, dus dan moeten ze nog steeds kunnen rechtvaardigen waarom ze de keuze maken voor iemand die geen mens is en niet voor iemand die geen smalneusaap is. Omdat er bij de meeste mensen wederkerigheid is? Nee, want ook bij de meeste smalneusapen is er wederkerigheid. Omdat de mensen de machtigste soort vormen? Nee, want de smalneusapen vormen evengoed de machtigste infraorde.

En zo kunnen we blijven doorgaan: een rechtvaardigende regel zullen ze nooit kunnen geven. De reden is al uitvoerig aangehaald: elke regel die ze zouden kunnen voorstellen, bevat ongewenste willekeur. Als Neerhoff en Bakker op het terrein van de ethiek willen blijven, zullen ze dus erin moeten slagen om die ongewenste willekeur te vermijden. Waarschijnlijk voelen ze zelf aan dat dat niet kan, en hebben ze daarom de neiging om buiten de ethiek te stappen, zoals blijkt uit hun voorkeur voor de wet van de sterkste. Maar past dergelijke visie nog in een tijdschrift zoals Civis Mundi?

 

* Stijn Bruers is doctor in de natuurwetenschappen, doctor in de moraalfilosofie, auteur van diverse boeken over ethiek, en voorzitter van Effectief Altruïsme België.