Naar een meer universeel ethisch perspectief. Over het werk van ethicus Peter Singer, Een ethisch leven, Ethiek in een tijd van globalisering en andere werken

Civis Mundi Digitaal #81

door Piet Ransijn

 

Na mijn artikelen over de farmaceutische en voedingsindustrie, gezonde voeding en duurzame landbouw werd ik geattendeerd op de filosoof Peter Singer. Ik had vaker over hem gelezen, maar hem nog niet bestudeerd. Bij een blik op internet wekte zijn boeken meteen mijn interesse. Meestal heb ik een voorkeur voor klassieke filosofen. Veel moderne filosofen lijken vaak maar weinig toe te voegen aan hun visies. Of is dat vooringenomenheid?

Wat Singer boeiend maakt is zijn toepassing van de min of meer klassieke filosofie van het utilitarisme op eigentijdse problemen. Daarmee onderbouwt hij een ethische levensvisie en handelswijze waarbij hij activisme en debat niet schuwt. Alsof bij hem de jaren ’60 weer tot leven komen, maar dan wat meer gedegen dan in veel discussies die toen werden gevoerd. De hier geselecteerde boeken zijn o.m. de bundel Een ethisch leven, een selectie uit zijn werk tot dusver en The Ethics of What We Eat: Why our Food Choices Matter. Dit boek sluit aan bij Liberation, waarmee hij bekend werd.  Door wat we eten en niet eten nemen we een ethisch of onethisch standpunt in. Dat geldt met name voor het eten van vlees, waarvoor miljarden dieren worden gedood. Met alles wat wij doen en niet doen kunnen we kiezen voor een ethisch leven. Hij pleit voor een bewuste levenswijze met weloverwogen keuzen.

Peter Singer is één van de meest gelezen levende filosofen. Hij is professor of Bioethiek aan Princeton University en partime hoogleraar aan de Universiteit van Melbourne. Hij stamt af van Joodse immigranten. Als Australische filsofiestudent kwam hij in Oxford in toevallig contact kwam met dierenactivisten, die hem overtuigden «dat de logica van het vegetarische standpunt onweerlegbaar was» (Een ethisch leven, p 368). Zijn activistische instelling blijkt uit de titels van zijn boeken, die veel meer omvatten dan dierenrechtenactivisme. Zijn verdiensten liggen vooral op het gebied van de praktische ethiek. In Een ethisch leven (2000) bundelt hij een aantal belangrijke hoofdstukken uit zijn werken tot dusver, waarvan we hier vooral gebruik maken. De bijlage bevat een uitgebreide bibliografie.

 

Het grootste geluk voor de meeste wezens, niet alleen mensen maar ook dieren

http://www.cahiers-antispecistes.org/wp-content/uploads/2010/03

 

Utilitarisme: het grootste geluk

Zijn uitgangspunt is het principe van het klassieke utilitarisme van Jeremy Bentham, John Stuart Mill en Henry Sidgwick. Het grootste geluk voor het grootste aantal geldt voor hen als maatstaf voor goed of ethisch handelen. Volgens Singer komt dit overeen met de Gulden Regel van o.a. Confucius, Mozes, Jezus, Kant: behandel anderen zoals je zelf behandeld wil worden. Dat wil zeggen: gun anderen het geluk dat je zelf wilt hebben. Singer breidt dit principe uit naar dieren, die ook plezier en pijn kunnen ervaren.

Geluk wordt door Sidgwick in ruime zin omschreven als ‘intrinsiek wenselijke toestanden van bewustzijn’ (The Point of View of The Universe: Henry Sidgwick and Contemporary Ethics, hfst 9. Ultimate Good, Part II: Hedonism). Het gaat dus niet alleen om lustbevrediging, maar om geluk in ruime zin, ook bij dieren. Bij John Stuart Mill gaat het om ‘de vervulling van iemands wens’. Daarmee bedoelt hij niet alleen maar lustbevrediging, plezier en opwinding, maar ook tevredenheid, geluk, vrede en vervulling van verlangens in ruime zin voor alle wezens met gevoel en bewustzijn.  (‘the whole sentient creation’ (J.S. Mill, Utilitarism, hfst 2, p 12; Singer, Een ethisch leven, p 39). Dit komt overeen met de Indiase mantra: ‘Moge er geluk zijn voor alle wezens in de schepping, Loka samasta sukhino bahavantu’.

 

http://www.dearend.nl/bighisto/Cursus_2015_2016_webversie.pdf

The point of view of the Universe

 

Het onpartijdige gezichtspunt van het universum

Vanuit het onpartijdige kosmische gezichtspunt van het universum zou het evident zijn dat het goede van het ene individu niet belangrijker is dan van een ander, zoals dat ook geldt vanuit de visie van de onpartijdige waarnemer van Adam Smith (zie nr 79). «Kosmisch gezien is het belang van ieder willekeurig individu niet meer of minder gewichtig dan van ieder ander individu,» aldus Sidgwick (Een ethische leven, p 55). Singer noemt dit het gelijkheidsprincipe, waar in de praktijk veel op aan te merken valt (zie bijv. De consequenties van het neoliberalisme zoals beschreven door Hans Komen in dit nummer).

Dit ethische uitgangspunt zou een rationele en objectieve basis geven aan de utilitaristische ethiek en in strijd zijn met egoïsme en eigenbelang. De meest juiste daad, geeft de grootste toename van geluk en de minste pijn bij de meeste mensen. Ook dieren krijgen een ethische status. Want waarom zou alleen het geluk van mensen gelden? Singer is geneigd de mate van bewustzijn in acht te nemen en mensen een hogere status dan dieren te geven en ook ‘hogere’ zoogdieren en hogere status dan vissen en reptielen. Goed is dus ‘wat geluk bevordert en leed vermindert’. “Ik denk dat het  in het algemeen een groter kwaad is om een persoon te doden dan een wezen dat niet het besef heeft dat het in de tijd bestaat, een kip bijvoorbeeld” (Een ethisch leven, p 30, 401)

Singer meent dat ethisch gedrag of ‘leven volgens ethische normen’ zelfzuchtig eigenbelang overstijgt, dat niet in overeenstemming is met meer universele ethische principes. Als universeel principe noemt hij de ‘gouden regel’ - een ander behandelen zoals je zelf behandeld wil worden: je naaste als jezelf – zoals dat voorkomt bij Confucius, Mozes (in Leviticus), Jezus, in Indiase geschriften (in de Oepanishaden en het epos de Mahabharata), bij de Stoïcijnen en in de filosofie van Kant. Een dergelijk universeel standpunt vinden we ook bij de ‘onpartijdige toeschouwer’ van David Hume en Adam Smith (p 36). Ethisch handelen houdt rekening met de belangen van anderen. Bij de utilitairistische ethiek gaat het om “de handelswijze… die per saldo de beste gevolgen heeft voor alle betrokkenen” in termen van toename van geluk en vermindering van pijn (p 38). Aan het eind van dit artikel wordt de onderbouwing van de ethiek van Singer uitvoeriger toegelicht vanuit het universele, kosmische perspectief, dat onpartijdig en objectief is.

 

www.uitvoeringsagendaduurzameveehouderij.nl/werken-aan-verduurzaming/versnellingsprojecten/initiatiefgroep-duurzame-fokkerij/ethisch-beslissingsmodel-duurzame-veefokkerij

 

Ethisch gedrag ten opzichte van dieren en al het leven

In de oosterse levensbeschouwingen, in het bijzonder het hindoeïsme en het boeddhisme geldt de vermindering van leed en de toename van geluk vanzelfsprekend ook voor dieren. Daar wordt niet zo’n scherp onderscheid gemaakt tussen dieren en mensen als in het Westen, zoals in het bijbelse scheppingsverhaal al het geval was. (Zie bijv. Herman Wolf, De ziel van het Oosten en de geest van Het Westen. Beschouwingen over Chinese en Indische wijsbegeerte en hun betekenis voor het Westen.)

De laatste tijd wordt ook in het Westen meer ingezien dat dieren pijn en plezier kunnen ervaren en veel gemeen hebben met mensen. Zie bijv. het werk van Frans de Waal over mensapen. Dat geldt ook voor honden, paarden, varkens, koeien enz. Dieren hebben ook een vorm van bewustzijn. «De bekendste verdediging van een ethiek die zich uitstrekt over alle levende wezens, is die van Albert Schweitzer. ‘Ethiek bestaat daarin dat ik de noodzaak ervaar om dezelfde eerbied voor het leven te hebben ten opzichte van alles wat wil leven, als ten opzichte van mijn eigen levenswil. Daarin ligt het noodzakelijke uitgangspunt voor de moraal. Het is goed om het leven in stand te houden en te koesteren; het is slecht om leven te vernietigen en te onderwerpen», p 137). Een vergelijkbare visie vinden we ook bij de ‘deep ecology’ van Arna Naess en George Sessions.

Volgens Mahatma Gandhi zou de mate van beschaving overeenkomen met de wijze waarop dieren worden behandeld. Volgens anderen met de wijze waarop vrouwen worden behandeld. Wat dat betreft is er een discrepantie in het moderne Westen. De gelijkheid van vrouwen en andere volken wordt steeds meer benadrukt. Dieren worden echter met miljarden afgeslacht om ons van vlees te voorzien. Singer laat zien hoeveel dierenleed de bioindustrie met zich meebrengt met zijn dieronvriendelijke productiewijzen die ronduit wreed zijn en gepaard gaan met massale dierenmishandeling. Dat geldt het ergst voor legbatterijen, kistkalveren en de intensieve varkenshouderij. In de langst lopende rechtszaak in de Britse geschiedenis van 313 dagen werd Mc Donalds verantwoordelijk gesteld voor ‘marteling en moord’ van miljoenen dieren. Het bedrijf werd na zorgvuldig onderzoek naar dierenleed uiteindelijk ‘verwijtbaar verantwoordelijk’ geacht voor ‘wrede praktijken’. Om consumenten niet te verliezen heeft Mc Donald als grootafnemer eisen gesteld aan de vleesindustrie. (p 99 e.v. ‘Een vegetarische filosofie’)

Singer richt zich vooral tegen dierenleed, niet zozeer tegen het doden van dieren en het eten van vlees van dieren die betrekkelijk pijnloos leven en sterven (p 74). Vegetarisch eten vind hij ‘welkom, maar niet noodzakelijk’, in tegenstelling tot degenen die menen dat doden van dieren om ze op te eten onethisch is en bovendien belastend voor het milieu en de voedselvoorziening.

 

https://tubbergen.nieuws.nl/opinie/20180201/open-brief-lto-behoud-landschap

 

Heeft het milieu intrinsieke waarde?

In het hoofdstuk ‘Milieuwaarden’ vraagt Singer zich af of het milieu, in het bijzonder de ongerepte natuur met zijn prachtige landschappen, een intrinsieke waarde heeft van bijv. ‘onmetelijke schoonheid’. Dus niet alleen van belang zijn voor mensen. De antropocentrische visie stelt hij ter discussie. Hij vindt echtere ook «het argument van de intrinsieke waarde van planten, soorten of ecosystemen op zijn best twijfelachtig». 

Singer meent dat bomen en ecosystemen niet kunnen voelen. Dat kunnen bomen en planten volgens anderen wel. Zie bijv. de baanbrekende experimenten van de Indiase bioloog J C Bose over de sensitiviteit van planten voor bijv. muziek. Herman Wolf behandelt westerse en oosterse wijsgeren, die zeggen dat de natuur bezield zou zijn en een vorm van bewustzijn zou hebben. Dat zou volgens Maharishi Mahesh Yogi blijken uit haar ordenende vermogen, waarin een creatieve intelligentie zichtbaar zou zijn. Zie ook de Duitse filosoof Schelling, Von der Weltseele en de Zweedse astronoom Gustaf Strömberg, De ziel van het heelal. Vanuit ‘the point of view of the universe’ is al het leven met elkaar verbonden en intrinsiek van waarde.

Hoewel natuurlijke, dode omgeving geen intrinsieke waarde heeft voor een utilitarist als Singer, vormt milieuvervuiling volgens hem wel een groot gevaar voor het bewuste leven. Daarom steunt hij de ecologische opvatting dat de natuur gezien moet worden als ’werelderfgoed’. Bescherming van het milieu dient de behoeften van levende wezens.

 

https://drimble.nl/cultuur/purmerend/644001.html. De veemarkt

 

Jeugdherinneringen

Het gevoel van verbondenheid met al het leven en de hele natuur kende ik als kind, toen ik opgroeide op een boerderij. Dat dieren kunnen voelen was evident. We leerden onze dieren goed te verzorgen. Toen een buurjongen dieren mishandelde, werd de omgang met hem niet aangemoedigd. De fabrieksboerderijen van de bioindustrie zijn te beschouwen als geïnstitutionaliseerde levenslange dierenmishandeling en zouden in de ogen van mijn ouders geen genade vinden.

Als er een koe weg moest die te oud werd na een leven lang trouwe dienst, was er een soort van rouwstemming. Mijn vader deed het noodgedwongen want van oude koeien kan een gezin niet leven. Mijn moeder had er moeite mee. Ik zag hoe de koe onwillig naar de veewagen werd getrokken en er niet in wilde. Dan werd er pijnlijk aan de staart gedraaid en tegen de poten geschopt. Veehandelaren waren niet zachtzinnig. Op de veemarkt in Purmerend zag ik hoe hardhandig ze met dieren omgingen, alsof dieren geen gevoel hebben. Heel anders dan ik gewend was.

Wreedheid naar mensen èn naar dieren past niet in een beschaafde samenleving. De bioindustrie lijkt mij een uitwas, die niet past in onze beschaving. Volgens Singer bestaan dergelijke misstanden omdat de meeste mensen niet weten of niet willen weten hoe miserabel de dieren leven en worden gedood voor ze worden opgegeten. De bioindustrie doet er alles aan om dit te verbergen en schuwt de openbaarheid (The Ethics of What We Eat, p 8 e.v.).

 

Honger, rijkdom en de moraal

In een van zijn bekendste essays Famine, Affluence, and Morality noemt hij de huidige armoede moreel onverantwoord. Sommige mensen leven in armoede, anderen in overvloed en verspilling. Als iedereen die daartoe in staat is een deel van zijn inkomen zou doneren aan goede doelen zouden we de armoede kunnen terugdringen. "Als we iets slechts kunnen voorkomen zonder dat wij ook maar iets van gelijke waarde moeten opofferen, zijn we verplicht dit te doen; absolute armoede is een slechte zaak; er bestaat armoede die wij kunnen voorkomen zonder ook maar iets met een even groot moreel gewicht te moeten opofferen; aldus zijn wij verplicht om deze absolute armoede te bestrijden en te voorkomen."(Practical Ethics, p. 218–246). Singer doneert 25 procent van zijn inkomen aan Oxfam en UNICEF. Daarnaast stelt hij de overbevolking aan de kaak in Too Many people? Ethics and Population in the 21st Century. 

Singer pleit voor het geven aan hulporganisaties met name voor arme landen en niet te wachten op de noodzakelijke effectieve bevolkingspolitiek, omdat anders mensen van de honger sterven (Een ethisch leven, ‘Honger overvloed en moraal’, p 156 en in The Life You Can Save). Hij vindt dit een morele plicht vanuit de utilitaristische visie van meer geluk voor meer mensen. De vermindering voor hogere en gemiddelde inkomens wordt ruimschoots en in veelvoud gecompenseerd door de vermindering van leed en toename van welzijn bij de armen. Daarnaast is het nodig (het bestuur van) de samenleving te verbeteren, doelmatiger te maken en te zorgen dat het geld bij de juiste mensen terechtkomt, door bijv. de corruptie te verminderen.

Als we iets minder geld uitgeven aan triviale zaken en ons consumptiepatroon een beetje bijstellen, blijft er meer geld over om te geven aan mensen die het harder nodige hebben (p 157).

“Het veronderstelde conflict tussen ethiek en eigenbelang ligt ten grondslag aan een groot deel van de moderne economie.” Dit eigenbelang bestaat voor de meeste mensen uit het vergaren “van een grote verscheidenheid aan kleinburgerlijke consumptiegoederen. Zij zijn zelf het vleesgeworden verlangen ernaar… Persoonlijke ambitie en consumentisme vormen de sturend kracht in hun leven”, waarvoor de ‘paradox van het hedonisme’ geldt: “Hoe uitdrukkelijker we ons verlangen naar plezier proberen te vervullen, des te ongrijpbaarder wordt de bevrediging ervan” (p 313-14).

Het gaat om ‘De fundamentele keus’: kiezen we voor een ethisch leven of een leven primair gericht op consumptie. The Ethics of What We Eat gaat in op ethisch verantwoorde consumptie. Ook door onze wijze van consumeren, bijv. van Fair Trade producten uit arme landen, kunnen we mensen helpen. “Ethisch gedrag is dikwijls heel goed te combineren met eigenbelang” (p 331).

De vraag is of mensen door hulpverlening niet te afhankelijk raken. Is het niet beter mensen te leren efficiënt produceren? Ook daarbij kunnen we hen helpen. En dan beter op meer milieuvriendelijke wijze dan meestal in het Westen het geval is, als we het milieu willen behoeden voor nog meer onherstelbare schade. 

 

 

Eén wereld: Ethiek in een tijd van globalisering

Globalisering is vooral in het voordeel van rijke landen. Een mondiale ethiek zou een eerlijke verdeling kunnen bevorderen. In Eén wereld: Ethiek in een tijd van globalisering gaat Singer o.m. in op de World Trade Organization die de rijke industrielanden bevoorrechten zou en zo de ongelijkheid vergroot in plaats van vermindert. Bovendien krijgen economische overwegingen voorrang boven ecologische afwegingen en mensenrechten en zou de nationale soevereiniteit worden uitgehold (p 56). De voorgestelde vrijhandel, die in veel opzichten wereldwijd nadelig zou zijn, contrasteert met de landbouwsubsidies, tolmuren en heffingen waarmee westerse landen hun markten beschermen, die niet in het belang zijn van de economie van niet-westerse landen.

Singer citeert Karl Marx en heeft een boek over hem en over Hegel geschreven, hoewel hij geen marxist is, maar een ‘groene’ sociaal-democraat: “Persoonlijke eigenwaarde werd omgezet in ruilwaarde. Voor onvervreemdbare, erkende vrijheden werd die ene gewetensloze vrijheid in de plaats gesteld: de vrijhandel… Al wat puur is verdampt in de lucht, al wat heilig is wordt ontheiligt.”

Singer vraagt zich “in hoeverre een mondiale vrije markt kan functioneren bij afwezigheid… van minimale normen voor kwesties van kinderarbeid, veiligheid voor arbeiders, bescherming van het milieu en dierenwelzijn” (p  86). Handelsovereenkomsten hebben ook een ethische kant en kunnen bijv. de bankrekeningen van dictators spekken, die de hulpbronnen van hun land verkopen aan multinationals en wapens kopen om de bevolking te onderdrukken.

Hij stelt de Amerikaanse leefwijze ter discussie, die desastreus is voor het milieu. De VS geven volgens het principe van het Amerikaanse eigenbelang van America First het minst aan ontwikkelingshulp en hebben het grootste aandeel in de wereldwijde vervuiling, onder meer door de grootschalige vleesindustrie en de enorme vleesconsumptie waarvoor miljarden dieren levenslang worden mishandeld.

Singer stelt zich kritisch op tegenover cultureel imperialisme naast politiek en economisch imperialisme. “De westerse cultuur heeft niet het monopolie van wijsheid… en heeft veel te leren van andere culturen [zoals] gevoel voor de waarden van andere volken… en de vergaarde wijsheid die zich in talloze generaties heeft ontwikkeld…Vrouwelijke genitaliën verminken of het onderwijs aan vrouwen verbieden, zijn geen elementen van een bepaalde cultuur die het waard zijn om beschermd te worden… Het ontbreekt [daarbij] aan elementair respect voor anderen dat vereist is voor elke rechtvaardige ethiek… De ‘verklaring van een mondiale ethiek’ van het Parlement van de Wereldreligies… begint met de fundamentele eis dat ‘ieder mens humaan behandeld moet worden’” (Eén wereld, p 125).

 

www.innerdoorway.nl/blog/maan/prognose/nieuwetijd/mindset/bewustwording

Een kosmisch perspectief verbindt ons eigenbelang met een groter geheel

 

Een universele ethische visie

Singer onderbouwt zijn ethische visie in het interessante hoofdstuk ‘Goed leven’, dat  gaat over een universele ethische visie, universele waarden en universele toepassing van ethische principes voor alle mensen. Ons vermogen om te redeneren en afstand te nemen van ons eigen standpunt maakt het mogelijk te kunnen uitgaan van een breder perspectief en een meer universeel en zelfs een kosmisch standpunt in te nemen. The Point of View of The Universe: Henry Sidgwick and Contemporary Ethics (2016) is de titel van zijn meest recente boek, met de Poolse filosofe Katarzyna de Lazari-Radek als medeauteur, die haar doctorsdissertatie over de Britse filosoof en econoom Sidgwick schreef. In tweede bijlage staat een summary van dit boek.

“De rede maakt het ons mogelijk om onszelf op die manier te zien omdat ik, door na te denken over mijn plaats in de wereld, besef dat ik slechts een wezen ben tussen andere wezens, met belangen en wensen als de anderen. Ik heb een persoonlijke kijk op de wereld, waarbij mijn belangen de voorste en centrale plaats innemen, de belangen van mijn gezin en vrienden vlak daarachter en de belangen van onbekenden op de laatste plaats komen. Maar dankzij de rede kan ik begrijpen dat anderen een soortgelijk subjectief perspectief hebben en dat ‘vanuit kosmisch standpunt’ mijn perspectief niet meer recht van bestaan heeft dan het hunne. Mijn vermogen tot redeneren toont mij de mogelijkheid om mijzelf los te maken van mijn eigen perspectief.”

“Als je een kosmisch perspectief neemt als basis van een ethisch standpunt betekent niet dat je voortdurend onpartijdig moet handelen. Sommige vormen van partijdigheid zijn objectief rechtvaardig. Het is bijv. voor kinderen in het algemeen het beste wanneer ouders een groter plichtsbesef hebben ten aanzien van hun eigen kinderen dan t.a.v. de kinderen van onbekenden. Op die manier profiteert de samenleving van de liefdesband tussen ouders en kinderen… De liefde voor de eigen kinderen is een kracht die tot welzijn van iedereen kan worden aangewend” (p 336-37).

“In overeen stemming met de idee van een kosmisch standpunt accepteren alle belangrijke tradities een versie van de gouden regel die gelijke afweging van belangen bevordert. ‘Bemin uw naaste als uzelf’, zei Christus. “Wat je zelf verschrikkelijk vindt, doe dat je naaste niet aan’, zei rabbi Hillel. Confucius vatte zijn leer in overeenkomstige bewoordingen samen: ‘Doe anderen niet aan, wat je niet wil dat anderen jou aandoen’. De Mahabharata, het Indiase epos, zegt: ‘Laat niemand een ander aandoen wat hijzelf afschuwelijk zou vinden’. Het is opvallend hoe groot de parallel is.”

“De mogelijkheid om een kosmische standpunt in te nemen lost het probleem van zingeving van ons leven op… in het licht van de eeuwigheid… De veranderingen  die wij vandaag bewerkstelligen zouden een sneeuwbaleffect kunnen hebben… Of ze zouden op niets kunnen uitlopen… We kunnen de vierdimensionale wereld tot een beter oord maken door ervoor te zorgen dat er… minder zinloos lijden is” (p 338).

Singers’ visie op kosmisch bewustzijn is nogal intellectueel, anders dan in het Oosten.

 

De naastenliefde van Jezus kent ook een kosmisch perspectief

www.millennium-visie.org/site/index.php/nieuwsbrief/251-epifsye

 

Een objectieve ethische visie

“Door redeneren kunnen wij een kosmisch bewustzijn ontwikkelen, en daarmee de grootst mogelijke objectiviteit. Als mijn redeneervermogen mij duidelijk maakt dat het lijden van een ander wezen… zeer veel overeenkomst met mijn eigen leed vertoont en dat het dat andere wezen evenveel raakt als mijn eigen leed mij raakt, dan maakt mijn redenering mij iets duidelijk dat ontegenzeggelijk waar is. Ik kan het negeren, maar ik kan dan niet ontkennen dat mijn perspectief smaller en beperkter is dan het zou kunnen zijn… Je kunt altijd vragen: wat is er zo goed aan het hebben van een breder en meer omvattend perspectief? Maar het is de meest objectieve basis voor ethiek die je kunt vinden.”

 “Het perspectief op onszelf dat we krijgen als we het kosmische standpunt innemen, levert de objectiviteit op die nodig is om een doel te vinden dat onafhankelijk is van onze eigen verlangens… Zo’n doel is de vermindering van pijn en leed, ongeacht waar het wordt aangetroffen. Dat is misschien niet de enige rationeel gefundeerde waarde, maar het is wel de meest directe, nijpende en universeel geaccepteerde… Als we een kosmisch standpunt innemen kunnen we de noodzaak herkennen om iets te doen aan de pijn en het leed van anderen” (p 339).

Dit kosmische gezichtspunt betekent niet dat het handelen ter wille van familie, vrienden of het eigen land irrationeel zou zijn. “We zijn geëvolueerd als wezens met een buitengewoon sterke drang om de belangen van onze familieleden te beschermen. Dit negeren… is nauwelijks mogelijk… De rede kan eisen dat we die neiging onder controle houden en ons bewust blijven van een breder perspectief… Het smallere perspectief is misschien minder rationeel dan… vanuit het kosmische standpunt te handelen” (p 340).

In de bespreking van het boek van Robert Sapolsky door Patricia van Bosse wordt de biologische basis van onze sociale neigingen toegelicht. Altruïsme en samenwerking zouden ook een evolutionaire genetische basis hebben. Samenlevingen die kunnen samenwerken zouden een evolutionair voordeel hebben t.o.v. samenlevingen die daartoe minder in staat zijn, volgens evolutiewetenschapper Peter Turchin in Ultrasociety: How 10.000 years of war made humans the greatest coöperators on earth. Onze toekomst hangt af van ons vermogen tot samenwerken. Dat vraagt een ethische levenswijze.

 

Overgang van materialistisch eigenbelang  naar ethisch leven

“In een maatschappij waarin het najagen van materieel eigenbelang de norm is, is de overgang naar een ethische houding radicaler dan veel mensen zich realiseren… Het kopen van modieuze kleren,… verfijnde gastronomische genoegens,… extra kosten van auto’s met status.., dit alles wordt disproportioneel voor mensen die hun perspectief zodanig verbreden dat ze zichzelf uit de schijnwerpers halen. Als een hoger ethisch bewustzijn zich verbreidt, zal het uiteindelijk de maatschappij waarin we leven veranderen… We kunnen ons niet veroorloven om te wachten tot er een stralende dag aanbreekt waarop iedereen in liefdevolle vrede en harmonie met alle anderen zal leven… Aangezien redeneren alleen niet in staat is gebleken om het conflict tussen eigenbelang en ethiek op te lossen, is het onwaarschijnlijk dat rationele argumenten iedere redelijke persoon zullen overhalen om ethisch te handelen” (p 341).

“Niettemin is er behoefte om nu iets te doen… Teveel mensen en niet-menselijke wezens lijden nu, de bossen verdwijnen te snel… Evenmin kunnen we wachten tot regeringen de noodzakelijke verandering bewerkstelligen. Het is niet in belang van politici om in te gaan tegen de verwachtingen van de gemeenschap die hen heeft gekozen als leiders. Als 10 procent van de bevolking bewust een ethisch standpunt zou innemen en daarnaar zou handelen, zou de verandering groter zijn dan welke verandering van de regering ook. Het verschil tussen een ethische en een zelfzuchtige levenshouding is veel fundamenteler dan het verschil tussen rechtse en linkse politiek. Wij moeten de eerste stap zetten. We moeten opnieuw vorm geven aan een ethisch leven… als een alternatief voor materialistisch eigenbelang” (p 342).

Singer pleit voor een kritische groep mensen die ethisch leven en samenwerken. Afhankelijk van het niveau van bewustzijn geeft een ethisch leven meer vervulling dan een zelfzuchtig leven. Als dit meer voordeel en vreugde en levensvervulling geeft, zal deze ethische levenshouding zich verbreiden en blijken dat het conflict tussen ethiek en eigenbelang is op te lossen. Ook hij ziet het als eerste stap naar een verreikende evolutie, waarin samenwerking een centrale waarde is.

“Eén ding is zeker: je zult talloze dingen vinden die de moeite waard zijn om te doen… Het belangrijkste van alles: je zult weten dat je niet voor niets hebt geleefd en bent gestorven… door de wereld tot een beter oord te maken,” zo eindigt Singer dit hoofdstuk uit How Are We to Live (Een ethisch leven, p 342-43).

 

https://visie.eo.nl/2018/01/is-god-de-oorzaak-van-het-ontstaan-van-de-kosmos

 

De kosmische visie van Singer en van oosterse filosofieën

Singers’ visie benadert de inzichten en richtlijnen van de grote religies. Deze bieden echter ook methoden om ons bewustzijn te verruimen tot een kosmisch bewustzijn. Daarbij gaat het niet slechts om rationeel redeneren, zoals in eerdere artikelen is toegelicht, ook door Toon van Eijk en Paticia van Bosse. In oosterse visies lijkt voor dergelijke methoden meer aandacht te zijn geweest dan in het Westen. Reden om de blik naar het Oosten te wenden zoals bij Herman Wolf, zie de artikelen over hem en zijn werk.

Kosmisch bewustzijn, zoals beschreven door R.M. Bucke in Cosmic Consciousness en in oosterse filosofieën gaat verder dan een rationele ethische visie, net zoals spirituele verlichting verder gaat dan rationele verstandsverlichting. Ethiek en ethisch leven berust volgens Sidgwick en anderen niet alleen op de rede maar ook op morele intuïtie en spiritueel inzicht. In het verlichte kosmische bewustzijn is er een directe ervaring van de eenheid met andere levende wezens en met de kosmos. Het is niet alleen een rationeel inzicht in de samenhang van het bestaan. Albert Schweitzer zou in het oerwoud in Afrika een dergelijke ervaring hebben gehad, die hem inspireerde tot zijn ethische visie van eerbied voor het leven. Bij de bespreking van de spirituele wijsgerige visie van Herman Wolf en zijn boek over oosterse filosofie en ethiek, worden spirituele oosterse (ethische) visies toegelicht als complement voor de rationele utilitaire visie van Singer.

 

   

Utilitaristen: Henry Sidgwick, Jeremy Bentham, John Stuart Mill en zijn vrouw Harriet Hardy, die grote invloed op hem had.

Sidgwick en Mill hebben zich onder meer ingezet voor onderwijs en kiesrecht voor vrouwen.

 

De rationele ethiek van Singer en de intuïtieve visie van Sidgwick

Singer onderbouwt zijn ethiek onder meer met de benadering van Sidgwick, die niet alleen uitgaat van de rede maar ook van de (morele) intuïtie. Hij onderscheidt in The Method of Ethics (zie bijlage 2, hfst 3) drie soorten intuitionisme: perceptional intuitionism, common sense morality, and philosophical intuitionism. De laatste biedt een meer precieze ethische methode. Hij baseert zijn theorie niet op  commonsense maar op intuiïtieve kennis van zelf-evidente axiomas, zoals het rechtvaardigeheidsprincipe, waar ook het utilitarisme van John Stuart Mill op ingaat in Utilitarism. Zo’n axioma is bijv. de gouden regel, zoals Sidgwick deze formuleert:‘whatever action any of us judges to be right for himself, he implicitly judges to be right for all similar persons in similar circumstances’ (zie bijlage 2, hfst 4).

Sidgwick was de eerste voorzitter en medeoprichter van de Society for Psychical Research samen met F W H Myers, die zich bezig hield met het onderzoek van paranormale verschijnselen. Hij zal hebben kennisgenomen van paranormale en  kosmische ervaringen en was ook vertrouwd met de reïncarnatie-hypothese. Dit plaats zijn ethische visie in een intercultureel kosmische perspectief, dat aansluit bij de visie van Herman Wolf.

Singer heeft zoveel geschreven dat dit niet in één artikel past. Behalve door zijn boek(en) over dierenbevrijding is hij ook bekend geworden door zijn visie op (vrijwillige) euthanasie, die in de bundel Een ethisch leven en uitvoerig wordt afgewogen en onderbouwt in Practical Ethics Individuals, Humans and Persons: Questions of Life and Death, en Rethinking Life and Death: The Collapse of Our Traditional Ethics, beide met Helga Kuhse. Dit onderwerp sluit aan bij de artikelen van Wim Couwenberg in nr 80.

 

Bijlage 1: Uitgebreide bibliografie van Peter Singer (Wikipedia)

  • Famine, Affluence and Morality (1972)
  • Democracy and Disobedience (1973)
  • Animal Liberation: A New Ethics for our Treatment of Animals (1975)
    • In het Nederlands uitgegeven als ’Pro Mens, Pro Dier’ (Anthos, 1977) en ’Dierenbevrijding’ (De Geus, 1994)
  • Animal Rights and Human Obligations: An Anthology (1976)
  • Practical Ethics (1979)
  • Karl Marx (1980)
    • Onder dezelfde titel in het Nederlands verschenen
  • Animal Factories (1980)
  • The Expanding Circle: Ethics and Sociobiology (1981)
  • Hegel (1982)
    • Onder dezelfde titel in het Nederlands verschenen
  • Test-Tube Babies: a guide to moral questions, present techniques, and future possibilities (1982)
  • The Reproduction Revolution: New Ways of Making Babies (1984)
    • In het Nederlands uitgegeven als ’Het nieuwe nageslacht’
  • Should the Baby Live? The Problem of Handicapped Infants (met Helga Kuhse, 1985)
  • In Defence of Animals (1986)
    • In het Nederlands uitgegeven als ’Dierenactieboek’
  • Ethical and Legal Issues in Guardianship Options for Intellectually Disadvantaged People (1986)
  • Applied Ethics (1986)
  • Animal Liberation: A Graphic Guide (1987)
  • A Companion to Ethics (1991)
  • Save the Animals! (1991)
  • The Great Ape Project: Equality Beyond Humanity (1993)
  • How Are We to Live? Ethics in an Age of Self-interest (1993)
  • Ethics (1994)
  • Individuals, Humans and Persons: Questions of Life and Death (met Helga Kuhse, 1994)
  • Rethinking Life and Death: The Collapse of Our Traditional Ethics (1994)
    • In het Nederlands uitgegeven als ’Tussen Dood en Leven’
  • The Greens (1996)
  • A Companion to Bioethics (met Helga Kuhse, 1998)
  • Ethics into Action: Henry Spira and the Animal Rights Movement (1998)
  • Bioethics: An Anthology (met Helga Kuhse , 1999)
  • A Darwinian Left (1999)
    • In het Nederlands uitgegeven als ’Darwin voor links’
  • Writings on an Ethical Life (2001)
    • In het Nederlands uitgegeven ’Een ethisch leven’
  • Unsanctifying Human Life: Essays on Ethics (2001)
  • Een ethisch leven (Nederlandse compilatie van Singers werk)
  • One World: Ethics and Globalization (2002)
    • In het Nederlands uitgegeven als ’Een Wereld: Ethiek in een tijd van globalisering’
  • Pushing Time Away: My Grandfather and the Tragedy of Jewish Vienna (2003)
  • The President of Good and Evil: The Ethics of George W. Bush (2004)
    • In het Nederlands verschenen als ’De president van goed en kwaad’
  • In Defense of Animals. The Second Wave (2005)
  • The Way We Eat: Why Our Food Choices Matter/The Ethics of What We Eat (2006)
  • Stem Cell Research. The Ethical Issues (2007)
  • The Bioethics Reader: Editors’ Choice. (2007) (met Ruth Chadwick, Helga Kuhse, Willem Landman en Udo Schüklenk)
  • The Future of Animal Farming: Renewing the Ancient Contract (2008) (met Marian Stamp Dawkins en Roland Bonney)
  • The Life You Can Save: Acting Now to End World Poverty (2009)
    • In het Nederlandsuitgegeven ’Het kan wel! - Armoede hoeft niet’
  • Peter Singer Under Fire: The Moral Iconoclast Faces His Critics (2009) (onder redactie van Jeffrey Schaler)
  • J. M. Coetzee and Ethics: Philosophical Perspectives on Literature (2010) (met A. Leist)
  • The Most Good You Can Do: How Effective Altruism Is Changing Ideas About Living Ethically (2015)
  • The Point of View of the Universe, Henry Sidgwick and Contemporary Ethics met Katarzyna de Lazari-Radek

 

 

 

Bijlage 2 :Summary of The Point of View of the Universe per hoofdstuk

 

1. What is Ethics?

By ‘a method of ethics’ Sidgwick means a rational procedure for deciding what we ought to do. He groups these rational procedures into three different types: egoism, intuitionism, and utilitarianism. We examine Sidgwick’s conception of the task of the philosopher investigating ethics, and consider whether Sidgwick has, by limiting his ‘methods of ethics’ to just three, pre-empted any viable ethical theories from receiving a proper hearing in his work

 

2. Reason and Action

This chapter asks what rationality amounts to, when it comes to practical reasoning, and what reasons for actions we can have. Philosophical accounts of reasons for action can be divided according to whether the reasons provided are subjective or objective. Drawing on arguments advanced by Sidgwick and Parfit, we argue, against Hume and his followers, that normative reasons for actions are objective. One objection to this view is that it is unclear how reason can motivate action. Another is that psychopaths appear to be able to reason adequately, but do not act morally. Both of these objections are discussed and answered.

 

3. Intuition and the Morality of Common Sense

Sidgwick distinguished three different stages of intuitionism: perceptional intuitionism, common sense morality, and philosophical intuitionism. His examination of the morality of common sense is especially noteworthy and is here discussed using the examples of benevolence and truth-telling. Sidgwick concluded that only philosophical intuitionism constitutes a sufficiently precise method of ethics. This chapter considers all three forms of intuitionism and their contemporary or recent exponents. Particularism, as espoused by Dancy, is today the leading form of perceptional intuitionism, while Ross, Gert, and Bok are taken as defenders of the morality of common sense. The chapter defends Sidgwick’s view that neither perceptional intuitionism nor the morality of common sense is philosophically adequate.

 

4. Justification in Ethics

Sidgwick grounds his own theory, not on our commonsense moral judgments, but on our intuitive knowledge of the truth of some self-evident axioms. For this reason, his approach raises an important question of methodology in ethics. Contemporary ethics often assumes that normative ethical theories can only be justified by reaching what Rawls called a ‘reflective equilibrium’ between theory and considered moral judgments. Sidgwick, by contrast, seeks a self-evident foundation on which to build a normative theory. We investigate whether Sidgwickian foundationalism is a viable alternative to the coherentism of reflective equilibrium.

 

5. The Axioms of Ethics

Sidgwick thought that some axions of ethics are self-evident. These include: an axiom of justice—‘whatever action any of us judges to be right for himself, he implicitly judges to be right for all similar persons in similar circumstances’, an axiom of prudence—‘a smaller present good is not to be preferred to a greater future good’, and an axiom of benevolence—‘each one is morally bound to regard the good of any other individual as much as his own, except in so far as he judges it to be less, when impartially viewed, or less certainly knowable or attainable by him’. This chapter discusses these axioms in the light of the work of more recent thinkers including R. M. Hare and John Mackie on universalizability, Bernard Williams, Michael Slote, and Larry Temkin on time preference and finally Williams again as well as Rawls on utilitarianism and maximization.

 

6. The Profoundest Problem of Ethics

The ‘profoundest problem of ethics’ according to Sidgwick, arises from the apparent rationality of both egoism and utilitarianism. Sidgwick called this the ‘dualism of practical reason’ and he held that it showed that reason cannot, after all, be a complete guide to what we ought to do. Moreover if we always have sufficient reason to do what is in our own interests—so that acting in our own interests would always be rational, but not rationally required—then that seems to sharply diminish the importance of an ethical theory like utilitarianism, based as it is on the idea of acting with impartial concern for others. We discuss the ways in which Gauthier, Brink, and Parfit have sought to overcome or reduce the scope of the problem, and suggest why their proposals fail to resolve it.

 

7. The Origins of Ethics and the Unity of Practical Reason

Darwin’s The Descent of Man appeared three years before The Methods of Ethics and Sidgwick understood that evolutionary accounts of the origins of human morality raise a question about the truth of our moral judgments. We draw on Sidgwick’s arguments against this kind of external attack to respond to Street’s recent evolutionary critique of moral realism. Surprisingly, the way in which we defend objectivity against this evolutionary critique puts us in a position to support a bold claim: the dualism of practical reason can be resolved in favour of impartiality.

 

8. Ultimate Good, Part I: Perfectionism and Desire Based Theory

The axiom of universal benevolence tells us to maximize the good, impartially, but does not tell us what this good is. Theories of the good can be divided into internalist and externalist theories, depending on whether the theory holds that what is good for someone must in some way be attractive to, or resonate with, that person. This chapter investigates several different versions of the leading internalist view, that what is good for someone is based on what she desires, as well as externalist theories, including perfectionism.

 

9. Ultimate Good, Part II: Hedonism

Sidgwick’s version of hedonism sees happiness as consisting of intrinsically desirable states of consciousness and therefore combines elements of both internalism and externalism. We compare this with Feldman’s and Haybron’s accounts of happiness. In the end, what matters is what is judged to be of intrinsic value, whether or not that corresponds to the common meaning of the word ‘happiness’. We also assess the relevance of survey data on happiness, and of psychological research on happiness, especially Kahneman’s work on duration neglect.

 

10. Rules

Consequentialists have different attitudes to rules. We distinguish the question of what is the correct criterion for deciding whether an act ought to be done (which may be that it leads to the best consequences) from the question of what is the best decision procedure for people to follow (which may be to obey a set of not-too-complicated rules). This distinction—and the possibility that sometimes an act may be right only if it does not set a bad example that will lead others astray—leads to a discussion of esoteric morality—that is, whether it can be right to do in secret what would be wrong if done openly. We argue, against Kant, Hooker, and Rawls, that Sidgwick was right to defend the possibility of esoteric morality.

 

11. Demandingness

It is often claimed that utilitarianism is too demanding, because it gives us obligations that virtually no one meets. This chapter considers Sidgwick’s response to the demandingness objection, especially his important distinction between whether an act is right or wrong, and whether it is appropriate to praise or blame the agent for that act. Parfit’s concept of ‘blameless wrongdoing’ fits within this framework. We argue that Sidgwick’s response to the objection is sound, although in today’s world—given the contrast between affluence and extreme poverty—his view leads to consequences that are different from those he drew. Norcross’s has suggested a shift to ’scalar utilitarianism’ as a solution to the problem of demandingness; the proposal has some merit, but its radical nature suggests a utilitarian ground for not adopting it.

 

12. Distribution

If happiness is the good, how should it be distributed? Should we take into account only the happiness of human beings, or of all those capable of experiencing pleasure and pain? Should we favour an egalitarian distribution, or prioritarianism (i.e. giving priority to those who are worse off), or should we simply aim at increasing happiness as much as possible, irrespective of how it is distributed? Is it permissible to discount the future, as economists like Von Mises have proposed? Finally, there is a question first raised by Sidgwick, but probed more deeply by Parfit: should we, in maximizing happiness, be concerned only about those who already exist, or who will exist independently of what we do, or should we also be concerned about merely possible beings, whose very existence depends on the choices we make?

 

13. Conclusion

The conclusion focuses on the role that reason plays in ethics, and on whether there are grounds for hoping that by making progress in moral philosophy, we can contribute towards progress towards a better world. Drawing on work by Pinker and the ‘Flynn effect’ we argue that there is hope for such progress.