Ik ben geen chimpansee. Een reactie op Stijn Bruers

Civis Mundi Digitaal #81

door Machteld Roede

Reactie op: Stijn Bruers, Reactie op Machteld Roede

De reactie van Stijn Bruers op mijn kritiek (Civis Mundi # 79) op zijn C.M. bijdragen heeft mijn zelfvertrouwen als bioloog niet aan het wankelen gebracht noch me overtuigd dingen te beweren die niet passen bij een bioloog. Het probleem lijkt me dat Bruers categorisch grenzen gebaseerd op uitvoerig wetenschappelijk onderzoek ontkent. Hier een tegenreactie.

 

Maag-darmstelsel =

“… een naturalistische drogreden……. En een heel vreemde nog wel, want stel dat we zometeen een planteneter tegenkomen met één maag en een even kort darmstelsel als ons”.

De verschillen tussen het maag-darmstelsel van carnivoren (korte darm, knipkiezen), omnivoren, en herbivoren (lange darm, meermaals meerdere magen, herkauwer, maalkiezen) zijn al eeuwenlang bestudeerd, evenals de duidelijke relatie met de verschillende eetpatronen. Deze zijn niet absoluut, mijn hond ging bij buikpijn gras eten, fruiteter chimpansee eet soms vlees. Maar een tijger zou dood gaan op een dieet van gras, met die moeilijk te verteren stevige celwanden. Niet alleen zijn er grote anatomische  verschillen. De darmen van wilde mensapen met een grotendeels plantaardig dieet – ze hebben overigens maar één maag - bevatten aanzienlijk veel bacteriesoorten die plantaardig voedsel verteren, de bacterieflora in de mensendarm is veel minder divers. Te veel fruit eten kan ons problemen geven, al is het alleen al door het zo te veel suiker binnen krijgen.

Bruers weet ongetwijfeld veel, maar mist het juiste inzicht in biologische processen en wetmatigheden. Elke soort – op deze term kom ik zo terug - maakt vanaf de conceptie een strak gecodeerde differentiatie door. Van elke eigenschap bestaat wel een zekere spreiding rond het gemiddelde, maar altijd binnen het soort specifieke kader. Een exemplaar van een bepaalde soort kan niet opeens een echt heel andere ontwikkeling doormaken. Een leeuwenwelp zal niet worden geboren met vier magen, een chimpansee ontwikkelt geen knipkiezen. Bruers verwijt zijn tegenstanders graag een drogreden te gebruiken. Wellicht heeft die term voor hem niet de gangbare invulling, want ik zie niet waar mijn redenering niet klopt, ik bezie eerder zijn betoog als een drogreden. Want zijn “stel dat mensen toch lange darmen bleken te hebben” is louter een trucje, maar niet reëel, gezien wat net is uitgelegd over groei en ontwikkeling binnen het eigen soortkader: mensen met veel langere darmen zullen er niet zijn. “wat wil zeggen dat de lengte van ons darmstelsel en het aantal magen irrelevant is en niets te maken heeft met een plicht om bepaalde voeding wel of niet te eten.”  Ik begrijp die conclusie ‘irrelevant’ totaal niet, en ik sprak niet over ‘de plicht’ om een bepaalde voeding te nuttigen; het gaat om de vrij strakke relatie tussen anatomie en dagelijks dieet.

 

Genoom

Roede "Iedere soort heeft een eigen, specifiek genoom, gekenmerkt door het aantal en door de vorm van de chromosomen."Bruers “Dit is gewoon niet waar.”

Wat een lef om definities die na steeds verfijnder cytologisch onderzoek al jaren geleden door top wetenschappers gezamenlijk zijn vastgelegd ‘onwaar‘ te noemen. Van de vier elkaar overlappende definities is steeds gangbaarder: het genoom is de definiërende bouw en vorm van de set chromosomen. Ik had wellicht duidelijker kunnen aangeven dat ook ik van deze omschrijving uitga. Na kleuring zijn de chromosomen te rangschikken naar aantal, grootte en vorm, waarbij de vorm wordt bepaald door de positie van de insnoering die elk chromosoom vertoont. Al snel bleek dat aantal en vorm per soort sterk verschilt, waardoor het genoom mede geschikt is voor het afpalen van de soort. Pas veel recenter kan per soort worden vastgesteld hoeveel en welke genen op de chromosomen zitten. Het is flauw van Bruers om te eisen dat “Roede nu .. kan zeggen.. welke baseparen in het DNA .. precies het menselijk genoom definieert”.  Hij weet dondersgoed dat het niet simpel om een enkel basenpaar gaat.

Bruers “Ten eerste zijn er mensen met extra chromosomen (triple X-syndroom,...).”

Bij de vorming van de gameten of geslachtscellen, de ei- en zaadcellen, wordt het aantal chromosomen wat in elke lichaamskern zit gehalveerd. Bij deze complexe reductiedeling treden meer dan eens fouten op waardoor het aantal van de chromosomen in een gameet afwijkt. Een bevruchting hiermee mislukt veelal,  vaak al in vroeg embryonaal; enkele blijken wel levensvatbaar. Zo worden inderdaad soms kinderen geboren met niet twee maar drie keer het chromosoom 21 (het syndroom van Down), met slechts één geslachtschromosoom (XO, het Turner syndroom), of met drie geslachtschromosomen (XXY, het Klinefelter syndroom of XXX, het triple X syndroom). Maar pathologie kan nooit gebruikt worden om de definitie van de normale situatie onderuit te halen.

Bruers “Ten tweede is dit in contradictie met wat ze verderop schrijft: haar ontkenning dat een muilezel een nieuwe soort is, terwijl ze zelf zegt dat die muilezel 63 chromosomen heeft, dus is het geen paard (64 chromosomen) en geen ezel (62 chromosomen).”

Muildier (moeder paardenmerrie, vader ezelhengst) en muilezel (moeder ezelin, vader paardenhengst) zijn inderdaad paard noch ezel. Ze hebben allebei een half Equus caballus , een half Equus asinus genoom, maar ze zien er duidelijk verschillend uit. Ze bestaan slechts één generatie; het vormen van een eigen soort vereist het doorgeven van de genen aan opvolgende generaties.  Nee Stijn, het zijn geen nieuwe soorten.  

Bruers “ Ten derde, en bovenal, is het in strijd met de evolutieleer…. we slagen er niet in om op basis van hun genomen te bepalen welke voorouder mens is en welke niet….

Maar zo gebeurt dat ook niet. Wanneer fossielen worden gevonden van onze verre voorouders bepalen essentiële anatomische kenmerken van bijvoorbeeld het gebit of ze worden gerekend tot zeg het genus Australopithecus of genus Homo, ja wellicht onbetwistbaar horen bij ons, de anatomisch moderne mensen. Pas vrij recent is het mogelijk ook DNA resten te analyseren, wat een aanvulling op al veel eerder verrichtte classificaties kan geven. In de strijd met de evolutieleer is dit nergens.

Bruers blijft zijn stokpaardje berijden : “terwijl de evolutieleer overduidelijk aantoont dat tussen soorten ook geen scherpe grenzen te trekken zijn en dat soorten volgens diezelfde reden dus ook niet bestaan. Het is verbazend om derrgelijke ontkenning van de evolutieleer te horen van een biologe”.

Bruers begrijpt noch de evolutieleer noch soortvorming. Het is onmogelijk om in een kort stuk voor leken de porteé van soortvorming te bespreken, in 1859 al zo uitvoerig uitgelegd door Darwin in zijn “De Oorsprong der Soorten”. Speciatie, de stapsgewijze veranderingen ten opzichte van de gemeenschappelijke voorouder, voltrekt zich volgens een viertal modellen. Bruers heeft zeker gelijk dat tijdens die processen geen scherpe grenzen zijn aan te geven, kinderen van (groot)ouders gaan verschillen. Maar op een gegeven moment zijn twee varianten van wat eens één soort was reproductief zo geïsoleerd geraakt dat ze niet meer samen kunnen voortplanten. Dan is een nieuwe soort een feit. Dat is juist de basis voor de evolutie.

Roede "Alleen zeer ver terug in de tijd is twijfel waar de grens van ons humaan genoom ligt" Bruers “Dat wil dus zeggen dat volgens haar soorten niet bestaan, net zoals rassen niet bestaan: omdat er geen scherpe grens is.
Nu is aangetoond dat ooit vroege vertegenwoordigers van de moderne mens gepaard hebben met individuen uit de archaïsche mensen populaties, met de Neanderthaler en in het Azië ook met de Denisovan mens, is te speculeren of we de grenzen tussen hen en ons wat moeten verschuiven. Nogmaals, tijdens een  periode van overgang is er twijfel wie waar bij behoort, maar na verdere afsplitsing niet meer. Hoe is Bruels dat laatste toch bij te brengen?


Interseksualiteit

Bruers “ En er is ook geen scherpe grens te trekken tussen mannen en vrouwen: er zijn vele vormen van intersexualiteit.”

Ik onderbrak voor deze reactie mijn schrijven over voorplanting wat naar ik hoop Civis Mundi wil plaatsen. Hierin bespreek ik uitvoerig interseksualiteit in de natuur, een onderwerp waar ik ooit op promoveerde. Er is inderdaad een heel klein percentage mensen met inwendig en/of uiterlijk kenmerken van de andere sekse. Deze afwijkingen zijn bij de mens echter nooit functioneel, nooit worden zowel rijpe eicellen en sperma van de vereiste kwaliteit aangemaakt, zoals bij veel lagere diersoorten regel is. Bij de mens gaat het echter altijd om een pathologische afwijking. Ook hier: vanwege een zeer laag percentage pathologie kun je de verschillen tussen man en vrouw niet verwerpen. Let wel, ik spreek niet over de transgenders, over genderdystrofie. Het je niet thuis voelen in je biologische lichaam is een totaal ander fenomeen en valt geheel buiten het kader van deze discussie over de fysieke basis van ons mensen.

Roede "Toch we bleven één soort: mannen en vrouwen waar ook vandaan kunnen samen kinderen krijgen." Bruels “Sommige mannen en vrouwen zijn nochtans onvruchtbaar, dat is ook evidente biologische kennis “.

Inderdaad zijn er mannen en vrouwen die onvruchtbaar zijn, door uiteenlopende pathologische afwijkingen, al aanwezig bij de geboorte of later tijdens het leven ontstaan, en oudere vrouwen na de menopauze. Maar pathologie en veroudering ondermijnen niet de algemene waarheid dat gezonde geslachtsrijpe mannen en vrouwen over de hele wereld, hoe we er ook uit zien, nageslacht met elkaar kunnen krijgen.

 

De chimpansee

Bruers “Ik kan ook een verschil tussen een mens en een chimpansee zien, maar er is geen scherpe grens tussen mens en chimpansee. “

Er zijn echter vele duidelijke grenzen. DNA verschillen geven aan dat onze verre, verre voorouders en de verre, verre voorouders van chimpansee en bonobo 7 tot 5 miljoen jaar geleden splitsten, nu wordt gesteld pas 3 miljoen jaar geleden. Bruers heeft over dat verre moment weer gelijk, tijdens die momenten van afsplitsing was niet goed te zeggen wie nog bij wie hoorde; daarna raakten we echter steeds duidelijker gescheiden. Het is dan ook volkomen onjuist om te stellen dat de huidige mens en chimpansee niet verschillen.

Het volstaat al om er op te wijzen dat het genoom van de mens 46 chromosomen telt, van de chimp 48. Al tikt de moleculaire klok door, toch komen de genen op die chromosomen nog wel voor meer dan 98 % overeen. Maar wat zijn de verschillen groot met de aap die de hele dag fruit wil eten en in boomnesten slaapt. Met zijn zo heel andere bouw: zware schouderspieren, erg lange armen, korte benen met ook de voet een grijpfunctie, grote ronde oren, een schedelkam, zware wenkbrauwbogen, tanden in een u-vorm gerangschikt, geen gewelfd gehemelte en bij de man grote uitstekende hoektanden, onderdeel van het grote geslachtsdimorfisme. Bij de mens is dat veel minder. De recht oplopende mens heeft verder een andere bekkenstand, het achterhoofdsgat onder aan de schedel zit meer naar achteren en de schedel staat recht boven de wervelkolom, die bij de mens een S-bocht vertoont.

Voor zijn lichaamslengte is de lengte van de penis bij de chimp normaal, die van de mensenman is wat forser geschapen. De testikels van Pan troglodytes zijn echter buitensporig groot. ‘Hij kan emmers zaad vullen’ stelt de hooggeleerde etholoog Jan van Hooff. Nodig voor de elkaar zeer beconcurrerende mannetjes, hun sperma-oorlog. Gelukkig is de mensenman hier niet mee opgezadeld; het zou een heel andere snit van het kruis van slip en broek vragen. Bij apen en mensen zitten de borstklieren niet op de buik maar op de borst. Alleen mensenvrouwen ontwikkelen in de puberteit duidelijke, blijvende  borsten; bij mensapen zwellen de  borsten alleen – en minder dan bij de mens - tijdens een zwangerschap en de daaropvolgende zoogperiode. Bij de chimp vrouwtje is daarentegen het achterste opvallend rose en zwelt in relatie tot haar menstruatiecyclus meer of minder op. Ik ben blij daar niet mee te zijn behept.

Bruers “….  ïk weet ook wel dat een mensenras niet af te bakenen of te definiëren is, maar hetzelfde geldt voor soorten.”.

Er is echter een essentieel verschil tussen de termen soort en ras. (Dat het Engels voor soort de term ‘race’ gebruikt werkt zeer verwarrend en fouten in de hand, mede door de voortdurende foute vertalingen naar ‘ras’ in het Nederlands). Ik herhaal, soorten zijn te onderscheiden op essentiële anatomische kenmerken en vaak ook gedrag, hebben elk een specifiek genoom, en kunnen niet kruiselings voortplanten. Zeldzame hybriden zijn zelf niet vruchtbaar. Binnen de menselijke soort zijn echter niet zoals bij door ons gefokte dieren of geteelde planten rassen te onderscheiden.

 Bruers “ Het verbaast me dat Roede letterlijk schrijft "dat bij de mens geen rassen voorkomen; nergens zijn scherpe grenzen te trekken”

Ook hier geldt dat de bewijsvoering niet in enkele woorden is samen te vatten. Ik volsta met verwijzen naar het themanummer van Biowetenschappen en Maatschappij 36 (1) 2017. “Rassenwaan. Het misbruik van de wetenschap in racisme” waar ook ik meerdere artikelen voor schreef: URL: http://www.biomaatschappij.nl/product/rassenwaan/ *PDF 21 Maart 2017,

Bruers “Je kunt zeggen dat soorten bestaan omdat speciesisten erin slagen om ’soort’ als kernbegrip te nemen, maar dan bestaan rassen ook, want racisten slagen er ook in om ’ras’ als kernbegrip te nemen”

“..maar dan..”? Ik kan zo ’n kromme bewijsvoering niet volgen. Als fysisch antropoloog volg ik de conclusies van mijn vooraanstaande vakgenoten van ruim een halve eeuw geleden, door het latere verfijnder onderzoek alleen maar onderstreept: bij de mens is de term ras een biologisch waan concept. Het woordgebruik van racisten wijs ik ten strengste af, wat ze ook als ‘kernbegrip aan willen voeren, dus accepteer ik het ook niet als argument van Bruers. De nazi’s kwamen indertijd met mooie volzinnen over ‘minderwaardige rassen’ waartoe ze Duitse antropologen hun teksten hadden laten frauderen. Toenmalige Nederlandse anatomen/fysische antropologen verwierpen dat valse woordgebruik toen ook.  Zie mijn bijdrage in Civis Mundi # 71 “Cleveringadag 26 november 1940”.

Roede "Daarna vliegt hij uit de bocht" Bruers “Er wordt niet beargumenteerd waarom ik uit de bocht vloog. Ik stelde een retorische vraag of we die zwarte mogen opeten, met duidelijk "nee" als antwoord. Als dat uit de bocht vliegen is, wil dat dan zeggen dat het antwoord op mijn vraag "ja" zou zijn?”

Wat triest dat Bruers de empathie en het ethisch besef ontbreekt om aan te voelen dat je niet schrijft ‘die zwarte’. Veel misplaatster dan wanneer ik een retorische vraag zou poneren over ‘die Vlaming’, wat ik al niet correct vind. Maar misschien verschilt hier de gevoelswaarde van een Amsterdamse van die van iemand uit Leuven. Hoe haal je het verder zelfs maar in je hoofd de vraag te stellen of je al dan niet ‘die andere’ op zou mogen eten. Al kiest hij dan zelf braaf voor ‘nee’, de vraag op zich is buitengemeen verwerpelijk. Dat blijf ik een uit de bocht vliegen vinden.

Samenvattend = Stijn Bruers beschikt zeker over kennis over biologische onderwerpen. Helaas bijt hij zich halsstarrig vast op zijn idee fixe over evolutie, het afsplitsen van soorten en het soortbegrip, over het genoom. Dit leidt tot een niet te stuiten semantische verwarring en beschuldigingen, die als niet steekhoudend ter zijde moeten worden gelegd. Dat is jammer, want zijn zich sterk inzetten voor mensenrechten, dierenrechten en tegen de walvisjacht is zeker lovenswaardig. Wist deze oude dame met ruim veertig jaar ervaring als universitair docent over de genoemde onderwerpen maar hoe een knopje in Stijns hoofd om te zetten om een transitie te bewerkstelligen naar een correcter inzicht. Zijn pamfletten zouden dan zeker een groter publiek kunnen overtuigen. Nu stoot hij mensen die zijn kant zouden moeten kiezen helaas af, en ik moet me echter scharen achter het besluit van Neerhoff en Bakker in Civis Mundi #78 om de discussie met Bruels te sluiten.