Zijn er bewijzen voor reïncarnatie? Deel 1: Inleiding, de betrekkelijkheid van bewijzen

Civis Mundi Digitaal #86

door Piet Ransijn

 

Getuigenissen van kinderen zijn doorslaggevend geweest bij reïncarnatieonderzoek

 

Inleiding en overzicht

Dit artikel is een vervolg op het artikel over het boek van Herman Wolf, Onsterfelijkheid als wijsgerig probleem in nr 84 en gaat specifiek in op onderzoek naar reïncarnatie. In hoeverre kan dit gelden als bewijsmateriaal? Kan er überhaupt sprake zijn van bewijzen van zoiets gecompliceerds als reïncarnatie? Daar gaan we op in de hand van de paradigmatheorie van Thomas Kuhn en van wat filosoof Douwe Tiemersma over bewijzen schrijft. Bewijzen is hier misschien niet de meest passende term. Een hypothese kan empirisch worden bevestigd of verworpen (gefalsifieerd). Een stelling kan ook rationeel en deductief worden bewezen, bijv. in de wiskunde of in de logica. Tiemersma relativeert bewijzen en theorieën, niet alleen wat betreft reïncarnatie maar ook in het algemeen. Maar ervaringen waar we niet omheen kunnen, relativeren het relativisme en gelden ook in de wetenschap als toetssteen. De onderzoekers Rivas en Hegener gaan uit van dergelijke ervaringen, aan de hand waarvan zij de reïncarnatie-hypothese toetsen in deel 2.

Reïncarnatie kwam bij Wolf uitvoerig aan de orde als filosofische kwestie. Inmiddels is er wetenschappelijk onderzoek naar verricht, dat wordt samengevat door Titus Rivas in nr 17 en door Michiel Hegener in zijn boek met de pretentieuze titel Leven op herhaling: Bewijzen voor reïncarnatie, waar herhaaldelijk naar is verwezen in Civis Mundi. Het is besproken door Wim Couwenberg en Hugo Verbrugh in nr 14, die open staan voor het idee van reïncarnatie. Zij menen dat er nog geen bewijs voor is geleverd, maar laten de mogelijkheid daartoe open. Om een acceptabel bewijs te kunnen leveren achten zij een paradigmaverschuiving nodig. Er is een wisselwerking tussen grensverleggend onderzoek en paradigmaverandering. Beide zijn nodig en hangen samen.

Zo’n verschuiving treedt eerder op als er sterke aanwijzingen zijn die als bewijs kunnen fungeren voor een ander paradigma. Het vicieuze probleem hierbij is dat zo’n bewijs alleen in een ander paradigma wordt geaccepteerd. Acceptatie gaat geleidelijk en begint met grensverleggende pioniers, dissidenten en ‘ketters’. Na verloop van tijd begint een dissidente visie vaak met enige strijd in bredere kringen door te dringen, maar kan ook worden weerlegd of de kop ingedrukt. Verschillende theorieën kunnen lange tijd naast elkaar blijven bestaan en elkaar bestoken met argumenten. Mensen zijn niet gauw geneigd hun geloof op te geven en nemen het vaak mee in hun graf of misschien ook in hun vorige leven. Daardoor sterven oude opvattingen geleidelijk uit of komen opnieuw tot leven, zoals ook de aloude reïncarnatiehypothese. Einstein had bijvoorbeeld ook zijn leven lang moeite met de kwantumtheorie, die de zekerheden van de klassieke fysica relativeerde tot waarschijnlijkheden en niet goed te combineren was met de relativiteitstheorie. Zo relativeert de reïncarnatietheorie het veronderstelde eenmalige leven en de ‘onverbrekelijke samenhang’ van geest en lichaam, die met de dood wordt verbroken.

In Deel 2  vlgt een samenvatting van het reïncarnatieonderzoek aan de hand van een artikel hierover van Titus Rivas in nr 17. Daarna komt het boek van Hegener aan bod. Er is veel meer literatuur over verschenen, die in dit bestek niet behandeld kan worden. In eerdere artikelen in nr 74 en 75 is het uitvoerige standaardwerk van Edward en Emily Kelly, Irreducibele Mind: Toward a Psychology of the 21th Century vermeld, dat een samenvatting van 800 blz. geeft van onderzoek op het brede gebied van het verband tussen geest en lichaam, dat alles te maken heeft met reïncarnatie. De Kelly’s zijn evenals eerder Ian Stevenson verbonden aan de Universiteit van Virginia, die een pionier was op gebied van reïncarnatieonderzoek.

 

Aanleiding

Voordat het bewijsmateriaal aan de orde komt enkele inleidende opmerkingen. Door het overlijden van twee zwagers en daarvoor twee broers, mijn ouders en vele anderen raakte ik (weer) geïnteresseerd in ‘postmortaal voortbestaan’, zoals Wim Couwenberg dit noemt. In de nacht dat mijn zwager overleed had ik een droom die mij aanspoorde het standaardwerk van F.W.H. Myers, Human Personality and Its Survival of Bodily Death te gaan lezen, dat in nr 74 en 75 is behandeld. Eerder had ik de boeken van Michael Newton besproken in nr 64 en 66. Via Wim Couwenberg, met wie ik de interesse voor dit thema deel, kreeg ik het boek van Hegener en maakte ik kennis met Hugo Verbrugh. Beiden hebben grote interesse in postmortaal bestaan en vinden reïncarnatie aannemelijk, maar voor alsnog niet bewezen, terwijl Hegener meent van wel. Dit lijkt het kernpunt in de discussie, waarbij Verbrugh en Couwenberg niet duidelijk aangeven waarom de bewijzen van Hegener nog ontoereikend zijn en wanneer ze wel overtuigend zijn. Dat kunnen ze ook moeilijk doen, omdat ook zij dat niet in de hand hebben. De acceptatie  van feiten als bewijzen door de wetenschappelijke gemeenschap wordt namelijk vaak meer een sociaalpsychologische factoren bepaald dan door rationele overwegingen, zoals Thomas Kuhn probeerde aan te tonen (zie nr. 72). De hypothese van het eenmalige leven is evenmin bewezen. Dat geldt ook voor het idee dat het bewustzijn zich niet onafhankelijk van de hersenen kan functioneren. Wat mensen vinden en als waar aanvaarden wordt meer bepaald door hun heersende levensbeschouwing dan door wat bewezen zou zijn. Dit relativeert ook de ‘bewijzen’ en indicaties van reïncarnatie.

 

De reactie van Verbrugh op het boek van Hegener

Toen Verbrugh kritisch reageerde op mijn bespreking van het boek De zielenreis van Michael Newton over herinneringen van vorige levens onder hypnose, ging ik mij verdiepen in onderzoeksmethodologie en wetenschapsfilosofie. Dit leidde tot ik een serie hierover. Het is van belang om onderzoek zo grondig en betrouwbaar mogelijk te doen. Maar dat is niet genoeg om  de wetenschappelijke gemeenschap te overtuigen. Dat wordt volgens de paradigmatheorie van Kuhn bepaald door aansluiting bij het dominante paradigma. Dat is bij het boek van Hegener niet het geval, vandaar dat het ook door Verbrugh en Couwenberg niet wordt geaccepteerd als bewijs. Beide schrijven dat dit te maken heeft met het heersende paradigma. Couwenberg heeft waardering voor de wijze waarop Hegener dit ter discussie stelt door het wetenschappelijk onderzoek naar reïncarnatie en de tegenargumenten te bespreken.

Hegener, die onderzoeksjournalist was bij de NRC, noemt zijn boek “het eerste boek over reïncarnatie ooit, grotendeels gebaseerd op interviews met onderzoekers, getuigen, wetenschapsfilosofen en sceptici”. Hij wil hierin “presenteren wat er wereldwijd aan bewijzen ligt en wil graag discussie” (p 11). Verbrugh heeft op zijn boek gereageerd in nr 14. De reactie van  Hegener is niet gepubliceerd. Verbrugh heeft wel verwezen naar zijn website in nr 17. Op de website van Hegener staat zijn reactie op Verbrugh en Couwenberg.

Bewijzen voor reïncarnatie is een pretentieuze en uitdagende ondertitel, waar menigeen over kan vallen. Zijn er in de wetenschap wel (onweerlegbare) bewijzen mogelijk, of gaat het veeleer om aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheden, die door beter bewezen hypothesen vervangen kunnen worden? Wat dit betreft zijn verschillende visies mogelijk. Bewijzen gelden meestal binnen een bepaald paradigma. Ieder paradigma heeft zijn eigen feiten en bewijzen, die in een ander paradigma meestal anders zijn. Vaak zijn ze ‘incommensurabel’, niet goed vertaalbaar en communiceerbaar in termen van het andere paradigma, zie de paradigmatheorie van Kuhn in nr 72. Zo worden bewijzen voor reïncarnatie als onmogelijk, onbestaanbaar en onuitstaanbaar beschouwd vanuit (dogmatische) christelijke, islamitische en materialistische paradigma’s, die niet ontvankelijk voor degelijke bewijzen, omdat er niet in passen en ‘ongepast’, onacceptabel of taboe zijn. Mogelijk omdat dan het wereldbeeld of een aspect daarvan wankelt, onzekerheid mijdt en men het houvast niet wil verliezen.

Met de term ‘bewijzen’ lijkt Hegener te doelen op doorslaggevende evidentie, die niet op andere wijze verklaard kan worden, maar wel ontkend kan worden zoals we zullen zien. Zijn bezwaar tegen de kritiek van Verbrugh en Couwenberg is, dat zij niet ingaan op de evidentie die hij geeft, of op de manco’s daarvan, maar bij voorbaat al lijken uit te gaan van de onbewijsbaarheid van reïncarnatie. Het ‘bewijsmateriaal’ dat Hegener aanvoert, verdient echter een serieuze bespreking. Het berust anders dan bij Michael Newton voornamelijk op toetsbare feiten en waarnemingen. Herinneringen worden getoetst aan objectief waarneembare harde feiten. In de aangevoerde gevallen kunnen deze feiten niet adequaat op andere wijze dan door direct kennisname in een vorig leven gekend worden, al zullen volgens Hegener critici dit ontkennen en bestrijden.

 

Is de tijd nog niet rijp voor bewijzen?

Wat Verbrugh schrijft aan het eind van zijn reactie op het boek doet denken aan de paradigmatheorie van Kuhn, waarin psychologische en sociale factoren doorslaggevend kunnen zijn, wanneer een theorie als bewezen wordt beschouwd. Verbrugh schrijft dat de tijd rijp dient te zijn om dergelijk onderzoek te kunnen accepteren. “Onderzoeksjournalistiek en filosofie en wetenschap zijn in een boeiend, flitsend wisselspel met elkaar verweven. Wie weet wat er nog komt van Hegeners voorlopig niet gelukte poging om reïncarnatie te bewijzen. Zijn eruditie en bevlogenheid mogen hem inspireren tot een verbeterde versie. Eerste voorwaarde is om in te zien dat de tijd voor bewijsvoering nog niet rijp is.”

“Het is anno 2012 met de reïncarnatie als met de infectieziekten tweeduizend jaar geleden. Toen stelde een Romeinse arts vast dat het niet anders kon, of die ziekten werden overgebracht door micro-organismen (animalcula minuta). Dat was een trefzeker observatie, maar ze hing bijna twintig eeuwen lang totaal vrijblijvend in de lucht. Pas nadat de microscoop was uitgevonden (omstreeks 1650), de publieke hygiëne een maatschappelijk probleem was geworden (begin 19e eeuw), de cel als kleinste eenheid van levende wezens was ontdekt (omstreeks 1860) en nog enkele andere voorwaarden waren vervuld, kon de triomftocht van de huidige leer van de infectieziekten beginnen. Evenzo moeten nu voor empirisch bewijs van reïncarnatie eerst nog enkele ontdekkingen en uitvindingen gedaan worden.”

Verbrugh geeft niet duidelijk aan welke voorwaarden voldaan dient te worden, noch wat er dient te verbeteren aan de bewijsvoering en welke uitvindingen en ontdekkingen er nog gedaan dienen te worden. Verbrugh schrijft dat Hegener zou verwijzen naar paranormale ervaringen en bijna doodervaringen. Het gaat echter zoals gezegd vooral om feitelijke herinneringen aan veronderstelde vorige levens, die vaak blijken te kloppen en vrijwel onmogelijk op een andere manier kunnen worden verklaard. Strikt genomen is het ‘fact checken’ van harde feitelijke herinneringen geen parapsychologisch onderzoek. In een ruimere omschrijving zou het er wel onder kunnen vallen volgens psycholoog/filosoof Titus Rivas, in ‘Parapsychologisch reïncarnatieonderzoek en een persoonlijk voortbestaan’Civis Mundi nr 17, https://www.civismundi.nl/index.php?p=artikel&aid=2025. Hij verwijst daarbij naar zijn boek hierover (zie deel 2).  Zijn artikel, dat in deel 2 wordt samengevat, geeft een beknopt overzicht van het onderzoek naar reïncarnatie dat bij Hegener uitvoeriger aan de orde komt.

 

Feiten en bewijzen

Theorieën dienen te worden getoetst aan feitelijke gegevens. Wanneer geven feiten bewijzen? Dat hangt af van de interpretatie. Het hangt ook af van het paradigma dat men aanneemt of aanhangt. Vanuit verschillende interpretaties is verschil van visie haast onvermijdelijk. De visie van Habermas wat betreft feiten is als volgt weergegeven (zie nr 74): “Voor de wetenschap geldt dat feiten, waarnemingen en interpretaties niet altijd eenduidig en duidelijk zijn. Observatie, interpretatie en argumentatie zijn niet strikt te (onder)scheiden en gaan in elkaar over” (Habermas, Erkenntnis und Interesse, p 381). “Feiten zijn geen entiteiten in de wereld, maar beweringen of getuigenissen op het niveau van de argumentatie” (p 399). We kunnen de waarneming van feiten zonder begrippen niet adequaat weergeven en onze  waarnemingen niet goed ordenen, zoals Comte en Popper al te kennen gaven” (Habermas p. 98, Van Dijk, Grootmeesters van de sociologie, p 21, 98 over Comte).

 

Bewijzen volgens de paradigmatheorie van Thomas Kuhn

Volgens de paradigmatheorie van Kuhn (zie nr 72) bepaalt de wetenschappelijke gemeenschap wat als bewijs kan worden beschouwd. Dat is volgens zijn benadering geen volledig objectief gegeven maar wordt medebepaald door intersubjectieve, psychologische en sociale factoren. Hegener kan wel zeggen dat de door hem aangevoerde bewijzen voldoen aan wetenschappelijk maatstaven en de ‘toets van de kritiek’ kunnen doorstaan. Hij kan echter moeilijk in zijn eentje bepalen dat de aangevoerde evidentie ‘bewijzen voor reïncarnatie’ zijn. Dat wordt namelijk door de wetenschappelijke gemeenschap bepaald, die vaak bevooroordeeld is en meestal een voorkeur heeft voor dominante paradigma’s. Reïncarnatie past niet in het vigerende wetenschappelijke wereldbeeld. Om bewijzen voor reïncarnatie geaccepteerd te krijgen, zijn niet alleen nog meer onomstotelijke bewijzen nodig, die niet op andere wijze verklaard kunnen worden. Daarnaast lijkt een paradigmaverandering nodig, zoals bij eerdere wetenschappelijk revoluties, zoals Kuhn heeft toegelicht.

De relativistische theorie van Kuhn werd bekritiseerd door onder meer  Popper, Lakatos en Feyerabend in Lakatos en Musgrave, Criticism and the Growth of Knowledge.  Popper en Lakatos streven naar objectieve criteria om theorieën en bijbehorende bewijzen objectief te kunnen vergelijken en beter onderbouwde theorieën te kunnen onderscheiden van minder onderbouwde, en progressieve researchprogramma’s te kunnen onderscheiden van degenerative researchprogramma’s in termen van Lakatos. Reïncarnatieonderzoek is in dit perspectief te beschouwen als een veelbelovend progressief researchprogramma, als het mee zit.

De reïncarnatiehypothese wordt door de West-Europese bevolking in het algemeen steeds meer aannemelijk beschouwd. Volgens Hegener door meer dan 20%. Bij wetenschappers zal het zo’n vaart niet lopen, omdat hun reputatie op het spel kan staan als ze openlijk in reïncarnatie zouden geloven. In God geloven is nog tot daaraan toe, maar op reïncarnatie lijkt nog een taboe te rusten waar veel wetenschappers hun handen niet aan willen branden, uitzonderingen als Verbrugh en Couwenberg daargelaten, die niets meer te verliezen hebben.       

 

 

De betrekkelijkheid van bewijzen en theorieën volgens Tiemersma

Bewijzen en kennis in het algemeen zijn betrekkelijk volgens Douwe Tiemersma, voormalig docent interculturele filosofie and Erasmus Universiteit. Dat geldt niet alleen intercultureel gezien, maar ook binnen de westerse cultuur, wetenschap en filosofie. Dat wordt in het bijzonder door het postmodernisme benadrukt. Er zijn vele visies, die allemaal betrekkelijk zijn. “Verschijnselen zijn niet definitief en ondubbelzinnig te beschrijven… In het licht hiervan worden ook de pogingen om leerstellingen te bewijzen gerelativeerd. De leer van het karma en reïncarnatie is geen algemene waarheid, kan dit ook niet worden en moet dit ook niet worden. Een leer die zich verabsoluteert wordt gevaarlijk voor de voortzetting van het denken. Wat het ‘bewijzen’ van algemene stellingen en theorieën betreft, is door bijvoorbeeld Popper al veel eerder in de wetenschapsfilosofie aangetoond, dat hier geen sprake kan zijn van bewijzen. Wetten en theorieën kunnen alleen worden geconfirmeerd en gefalsifieerd. Omdat zij echter alleen indirect getoetst kunnen worden en er over de inhoud van definities altijd opnieuw kan worden gesproken, is ook de falsificatie een dubieuze zaak.” Vanuit een dergelijke visie valt reïncarnatie niet te bewijzen. Toch zijn er mensen met ervaringen waar ze niet omheen kunnen, die voor hen overtuigender zijn dan bewijzen, zoals we zullen zien.

 

Bedenkingen bij de toetsing van de reïncarnatie-hypothese

“Met betrekking tot de toetsing is het de vraag in hoeverre intuïties geëxpliciteerd kunnen worden tot een goed geformuleerde theorie van karma en reïncarnatie… Bij toetsing moet de theorie hypothesen kunnen leveren, geformuleerd in empirisch te toetsen uitspraken,” aldus Tiemersma, ‘Karma en reïncarnatie: een relativering en een positieven interpretatie’, in Verdwijnende scheidingen: Proeven van intercultureel filosoferen, p 155-56, ook in S.W. Couwenberg, red., Karma, reïncarnatie en de roep om zingeving.

Toetsbare concrete herinneringen aan vorige levens, die vrijwel niet zonder reïncarnatie verklaard kunnen worden, kunnen volgens Hegener gelden als empirisch te toetsen harde uitspraken, hoewel daar diverse theorieën en verklaringen op ‘losgelaten’ kunnen worden. Interpretaties variëren per visie en theorie. “Wanneer de theorieën en paradigma’s als producten van historische processen worden gezien (Kuhn etc.), worden ze principieel in hun algemeenheid gerelativeerd… Veel postmodernisten zullen zich enigszins ironisch uiten bij het zien van de pogingen om de leer van karma en reïncarnatie te bewijzen… De algemene voorstellingen.., zoals de ziel die door vele levens heen steeds weer reïncarneert op een wijze die door vorige levens wordt bepaald, zijn niet universeel waar… Bovendien zijn ze niet eenduidig te definiëren” (ibid, p 156-57). Dat neemt niet weg dat begrippen als ziel en geest een universeel karakter hebben en overal voorkomen, ook in de materialistische filosofie en wetenschap, waarbij geestelijke processen uit materie en hersenwerking worden verklaard. Hetzelfde geldt voor de bijna even algemeen voorkomende notie van reïncarnatie en preëxistentie, zie nr 84 hierover.

“De relativering van elke leer heeft het voordeel dat het de bespreking van karma en reïncarnatie mogelijk maakt. Zo’n bespreking was onmogelijk in de tijd en in de cultuur waarin gesloten visies de boventoon voerden. In een gesloten materialistische of dogmatisch-christelijke omgeving wordt en werd een open gesprek over reïncarnatie niet aangegaan. Nu op grote schaal de geslotenheid van de stelsels en instellingen is doorbroken, bloeien de discussies over zaken die eerst taboe waren op.” Het boek van Couwenberg is daarvan een voorbeeld. De wetenschap is weliswaar geen gesloten stelsel, maar volgens Hegener laat de openheid te wensen over.

 

 

 

Toetsing aan ervaringen als uitweg uit relativisme

“Het uitgangspunt zal dus niet zozeer de leerstellingen moeten zijn, maar de eigen ervaringen. Hoe minder interpretatie wordt toegepast, des te groter kans bestaat er, dat mensen op grond van ervaringen elkaar kunnen begrijpen. Als er al interpretaties worden gepresenteerd, zijn dit voorstellingen gebaseerd op ervaring. Tot op zekere hoogste is de eigen authentieke ervaring zinvol, een eigen weten, dat wel open moet blijven voor alternatieven en de ruimte eromheen om niet vast te komen zittten. Voor een persoon in een bepaalde situatie kunnen verschijnselen van karma en reïncarnatie zo hard zijn dat hij of zij er niet omheen kan. Er kunnen dan beelden en tendenties zijn, die ons als het ware dwingen de werkelijkheid te construeren volgens een dimensie van vele levens en van een morele oorzakelijkheid door vele levens heen. Werkelijkheid is wat zich aan ons opdringt en waar we niet omheen kunnen en in die zin hard is. Soms komt deze harde werkelijkheid zo op ons af dat we deze hebben te aanvaarden. Het bestaan van deze werkelijkheid en waarheid, hoe lokaal ze ook kan zijn, vormt een argument tegen het radicale relativisme” (p 160). Met name bij kinderen is er nog weinig interpretatie en wordt hun ervaring direct weergegeven. Dat geldt ook voor reïncarnatie-ervaringen van volwassenen, die vaak een indringend karakter hebben dat weinig ruimte laten voor theoretische interpretatie, zoals ook Hegener beschrijft.

Relativisme en scepticisme worden ook doorbroken door de toetsing van deze ervaringen en van herinneringen van reïncarnatie en vorige levens die zich bij bepaalde personen, vooral kinderen, opdringen op een wijze dat ze er niet omheen kunnen, zoals bij Michiel Hegener en andere onderzochte personen met dergelijke ervaringen en hun onderzoekers. In de wetenschap geldt toetsing aan feitelijke gegevens als criterium. De voorkeur gaat hierbij uit naar de theorie die zich het meest adequaat laat toetsen en de meest kloppende of passende verklaring geeft.  Meestal is het een punt van discussie en rivaliteit tussen theorieën en paradigma’s voor welke theorie de meeste evidentie is verzameld. Dat hangt bijv. af van hoe men feitelijke gegevens interpreteert en welk gewicht men eraan geeft.

 

Voorbij dogmatisme, relativisme en nihilisme

Door dominantie van bepaalde paradigma’s kunnen deze zich ontwikkelen tot leerstellingen, die weinig ruimte laten voor andere theorieën. In eerdere artikelen heeft met name Feyerabend gewaarschuwd voor deze tendens tot dominantie en uniformiteit, waardoor wetenschap weer het karakter van een dogmatische religie en een kerk kan krijgen, die bestaande wetenschappelijke waarheden verdedigt als dogma’s en afwijkende visies verwerpt als ketterijen. Hegener maakt melding van een vage vorm van dergelijke tendensen bij zijn poging hierover een artikel te publiceren in de wetenschapsbijlage van de NRC, die aanvankelijk nogal afhoudend was, evenals sommige wetenschappers die hij benaderde.

Zoals Tiemersma aangeeft is het echter ook mogelijk om ‘door te draven’ in een totaal relativisme, waarbij ‘niets meer waar is en alles geoorloofd’, zoals Dostojewski de nihilistische problematiek typeert. Dat lijkt het geval bij Feyerabend (‘anything goes’) en is in eerdere artikelen naar voren is gekomen. Ook nihilistische tendensen in de wetenschap en de filosofie en onze cultuur kwamen ter sprake (zie J. Goudsblom, Nihilisme en cultuur).

Het naast elkaar bestaan van verschillende visies kan een aanzet geven tot grondiger onderzoek op zoek naar meer universele of juist contrasterende inzichten en ervaringen, die ten grondslag kunnen liggen aan uiteenlopende visies. Tiemersma schreef daarover in zijn boek De vele gezichten van de dood (zie nr 84). De Griekse filosofie kwam tot bloei door een grondigere beschrijving van de werkelijkheid te geven dan in uiteenlopende inadequate religieuze voorstellingen het geval was. Iets degelijks zien we ook bij Nietzsche, die op zoek was naar een alternatief voor religie, maar dat niet heeft kunnen uitwerken (zie Goudsblom en Herman Wolf in Nietzsche als religieuze persoonlijkheid).

Ook in onze tijd is er een tendens naar het verdiepen van inzicht en zoeken van meer universele en fundamentele zin, nadat de dogma’s van de traditionele religie voor de meeste mensen hebben afgedaan en de wetenschap fundamenteel tekort schiet in het geven van zin en waarden aan het bestaan. Zingeving is immers niet haar domein, dat zich voornamelijk beperkt tot formuleren en toetsen van hypothesen. Het toetsen van de reïncarnatie-hypothese en andere hypothesen, bijv. over gezonde voeding en leefstijl, kan echter wel bijdragen tot zinverlening. Dit is het thema van het boek dat Couwenberg heeft samengesteld.

De reïncarnatie-hypothese is geen substituut voor religie, maar kan wel dienen voor de fundering van de moraal en de morele wet van actie en reactie: ‘wat gij niet wil dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet’. Met zijn ideeën van de ‘ewige Wiederkehr des Gleichen’, de Übermensch en andere ideeën is Nietzsche niet goed geslaagd om een morele levensbeschouwelijke fundering te vinden om het nihilisme te overwinnen. Reïncarnatie biedt een meer universele mogelijkheid hiertoe. In dit artikel gaat het niet om het zingevende aspect van de reincarnatiegedachte, maar om het bespreken van mogelijke bewijzen voor de reïncarnatiehypothese. In deel 2 worden onderzoeksgegevens daaromtrent samengevat.