De website van Civis Mundi is vernieuwd. Werkt de nieuwe site voor u niet goed? Bezoek dan de oude site via oud.civismundi.nl en stuur ons een email: webmaster@civismundi.nl.

De uit de hand lopende dynamiek van de moderne tijd. Inleiding: Waar gaat het over?

Civis Mundi Digitaal #89

door Piet Ransijn

Bespreking van: Peter Sloterdijk, De verschrikkelijke kinderen van de nieuwe tijd. Over het anti-genealogische experiment van de moderniteit. Amsterdam, Boom, 2015.

Op de omslag een vallend mens, die zich probeert ergens aan vast te houden

 

Opgedragen aan de nagedachtenis van Marius van den Elzen*

 

Een goede vriend heeft dit boek niet kunnen bespreken door zijn plotselinge overlijden. Ik kreeg het terug van zijn vrouw met een bloknote met aantekeningen. Mijn interesse voor dit boek werd gewekt bij mijn vorige artikel over het streven naar vooruitgang in nr 88. Dit streven zou kenmerkend zijn voor de nieuwe tijd, dat zien we ook bij Sloterdijk. De nieuwe tijd kenmerkt zich door voortdurende verandering, die steeds sneller lijkt te gaan. De overerving en continuïteit ten opzichte van vorige generaties is niet meer wat het was en lijkt in een voortdurende breuk of doorbraak te verkeren.

Op de achterkant van het boek staat dat Sloterdijk kritiek heeft op de vrijheids- en vooruitgangsdrang van de moderne mensen. “In tegenstelling tot eerdere generaties breekt de mens vanaf de achttiende eeuw steeds weer opnieuw met zijn ouders [de vorige generatie]. Iedereen moet zichzelf opnieuw uitvinden, geen levenspad ligt vanaf de geboorte vast. In zekere zin zijn wij allemaal bastaarden geworden, schepsels zonder duidelijke genealogie.” We zijn als het ware onterfd door het doorbreken van de continuïteit met het verleden.

 

Overzicht

Zoals de moderne tijd lijkt ook deze boekbespreking uit de hand te lopen, terwijl niet eens alle zes hoofdstukken zijn behandeld.  Hier volgt een overzicht van het boek en van deze bespreking. Het boek begint met een Opmerking vooraf over erfgoed, (erf)zonde en moderne tijd en het verband daartussen. Daarna volgen zes hoofdstukken en een slot:

  1. De permanente stroom. Over een bon mot van madame de Pompadour, nl. ‘Après nous le déluge’, na ons de zondvloed. Dat vindt Sloterdijk typerend voor de moderne tijd, die zich niet erg om het verleden, noch om de toekomst bekommert.
  2. Bestaan in het hiaat, of: de moderne vragendriehoek. De Maistre – Tsernysjevki – Nietzsche.
    Met het hiaat bedoelt hij zoiets als de breuk met het verleden, die gepaard gaat met verlies van zekerheden.  De drie vragen zijn: ‘Hoe kon God de Franse revolutie toelaten?’, ‘Wat te doen?’, een vraag die Lenin heeft overgenomen van Tsernysjenski, en ‘Zijn we niet voortdurend aan het vallen?’ In de bijlage komt aan de orde hoe de Franse en de Russische revoluties in hun werk gingen en wat Lenin heeft gedaan. Het voordurend vallen is eigenlijk het hoofdthema. Het is een metafoor voor de onevenwichtige, uit de hand lopende dynamiek van de moderne tijd.
  3. Dit verontrustend overschot aan werkelijkheid. Anticiperende opmerkingen over het civilisatoeproces na de breuk. Dit gaat over het overschot aan energie waardoor het civilisatieproces in een voortdurende stroomversnelling komt, die uitvoerig wordt toegelicht in deel 1.
  4. Lecons d’histoire. Zeven episoden uit de geschiedenis van afzinken naar het bodemloze. Dit gaat over zeven episoden van uit de hand lopende dynamiek. Namelijk: de Franse revolutie, Napoleon, de terreur van Lenin en Stalin, de beide wereldoorlogen en tot slot de moderne economie. De economie is actueel en komt aan bod in deel 2. De andere episoden zijn geschiedenis en in de bijlage geplaatst, om de moeilijk te volgen draad van het betoog niet kwijt te raken in omwegen.
  5. Het Über-Es: over de stof waarvan opeenvolgingen gemaakt worden. Het Über-Es of superego van Freud bestaat uit normen en waarden die van ouders en opvoeders worden overgenomen in opeenvolgende generaties. Bij bepaalde personen en mythische figuren wordt dit doorbroken, zoals in de Griekse oudheid en bij Jezus. Hier gaan we nauwelijks op in, omdat het een voorbereiding lijkt tot het volgende hoofdstuk.
  6. De grote vrijmaking. Dit gaat over 1. De nieuwe mens, homo novus, 2. Onwettige kinderen van geestelijken, die de overerving en continuïteit van de generaties doorbreken, 3. Mystiek als antigenealogische revolte en over mystici als kinderen van de afgrond, 4. ‘Luisterrijke bastaarden’, zoals Alexander de Grote, de kinderen vanPaus Alexander VI (Rodrigo Borgia) en Rienzi, der Letzte de Tribunen, een vroege opera van Wagner over een revolutionaire held. In deel 3 beperken we ons voornamelijk tot de mystici (no 3). Omdat het anders teveel wordt en ook vanwege de hernieuwde actualiteit van spiritualiteit.

Dit alles wordt afgesloten met een Blikin de toekomst, die deels wordt overgenomen.

 

Onbehagen en vervreemding

Het doorbreken van de overerving en continuïteit met het verleden gaat gepaard met een zeker “onbehagen in het opene” en “in-het-ongewisse-zijn” (p 9 ). Dat begint al in het Bijbelse paradijsverhaal waarbij de eerste mensen worden verdreven uit het paradijs. Dit is “een vervreemdingsdrama tussen de mens en God” (p 11), waarbij de creatuur zich afwendt van zijn oorsprong, om zichzelf op de eerste plaats te zetten, aldus Augustinus (p 14). Het vage onbehagen werd als het ware opgestuwd door de leer van de erfzonde. Volgens de Verlichtingsfilosoof Kant kon het mensengeslacht echter juist door de verdrijving uit het paradijs “terecht komen op de weg van de rede en de vooruitgang… Deze opent de weg van de zelfwerkzaamheid” (p 17). Maar dit opent ook “de geschiedenis van de zelfbevoordeling” en “de zin voor privébezit (‘Dit is van mij’)” (p 14, 16).

Dit alles gaat gepaard met vrijheidsdrang, vooruitgangsstreven en het ‘zaaien van onrust’ (p 21), ‘gebrek aan houvast’ en gebrek aan continuïteit met het erfgoed van voorgaande generaties. “Waar de moderne wereld werkelijk modern wordt, neemt ze de vorm aan van een [voordurend] experiment over de toelating van ambivalenties” (p 18). Dit geeft problemen, lasten en uitdagingen, maar ook kansen en mogelijkheden. Dit laatste komt bij Sloterdijk minder naar voren.

 

https://zoom.nl/foto/straatfotografie/generatiekloof.3089054.html. Foto van Henri 1952

 

Breuk met vorige generaties

Sloterdijk benadrukt herhaaldelijk de samenhang van het vooruitgangsstreven met de breuk met vorige generaties. Hij duidt dit aan met de moeilijke term ‘antigenealogisch’ in de ondertitel. Het is te vertalen als ‘anti-voorgeslacht’, het breken met eerdere generaties. In de moderne tijd zou men afstand nemen van het traditionele erfgoed. Dit is in het boek een terugkerend thema vanaf de opmerking vooraf ‘Over erfgoed, [erf]zonde en moderne tijd’. Er zouden volgens Sloterdijk meer beperkingen dan verworvenheden worden overgenomen bij de overerving.

“In de toenemende afkeer van de status quo die in brede kringen heerst, wordt de ervaring die constitutief is voor de nieuwe tijd, weerspiegeld. Deze leert dat het deelnemen aan erfopvolging [overerving en overname van het bestaande] slechts zelden de daadwerkelijke overname van waardigheid, voordelen, privileges en competenties met zich meebrengt. Terwijl het voor de meerderheid – vooral in de burgerlijke, en al helemaal in de ‘proletarische’ ‘lagen’ of ‘klassen’ – de onderwerping aan aloude beperkingen en discriminatie betekent. En dus is het een erfenis die grotendeels uit gewoontegetrouwe berovingen en vastgelegde deficits bestaat” (p 309).

Ze nemen eigenlijk ook de ‘verschrikkingen’ van vorige generaties over. Een soort overgeërfde zonde in de vorm van cultuuroverdracht. Dit draagt bij tot de vorming van verschrikkelijke kinderen, die breken met vorige generaties. Jongere generaties willen bij voorkeur onbelemmerd door de lasten en beperkingen van oudere generaties ‘hogerop komen’. Vandaar dat ze vaak geneigd zij om zich tegen de gevestigde generaties af te zetten in een “permanente crisis van de traditie” (p 59).  

De huidige generatie bekommert zich niet alleen minder om voorgaande generaties, maar ook minder om komende generaties, gelet op de milieuvervuiling, ‘ongeprijsde lasten’ en schuldenlasten voor toekomstige generaties. Het wordt treffend uitgedrukt door de uitspraak van Madame de Pompadour: “na ons de zondvloed, après nous le déluge”. Gezien de opwarming van de aarde en de stijging van de zeespiegel, zou dat weleens letterlijk kunnen voltrekken, als we geen drastische maatregelen treffen en de uit de hand lopende dynamiek van productie en consumptie niet vergaand matigen.

Inderdaad gaan veranderingen zo snel dat ze lijken op een breuk, vooral bij oorlogen en revoluties. Maar breken met het verleden lijkt niet echt het geval te zijn. Rechtse partijen die onze culturele integriteit en verworvenhden benadrukken, lijken juist meer populariteit te krijgen. De belangstelling voor ons erfgoed en ons verleden lijkt niet te zijn verflauwd. In het commentaar wordt hierop verder ingegaan.

Afkomst bepaalt nogsteeds in vergaande mate je kansen, aldus Barbara Baarsma, hoogleraar economie aan de UvA en bankdirecteur bij de RaboBank. in De Volkskrant (20 sept 2019). “Het is vooral het opleidingsniveau van de ouders – meer dan hun inkomen – dat de onderwijskansen van hun kinderen bepaalt.” (N. Wilterdink, Samenlevingen, 10.3.2, p 327). ‘Overerving’ heeft nog steeds een grotere invloed dan Sloterdijk aangeeft.

 

Wie zijn de kinderen van de nieuwe tijd en wat maakt ze verschrikkelijk?

Het antwoord van Sloterdijk op deze vraag is m.i. niet erg duidelijk. De verschrikkelijke kinderen van de nieuwe tijd hebben te maken met generatiekloof, de breuk of discontinuïteit tussen de generaties. Kinderen vinden bij zo’n breuk hun ouders vaak verschrikkelijk en ouders hun kinderen, maar vaak ook niet. En ze nemen zoals eerder gezegd de beperkingen en verschrikkingen van vorige generaties over. Maar ook de verworvenheden. Bij de ‘opstandige generatie’ van de naoorlogse geboortegolf, waar Sloterdijk toe behoort, speelt de kloof misschien meer dan bij andere generaties. De kinderen van de nieuwe tijd, vooral van de jaren ’60, zijn opstandig, eigengereid, ongehoorzaam, gaan hun eigen gang, breken vaak met de normen van het verleden en zetten zich af tegen vorige generaties, enz. Ze lijken vaak niet gelukkig en onzeker bij gebrek aan houvast. Vorige generaties hebben voor hen niet genoeg te bieden om hun weg te vinden in de moderne tijd.

“De vrijgemaakte individuen moeten hun standpunt bepalen tegenover het vervelende gegeven dat het verleden voor hen praktisch niets, in elk geval niet genoeg gedaan heeft. Het… maakte van hen iets halfhartigs en half afs, iets onvoltooids en weifelachtigs… Werkelijk modern is het leven dat, gebaseerd op niets wat er tot dusver is geweest, toch geheel en al overtuigd is van zichzelf; en dat vanuit  een experimentele omgang met zichzelf het besluit verwezenlijkt de verbleekte traditie te vervangen door intensieve hypotheses” (p 62).

Echter, “tussen de oude levensmaximes en de nieuwe mogelijkheden en kansen is een niet meer beheersbare wanverhouding ontstaan… waarbij het ‘eigen leven’… op en neer zwalkt tussen wereldverbetering en zelfverwerkeling.”

“The time is out of joint. O cursed spite. That ever I was born to set it right. ”

“De tijd sprong uit de band. Vervloekte tegenspoed. Dat ik het ben die hem genezen moet,” schreef Shakespeare in Hamlet.

In plaats van met genezing gaat dit echter vaak gepaard met “zelfblootstelling van de mensheid aan massacres en zelfvernedering in het circus van chronische ophitsing tot onmogelijke wensen,” die samengaan met het vooruitgangsstreven. (p 62-63). De onmogelijkheid van de vervulling van telkens nieuwe wensen en verder gevorderde vooruitgang was een onderwerp van een vorige artikel in nr 88.

 

Ontworteling bij allochtonen, geografische en intergeneratie-sociale mobiliteit, sociale verandering

Een breuk met vorige generaties is wellicht vaak sterker het geval met allochtonen, die hun land verlaten, hun cultuur meenemen of er (groten0deels mee breken en in de westerse cultuur terecht komen. Bij hun kinderen kan een zekere ontworteling en ontwrichting plaatsvinden, die kan leiden tot criminaliteit, gebrek aan identiteit of dubbele identiteit en loyaliteit, met alle gevolgen van dien. Bijv. behalve (jeugd)criminaliteit, een fanatiek vasthouden aan de eigen cultuur en afzetten tegen de westerse cultuur bij jihadisten, gebrek aan perspectief door lage opleiding. Terroristen behoren wellicht tot de verschrikkelijkste kinderen van de nieuwe tijd. Sloterdijk gaat op deze punten niet, terwijl het veel te maken heeft met zijn thema.

Hij heeft het ook niet direct over de grotere sociale mobiliteit in de moderne tijd. Naast geografische mobiliteit, is intergerationele mobiliteit tussen de generaties een bekend sociologisch thema. In de moderne tijd hebben kinderen vaak meer onderwijs en een baan die hoger op de maatschappelijke ladder staat dan hun ouders en hebben zij het in dat opzicht minder ‘verschrikkelijk’ en armoedig vergeleken met hun ouders. Zo zijn er meer aspecten van de steeds snellere sociale verandering, waar Sloterdijk niet of nauwelijks op ingaat op het gebied van de economie, de politiek, techniek en wetenschap. (Ook) met eugenetica en genetische manipulatie kunnen we bijv. verschrikkelijke kinderen voortbrengen. Toen hij dit onderwerp terloops aansneed in Regels voor het mensenpark, leidde dit tot commotie en misverstanden, alsof hij een voorstander zou zijn als hij dit aankaart.

 

Historische voorbeelden

Sloterdijk heeft een voorkeur voor historische zijpaden, uitweidingen en anekdotes. Hij gaat uitvoerig in op enkele historische verschrikkelijke kinderen, die kunnen worden gezien als wegbereiders van de nieuwe tijd of voorlopers daarvan. Namelijk de Franse revolutionairen onder aanvoering van Robespierre, Napoleon, Lenin, Stalin en Hitler, een verschrikkelijk stel. Als verre voorlopers noemt hij ook Alexander de Grote, Jezus van Nazareth, Fransciscus van Assisië, die zich liet onterven, en mystici als Meister Eckhart en Geert Grote, de grondlegger van de beweging van de Moderne Devotie,  alsmede de nietsontziende Paus Alexander VI (Rodrigo Borgia). Laatstgenoemde lieden gingen vooraf aan de Reformatie in de Nieuwe Tijd.

Zijn deze personen voorbeelden van kinderen van de nieuwe tijd? Zij hebben er wel sterk hun stempel op gedrukt. Het lijkt een nogal willekeurige selectie. De verbanden die Sloterdijk legt tussen deze uiteenlopende figuren, vormt een uitdaging  voor het intellect. De uitweidingen over hen kunnen worden gezien als persoonlijke, anekdotische illustraties van het thema van het boek. Hij vergelijkt hen met bastaards (onwettige kinderen) en onterfde zonen, die ieder op eigen wijze breken met de continuïteit van de tradities.

 

Wanneer begon de nieuwe tijd?

Deze historische figuren uit verschillende tijden doen de vraag rijzen wanneer de nieuwe tijd is begonnen. Bij geschiedenislessen hebben we geleerd dat deze met de Renaissance na de Middeleeuwen begon, die volgens historici eindigden met de val van Constantinopel en het Oost-Romeinse Rijk in 1453. Sloterdijk geeft geen discreet beginpunt, noemt aan het begin wel de achttiende eeuw. Is de Franse Revolutie een breekpunt? Hij noemt ook een aantal wegbereiders ven de nieuwe tijd personen die voor die tijd braken met het verleden. De breuk met het verleden begint eigenlijk al met de erfzonde, waarmee hij zijn boek begint. De Franse Revolutie komt herhaaldelijk aan de orde als een revolutionaire stroomversnelling van de nieuwe tijd, die dan daarna steeds sneller lijkt te gaan. Het boek gaat meer over de kinderen van de nieuwe tijd dan de nieuwe tijd zelf.  Het gaat Sloterdijk meer om de kenmerkende breuk of discontinuïteit ten opzichte van het verleden, die verschrikkelijke gevolgen kan hebben  bij de kinderen van de nieuwe tijd.

 

Verwijzingen naar filosofen, vooral Nietzsche, Augustinus en Hegel

Verder verwijst Sloterdijk geregeld naar uiteenlopende filosofen. Het meest worden genoemd: Nietzsche (28x), Augustinus (17x), Hegel (17x), Marx (8x), Heidegger (7x), Fichte (6x), Emerson (6x), Rousseau (5x). Verder Freud (7x) als psycholoog, Arnold Gehlen (7x) als socioloog en filosofisch antropoloog, Joseph Schumpeter (7x) als politieke wetenschapper en Keynes (7x). Zij zijn wellicht te beschouwen als wegbereiders of vertolkers van de mentaliteit van de nieuwe tijd. Naar de dichters Shakespeare (13x) en Goethe (8x) wordt ook herhaaldelijk verwezen en enkele malen naar de componist Richard Wagner (5x), vooral naar zijn vroege opera Rienzi, die een prototype is van een niets ontziende revolutionair (p 275). Dit geeft een idee van zijn referentiekader. Naar de apostel Paulus (10x) en het Evangelie van Mattheus (11x) en Johannes (8x) wordt ook frequent verwezen en naar Maarten Luther (6x).

Nietzsche spingt er duidelijk uit, op afstand gevolgd door Augustinus en Hegel. Augustinus en Nietzsche zijn evenals Sloterdijk geen systematische filosofen, wel uitnemende stilisten met een gepassioneerde retoriek, die Sloterdijk overtreft in zeggingskracht. Nietzsche ging de omgekeerde weg van Augustinus: van God weg. Van christen werd hij ‘heiden’, terwijl Augustinus een ‘heiden’ was die christen werd en zich naar God toe bewoog. Beide hebben hun wortels in de klassieke en de christelijk cultuur. De Augustinus-interpretatie van Sloterdijk lijkt discutabel en eenzijdig. Dit boiedt stof voor een volgend artikel.

Nietzsche’s aforisme 125 van de dood van God uit Fröhliche Wissenschaft zou een motto van het boek van Sloterdijk kunnen bieden. Dit verschrikkelijke gebeuren geeft aan waarom wij verschrikkelijke kinderen zijn: “Wij allen zijn z’n moordenaars! Maar hoe hebben wij dit gedaan?... Wat deden we toen we deze aarde van haar zon loskoppelden?... In welke richting bewegen wij ons? Weg van alle zonnen? Vallen we niet aan één stuk door? En wel achterwaarts, zijwaarts, voorwaarts, alle kanten op?” (p 54-55). Vooral de voorlaatste zin “impliceert een alomvattende diagnose van de zijnsmodus van de moderne wereld [… als] een voortdurend glijden en vallen. Volgens Sloterdijk kenmerkt de (de vooruitgang van) de nieuwe tijd zich door een val naar voren, die niet meer is tegen te houden en nauwelijks valt te sturen. We hebben ons evenwicht verloren en vallen naar voren.