De uit de hand lopende dynamiek van de moderne tijd. Deel 3: Spirituele perspectieven voorafgaand aan de nieuwe tijd en toekomstperspectief

Civis Mundi Digitaal #89

door Piet Ransijn

   

Franciscus en de Moderne Devotie van Thomas à Kempis en Geert Grote

 

De nieuwe mens

De dynamische vernieuwende tendensen van de moderne tijd, waarbij men zich niet meer door afkomst laat leiden, hebben hun wortels in een ver verleden. De nieuwe mens, homo novus, en de kinderen van de nieuwe tijd kenmerken zich meer door persoonlijke prestaties dan door afkomst en aanbevelingen van (voor)ouders. Dat begon al bij Cicero, die onder meer Augustinus inspireerde. Het  en werd voortgezet in de Renaissance bij bijv. Dante, Leonardo da Vinci en andere genieën uit die tijd. De self-made man in de VS is daarvan een heel ander modern voorbeeld (p 230-31).

De nadruk op persoonlijke prestaties bevordert niet de continuïteit met het verleden maar veeleer een breuk en kentering, door Nietzsche een herwaardering van (alle) waarden genoemd. “De ban van overgeleverde zeden… verliest zijn bepalende macht” (p 234). Het stellen van de mode boven de zede was volgens de filosoof en socioloog Gabriël Tarde een belangrijk kenmerk van moderne verhoudingen. De nabootsing van het gelijktijdige krijgt de overhand boven de overdracht van tradities en de erfenis van het verleden, waarvan de nieuwe mens zich als het ware vrijmaakt.

 

‘De grote vrijmaking’

In zijn laatste hoofdstuk met deze titel geeft Sloterdijk bovenstaande karakteristiek van de moderne mens. Vervolgens meent hij dat het grote aantal onwettige kinderen van de adel en vooral van de geestelijkheid aan het einde van de Middeleeuwen heeft bijgedragen tot de verzwakking van de genealogische verbondenheid met het voorgeslacht. De mysticus Jan van Ruusbroec en de humanist Erasmus waren bijv. invloedrijke onwettige kinderen. Mystiek ziet Sloterdijk als een ‘antigenealogische revolte’, omdat woordt voorbijgegaan aan de aardse herkomst. Mystici noemt hij ‘kinderen van de afgrond’.

Aan het einde van de Middeleeuwen was er van alles mis met de kerk en de zelfzuchtige clerus. Oprechte christenen streefden daarom naar De navolging van Christus. Dit was de titel van het toendertijd meest gelezen boek van Thomas à Kempis (1418). Het thema dateert al uit de begintijd van de christenheid. Franciscus trok in Assisië al zijn kleren uit ten overstaan van zijn ontstelde vader, de bisschop, die als rechter fungeerde, en de zich vergapende burgers. Zo brak hij met zijn familieafkomst om zich net als Jezus te wijden aan ‘Onze vader die in de hemel zijt’ (p 245). Het breken met onze afkomst vindt Sloterdijk kenmerkend voor de nieuwe tijd. Onze tijd heeft ook met God gebroken. Wij vallen als het ware voort door een eindeloos niets. Mystiek is te zien als een alternatief voor uiterlijke vooruitgang, als een weg naar binnen, waar de waarheid woont volgens Augustinus en andere mystici: “Keer in tot uzelf, want in het innerlijk woont de waarheid,” schreef Augustinus (H.J. Störig, Geschiedenis van de filosofie, p 218).

“Het opklimmen naar God impliceert een neerdalen naar het verliezen in jezelf… [in] de onpeilbare diepte van God, waarvan gezegd wordt dat die zich spiegelt in de geestesziel” (p 251). Daarom noemt Sloterdijk mystici ‘kinderen van de afgrond’. De stappen op weg naar éénwording of ‘ontwording’ “hebben niets te maken met de transmissie van een culturele of materiële erfenis voor een volgende generatie… De inspanning van de vrijgemaakte individuen voor de eigen terugkeer komt op de voorgrond.”

Mystici zijn gericht op ‘wereldoverstijgend geluk’ en een ‘object zonder grenzen’. Dit wordt Vader, God, het Ene, Substantie, Grond, Afgrond genoemd. Van erfelijk statusvoordeel is bij mystieke exercities niet langer sprake. De mysticus gaat zijn eigen weg naar God, alleen en/of in een klooster. Alleen al de beweging van de Moderne Devotie bijv. telde rond 1500 bijna honderd kloosters, naast  de reeds lang bestaande reguliere kloosterorden. Mystiek en spiritualiteit leken toen meer populair te worden. Of zou het bij velen een ‘mood’ of mode zijn geweest van korte of middellange duur?

 

De omkering van innerlijke naar uiterlijke gerichtheid in de nieuwe tijd

Echter, “tijdens de omwentelingen naar de nieuwe tijd veranderden de wereldontvluchtende tendensen dankzij een paradoxale ompoling in wereldonderwerpende krachten, waarbij in het midden bleef of de moderne beschaving zou leiden tot een nieuwe worteling in de wereld of tot een vlucht naar voren – verkleed als vooruitgang… Wat wij de moderne tijd noemen, is een grootschalig project ter verbetering van het leven hier op aarde” (p 255).

Kloosters hebben als cultuurcentra echter ook aan veel ‘wereldse verbeteringen’ bijgedragen. Zij zijn de wereld in veel opzichten niet ontvlucht, maar streefden veeleer naar een geestelijk evenwicht tussen middelpuntvliedende en middelpuntzoekende krachten. In de moderne tijd laat dit evenwicht te wensen over, net als toen wellicht bij de meeste mensen.

“De uit God ‘geboren’ innerlijke mens is nooit echt ‘in de wereld’… ‘Ik heb de wereld overwonnen’, schrijft Johannes 16:33, p 259). ‘In de wereld maar niet van de wereld’, schijft Paulus. Diep in zijn bewustzijn is hij er vrij van. Dit wordt ‘verlichting’ genoemd, geestelijke bevijding of verlossing. “God in mij, licht in mij… hoe moet ik dat in detail opvatten?... Heeft de homo interior [de innerlijke mens] duidelijkheid over zijn status gekregen, dan wordt hij op intieme wijze doorzichtig voor zichzelf.., al blijft God het eerste duistere… Maar of de zielevonken in het licht staan of in het eerste duister, zal ook bij de grootheden van de mystieke theologie nooit helemaal duidelijk worden. Of God zich in mij openbaart dan wel zich in mij verbergt – hoe moet ik dat ooit weten als de Hoogste zelf de vraag openlaat?” (p 259).

Sloterdijk gaat niet in op de mogelijkheid tot evenwichtsherstel door de ‘weg naar binnen’ als complement te beschouwen voor de ‘val naar voren’. Zijn hoofdthema lijkt vooral de breuk met vorige generaties, die ook bij mystici manifest wordt. Het gaat hem niet om het alternatief dat zij bieden voor de uiterlijk gerichte ‘val naar voren’ in eindeloze vooruitgang en vaak heilloze verandering. Sociologen als Sorokin en Max Weber geven wel aanzetten in de richting van evenwichtsherstel en ook meer duiding van de ‘ompoling’ van geestelijke gerichtheid naar wereldlijke gerichtheid aan het einde van de Middeleeuwen en het begin van de Renaissance. In een vorig artikel ‘Vervulling van het vooruitgangsstreven door verruiming van bewustzijn’ ben ik ingegaan op mystiek, meditatie en bewustwording als complement voor uiterlijke vooruitgang, zie nr 88. Ook Toon van Eijk gaat geregeld in op ‘bewustzijnsontwikkeling’. De noodzakelijk geachte matiging lijkt zonder innerlijke vervulling en de zelfbeheersing die daarmee kan samengaan, niet goed haalbaar.

In zijn vorige boek Je met je leven veranderen, over antropotechnieken, gaat hij wel in op bewustzijnsverandering, en andere vormen van oefening en training, zoals deze vanouds in religies bestondenen hem in staat stelden boven zichzelf uit te stijgen en het onwaarschijnlijke te bereiken. Hij ziet daar dus wel perspectief in en wellicht ook een alternatief voor de ‘verschrikkingen van de nieuwe tijd’.

 

Madame de Pompadour: ‘après nous le deluge, na ons de zondvloed (Le déluge, Gustave Doré)

 

Blik in de toekomst: ‘Als dat op den duur maar goed gaat’

Sloterdijk voorziet in zijn slotwoord een toenemende wanorde. “Bij voortschrijdende mobilisering  zullen de matigende instanties de controle over de vrijmaking steeds meer verliezen… De entropische consequenties zijn evident… Netwerkvorming, uitbreiding van de eisenzone, urbanisering en expansie van de paranoiazone blijven de dominante vectoren - waarbij monetarisering de functie van de bemiddelaar krijgt toegespeeld. De uitbreiding van de staatsdiensten… gaat gepaard met modernisering van de corruptie… Ze bereiden hun falen  voor, dat men hen voor de voeten zal gooien, als op een dag de balansen openbaar worden gemaakt” (p 342). Dan worden de legale en illegale bestedingen en schulden transparant. In de politiek lijkt hij weinig heil te zien. “Naar wat komen gaat durft nauwelijks iemand meer dan een paar decennia vooruit te kijken. Het beleven van de tijd blijkt voor de meeste mensen verbonden te zijn met consumptie,” de toenemende aandacht voor duurzaamheid ten spijt (p 343).

“De genealogische modernisering, waarvan het begin in de opkomst van de mystiek in het laatmiddeleeuwse ‘Avondland’ moet worden gesitueerd – een opkomst die op haar beurt weer afkomstig is van de antigenealogische impulsen van het Nieuwe Testament – heeft in het begin van de eenentwintigste eeuw een stadium bereikt dat een ongekende aggregatietoestand met zich meebrengt met betrekking tot de verhouding tussen het verleden, het heden en de toekomst… Als de toekomst… zich steeds meer zal ontwikkelen tot de dimensie waarin de mensen… hun schuld moeten afbetalen, dan zullen [zij] vroeg of laat de onaantrekkelijk geworden toekomst koppig de rug toekeren.”

“Niemand heeft er een idee van hoe gecontroleerde bewegingen bij grote beschavingseenheden eruit zouden moeten zien. Kunnen de… vernetwerkte complexen zich eigenlijk wel anders bewegen dan in een val naar voren?... Zijn ze niet allang overweldigd door een veelheid van onbestuurbaar sterke stromen?... Kortom, in onze tijd kan niemand weten wat de concrete inhoud is van sirenische woorden als ‘duurzaamheid’… Dit is de toestand waarop Heidegger zinspeelde toen hij zijn opmerking maakte dat alleen een god ons nog zou kunnen redden.”

“Twee uitspraken uit het recente verleden hebben niets aan actualiteit ingeboet. Als madame De Pompadour uitroept: ‘Après nous le déluge’ [na ons de zondvloed], of wanneer Laetititia Ramolina, de moeder van Napoleon, met het oog op de carrièrre van haar zoon opmerkte: ‘Pourvu que cela dure’ [Als dat op den duur maar goed gaat], dan voelt… iedere tijdgenoot dat het uitspraken van vandaag de dag zouden kunnen zijn. Laetitia… keek naar haar zoon op de wijze van moeders die haar hoofd schudden als hun kindeen zandkastelen bouwen op de speelplaatsen van de geschiedenis” (p 343-45).

 

Laetititia Ramolina, de moeder van Napoleon: ‘Als dat op den duur maar goed gaat’