Een pleidooi voor een kwantumbenadering in wetenschap, bestuur en beleid

Civis Mundi Digitaal #90

door Mathieu Wagemans

Inleiding

Een gebruikelijk beeld van de wetenschap is dat die ons in staat stelt steeds beter de werkelijkheid te doorgronden. Daar is doorgaans de gedachte aan gekoppeld dat als we de werkelijkheid kunnen doorgronden, we ook beter in staat zijn tot beïnvloeding ervan. En inderdaad, de geschiedenis toont het gelijk ervan aan. Met de Verlichting is een indrukwekkend proces van modernisering op gang gekomen. De afhankelijkheid van wereldlijke en kerkelijke instituties werd doorbroken. De mens bleek in staat de werkelijkheid naar zijn hand te zetten.

Basis voor die modernisering was een ander mensbeeld. De mens stelde zich op in een onafhankelijke positie ten opzichte van de werkelijkheid. Die werkelijkheid werd opgevat als een objectieve werkelijkheid die onafhankelijk van het subject kon worden benaderd en onderzocht. Dat onderscheid tussen subject en object stelde in staat tot objectieve en kennis, die men onbetwijfelbaar achtte. De waarheid, meende men, kon met zekerheid worden verkregen.

Daartoe stellen we eisen aan wetenschappelijk onderzoek. Onderzoek dient plaats te vinden in een onafhankelijke setting. Verder gelden criteria als logica en systematisch redeneren. Dat heeft gevolgen voor de opzet van wetenschappelijk onderzoek. De veronderstelling daarbij is dat de uitkomsten wetenschappelijk verantwoord zijn. wanneer onderzoek voldoet aan die eisen. En dat is weer belangrijk omdat er binnen beleid en rechtspraak op wordt vertrouwd. 

Nu lijken die eisen logisch maar ze zijn binnen de wetenschap zelf voortdurend onderwerp van  kritiek geweest. De stelling dat ons wetenschapssysteem ware en objectief geldige kennis voortbrengt bleek een veronderstelling te zijn die grond gaf voor discussie.  Zo stelde Feyerabend (2008) vraagtekens bij de methoden waar de wetenschap gebruik van maakt. De regels die gelden voor wetenschappelijk onderzoek kunnen juist beperkend werken in onze zoektocht naar nieuwe kennis. Popper (1963) uitte twijfel over de vraag of we wel tot ware kennis kunnen komen. Hij meende dat we ons voortdurend moesten inspannen om verkregen kennis te falsifiëren. En zelfs als dat niet lukte, was dat nog geen garantie dat die kennis juist was. Kuhn (1970) stelde dat vooruitgang in de wetenschap zich veel minder logisch ontwikkelt als verondersteld. Nu en dan is er sprake van blokkades in de voortgang die aanleiding en ruimte geven om geldende uitgangspunten en vanzelfsprekendheden ter discussie te stellen en de overstap te maken naar nieuwe paradigma’s.

 

Constructivisme

In de loop van de twintigste eeuw won het constructivisme aan kracht. Het perspectief van het constructivisme heeft grote invloed op de wijze waarop we wetenschap bedrijven en op de betekenis van de uitkomsten ervan. Kern van het constructivisme is dat wat we voor werkelijkheid houden in wezen een afbeelding van de werkelijkheid is. We geven betekenis aan de werkelijkheid en construeren zo een voorstelling van de werkelijkheid. Een dergelijk perspectief heeft grote invloed op wetenschapsbeoefening. Het stelt de objectiviteit ter discussie. Ook in de wetenschap is ons denken en handelen gebaseerd op constructies van de werkelijkheid. We kunnen dus op basis van wetenschappelijke inspanningen geen absolute waarheid claimen. De waarheid is perspectief gebonden.

Verder kunnen we ook niet meer uitgaan van het strakke onderscheid tussen subject en object. Betekenissen zitten niet in de werkelijkheid maar in onszelf. Subject en object zijn zo onlosmakelijk met elkaar verbonden. Gevolg is dat wanneer een geformuleerde hypothese op basis van onderzoek wordt bevestigd, dit niet de zekerheid geeft dat de relaties in de werkelijkheid ook verlopen conform de redenering die aan de hypothese ten grondslag ligt. De werkelijkheid kan anders in elkaar zitten dan verondersteld.

Een ander punt is dat onderzoek doorgaans start met een herformulering van de probleemstelling. Een maatschappelijk probleem laat zich als zodanig niet goed onderzoeken met behulp van in de wetenschap geaccepteerde methoden. Dat betekent dat we het probleem zodanig verwoorden dat het op een wetenschappelijk verantwoorde wijze kan worden onderzocht. Het maatschappelijk probleem wordt in een methodisch korset geperst. Wat niet past wordt buitengesloten. We vormen ons een zodanig beeld van de probleemstelling dat we er binnen het onderzoek mee aan de slag kunnen gaan. Gevolg is dat de resultaten van het onderzoek slechts geldigheid hebben binnen het beeld dat aan het onderzoek ten grondslag ligt.  

Het perspectief van het constructivisme roept ook een fundamentele vraag op. Als we de werkelijkheid slechts kunnen benaderen door er betekenis aan te geven en er ons een voorstelling van de vormen, is de vraag aan de orde of er ook een werkelijkheid bestaat buiten ons voorstellingsvermogen. Bestaat datgene dat we ons niet kunnen voorstellen? Is er een werkelijkheid die onafhankelijk is van ons voorstellingsvermogen? Deze vraag staat centraal rond het al of niet bestaan van een objectieve werkelijkheid. Daar wordt tegenstellend over gedacht. Zo kunnen we redeneren dat we kijkend vanuit een nieuw perspectief oog krijgen voor andere aspecten van de werkelijkheid. En waarom zouden we bij voorbaat uitsluiten dat we niet in staat zullen zijn nieuwe perspectieven te ontdekken? Is het niet zo dat we gebonden zijn aan concepten en dat nieuwe concepten onze kijk op de werkelijkheid kunnen verbreden?

Dergelijke vragen werden actueel aan het begin van de vorige eeuw met de komst van de kwantumtheorie. Die introduceerde volkomen nieuwe begrippen waarmee het lineaire denken werd verstoord. De werkelijkheid bleek ingewikkelder te zijn dan verondersteld. We kregen oog voor een heel andere dynamiek. Men ontdekte onmeetbare verschijnselen, althans verschijnselen die niet konden worden geduid door middel van gangbare begrippen en instrumenten. Het zaaide twijfel binnen de tot dan toe gevestigde wetenschap. Dergelijke omslagen in ons denken kunnen tot gevolg hebben dat wat we als toeval beschouwen kan berusten op beredeneerbare processen en krachten. De kwantumtheorie introduceerde nieuwe concepten en begrippen waardoor we oog kregen voor andere energievelden. Ontstonden die energievelden pas op het moment dat die concepten werden geconstrueerd? Veranderde de werkelijkheid op het moment dat de snaartheorie werd ontworpen? Of kregen we via de concepten van bijvoorbeeld de snaartheorie zicht op een werkelijkheid die er altijd al was geweest en stelde het perspectief van de snaartheorie ons in staat die te ontdekken?

 

Relatie subject - object

Door de kwantumtheorie werden de veronderstelde zekerheden van de Verlichting ter discussie gesteld. De kwantumtheorie leidde tot totaal nieuwe concepten die niet logisch konden worden ingepast binnen het gebruikelijke wetenschapsbeeld. Er was sprake van krachten van een andere orde die we niet konden reduceren tot gangbare onderzoekbenaderingen. De kennis die was verkregen via de tot dan toe op lineaire relaties gebaseerd natuurkunde werd aan het wankelen gebracht.

Opvallend was dat ook reeds binnen de kwantumtheorie, evenals later binnen het constructivisme,  het onderscheid tussen subject en object onderwerp werd van kritiek. De waarneming zelf werd geproblematiseerd. We kunnen objecten niet loskoppelen van de waarneming. Het object verandert onder invloed van de waarneming. Zuivere objectiviteit is bijgevolg niet realiseerbaar. Objecten raken in zekere zin verwrongen door onze waarneming c.q. door de instrumenten waarvan we ons bedienen. We kunnen ook niet vertrouwen op de zuiver lineaire relaties uit de traditionele mechanica. Met behulp van de tot dan toe gebruikelijke concepten kon men nu eenmaal niet de krachten en processen waarnemen die niet overeenstemden met de lineaire mechanica van bijvoorbeeld Newton.

Het beginsel van de complementariteit drukte uit dat je het gedrag van een deeltje niet kunt loskoppelen van de waarneming en van de waarnemer. Ook het onzekerheidsprincipe van Heisenberg hield in dat je de werkelijkheid niet los kunt zien van de waarneming en dat het zo kan zijn dat twee deeltjes of objecten verschillende eigenschappen kunnen hebben waardoor ze niet vanuit een bepaalde waarneming volledig kunnen worden waargenomen. Ze kunnen niet onder een noemer worden gebracht en dus niet door een waarneming worden omvat. Bohr ontdekte dat er sprake kan zijn van onderlinge beïnvloeding van twee deeltjes, zelfs als die zich op grote afstand van elkaar bevinden.

Ervaringen met de kwantumfysica brachten Nicolescu (2010) tot de overtuiging  dat er sprake is van een nieuwe dimensie die we met een geheel ander betekeniskader moeten benaderen. Ook hij kritiseerde het strakke onderscheid tussen subject en object. Naar zijn opvatting zijn beide onderling onlosmakelijk verbonden en kunnen we enkel de veronderstelling van een objectieve werkelijkheid en van objectieve kennis overeind houden door het subject buiten te sluiten. We moeten als het ware het subject doden omdat objectieve kennis anders niet bereikbaar is. De dood van het subject was de prijs die we moesten betalen om tot objectieve kennis te komen.

 

Meervoudige werkelijkheid

Het komt erop neer dat we de werkelijkheid persen in ons betekeniskader. Dat gebeurt in het leven van alledag maar in wezen gebeurt in de wetenschapsbeoefening hetzelfde. Er is althans sprake van vergelijkbare processen. We kunnen de werkelijkheid op heel veel manieren betekenis geven. Anders gezegd, er bestaan tegelijkertijd heel veel werkelijkheden (en werkelijkheidsopvattingen) naast elkaar. Door van perspectief te veranderen vertoont de werkelijkheid zich anders aan ons. Met die meervoudige werkelijkheid kunnen we niet goed omgaan. Onze systemen en onze organisatiemodellen dwingen tot eenduidigheid. Eenduidigheid stelt ons in staat te besturen en te ordenen.

Zoals we in de wetenschap streven naar kennis van de werkelijkheid door de werkelijkheid eerst aan te passen aan onze methoden, zo moet de werkelijkheid in bestuur en beleid eerst worden aangepast aan onze beleids- en besturingsmodellen. Dat is gebaseerd op ons onvermogen om met pluriformiteit om te gaan. Onze modellen zijn binair: iets is waar of niet, je krijgt een vergunning of niet, een organisatie is bevoegd of niet. Dat schept maximale duidelijkheid maar die kan slechts worden bereikt door de werkelijkheid geweld aan te doen.      

De uitdaging die daaruit voortvloeit is tot inzicht te komen in een meervoudige werkelijkheid. Dat stelt ons echter, behalve meervoudigheid, voor nog een probleem. Namelijk dat de werkelijkheid in beweging is. Statische onderzoekmethoden zijn niet geschikt dynamiek te onderzoeken. Dan onderzoeken we objecten of situaties. Datzelfde geldt voor beleid. Dynamiek heeft daarin het karakter van vervanging van de ene statische situatie door een andere statische situatie. Op die manier doen we dynamiek geweld aan. Bovendien is verandering zelfs in de huidige context lang niet eenvoudig. We stellen ferme eisen aan beleidsvorming en aan verandering van beleid. We hebben het statische stevig juridisch verankerd. We willen graag vernieuwing maar zitten tegelijkertijd onszelf in de weg.

 

Een veranderend wereldbeeld

We kunnen vanuit het perspectief van het constructivisme een werkelijkheid schetsen die bestaat uit miljarden mensen die allemaal betekenis geven aan de werkelijkheid, aan hun relatie met de werkelijkheid en aan zichzelf. Bovendien kunnen die betekenissen voortdurend veranderen. We moeten dus eigenlijk ernaar streven inzicht te krijgen in processen van betekenisverlening. Hoe verlopen die processen? Welke krachten zijn erop van invloed? Nu is er niet enkel sprake van individueel verschillende beelden van de werkelijkheid maar ook organisaties geven betekenis. Dat maakt het op het eerste gezicht lastig om tot inzicht te komen.

Bovendien kunnen we onze beeld van de werkelijkheid veranderen, al of niet in interactie met anderen. Maar naast dit chaotisch aandoend beeld is er ook sprake van enige ordening op het vlak van beelden van de werkelijkheid. We kunnen betekeniskaders onderscheiden, discoursen, hier opgevat als een aantal gevestigde uitgangspunten en veronderstellingen die niet ter discussie worden gesteld. Groepen mensen ontwikkelen gezamenlijkheid op het vlak van betekenisverlening. Dat kunnen formele regels zijn maar er kan ook sprake zijn van informele afspraken. Dat is ook wel zo handig omdat gedeelde beelden van de werkelijkheid de communicatie aanzienlijk vergemakkelijken. Ze geven houvast en voorkomen dat we telkens moeten uitleggen hoe we tot bepaalde opvattingen zijn gekomen en welke beelden daaraan ten grondslag lagen.

 

Binnen die betekeniskaders kan verder sprake zijn van dynamiek. Ook kunnen onderling geheel verschillende betekeniskaders langs elkaar bestaan. We kunnen individueel van opvatting veranderen maar dat geldt ook voor betekeniskaders. Dat roept het beeld op van een wereld in chaos. De veelheid aan definities kan ons het zicht op de werkelijkheid ontnemen. Een dergelijk wereldbeeld heeft enige gelijkenis met het beeld dat Deleuze schept. Deleuze vergelijkt de maatschappij met een gas dat zich niet laat opsluiten in onze instituties. Steeds weer treden er lekkages op. We dichten de gaten maar dat helpt niet echt. Het beeld van de werkelijkheid dat Deleuze oproept bestaat uit een onoverzienbaar aantal elementen die relaties met elkaar aangaan. Dat leidt tot assemblages, tot verbindingen. Maar die bestaan vaak slechts tijdelijk. Er worden voortdurend assemblages gevormd maar er gaan ook voortdurend assemblages verloren.

De processen van vorming en ontbinding van assemblages nemen in de filosofie van Deleuze een centrale plaats in. Niet de elementen op zichzelf staan centraal maar de relaties tussen elementen. Anders gezegd, de elementen ontlenen hun betekenis aan de relatie die ze wel of niet aangaan met andere elementen. Er is sprake van een geplooide werkelijkheid die zich op uiteenlopende wijze kan vertonen. Zonder oog voor deze meervoudigheid, zo stelt Deleuze (1992), kunnen we niet  tot de werkelijkheid doordringen. We moeten de aandacht verleggen van elementen, van objecten, naar processen van assemblagevorming en assemblagedestructie. Dergelijke processen vergelijkt Deleuze (1988) met een rizoom, een ondergronds wortelstelsel waarin voortdurend onvoorspelbaar naar tijd en plaats vertakkingen ontstaan. Er is sprake van een onontwarbaar kluwen.

Nicolescu (2010) onderscheidt “levels of reality”. Dat zijn systemen waarbinnen onderling verschillende en onderling tegenstrijdige regels gelden. Je zou kunnen zeggen dat er sprake is van onderscheiden betekenisregimes waardoor uitwisseling van informatie niet mogelijk is. Er is sprake van discontinuïteiten.

Ter adstructie: landbouw kan worden opgevat als een economische activiteit met als gevolg dat voedselproductie wordt gedomineerd door economische concepten. Landbouw kan ook worden opgevat als een politieke zaak waardoor spanning tussen landbouw en beheer van het platteland centraal komt te staan. Dan zijn politieke mechanismen aan de orde en wordt er gezocht naar haalbare compromissen. Een derde niveau kan zijn dat landbouw wordt opgevat als ontmoeting en interactie  met de natuur. Dan is er ruimte voor spiritueel gebaseerde beschouwingen.

        

Onderzoekspraktijken

Doordringen tot een dergelijke veelkleurige en steeds veranderende werkelijkheid is nog niet zo eenvoudig. Binnen gebruikelijke onderzoekpraktijken zijn we geneigd de te onderzoeken werkelijkheid eerst vast te zetten, te definiëren, waarna we het onderzoek starten. Met als uitkomst dat we statische kennis verzamelen over statische beelden ven de werkelijkheid. De differentiefilosofie zet daarentegen aan tot een methodologie die in staat stelt het onvoorspelbaar bewegende te onderzoeken. Maar wat moeten we ons bij een dergelijk onderzoek voorstellen? Van een min of meer uitgewerkte postmoderne methodologie is nog geen sprake, hooguit van reflecties. We missen de noties en concepten ons de leegte voor te stellen, de ruimte tussen elementen. De dominante benadering is nog steeds ons op de objecten te concentreren in plaats van op de ruimte ertussen. We zijn niet in staat de leegte te denken. Het roept het beeld op van de kosmos die ons eveneens confronteert met verschijnselen die we niet met gebruikelijke benaderingen kunnen bevatten. We moeten vaststaande begrippen als tijd en ruimte opnieuw doordenken en zekerheden als veronderstellingen ontmaskeren. Daarbij gaat het niet enkel om het leren kennen en begrijpen van een veelkleurige en dynamische werkelijkheid maar vooral ook om de consequenties ervan. Wat moeten we ons voorstellen bij het besturen van een dergelijke werkelijkheid of bij beleidsvorming?    

 

Kosmologie

De stap naar kosmologie is minder vreemd dan wellicht op het eerste gezicht lijkt. Was het toeval dat het kwantumtheoretici waren die de relatie tussen subject en object aan de orde stelden en problematiseerden? Dat nodigt uit ons een kosmologisch beeld te vormen van een werkelijkheid vanuit het perspectief van het constructivisme. Een werkelijkheid dus waarin sprake is van elementen als drager van betekenissen, waarin betekenissen voortdurend kunnen veranderen, waarin we orde proberen aan te brengen door structuren te construeren die echter hun betekenis ook weer kunnen verliezen en waarin we processen van betekenisgeving moeten  doorgronden om de werkelijkheid te leren kennen zoals die zich aan ons vertoont.  

Dat is geen eenvoudige opgave. Stephen Toulmin (1982) drukt die opgave als volgt uit:

“ In what respects and on what conditions, can anything be said about the natural world in its entirety which is not dependent on our ability to subdivide natural phenomena into separate aspects, along disciplinary lines, and discover truths about those aspects one at a time? “ 

En hoe zou een kosmologisch beeld van een constructivistische werkelijkheid eruit kunnen zien? Kenmerkend is dan de afwezigheid van structuur. Een onmetelijke ruimte die voor ons slechts benaderbaar is binnen de grenzen van ons voorstellingsvermogen. En daarbinnen een op het eerste gezicht lastig te ontwarren geheel van situatiedefinities die ook nog eens steeds veranderen.

Maar binnen dat chaotisch beeld zijn er in de loop der tijd processen naar gezamenlijkheid ontstaan, eerst binnen kleine groepen. Denk aan de cultuur van stammen in de prehistorie. Er ontstaan klonteringen in de chaos. Er worden afspraken gemaakt over gedeelde definities en in het verlengde ervan over gedrag. Of over beelden die men zich vormt over externe invloeden. Goden die het laten bliksemen en stormen.

De onderlinge afspraken zijn gaandeweg steviger en veelomvattender worden. Zie onze moderne samenleving, vol met regels, procedures en instituties, die niet meer het karakter heeft van een gas maar een zeer gestructureerd beeld oproept. Die regels, procedures en instituties zijn de uitdrukking van onderliggende betekenisconstructies, ook al zullen we ons dat niet altijd realiseren. Ze zijn vanzelfsprekend. Klonteringen zijn gaandeweg overgegaan in vaste stof met stabiele structuren.

Nu leert de geschiedenis ook dat wat vast en stevig lijkt, aan verandering onderhevig kan zijn. Machtige culturen kunnen verloren gaan. Er kan sprake zijn van processen van ontbinding. Gezamenlijkheid kan niet meer worden erkend en beleefd. Dan resteren slechts relicten van een cultuur, overblijfselen van wat er ooit was. Wat ooit betekenisvol en leidend was binnen een cultuur was heeft nog slechts historisch-culturele waarde.

Ook de beweging richting een netwerksamenleving kan worden geduid als een overgang van vaste structuren naar meer dynamiek. Stevigheid wordt vervangen door vluchtigheid. Omgekeerd zou je de toenemende aandacht voor duurzaamheid kunnen opvatten als een nevel die midden van de vorige eeuw werd gevormd en waarin de afgelopen decennia klonteringen ontstonden. Er vormden zich instituties. Op verandering gerichte energie verbond zich. Gaandeweg ontstonden krachten die binnen de gevestigde wereld niet meer konden worden ontkend. De nevel verhardde zich.

 

Lege ruimte

Veruit het grootste deel van het heelal wordt niet bezet door planeten maar door de ruimte tussen planeten. De ruimte die buiten onze betekeniskaders valt, het betekenisloze. Strikt genomen is die ruimte niet leeg. In termen van betekenisgeving hebben we die in zekere zin zelf geconstrueerd. Immers, iedere definitie van de werkelijkheid, iedere afspraak heeft uitsluitende werking. De werking van een definitie is dat die een onderscheid maakt en een scheiding aanbrengt tussen wat de definitie omvat en wat er niet onder valt. Zo beschouwd creëren we een betekenisloze ruimte door de constructie van onze ordeningen. Het ongeordende ontstaat door de ordening. Beide zijn onlosmakelijk aan elkaar gekoppeld. Er is dus een relatie tussen beide, juist doordat ze tegengesteld zijn aan elkaar. Dat is een merkwaardige paradox.

Door de werkelijkheid te begrijpen en er vat op te krijgen creëren we tegelijkertijd een werkelijkheid die buiten onze waarneming valt en die zich aan ons oog onttrekt. Maar die werkelijkheid is daarmee niet weggevaagd. Het betekenisloze kan eveneens worden opgevat als een constructie, zij het dat die buiten onze waarneming, buiten onze betekenisgeving valt. Naarmate we onze ordeningen verder invullen en detailleren en naarmate we onze definities aanscherpen vergroten we de voor ons betekenisloze ruimte. De ruimte dijt uit.

Zo beschouwd zijn beleid en rechtspraak krachtige bronnen van betekenisloosheid. Ze zijn de oorzaak van wat je zwarte gaten zou kunnen noemen. Gevolg van onze wens tot ordening is dat we energie verliezen. Daar zijn we ons vaak niet van bewust en we kunnen die ook moeilijk onderzoek met behulp van onze begrippen en concepten die binnen onze ordeningen gelden. Per definitie niet. Toch is dat nodig.

Het buitengeslotene, het betekenisloze, kan ons stevig hinderen. Het betekenisloze is drager van energie. Het loont dus de moeite de betekenisloze ruimte te onderzoeken. Er zijn krachten werkzaam die we niet kunnen ontkennen. Vergelijk het beeld van Michel Serres die een onderscheid maakt tussen de eilanden van onze systemen en de ruimte tussen de eilanden, de oceaan. Hij pleit ervoor expedities te ondernemen om het leven op de oceaan te verkennen. Daar treffen we aan waarvoor we op onze eilanden geen oog of begrip hebben. Maar die oceaan roert zich.

Het betekenisloze blijkt te bestaan. Sterker nog, die wordt steeds krachtiger en kan onze eilanden bedreigen. Onze ordeningen vertonen scheuren. En in plaats van ons perspectief te verbreden en ruimte te geven voor het betekenisloze, is onze neiging bij problemen onze definities juist aan te scherpen en de uitsluitende werking daardoor juist te vergroten. We maken onze eilanden kleiner en vergroten de oceaan.

 

De spanning tussen betekeniskaders

Die krachten binnen de voor ons betekenisloze ruimte raken ook de verbanden tussen culturen, c.q. eilanden, c.q. planeten. Planeten kunnen worden opgevat als gestolde betekeniskaders, bij elkaar gehouden door definities die we als waarheid beschouwen. Maar het blijken bij nadere beschouwing veronderstelde waarheden. Waarheden blijken te berusten op gedeelde veronderstellingen. Waarheid is onderling afgesproken waarheid. Ontmoetingen tussen planeten betekenen een confrontatie, een botsing, tussen onderling strijdige betekeniskaders. Die zijn dagelijks in onze maatschappij waarneembaar.  De spanning tussen landbouw en natuur bijvoorbeeld. Of tussen werkgevers en werknemers. Of tussen overheid en markt.

Dan is de vraag aan de orde waarin die botsing resulteert. Grofweg zijn er vijf mogelijkheden. Een betekeniskader kan dominant zijn ten opzichte van de omgeving.

  1. De geldende definities kunnen dwingen aan de omgeving worden opgelegd.
  2. Ook is denkbaar dat er overeenstemming wordt bereikt over hoe we met verschillen omgaan. We maken afspraken, we sluiten compromissen. We vinden een manier van leven waarin we met elkaar kunnen voortgaan.
  3. Een derde mogelijkheid is dat men elkaar de ruimte laat. We respecteren het anders zijn en bieden daartoe aan groepen de ruimte het eigene in stand te houden en te bewaken. Gated communities met een eigen betekeniskader.
  4. De vierde mogelijkheid is dat we niet tot elkaar komen. We houden de verschillen in stand omdat we niet in staat zijn ze te overbruggen . Dat onvermogen slurpt veel energie op. We raken telkens weer verstrikt in procedures die weliswaar een conflict beslechten maar de onderliggende problemen worden niet opgelost. We blijven voorgeprogrammeerd op het veroorzaken van nieuwe conflicten. Instandhouding van de maatschappij brengt hoge transactiekosten met zich mee. Verkiezingen leiden tot maanden- en soms jarenlange pogingen tot afspraken te komen waarna de nieuwe verkiezingsdata weer naderen.
  5. De vijfde mogelijkheid is in de praktijk veel minder vaak waar te nemen. Dan wordt getracht betekeniskaders op hun oorsprong te onderzoeken. Wat waren de veronderstellingen? En vooral ook hoe zijn we tot geconstrueerde zekerheden gekomen? Welke krachten waren daarop van invloed? En in het verlengde daarvan: hoe kunnen we processen in gang zetten met als doel een nieuw betekeniskader te construeren? Wat moeten we ons voorstellen bij een economisch systeem dat kwetsbaarheid als maatstaf heeft? Bij vormen van verantwoordelijk burgerschap? Bij organisatievormen waarin inspiratie niet wordt overvleugeld door bureaucratie?

Voor een dergelijke benadering kunnen we niet vertrouwen op bestaande instituties. Die kunnen worden opgevat als belichaming van problemen die we juist willen oplossen. We zijn georganiseerd rond problemen die we georganiseerd in stand houden. Er is een vrije voorstellingsruimte nodig waarin het onvoorstelbare kan worden gedacht.

Het leidt tot de vraag of we in onze ordeningsmodellen niet een kwantumsprong moeten maken. En dus buiten onszelf moeten treden. Op zoek gaan naar nieuwe dimensies die onze kwaliteit van leven kunnen vergroten. Dat vraagt om de constructie van een nieuw betekeniskader. Bestaande concepten en instituties kunnen ons daarbij niet helpen want die nodigen uit c.q. dwingen tot reproductie van het bestaande. 

Het perspectief van het constructivisme kan zo de aanzet leveren voor een sprong over onze eigen schaduw heen. Er zijn de laatste decennia analyses gemaakt maar ook ideeën geuit over waar we dan aan moeten denken, wat daarvoor kritische condities zijn en hoe we dergelijke processen zouden kunnen opzetten. Inhoudelijk bijvoorbeeld de filosofie van Deleuze (2012) waarin hij pluriformiteit en dynamiek veel aandacht geeft. We moeten de krachten die ons steeds weer hebben gedwongen tot uniformiteit weerstaan. We hebben weinig respect getoond voor verschillen maar die weg geordend. Juist die verschillen vragen aandacht want de betekenis, de identiteit, van objecten is juist gelegen in de relatie met andere objecten.

Ook zijn er pleidooien om verbindingen te leggen tussen nu op zichzelf staande domeinen zoals tussen economie en kunst (Serres). Of om in de wetenschap de ruimte tussen disciplines te verkennen, het gebied “entre”. (Latour, Serres, 1995) De overstap maken naar transdisciplinaire benaderingen. Kan mystiek en transcendentie ons nog helpen? Hoe kunnen we ons het onvoorstelbare voorstellen? Moeten we niet meer gaan associëren en de neiging tot redeneren onderdrukken?  

Daarvoor is allereerst een ontmaskering nodig van bestaande modellen in wetenschap, beleid en bestuur. Die zijn het resultaat van onze zucht naar ordening en overzichtelijkheid maar hebben, veelal onbewust, in een gemankeerd beeld van de werkelijkheid. Onze op rationaliteit gebaseerde betekeniskaders hebben ons het zicht doen verliezen op de werkelijkheid en tegelijkertijd zijn die kaders heersend geworden in plaats van dienend. In plaats daarvan moeten we weer oog en zicht krijgen op wat we hebben buitengesloten: de werkelijkheid die niet waarneembaar en kenbaar is wanneer we ons laten leiden door thans geldende redeneerregels. De werkelijkheid die door dominantie van het economische steeds weer buiten beeld dreigt te raken. Of nog een stap verder: datgene wat thans kwetsbaar is onder economische druk als maatstaf nemen voor een nieuwe economie. Het kwetsbare als bron van inspiratie. Kort en goed: een ander bewustzijnsniveau.

 

Literatuur

Deleuze Gilles,  Denken in plooien geschikt, KOK Agora, 1992

Deleuze, Gilles, Verschil en herhaling, Boom, 2012  

Deleuze, Gilles en Guattari, Felix, Rizoom, Uitgever: Rizoom, 1988

Feyerabend, Paul, Tegen de Methode, Lemniscaat, 2008

Heisenberg, Werner, Northrop, F.S.C., Physics and Philosophy, The Revolution in Modern Science, Penguin Books Ltd, 2000

Kuhn, Thomas, The Structure of Scientific Revolutions, University of Chicago press, 1970

Latour, Bruno, Serres, Michel, Conversations on Science, Culture and Time, University of Michigan Press, 1995

Nicolescu, Basarab, Methodology of Transdisciplinarity – Levels of Reality, Logic of the Included Middle and Complexity,  in: Transdisciplinary Journal of Engineering & Science  Vol: 1, No:1, (December, 2010), pp.19-38      

Nicolescu, Basarab, From Modernity to Cosmodernity. Science, Culture, and Spirituality, State University of New York Press, 2014

Popper, Karl, Conjectures and Refutations, Routledge, 1963

Toulmin, Stephen, The Return to Cosmology, Postmodern Science and the Theology of Nature, University of California Press, Berkely, 1982

Wagemans, Mathieu, Een Oceaan van Betekenisloosheid, een kritische analyse van beleid, politiek en wetenschap met een verwijzing naar de filosofie van Michel Serres, Digitalis, Utrecht, 2016