Het zelfgekozen einde in ethisch perspectief. Deel 3. Peter Singer over euthanasie

Civis Mundi Digitaal #90

door Piet Ransijn

 

Peter Singer is een Australische ethicus die onder meer bekend is van zijn boeken over euthanasie en andere ethische kwesties. Zie mijn artikelen over hem in nr. 81 en 83. Daar ben ik niet ingegaan op euthanasie. In ‘Wat is er verkeerd aan euthanasie?’ (Een ethisch leven, p 169 e.v.) schrijft Singer dat er in iedere ons bekende samenleving een taboe is op moord en doodslag. Gemeenschappen kunnen naar alle waarschijnlijkheid niet overleven als mensen elkaar ongestraft doden. Ook dieren worden als regel ‘mondjesmaat’ gedood om mensen te voeden, niet meer dan nodig is.

Jared Diamond beschreef in deel 1 dat in ‘primitieve samenlevingen’ soms ouderen worden gedood, als zij een te grote belasting vormen voor het overleven van de groep. Dat geldt ook voor mismaakte en zwakke kinderen, zoals ook bij de Grieken en Romeinen en andere volkeren. Mensen hebben echter een bijzondere waarde. Dat hangt samen met het gegeven dat een mens een rationeel en zelfbewust persoon is. Met de woorden van John Locke: “een denkend intelligent wezen dat over rede en reflectie beschikt en zichzelf kan beschouwen als zichzelf, een denkend wezen op verschillende tijden en plaatsen” (p 171-72). Bij dieren is dat niet of veel minder het geval. Maar ook niet bij alle mensen.

 

Enkele huidige trends: zelfbeschikking en kwaliteit van leven wordt meer beslissend

In de huidige tijd neigen steeds meer mensen ernaar de bewuste kwaliteit van leven zwaarder te laten tellen dan het fysieke leven, het ‘in leven zijn’. Singer gaat in op deze trend (‘Oordelen op grond van kwaliteit van leven’, Tussen dood en leven, hfst 6). Medici, patiënten, famillieleden en rechters ontkomen er niet aan de kwaliteit van leven doorslaggevend te laten zijn bij de levensverlenging, die tegenwoordig mogelijk is door beademing en andere apparatuur. Aan de hand van diverse cases schildert Singer een onvermijdelijk lijkende trendverschuiving.

Een andere trend, die blijkt uit herhaalde peilingen, is dat steeds meer mensen neigen naar zelfbeschikking. De tijd en wijze van sterven wiilen ze meer en meer zelf bepalen, terwijl er vroeger duidelijke voorschriften, normen en waarden waren van kerkelijke, levensbeschouwelijke en medische instanties.’Sterven op verzoek’ (hfst 7) is een trend. Voor steeds meer mensen impliceert het recht om te leven het recht op zelfbeschikking en het recht op waardig sterven, waneer men de tijd daarvoor rijp vindt. Ook de wijze waarop wil men in toenemende mate zelf bepalen met de naaste nabestaanden en de artsen. De toenemende voorkeur voor zelfbeschikking zal volgens Singer gepaard gaan met ‘komende strijd voor het recht om te sterven’ (p 137 e.v.). In onze moderne wereld van individuele vrijheden, is het recht op waardig sterven een recht dat burgers zich nog niet hebben toegeëigend.

Door de medische mogelijkheden van levensverlenging en pijnbestrijding, al of niet gepaard gaand met levensverkorting en levensbeëindiging, voorziet de oude ethiek niet meer bij de dilemma’s waarvoor artsen en patiënten zich gesteld zien. Artsen voelen zich beroepshalve geroepen om pijn te bestrijden en lijden te verzachten. Maar dat brengt vaak verkorting en geleidelijke of abrupte beëindiging van het leven met zich mee. Het verschil tussen het bewust nalaten van levensreddend handelen, bijv. met beademingsapparatuur, en actief het leven bekorten met pijnbestrijding wordt steeds kleiner. Beide praktijken zijn volgens Singer allang gangbaar en komen in de buurt van euthanasie, waarop tot voor kort een zwaar taboe rustte op grond van het gebod ‘gij zult niet doden’ en het prinicipe van de onschendbaarheid van het leven.

De Nederlandse wetgeving bespreekt hij als behorend tot de meest progressieve ter wereld en meest representatieve voor wat er leeft bij de bevolking. Dat geldt ook voor onze vaak progressieve christelijke visie, die flexibeler is ten aanzien van de opties voor waardige levensbeëindiging die bij steeds meer mensen leven. Er zijn volgens hem geen onderzoeksgegevens die aangeven dat medici zich op een ‘hellend vlak’ zouden begeven als voorwaardelijke euthansie wordt toegestaan zoals in Nederland. De richtlijnen zijn gericht op zorgvuldige toegepassing binnen de aangegeven kaders, hoewel de grenzen van ondragelijk lijden en een recente wilsbeschikking van patiënten vaak niet scherp zijn aan te geven. De progressieve Nederlandse wetgeving sluit aan bij de wens van de meerderheid van de bevolking en peilingen wijzen erop dat de meerderheid neigt naar (nog) meer zelfbeschikking.

Prangende vragen zijn welke mate van lijden nog acceptabel is. Heeft de patiënt hier niet het laatste woord? Hoe ver mogen artsen gaan, zonder te worden aangeklaagd wegens onzorgvuldig handelen met de dood als gevolg? Is het niet ten hemel schreiend als artsen worden aangeklaagd wegens moord, terewijl zij het beste voor hebben met patiënten in hopeloze, uiterst pijnlijke en schrijnende situaties en daarvoor minder pijnlijke maar dodelijke een uitweg kiezen. Bij nader onderzoek worden artsen echter vrijwel steeds vrijgesproken, zoals ook in septemer het geval was bij een geruchtmakende rechtszaak.

De oude ethiek van onschendbaarheid van het leven, wat er ook aan de hand is, plaatst artsen vaak voor haast onmogelijke dillemma’s en onder grote druk. Singer laat dit zien aan de hand van vele cases. Zoals beschreven in de inleiding van deze serie, doet hij een voorstel tot ethische principes, die beter aansluiten bij de medische mogelijkheden en persoonlijke voorkeuren van patiënten in onze tijd.

 

Traditionele opvattingen

Onze huidige traditionele opvattingen zijn ontleend aan het christendom. Hoewel deze de afgelopen eeuw meer verdrongen lijken te worden voor de hedonistische genotsethiek. Mensen hebben een onsterfelijke ziel, die door God is geschapen en niet ons eigendom is, waarover wij niet naar believen kunnen beschikken, ook al hebben wij een vrije wil. Het is “het recht van God om te beslissen over leven en dood. Zoals Thomas van Aquino het formuleerde: “een menselijk wezen van het leven beroven, is een zonde tegen God, zoals het doden van een slaaf een zonde zou zijn tegen de meester aan wie de slaaf toebehoort” (p 173). Dieren waren onder menselijke heerschappij gesteld (Genesis 1:29, 9:1-3). Een dergelijke visie zagen we eerder bij Augustinus.

Ook latere filosofen, bijv. de Renaissancefilosoof Ficino, Descartes en Kant, zagen dieren als zielloze en redeloze middelen en de mens als doel. Maar er waren ook filosofen die er anders over dachten, zoals Giordano Bruno, die dat met de brandstapel moest bekopen. De verschillen tussen mensen en dieren blijken steeds meer gradueel te zijn. We zien in toenemende mate dat het gebod ‘gij zult niet doden’ niet meer meedogenloos geldt voor uitzichtloos lijdende mensen en ook op dieren, bomen en zeldzame plantensoorten van toepassing is (Tussen dood en leven, p 156-59).

We zien ook hier dat het recht op leven en de waarde van het leven niet voor alle mensen en zeker niet voor alle dieren gelijk is. Vroeger mocht men leden van andere stammen of landen doden. Tegenwoordig geldt dat het niet is toegestaan mensen ongeacht hun ras, godsdienst, klasse of nationaliteit te doden, behalve in uitzondelijke situaties zoals oorlog en uit zelfverdediging. De neiging eigen land en volk voorkeur te geven is nog sterk aanwezig: ‘America First’, ‘eigen volk eerst’, geen autonomie voor de Koerden, enz. Zie de boekbespreking van Sapolsky in nr. 81 door Patricia van Bosse.

Singer probeert aan te tonen dat de onschendbaarheid van het leven geldt voor mensen als personen, dus niet voor mensen die nog geen persoon zijn. Want dat maakt het mogelijk  abortus te rechtvaardigen. Onschendbaarheid zou dan niet gelden voor (ongeboren) mensen die  nog geen persoon zijn, maar wel een persoon kunnen worden. Daarover zijn echter ook andere visies, waarbij aan potentiële persoon enige persoonlijke status en rechten worden toegekend. Hij haalt diverse ethische argumenten aan waarom een persoon het recht heeft om te leven vanuit de utilitaristische ethiek, die verschillende varianten en vertegenwoordigers heeft.

Een samenhangend fundamenteel ethisch principe waarvan hij uitgaat is het respect voor de autonomie en de wensen en voorkeuren van personen, die het uitgangspunt zijn van het preferentie-utilitarisme. Het utilitarisme gaat uit van het principe van geluk en zo weinig mogelijk leed voor zoveel mogelijk mensen mogelijk is. Dan zou er iets voor te zeggen zijn ondragelijk lijden te beëindigen, ook als daar mee een leven gemoeid is. Is vanuit dit principe euthanasie bij ondragelijk lijden aanvaardbaar bij mensen die geen levensvreugde meer ervaren? Dit botst met het principe van de onschendbaarheid van de menselijke persoon. Het principe van de autonomie en de voorkeur van mensen speelt hier echter ook een rol van betekenis.

Behalve aan in leven zijn, het fysieke leven, wordt aan het zelfbewustzijn van een persoon een fundamentele waarde toegekend, afgezien van de vreugde die hij ervaart. “Beter een ontevreden Socrates dan een tevreden dwaas,” schreef John Stuart Mill (p 191). Daar wordt met name bij geestelijk gehandicapten vaak anders over gedacht. Het is maar de vraag of het “intelligentere wezen noodzakelijkerwijs en groter vermogen heeft om gelukkig te worden”. Singer signaleert de trend om aan het leven van dieren een grotere waarde toekennen dan tot dusver meestal het geval is geweest, maar kent aan bewuste, rationele personen een bijzondere status toe, die meer ruimte biedt aan euthanasie dan in de traditionele christelijke visie. Tegenwoordig zijn er vele mogelijkheden, zoals vormen van vrijwillige en onvrijwillige euthanasie bij wilsonbekwame personen en diverse actieve en passieve vormen van hulp bij suïcide op verzoek. Daardoor zijn er echter net zoveel onzekerheden als mogelijkheden, waarvoor richtlijnen in ontwikkeling zijn, die hier niet uitvoering uit de doeken gedaan kunnen worden.

 

Naar een geïntegreerde ethiek van algemene beginselen

Ethisch handelen gaat moeilijk op ad hoc basis, zeker niet in situaties van leven en dood. Het vraagt om fundamentele principes die richtinggevend zijn. In onze tijd verschuiven deze principes, zoals Singer toelicht. De socioloog Sorokin heeft dergelijke verschuivingen in de loop van onze Europese cultuurgeschiedenis in kaart gebracht. Hierdoor kan de huidige verschuiving in een bredere context worden geplaatst. Er zijn verschillende ethische principes en paradigma’s, waarvoor iets te zeggen is en waar verschillende mensen en groeperingen van uitgaan.

Sorokin onderscheidt bijv. de ethiek van absolute waarden, zoals bij het christendom, de principiële plichtsethiek van Kant als variant daarvan, de eudemonistische geluksethiek van bijv. het utilitarisme en de hedonistische ethiek van zingenot, die tegenwoordig populair is. In de eudemonistische geluksethiek worden de andere ethische principes opgenomen. Het absolute principe van het Hoogste Goed(e) is tevens het hoogste geluk, dat meer geluk geeft dan zingenot. We zien dit bij Griekse filosofen zoals Epicurus, Plato en Aristoteles en ook bij Augustinus, zie mijn artikel over hem. (P A Sorokin, Social and Cultural Dynamics. A Study of Change in Major Systems of Art, Truth, Ethics, Law and and Relationships, p 414 over ‘systems of ethics’).

De ethiek van absolute waarden komt overeen met de overtuigings- of  ‘Gesinnungs’-ethiek van Max Weber. Daarnaast onderscheidt Weber de verantwoordelijkheidsethiek, die gericht is of het effect van het handelen, of het bijdraagt tot ons welzijn. Dit komt overeen met de geluksethiek, die ook gericht is op het vergroten van ons welzijn. Zo zijn er meer onderscheidingen in vormen van ethiek mogelijk.

Singer streeft ook naar een samenhangende benadering (deel 3). Hij onderscheidt de traditionele ethiek van onschendbaarbaarheid van het leven als absoluut principe en onderscheid deze van een meer utilitaristische ethiek. Daarbij geldt de kwaliteit van het (bewuste) leven als belangrijker criterium dan alleen fysiek ‘in leven zijn’. Als variant noemt hij de liberale ethiek, waarbij individuele wensen wat betreft de kwaliteit van leven meer bepalend zijn.

Ethische beginselen kunnen volgens Sorokin geïntegreerd worden in een eudemonistische geluksethiek. Het absolute principe van het Hoogste Goed geldt daarbij dan tevens als het hoogste geluk, zoals bijv. Augustinus dit beschrijft (in een artikel in een volgend nummer). Zo is ook een integratie van ethische principes mogelijk wat betreft euthanasie. Het principe van de de onschendbaarheid kan worden geïntegreerd met het principe van de kwaliteit van leven en bewust leven. Ook al zou het leven onschendbaar zijn, dan is een geschonden of uitzichtloos leven waarbij ondragelijk wordt geleden, niet hetzelfde als een gelukkig leven met rooskleurige vooruitzichten. De mate van geluk in een leven vindt Singer en velen met hem een belangrijker criterium dan alleen in leven zijn.

De euthanasiewetgeving maakt een uitzondering voor het verbod op levensbeëindiging bij ondragelijk lijden en neemt dus de kwaliteit van leven en de mate van lijden in aanmerking. Mogelijk kan dit ook uitgebreid worden met psychisch lijden, dat echter minder concreet aantoonbaar is dan fysieke pijn. Wat dit betreft liggen er nog ontwikkelingen in het verschiet, zoals Couwenberg in zijn laatste artikel in nr 89 aangeeft. Er is een trend om de wensen en voorkeuren van betrokken persoon een meer beslissende rol te laten spelen in onze tijd van persoonlijke autonomie en individualisering.

Als universeel porincipe geldt dat mensen in het algemeen gelukkig willen zijn en lijden willen vermijden en verminderen. “Vergroting van geluk,” is ook volgens Maharishi Mahesh Yogi het doel van het leven in een vaak geciteerde uitspraak. Daaruit blijkt dat dit universele principe ook in het Oosten opgeld doet en niet alleen in het utilitarisme en de Griekse filosofie. Ook volgens Augustinus en de neoplatonisten zijn mensen geschapen voor het hoogste geluk en het Hoogste Goed, dat bij hen vaak samenvalt met God. Mensen zijn dus niet geschapen om te lijden, maar om zich daarvan te bevrijden. Vanuit dit universele principe kunnen we ook naar euthanasie kijken ten dienste van de opheffing van ondragelijk lijden en vergroting van geluk en vrede. Ook vanuit een christelijke visie dienen wij uit naastenliefde het leed van anderen en onszelf te verminderen. Bij euthanasie botst dit met het gebod ‘Gij zult niet doden’. Er kunnen echter uitzonderingen zijn, als de liefde voor de medemens en de opdracht hem van pijn  te bevrijden de voorkeur krijgt in onze tijd.

 

https://theoptimist.nl/daily/leven-en-dood-jouw-verhaal/

 

Heroriëntatie van de ethiek rond leven en dood

Waarom is euthanasie alleen toegestaan bij ondragelijk fysiek lijden? En wie bepaalt dat? Waar leggen we de grens? Er blijven tal van vragen die vooral lijdende mensen en hun naaste verwanten kunnen kwellen. Volgens Peter Singer in Tussen dood en leven voldoet het tot dusver gangbare ethische denken en handelen inzake leven en dood niet meer, zoals in de inleiding naar voren kwam. “Onze houding tegen de onschendbaarheid van het menselijk leven is geleidelijk aan het veranderen. Zo’n overgang gaat altijd gepaard met verwarring en verdeeldheid” (Proloog en hfst 2 ‘Hoe de dood een nieuwe definitie kreeg’, zie ook Een ethisch leven, p 216).

Er bestaan bijv. verschillende criteria voor ‘dood’, namelijk hersendood, om precies te zijn van de hogere hersenfuncties (Tussen dood en leven, p 50 e.v.) en het stoppen van de bloedsomloop, dus het oude criterium dat het hart niet meer klopt en ook niet meer op gang komt. Sterven is een proces dat in fasen gaat, maar soms heel snel gaat, als iemand op slag dood is bij een ongeluk. De oude, klassieke omschrijving van sterven is dat de ziel het lichaam verlaat, waarmee het leven uit het lichaam verdwijnt. Tegenwoordig kijkt men vrijwel alleen naar het lichaam, omdat de ziel niet te zien is. Daarmee is niet aangetoond dat er niet zoiets als een ziel bestaat. Er is in elk geval wel bezieling.

Wanneer het hart nog klopt, ziet het er naar uit dat de ziel het lichaam nog niet verlaten heeft, althans nog niet helemaal en ‘niet echt dood’ is volgens Singer (Een ethisch leven, p 227). “Begrafenisondernemers laten komen om een ‘dode’ patiënt te begraven, die nog ademt is meer dan iemand kan verdragen” (p 224). De ziel kan zich bij de diagnose hersendood niet meer kenbaar maken via de hersenen als deze niet meer werken. Daarmee zijn overigens nog niet alle hersenfuncties opgehouden, zoals de hormonale functies. De vraag welke hersenfuncties het verschil tussen leven en dood markeren, leidt tot (onderzoeks)problemen om de dood vast te stellen (p 229). In Tussen dood en leven (hfst 2) gaat hij uitvoerig in op deze kwesties.

Daarom neigt Singer ertoe niet het lichaam maar de persoon en het bewustzijn centraal te stellen. Je zou het bewustzijn een moderne variant van de ziel kunnen noemen. De tegenwoordig meer gangbare visie is dat het bewustzijn zich niet zoals de ziel van het lichaam scheidt, maar als persoon oplost en verdwijnt. De vraag is dan waarheen en of er nog iets blijft van dit bewustzijn. Als de persoon onomkeerbaar is verdwenen, hoeft het lichaam nog niet dood te zijn. Dat is pas het geval wanneer het hart niet meer klopt en de bloedcirculatie ophoudt.

De verschuiving van de definitie dood als het ophouden van hart en bloedcirculatie naar hersendood maakt het mogelijk een nog kloppend hart als orgaan te doneren. Er zijn echter onderzoeken die aangeven dat het hart een eigensoortige vorm van bewustzijn zou hebben en dat ook iedere cel en dus ook andere organen een vorm van bewustzijn zou hebben. Bewustzijn is een lastig ‘iets’ waarvan we nog betrekkelijk weinig weten, evenmin van de relatie tusssen het bewustzijn en de hersenen en (de rest van) het lichaam. Zie o.m. Edward Kelly e.a., Irreducible Mind: Toward A Psychology of the 21th Century. Als bewustzijn en bewust leven geldt als meer prominent ethisch criterium, dan is van belang om meer te weten over wat bewustzijn is en de relatie tussen hersenen en bewustzijn. Er zijn aanwijzingen dat het bewustzijn ook zonder hersenwerking een eigen realiteit kan hebben. De ethische consequenties daarvan zijn nog niet te overzien en kunnen in dit bestek niet worden toegelicht.

 

https://panacea.nl/panessay/artikel/2017-11-02-de-dood-als-uitkomst-de-ethiek-van-euthanasie-bij-een-voltooid-leven

 

Verschuiving van menselijk leven naar menselijke personen en bewust leven

In het voorgaande had Singer het over een rationele, zelfbewuste persoon als bepalend kenmerk voor de menselijke natuur en het mens-zijn en niet zozeer het (fysiek) in leven zijn. Het wegvallen van de hersenfuncties houdt verband met het wegvallen van het bewustzijn dat een mens tot persoon maakt.

“Een rechter van het Hooggerechtshof [in de VS] heeft voorgesteld een persoon die het bewustzijn onomkeerbaar heeft verloren voor de wet niet langer als levend te beschouwen… Een benadering die de traditionele overtuiging dat alle leven even waardevol is, loslaat.” Hij zei: “voor patiënten die geen enkele kans meer hebben op herstel, is zeer de vraag is of louter het in stand houden van hun lichaam ‘leven’ is […en] als een poging de onschendbaarheid ervan te beschermen… In ieder geval wordt het begrip ‘leven’ niet los gezien van een levende persoon” (Een ethisch leven, p 230-31).

Ook Britse rechters gaven toestemming het leven van een dergelijke patiënt niet te verlengen door beademing e.d., omdat dit geen voordelen biedt voor de patiënt. Ook de Britse wet is “afgestapt van het idee dat het leven zelf van waarde is voor de persoon die het leidt, ongeacht de kwaliteit ervan” (p 234-36). Hoe kan het van waarde zijn voor een persoon als er geen persoon meer is?

In Tussen dood en leven noemt Singer meer gevallen waarbij medici en rechters de grenzen van het toelaatbare verkenden en tot nieuwe uitspraken kwamen, waarbij de kwaliteit van leven doorslaggevend werd en niet het fysiek in leven zijn. Zie ‘de heiligheid van het leven achterhaald’ (p 73 e.v.). Daarmee bedoelt hij het fysieke leven ongeacht de bewuste kwaliteit van leven. Het fysiek in leven houden en het leven voor onbepaalde (lange) tijd rekken met behulp van apparaten wordt zelden als wenselijk ervaren. De medische mogelijkheden van levensverlenging zijn lang niet altijd wenselijk en geven patiënten niet altijd het gevoel dat hen een waardig levenseinde wacht.

Het gaat ook volgens Singer en vele anderen niet alleen om het menselijk leven maar vooral om de (bewuste) kwaliteit van leven. De levenskwaliteit is ook volgens artsen vaak onaanvaardbaar bij ondragelijk lijden of een louter vegetatief, plantaardig bestaan, zonder functies die een mens tot mens maken, en geen enkel uitzicht op herstel van het bewustzijn. In plaats van een ethiek van de absolute waarde van het onschendbare menselijke leven pleit Singer voor “een ethiek die meer ruimte biedt voor mededogen en beter aansluit bij de eigen beslissingen van mensen, een ethiek waarin het leven niet verlengd hoeft te worden wanneer dit overduidelijk zinloos is… Maar om beter te kunnen omgaan met zaken van leven en dood, moeten we openhartig durven zijn over de manier waarop de traditionele ethiek heeft gefaald” (p 219).

Het voorstel de definitie van hersendood te veranderen in definitieve onomkeerbare uitval van de hersenfuncties die verantwoordelijk zijn voor het bewustzijn, is daarvan een onderdeel (p 221). Ervan uitgaande dat artsen weten wanneer een coma onomkeerbaar is. Vaak hoor je echter van mensen die door artsen zijn ‘opgegeven’ die nog jaren zijn blijven leven, hoewel het helaas uitzonderingen blijven. Het vraagt een duidelijke omschrijving van een onomkeerbaar coma

 

Herziening en vernieuwing

Dat wij durven te veranderen en daartoe voorstellen durven in te dienen, vindt Singer juist in onze tijd van medische mogelijkheden van groot belang om deze mogelijkheden optimaal in te kunnen zetten om de kwaliteit van leven en het levensgeluk te bevorderen en niet om een lijdend lichaam langen inleven te houden. “Als elk voorstel voor ethische vernieuwing zou zijn verworpen, zouden we nog steeds ketters martelen, overwonnen volkeren tot slaven maken, en vrouwen als bezit van hun echtgenoten beschouwen. Opvattingen moeten niet worden beoordeeld op grond van de mate waarin zij botsen met bestaande morele opvattingen, maar op grond van argumenten waarmee zij worden verdedigd” (p 220).

Het is bijv. zaak om duidelijk te maken wat menselijk leven is en wanneer dit begint en eindigt. Ook is een duidelijke definitie van ‘dood’ nodig. De diagnose hersendood is ingevoerd om orgaantransplantaties mogelijk te maken (p 217, 224). De hersenen zijn dan weliswaar dood of sterven af, maar zolang het bloed nog stroomt is het lichaam nog in leven.

En dergelijke herziening is temeer noodzakelijk, daar het medisch kunnen ons in staat stelt uitzichtloze levens te verlengen tot in lengte van jaren.

Een vriend vertelde mij jaren geleden dat hij naar het afscheid van zijn mij volkomen onbekende broer ging, die na een hersenvliesontsteking de meeste hersenfuncties verloor en ruim twintig jaar een ‘plantaardig bestaan’ leidde omdat hij kunstmatig in leven werd gehouden. Dit lijkt meer op mensonterend handelen dan op levensreddend medisch handelen, volgens een achterhaalde ethiek van onschendbaarheid van ieder mensenleven, ook als het verre van menselijk meer is. Singer beschrijft diverse gevallen waarin een dergelijk scenario ook mogelijk was, maar werd stopgezet. Dit is steeds meer een gangbare medische praktijk geworden, mede door toedoen van de naaste familieleden. Zij willen zelden het leven van hun dierbaren alleen vegetatief voortgezet zien en vinden dat meestal mensonwaardig en niet om aan te zien, zoals blijkt uit de cases van Singer..

 

Voorlopige conclusies wat betreft drie fundamentele vragen

In een voorlopige conclusie onderscheidt Singer drie vragen waarbij de antwoorden zijn verschoven.

  1. Wanneer sterft een menselijk wezen? Als de bloedcirculatie definitief is gestopt. Bij hersendood is het bewustzijn onomkeerbaar verdwenen.
  2. Wanneer mogen artsen opzettelijk een einde maken aan het leven van een patiënt? Het antwoord is in genoemde gevallen verschoven van nooit naar “als voortzetting van het leven geen enkele waarde meer heeft” voor de persoon in kwestie, met name als deze vooraf toestemming heeft gegeven. Dit laatste was bij de rechtbank in Nederland die in september een arts heeft vrijgesproken nog een heikele voorwaarde.
  3. Wanneer is het toegestaan om organen zoals het hart te verwijderen uit een menselijk wezen voor transplantatiedoeleinden? Ook hier verschuift het antwoord naar het antwoord op vraag 2, dus bij hersendood, niet bij het ophouden van de bloedcirculatie bij een lichamelijk gezien nog levende persoon. Nu dient iemand daarvoor nog vooraf toestemming te geven, maar er zijn wetten in de maak om dit te gemakkelijker te maken. Daar zijn echter ook bezwaren tegen in te brengen, zoals de onschendbaarheid van het menselijk lichaam zoals dat nu nog in de grondwet staat en de kwestie of er mogelijk (vormen van) bewustzijn zetelen in andere oganen dan de hersenen. Om dit grondig te kunnen beoordelen van verschillende kanten is meer grondig en grensverleggend onderzoek nodig. Artsen hoeven daarbij niet het laatste woord te hebben, zoals de tendens is bij de toenemende medicinalisering van het leven.

 

 

https://www.dehillegommer.nl/nieuws/algemeen/36572/avond-hillegomse-bronnen-over-levenseinde

 

Rechtvaardiging van vrijwillige euthanasie

Sinds de euthanasiewet van 2002 kan een arts legaal voldoen aan het verzoek van een patiënt om bij ondragelijk lijden te mogen sterven. Artsen zijn vrijgesteld van strafvervolging als zij aan de gestelde voorwaarden voldoen, nl. op verzoek en ondragelijk lijden zonder andere oplossing, na overleg met een andere arts en melding bij de toetsingscommissie, die toetst of er zorgvuldig is gehandeld (p 253).

Zoals eerder aangegeven zijn er “veel patiënten die de garantie willen dat hun arts hen helpt sterven als hun lijden ondragelijk wordt” (p 251). Dit zou blijken uit een landelijke peiling (bron ontbreekt, maar er zijn diverse peilingen te vinden). Patiënten dienen echter vooraf wel een uitdrukkelijk verzoek om euthanasie te doen. Dit was een cruciaal punt bij het proces tegen een arts in september, die werd vrijgesproken omdat hij zorgvuldig had gehandeld.

De discussie loopt nog om euthanasie mogelijk te maken voor mensen die nog niet ondragelijk lijden maar wel hun leven als zijnde voltooid, zinloos of vreugedeloos en kwellend willen beëindigen. Het is nog niet duidelijk wanneer wel en wanneer nog niet. Kunnen we dat niet meer overlaten aan de personen in kwestie dan aan een vastgelegde wetgeving uit een tijd waarin de Kerk vergaand bepaalde wat wel en niet mocht? Bij preferentie-utilitarisme telt de wens van de betrokkene als beslissend. Anderzijds zijn wensen van mensen vaak grillig met name als ze depressief zijn en kunnen zij nabestaanden veel leed doen door zonder overleg en instemming uit het leven te stappen. Een mens is niet alleen een individu maar ook een sociale persoon en heeft belangrijke verantwoordelijkheden en verplichtingen.

 

https://www.deventerpost.nl/activiteit/item/themabijeenkomst-waardig-levenseinde/500459

 

Argumenten voor euthasie: een bewuste keuze maakt verschil uit

Volgens Singer (p 250) is het doden van van een zelfbewust wezen ernstiger dan het doden van een wezen dat alleen maar bewust is, waaronder 1. de angst voor de dood en een ongunstig effect op anderen, 2. het verijdelen van de wens van het slachtoffer om verder te leven, 3. (het ontnemen van) het recht om te leven, 4. het respect voor de autonome beslissingen van rationeel handelende instanties.

Gelden deze punten ook als een persoon wenst te sterven? Alleen punt 1 kan deels blijven gelden: het kan ongunstig zijn voor anderen, als de wens om verder te leven vervalt. De angst voor de dood en het sterven kan echter verminderen als mensen niet tegen hun zin hoeven verder te leven op een voor hen onaangename wijze. Bij punt 3 geldt dat iemand ook afstand doen van het recht of de wens om te leven als hij dat recht of die wens om te  leven heeft en kan zijn beslissing in deze worden gerespecteerd (punt 4).

Deze argumenten kunnen worden gebruikt ten gunste van vrijwillige euthanasie. De mogelijkheid van de wens om te sterven is gebaseerd op zelfbewustzijn en de mogelijkheid tot vrijwillige keuze en kan de plaats gaan innemen van de wens om te leven. Voor vrijwillige euthansie is daarom meer te zeggen dan voor onvrijwillige euthanasie zonder wilsbeschikking.  In ons land is vrijwillige euthanasie onder eerder beschreven voorwaarden toegestaan in het bijzondere geval van ondragelijk lijden. Tegen vrijwillige euthanasie zonder deze vooraarde(n) bestaan nog steeds wettelijke en maatschappelijke bezwaren. Onder maatschappelijke druk kunnen de voorwaarden voor euthanasie veranderen en versoepelen als een meerderheid van de mensen dat uitdrukkelijk wensen. De meeste mensen zijn  daar pas mee bezig als het zover is dat zij de dood in de ogen kijken. Eerder zijn ze gericht op het leven, dat al genoeg aandacht vraagt.

We weten nog te weinig van wat er precies gebeurt als mensen sterven om daarover grondig gefundeerde beslissingen te kunnen nemen. We weten bijv. niet eens of er wel of geen ziel is en wat die ziel dan wel is. Het is te gemakkelijk om te zeggen dat het een fictie is, zonder enige wetenschappelijk grond, omdat wetenschappers hieromtrent ook verschillende visies hebben, zie bijv. Karl Popper en John Eccles, The Self and Its Brain (nr 72).  Zoals gezegd biedt het gegeven dat we de ziel niet kunnen zien, enkele dubieuze uitzonderingen daargelaten, geen bewijs dat er geen ziel is.

Er zijn heel veel dingen die we niet kunnen zien en pas aangetoond kunnen worden door ingewikkelde procedures, die zich aan ons gezicht onttrekken. Allerlei alternatieve visies kunnen hierbij ook serieus genomen worden, omdat paradigma’s kunnen veranderen of ‘switchen’, zoals de wetenschapsfilosofie leert. Het medische model van de mens als lichaam zonder ziel lijkt nogal beperkt en niet erg te kloppen met onderzoek dat niet in het model past volgens eerder genoemd overzichtswerk Irreducible Mind en vele andere studies en laat tal van onverklaarbare zaken in het ongewisse.

Er valt natuurlijk nog veel meer over euthanasie te zeggen dan Peter Singer erover zegt. Zoals het leven zijn beperkingen heeft en eindig is, zo geldt dit nog meer voor het schrijven erover. Het is onmogelijk de ontwikkelingen op het gebied van zelfgekozen levensbeëindiging volledig weer te geven. Dit artikel is bedoeld als een oriëntatie en verkenning in een bredere filosofische context aan de hand van de beschreven auteurs.

 

https://www.de-faam.nl/activiteit/item/mysterien-van-geboorte-leven-en-dood/412383

 

Besluit

Om een lang verhaal met nog tal van losse einden af te ronden, is het voor alsnog ook mogelijk in plaats van euthanasie de kosmos te vragen ons weer in zich op te nemen, zoals de moeder bvan Augustinus op haar manier deed en zoals Nietzsche deed in het volgend gedicht (uit Also sprach Zarathustra IV, Mittags)

“Oh Himmel über mir,

wann trinkst du diesen Tropfen Thau der auf alle Erden Dinge niederfiel,

wann trinkst du diesen wunderliche Seele... in dich zurück?

O hemel boven mij, wanneer drink je deze druppel dauw die op de aardse dingen viel,

wanneer drink je deze wonderlijke ziel… in u terug?”