Albert Camus over suïcide en verzet tegen het absurde leven

Civis Mundi Digitaal #90

door Piet Ransijn

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De zin van het leven - Albert Camus             2019 10 09

 

Hij was een schrijver en een filosoof

Distantieerde zich van ieder geloof

Volgens hem had het bestaan geen zin

Toch bracht hij een bedoeling in

 

De zin is dat wij ons verzetten*                     *Zie De mens in opstand

en niet op de zinloosheid letten*                   *In De mythe van Sisyphus

Dat wij ons aan anderen wijden*                   *Zie La peste

ter verlichting van hun lijden

 

Zo geven wij het leven zin

tegen beter weten in

 

Albert Camus over suïcide en verzet tegen het absurde leven

 

Van Augustinus (354-430) naar Camus (1913-1960) is een grote sprong in de tijd. Toch is er overeenstemming. Beide komen uit het huidige Algerije. Zij schrijven beide over suïcide en verwerpen het beide. Camus is afgestudeerd op een geschrift over Saint Augustin et Plotin,Neo-Platonisme et Pensée Chrétienne, een vergelijkende studie voor zijn diplôme d’études supérieures  aan de universiteit van Algiers. Hij had een voorkeur voor de Griekse filosofie, waarin de tegenstrijdigheden van het bestaan niet werden opgelost in hemels heil. Zijn filosofiedocent Jean Grenier “onthulde hem onrust en twijfel, de zin voor het mysterieuze en heilige.” (Robert de Luppé,  Camus, p 10). Hij geeft daaraan op een andere wijze uitdrukking dan Augustinus, die ook door dergelijke gevoelens werd bewogen. Zijn existentialistische visie heeft christelijke trekken wat betreft de inzet voor medemensen.

 

Korte biografie

Camus werd door zijn Spaanse moeder en grootmoeder opgevoed in Algiers onder armoedige omstandigheden. Zijn Franse vader sneuvelde in 1914 aan de Marne. Tijdens zijn filosofiestudie verdiende hij de kost met allerlei baantjes. Hij hield van voetbal en zwemmen, zon en zee. Tuberculose maakte een einde aan zijn voetbalcarrièrre. Zo werd hij al jong geconfronteerd met ziekte en dood, hoofdthema’s in zijn werk.

Camus neigde naar pacifisme en had kritiek op het revolutionaire communisme, zoals blijkt uit De mens in opstand. Ook was hij tegen de doodstraf en hielp veroordeelde Algerijnen, hoewel hij een Franse Algerijn was. Hij zette zich in voor mensenrechten. Menselijkheid en moraliteit gaan voor politieke idealen, die mensen vaak geweld aandoen. Zijn onafhankelijke visie bracht hem in conflict met linkse intellectuelen. Tegenover zowel het socialisme als het atheïsme had hij een tegendraadse visie. ’Ik geloof niet in god èn ik ben geen atheïst’. In 1956 ontving hij de Nobelprijs voor literatuur, officieel voor het essay tegen de doodstraf Réflexions sur la Guillotine. In 1960 kwam hij aan zijn einde door een auto-ongeluk. Camus was getrouwd en had twee kinderen, die zijn nalatenschap beheren.

 

Camus met zijn vrouw en twee kinderen, een tweeling

Eerste kennismaking

Ik hoorde voor het eerst van Camus bij godsdienstles op de HBS toen ik 12 jaar was. De pater, een Augustijn, had het meer over het existentialisme dan over Augustinus. Toen ik 16 was, las ik L’ étranger en La Peste als Franse literatuur. Twee jaar later las ik De mythe van Sisyphus en De mens in opstand. De Vreemdeling sprak me aan, omdat ik mij als boerenzoon een beetje een vreemde voelde op de Hogere BurgerSchool in de grote stad.

Ik kon het er echter niet mee eens zijn dat het leven absurd zou zijn. Ik verzette me ertegen, maar anders dan Camus in De mens in opstand beschrijft. Ik had het gevoel of wilde het gevoel hebben dat het leven zin had. Welke zin, kon ik niet precies zeggen. Het ging meer om een intuïtief gevoel of ‘wishfull thinking’. Zo gevoelloos als de hoofdpersoon van De vreemdeling en De gelukkige dood was ik niet en wilde ik niet zijn. Ik voelde meer voor ‘de ware arts’ in La Peste, die zich voor de mensen wilde inzetten en de pest wilde bestrijden. De pest is niet alleen op te vatten als een besmettelijke ziekte, maar ook als zinloosheid, absurditeit, onrecht en misstanden. Dat vraagt bewustwording, die vooraf gaat aan de bewuste inzet en verzet zoals Camus beschrijft.

Door de naargeestige naoorlogse literatuur voelde ik mij zelden aangesproken. Evenmin door het Franse existentialisme. Ik vond dat meer een grotestadsfilosofie, die beter paste bij een vriend die aan de rand van de ‘rimboe’ woonde, een uitzichtloze Amsterdamse arbeidersbuurt. Ik voelde meer voor de neoromantische vooroorlogse literatuur en de Tachtigers: Slauerhoff, Couperus, Van Schendel, Van Eeden, Herman Hesse en voorDostojevski en Tolstoj, die enige verwantschap hebben met Camus. Hij was een van de weinige naoorlogse schrijvers die mij raakte, mede door zijn filosofische diepgang en solidariteitsgedachte. Camus verheft zich uit de troosteloosheid van het absurde leven en komt tot een indringende levensaanvaarding, die voorbij de dreigende dood gaat. Dat is een hoofdthema in zijn werk.

 

Het existentialisme

Camus wordt wel gezien als vertegenwoordiger van het Franse existentialisme met o.m. Jean Paul Sarte en Simone de Beauvoir. Hij heeft met Sartre samengewerkt. “Albert Camus, de meest gevoelige en diepst doordringende van het drietal, heeft zich lang geleden van de groep afgescheiden” (William Barrett, Existentialisme, p 12). Het existentialisme gaat uit van het unieke concrete bestaan van een mens, die zelf zin dient te geven aan zijn eindige leven in een vaak bedreigend en zinloos universum. Het breekt met religies en filosofische tradities, die het leven zin en betekenis geven, en gaat uit van de vrijheid en eigen verantwoordelijkheid van ieder mens voor zijn eigen levenslot in een absurde wereld. Zinloosheid, absurditeit en vrijheid zijn kernwoorden bij het existentialisme. Het geeft uiting aan het uitzichtloze, ontwortelde levensgevoel en de zinloze, normloze vrijheid in het midden van de 20e eeuw rond de Tweede Wereldoorlog.

Barrett ziet Nietzsche, Kierkegaard, Dostojevski en Tolstoi als voorlopers van de existentiefilosofie. Augustinus wordt ook gezien als verre voorloper, omdat hij met name in De Belijdenissen uitgaat van zijn concrete, subjectieve bestaan. Camus knoopt bij hen aan, vooral in De mens in opstand. Hij breekt met Sartre en diens communistische sympathieën en ziet geen heil in revolutie. Zijn opstand gaat dieper, zoals we zullen zien. Anders dan Sartre, die het omgekeerde beweert, “verklaart Camus… dat hij geen existentialist is, wat wil zeggen dat voor hem de essentie vooraf gaat aan de existentie: Waarom zich te verzetten als men in zichzelf niets duurzaams heeft te behoeden?” De duurzame essentie is wat in het volgende beschreven wordt als het bewustzijn. Er bestaat een menselijke essentie. “Er bestaat een menselijke natuur, die aan iedere actie voorafgaat… in tegenstelling tot de opvatting van de hedendaagse filosofie” (Luppé, p 35).

 

De mythe van Sisyphus

Camus opent zijn essay De mythe van Sisyphus (1942) met de volgende stelling: "Er bestaat maar één werkelijk ernstig filosofisch probleem: de zelfmoord. Oordelen of het leven wel of niet de moeite waard is geleefd te worden, is antwoord geven op de fundamentele vraag van de filosofie." Zijn antwoord komt neer op het aanvaarden van het absurde van het bestaan en het verzet tegen de zinloosheid. Het absurde leven krijgt zin door zich in te zetten voor anderen. Camus gaat ervan uit dat het leven absurd en nutteloos is en geen (diepere) zin heeft, maar legt zich daarbij niet neer. Hij wijst suïcide af en ziet in de absurditeit van het bestaan daartoe geen reden, maar juist een reden om zich ertegen te verzetten. Dit verzet is te beschouwen als een zelfverschafte zin aan het leven. In de oorlog heeft Camus in het verzet gezeten. Hij was hoofredacteur van het verzetsblad Combat, waar Sarte ook aan meewerkte.

“Volgens de mythe hadden de goden Sisyphus veroordeeld om voor eeuwig een rotsblok naar de top van een berg te duwen, vanwaar het door zijn eigen gewicht weer naar beneden viel. Zij dachten dat er redelijkerwijs geen vreselijker straf is dan nutteloze en uitzichtloze arbeid”. Camus trekt een parallel tussen deze mythe en het leven. Op het moment dat Sisyphus de berg afdaalt om zijn taak te hervatten, is hij zich volledig bewust van zijn ellendige toestand en staat hij boven zijn noodlot, aldus Camus. “De strijd op zichzelf tegen de top is voldoende om het hart van een mens te vullen. We moeten ons Sisyphus als een gelukkig mens voorstellen,” zo besluit hij zijn essay.

‘Sisyphus’ kracht ligt in de waardige aanvaarding van zijn absurde taak: ‘Al die stille vreugde is er. Zijn lot ligt in zijn eigen handen… Zijn rotsblok is van hem’,” (Conor Cruise O’Brien, Albert Camus, p 29). Camus kreeg tuberculose, is ernstig ziek geweest en heeft de dood in de ogen gekeken, maar verzette zich ertegen en koos voor het leven, hoe absurd het ook is. Mogelijk heeft hij zelfmoord overwogen. Maar hij koos voor het verzet, ook letterlijk als verzetstrijder.

“In ruime zin is het absurde alles wat geen zin heeft… Het absurde is in wezen een kloof… een confrontatie… Mijn bewustzijn wordt gesteld tegenover de muren die het insluiten. Het absurde ligt in de schok die het bewustzijn ondervindt, als het de nietigheid van onze wensen ontdekt.” (Luppé, p 20). In De mens in opstand beschrijft Camus het als “een breuk van het ik en de wereld” (p 23). ”Het absurde ontstaat uit de confrontatie van de zoekende mens die vraagt en de wereld die op een onredelijke wijze zwijgt”.

In De vreemdeling beschrijft Camus het absurde leven aldus: “Opstaan, de tram, vier uur kantoor of fabriek, eten.., vier uur werken, eten, slapen en maandag dinsdag woensdag donderdag vrijdag en zaterdag hetzelfde ritme; dezelfde routine vult gemakkelijk het grootste deel van het leven… Ook de mensen scheiden het onmenselijke uit. In bepaalde ogenblikken van helderheid maakt het werktuiglijke van hun gebaren, hun van zin ontblote pantomime alles wat hen omgeeft onzinnig. Een man telefoneert achter een gesloten glazen deur, men hoort hem niet, maar ziet zijn mimiek zonder zeggingskracht: men vraagt zich af waarom hij leeft” (Luppé, p 15).

Camus beschrijft ook ‘de vreemdheid van de werel’: “Diep in alle schoonheid schuilt iets onmenselijks en de heuvels, de zachtheid van de hemel, de tekening van de bomen verliezen ogenblikkelijk hun illusoire zin die wij hen toedichten, om verder dan een verloren paradijs van ons verwijderd te zijn” (p. 16). Over het hele leven hangt het besef van de dood, een van de weinige zekerheden in een onzeker leven. “De gedachte… dat alles een zin heeft… blijkt op duizelingwekkende manier te worden gelogenstraft door de absurditeit van een mogelijke dood” (p. 26).

De beschrijvingen van Camus zijn bij uitstek van toepassing op het uitzichtloze leven van hoogbejaarden die in een doelloze routine bewegen naar het einde van het leven. Hij beschrijft het absurde leven uitvoeriger in zijn roman De vreemdeling. Ondanks alle nuttelosheid beschrijft hij een inspirerende levenshouding, waarvoor we kunnen kiezen vanuit een vrij bewustzijn, dat zich verzet tegen de zinloosheid.

 

https://www.tripadvisor.co.za/LocationPhotoDirectLink-g154990-d10769399-i244030285-L_Etranger-Hamilton_Ontario.html

Chalkpainting of Albert Camus, De vreemdeling

 De gelukkige dood

Het postuum verschenen werk De gelukkige dood (geschreven tussen 1936 en1938) lijkt meer raakvlakken te hebben met euthanasie en suïcide. Euthanasie betekent letterlijk goede of zachte dood. Dit boek kan worden beschouwd als een voorvorm van De vreemdeling. Het lijkt een meer autobiografisch karakter te hebben, hoewel dat niet precies is na te gaan. Het wijst erop dat Camus, die ernstig ziek is geweest en leed aan tuberculose, de dood in de ogen heeft gekeken. Het boek heeft dezelfde hoofdpersoon: kantoorbediende Meursault, die in beide boeken een moord pleegt. Daarmee wordt mogelijk de zinloosheid en absurditeit van het leven aangegeven, waarin een leven weinig waarde heeft en dient voor het genot van een ander, in dit geval van Meursault. Dood, ziekte en moord zijn belangrijke thema’s in het werk van Camus. In De gelukkige dood is het hoofdthema: “hoe kan men gelukkig sterven? Dat wil zeggen hoe kan men zo gelukkig leven dat de dood zelf ook gelukkig is?” (p 8)

Meursault doodt een invalide kennis die door een ongeluk geen benen meer heeft. Hij gebruikt de revolver, waarmee deze zich het leven zou kunnen benemen, als hij er genoeg van had. Maar de man wilde nog niet dood, hoewel hij zijn afscheidsbrief al had geschreven. Het lijkt een beetje op dat van een bejaarde die weinig meer kan. “Ik word geholpen mijn behoefte te doen, en daarna wordt ik gewassen en afgedroogd. En het ergste is, ik betaal er niemand voor. Maar ik zou nooit iets doen om een leven te verkorten waar ik in geloof. Ik zou mij nog wel bij ergere dingen kunnen neerleggen, blindheid, doofheid, alles wat je maar wilt, als ik in mijn binnenste maar die sombere en hartstochtelijke vlam voel die mijn ik is, mijn levende ik… En jij, Meursault, met jouw lichaam, jouw enige taak is te leven en gelukkig te zijn.”

“Ik moet mijn brood verdienen. Mijn werk, die acht uur met de anderen verdragen, beletten het mij,” zei Meursault vinnig. ”Sinds twintig jaar heb ik een bepaald geluk niet leren kennen. Het leven dat mij verslindt heb ik niet volledig gekend, en wat mij afschrikt in de dood is de zekerheid dat hij mij zal vertellen dat het leven zonder mij is verstreken. Dat ik er afzijdig van ben gebleven, begrijp je wel?” (p 69, 73, 80).

“De volgende dag doodde Mersault [de invalide] Zagreus”. Een onderzoek wees uit dat hij het zelf had gedaan. Zijn vriendin “Marthe kwam Mersault opzoeken en zei met een zucht: ’Er zijn dagen dat je wel in zijn plaats zou willen zijn. Soms is er meer moed voor nodig om door te leven dan om je van het leven te beroven” (p 89). Meursault vertrok naar Praag - evenals Camus toen hij 22 jaar was - en verbrak zijn relatie per brief. “Op onze leeftijd hou je niet van iemand. Je schept behagen in elkaar, dat is alles,” had hij eerder gezegd (p 63).

In Praag “werd hij op zichzelf geworpen en de barst die hij in zich had knapte open en leverde hem over aan nog meer angst en koorts… Hij kreeg zijn heimelijke angst weer terug… Elke dag dacht Meursault aan weggaan, en elke dag zonk hij dieper weg in de eenzaamheid en wist hij minder goed waar het geluk te vinden was… Hij had het onduidelijk gevoel dat er iets ontbrak… en hij verlangde naar steden vol zon en vrouwen” (p 102, 104, 107, 110).

Hij ging naar terug naar Algerije, naar drie vriendinnen in een soort studentenhuis, ‘het Huis tegenover de Wereld’ aan het strand. Hij gaat met ze zwemmen, eten en relaxen, “met deze jonge mensen die tot geluk in staat zijn… En hun hart dat zowel smartelijk als vreugdevol is, weet deze dubbele les te verstaan die naar een gelukkige dood leidt” (p 147). Toch gaat hij weg, omdat hij zich niet wil binden. Hij krijgt een verhouding met ene Lucienne. “Door bij een mens zijn toevlucht te zoeken, ontsnapte hij aan zijn heimelijke angst” (p 160).

Hij houdt de relatie vrijblijvend.  “Geloof me, er is geen groot verdriet, geen diep berouw… Alles komt in het vergeetboek, zelfs de grootste liefdes. Dat is wat het leven zo triest en tegelijk zo meeslepend maakt… Daarom is het toch goed om een grote hartstocht, een ongelukkige liefde in zijn leven te hebben gehad. Dan hebben we tenminste een alibi voor de onredelijke wanhoop waaronder wij gebukt gaan” (p 161).

Hij wordt ziek en gaat naar een bevriende dokter, die hij een idealist noemt. “Het tegendeel van een idealist is maar al te vaak een mens zonder liefde,” zegt de dokter. “Ben je in staat iemand te minachten?,” riep Mersault in een opwelling. “In het geval dat iemand alleen maar op zijn eigen voordeel uit is en gedreven wordt door zucht naar geld,” antwoordde de dokter, die een soort voorbode is van de dokter in La Peste. “Had hij uit eigenbelang gehandeld?” vroeg Meursault zich af” (p 186-87). Ja, dus.

 

Camus hield van zon en zee en strand

https://blogs.ubc.ca/phil489/2018/03/06/albert-camus-absurdity-paradox

 Vrede met het leven en de dood

Tijdens een avondwandeling aan het strand “leek het of zijn leven hem ver weg toescheen, alleen, onverschillig voor alles en voor zichzelf, scheen het Meursault toe dat hij eindelijk had bereikt wat hij zocht en dat de vrede die hem vervulde ontstaan was uit een geduldig afstand doen van zichzelf die hij had nagejaagd… Meursault voelde hoe dicht het geluk bij tranen ligt, in die stille vervoering waarin hoop en wanhoop zich verweven en vermengen in een mensenleven. Bewust en toch vreemd, door hartstocht verteerd en toch ongeïnteresseerd, begreep Meursault dat zijn leven en zijn bestemming hier tot voltooiing kwamen” (p 192-93).

“Hij wilde niet sterven als een zieke. Voor hem tenminste wilde hij niet dat de ziekte was wat zij zo dikwijls is, een verzachting en om zo te zeggen een overgang naar de dood… Hij wilde zijn helderheid terugkrijgen… Hij wilde zijn schoonheidsgevoel en zijn levenslust niet verliezen… Maar voordat hij insliep had hij de tijd om de nacht te zien verbleken achter de gordijnen en, met het ochtendgloren en het ontwaken van de wereld, een reusachtige roep om tederheid en hoop te horen, die zeer zeker zijn angst voor de dood deed wegsmelten, maar die hem tegelijkertijd de verzekering gaf dat hij een reden zou vinden om te sterven in datgene wat heel zijn reden om te leven geweest was” (p 197-99).

“Hij wist nu wie hij was geweest: en deze keus die in de mens het noodlot schept had hij gemaakt met bewustzijn en met moed. Daarin lag heel zijn geluk om te leven en te sterven. Hij begreep dat bang zijn voor de dood, waar hij tegenaan had gekeken met de radeloosheid van een dier, bang zijn voor het leven betekende. De angst om te sterven rechtvaardigde een grenzeloze verknochtheid aan het levende in de mens… Hij moest nu bewust blijven… alleen met zichzelf in een dialoog met zijn lichaam… met de ogen open naar de dood… Een oneindige woestijn van eenzaamheid en geluk waarin Meursault zijn laatste kaarten uitspeelde. Hij voelde zijn ademhaling zwakker worden… En hij keerde met vreugde terug naar de waarheid van onbeweeglijke werelden,” in het bijzijn van Lucienne (p 202-207).

Voor hij stierf “vatte hij een hevige en broederlijke liefde op” voor de man die hij had gedood. In de latere werken van Camus staat die liefde meer centraal, die hier op het eind pas wordt genoemd en eerder een vrijblijvend karakter had. Egoïstisch genot lijkt hier betrekkelijk zinloos, doelloos en absurd en geeft Meursault niet de vrede en vervulling die hij zoekt. Die vindt hij als hij bewust gaat leven vanuit een bewustzijnsveld waar leven en dood in elkaar overgaan. Je kunt dat een vorm van transcendentie of overstijgend bewustzijn noemen, dat voorbij de wereld van tegenstellingen gaat en deze overstijgt. Iets degelijks lijkt Camus te hebben ervaren en beschreven.

 

 Relatie met euthanasie

Wat heeft dit te maken met euthanasie? Euthanasie gebeurt zelden om een gelukkig leven te beëindigen, maar wel om ondragelijk lijden te beëindigen. Een gelukkige dood volgt na een gelukkig leven, waarbij ook de droeve kanten worden aanvaard, inclusief de dood. Het leed is niet uit te bannen, wel te verminderen, te verzachten en te aanvaarden voor zover het niet verminderd kan worden. Camus houdt zich niet bezig met euthanasie, wel met suïcide en de dood. Hij verwerpt suïcide, ook al is het leven absurd en uitzichtloos, zoals bij de invalide Zagreus, die door Meursault uit zijn uitzichtloze situatie wordt verlost. Meursault handelt echter uit eigenbelang, niet uit ‘broederlijke liefde’, die pas aan het eind van zijn leven in hem ontwaakt, en ook pas in de laatste werken van Camus, afgezien van enkele eerdere beschrijvingen.

Het werk van Camus is een inspiratiebron om het leven te verbeteren en het lijden te verminderen en ons lot te accepteren, dat we ondanks onze vrijheid niet in de hand hebben, maar wel kunnen verbeteren. Daarin vindt het absurde leven toch een soort van zin. Absurditeit en uitzichtloosheid sluit geluk niet uit. Sisyphus aanvaardt zijn absurde lot en is uiteindelijk toch een gelukkig mens. Geluk is niet zozeer een objectief gegeven maar meer een bewuste levenshouding, die bij Camus wordt gekenmerkt door zowel verzet als acceptatie. In L’envers et l’endroit (Keer en tegenkeer, 1936) schrijft hij reeds: "De hoogste vorm van moed bestaat nog altijd hierin, je ogen niet te sluiten voor het volle levenslicht en ook niet voor de dood."

 

Het ontwaken van het bewustzijn

“Tegenover deze onbegrijpelijke wereld, tegenover dit bespottelijke alledaagse leven.., dat tot niets anders dan tot de dood leidt, verrijst het bewustzijn… De verwondering welt op: hoe heb ik, die bewustzijn ben, me kunnen identificeren met dit, dat aan mijn natuur geen deel heeft. Het bewustzijn… maakt zich los en komt in beweging… Het ontdekte bewustzijn  wordt gevoeld als iets goeds, het enige goede, het waarlijk goede: Want alles begint met bewustzijn en ontleent pas hieraan zijn waarde. Dit bewustzijn wordt door Camus in toenemende mate in zijn oeuvre verdedigd,… het bewustzijn dat deze mechanische wereld heeft gezien en er daardoor tegelijkertijd aan is ontsnapt.” (Luppé, p 18-19). Het bewustzijn kan er als het ware vrij van zijn, maar zich er ook mee identificeren.

In zijn romans beschrijft Camus op indringende wijze momenten van bewustwording waarin een diepere zin en vreugde in het leven wordt ervaren. Daardoor biedt hij hoop. Meursault, de ter dood veroordeelde hoofdpersoon in De vreemdeling, ervaart een moment van bevrijding waarin hij vrij is van de absurditeit van het bestaan. “Hij ziet de absurditeit van een sterfelijke wereld, waarvan hij geen deel meer uitmaakt. Tegelijkertijd kan hij zijn leven beoordelen, hij kan het rechtvaardigen. “Het leek alsof ik gedurende al die jaren had gewacht op deze minuut en deze vroege dageraad waarin mij recht zal worden gedaan.”

“Onder de nieuwe verlichting van de dood vloeit alles samen in dezelfde onverschilligheid; alles wordt genivelleerd door de vraag: waartoe dient het?... Meursault voelt zich bereid om alles nog eens te doorleven… ‘Zo gaf ik mij tegenover deze nacht vol tekens en sterren voor het eerst over aan de tedere onverschilligheid van de wereld. Het gevoel dat zij zo gelijk was aan mij, mij zo verwant, deed mij beseffen dat ik gelukkig was geweest en dat ik het nog altijd was… Ik geloof dat ik heb geslapen, want toen ik wakker werd, zag ik de sterren. Er drongen allerlei geluiden tot mij door. Geuren van de nacht… verfristen mijn slapen. De heerlijke vrede van deze slapende zomer kwam als een vloedgolf over mij’” (Slot van De vreemdeling; Luppé, p 82)

In Retour à Tipasa in L’ Été en ook elders beschrijft hij dergelijke ervaringen als een nieuwe morgen in alle zuiverheid, licht en stilte: “In het glorieuze decemberlicht, zoals het slechts één of twee keer schijnt in het leven dat zich daarna vervuld mag achten, vond ik precies datgene terug wat ik was komen zoeken…: de  stilte en het licht” (p 129).

“Het bewustzijn is in diepste wezen: verlangen te leven, verlangen naar helderheid” (p. 24).

Achter “de ononderbroken opeenvolging van de gewaarwordingen….[is] de daaronder liggende aanwezigheid van het bewustzijn. Een aanwezigheid die aan de gewaarwording trouwens zijn intensiteit kan geven… Want als het bewustzijn een ogenblik niet aanwezig is, wordt dit ogenblik niet beleeft en gaat het verloren in de monotonie van het dagelijks leven” (p 30).

 

 De mens in opstand

Een leven in verzet, een opstandig leven, is een bewust leven. Zijn boek De mens in opstand (1951) “legt het accent op het bewustzijn, op het verlangen naar inzicht dat zich stelt tegenover de duisterheid. Dit verlangen wordt gevoed door opstand… Het bewustzijn treedt met de opstand in het daglicht” (p 35). “Om ten volle te bestaan, moet de mens in verzet komen” (De mens in opstand, p 22)

Camus pleit voor bewust leven in oppositie met de wereld. Tegelijk streeft hij naar eenheid. “De gelukkige eenheid is het verlangen van het bewustzijn; zij zou ons genezen van de door de dood onvolmaakte en door het kwaad uiteengeslagen levensstaat. Want zij zou alle begrip omvatten, en het kwaad zelf, opgenomen in de eenheid, zou niet meer zo’n duistere afgrond zijn… Op het appèl voor een veelzijdig [bewust] leven… volgt aldus de oproep van de eenheid… die aan een religieuze zang herinnert, en die gericht is op het éne” (Luppé, p 37-38).

 “Ik voel me enigszins als de voor-christelijke Augustinus die zei: ‘Ik zocht waar het kwaad vandaan kwam en ik zette het niet van mij’… Te geloven dat het kwaad zou kunnen worden uitgebannen, wekt de verleiding van totalitaire middelen” (Luppé, p 49).

“Welke pogingen een mens ook doet, de wereldsmart te verminderen, het onrecht en het lijden zullen niet verdwijnen en de mens zal er steeds tegen protesteren” (De mens in opstand, p 240). Het kwaad en menselijk onvermogen is niet op te heffen, maar het kan wel worden verminderd en verbeterd. “Het is niet zaak te berusten of te wanhopen, maar stelling te nemen… Aldus wordt een levende moraal geschapen” (p 51). Daarmee bedoelt hij een actieve moraal, geen formele abstracte moraal en ook gaan afwezigheid van moraal, zoals bij het nihilisme.

“De maat, ontsproten aan het verzet,... betekent een nimmer aflatende strijd… waarin ze telkens tot nieuw leven wordt gewekt. Ze kan noch over het onmogelijke, noch over de afgrond zegevieren, maar vindt tussen beide haar evenwicht” (De mens in opstand, p 239).

Het willen veranderen en verbeteren van de wereld is veeleer een soort ‘binnenwereldse ascese’ in de zin van Max Weber dan een revolutie. “In twintig eeuwen is het kwaad onaangestast gebleven en is geen goddelijke of revolutionaire heilsverwachting werkelijkheid geworden… Men begrijpt dus wel dat verzet het niet zonder een vreemde liefde kan stellen… In het klare licht blijft de wereld onze eerste en onze laatste liefde. Met ons ademen onze medemensen onder dezelfde hemel dezelfde lucht in” (p 240).

“De opstandige zoekt zonder het te weten een moraal en iets heiligs. De opstand is een ascese.” Het komt voort uit het geen genoegen willen nemen met een irrationele en onvolmaakte wereld die door het kwaad uiteengeslagen is. Ook al kunnen wij er geen volmaakte eenheid in verwerkelijken, gaat het erom “een niet te verwerkelijken streven niet op te geven. Niet te verwerkelijken omdat de kreet om eenheid van het bewustzijn voortkomt uit een confrontatie van tegenstrijdige bepalingen: het bewustzijn worstelt in een irrationele wereld, een verstrooide wereld. De eenheid is nietig, daar de wereld niet de harmonieuze vergroting is van het middelpunt dat het bewustzijn is! Het bewustzijn weet dat zijn verlangen… een verlangen is en dus geen deelname aan een verwerkelijkte eenheid… Indien de opstandige dus God loochent, is het in de hoop op een nieuwe God. Hij wankelt onder de schok van de eerste en diepste der religieuze ontroeringen, maar het is een religieuze ontroering die werd teleurgesteld” (Luppé, p 38-39).

Hier toont Camus zijn verwantschap met Nietzsche en Kierkegaard, voor wie dit (ook) geldt. Kierkegaard vindt een nieuw soort geloof, dat voor Nietzsche en Camus niet aanvaardbaar is, omdat zij het geloof als onwaar en illusoir beschouwen. Camus opent hierbij een derde mogelijkheid: aanvaarden dat het leven geen zin heeft en zich neerleggen bij het absurde van het bestaan, maar zich toch verzetten tegen de zelfmoord, toch koppig doorgaan met leven. "De revolte geeft het leven waarde", stelt hij. Bij Sisyphus is “de strijd op zichzelf voldoende om het hart van een mens te vullen” (Wikipedia).

Het verzet verbindt het bewustzijn met de wereld. “De ervaring van het absurde heeft het uit zijn sluimering doen ontwaken, zo heeft de opstand het gevoed, het inhoud gegeven… De opstand… breekt het zijn open en helpt het buiten zijn oevers te treden”, volgens de formulering van Camus. “De opstand is in wezen een bemiddelende waarde tussen twee werkelijkheden:... het bewustzijn en de wereld… Hij brengt hun confrontatie tot stand en hergeeft hen hun wederkerige betrekkelijkheid” (p 52).

 

 Liefde en solidariteit

Met verzet en opstand bedoelt Camus geen revolutionaire strijd. Zijn opstand gaat dieper en is ook een innerlijke opstand. Hij heeft zich na de oorlog afgewend van het communisme. Hij ziet het als een voorlopige fase, niet als doel. ’’We might see communism as a springboard and asceticism that prepares the ground for more spiritual activities.’’ (Wikipedia) “De diepere logica van het verzet is niet die der vernietiging; het verzet is gericht op scheppen”, op het goede, op positieve actie, niet op het met geweld omver werpen van de bestaande orde (Mens in opstand, p 227). Camus laat zich kritisch uit over ‘revolutionaire verdwazing’ (p 234) en over geweld, hoewel hij daarvan als verzetsman soms gebruik heeft gemaakt om erger te verhinderen. “Het authentieke verzet zal slechts bereid zijn te strijden voor instellingen, die het geweld beperken, niet die het tot wet verheffen. Geen revolutie is het waard dat men ervoor strijdt, als ze niet onverwijld de doodstraf afschaft … als garantie dat het geweld voorlopig zal zijn” (p 233).

Bij het verzet laat Camus zich leiden door onderlinge liefde en solidariteit. Dat heeft heeft hij overgenomen van zijn voetbalteam. Hij was namelijk een gedreven voetballer (keeper).  Persoonlijke actie gaat bij hem samen met gemeenschappelijke, openbare actie. Het lot en leed van de mensen is een gemeenschappeijk lot en leed. Men herkent zich in de ander. “Verzet vindt zijn rechtvaardiging in de gemeenschap… Solidariteit komt, buiten het heilige om, in en door het verzet tot stand… Om ten volle te bestaan moet de mens in verzet komen, maar dit verzet behoort de grens te eerbiedigen waar het leven van de mensen in gemeenschap begint… In de beleving van het absurde blijft het leed individueel, maar in het verzet wordt het zich bewust, door allen gedragen te worden… Het is de erkenning… dat de hele mensheid lijdt aan de breuk van het ik en de wereld. Het leed… wordt nu een gemeenschappelijke plaag… Alle mensen vinden er hun eerste waarde in. Ik verzet mij, dus wij bestaan” (De mens in opstand, p 23, p 231). Camus benadrukt de saamhorigheid. In zijn roman La Peste geeft hij dat verder vorm.

“Rechtvaardige liefde is volgens Camus een vrucht van de opstand, die zich van het absolute afwendt: Men begrijpt dus dat de opstand een vreemde liefde niet kan ontberen. Zij die geen rust vinden bij God, noch in de geschiedenis (twee absoluutheden), veroordelen zichzelf te leven voor hen die niet kunnen leven, zoals zijzelf: de vernederden… De opstand ontdekt de liefde en doet de liefde groeien… De opstand van Camus bezit een zuiverheid, die de liefde kan beschermen… Hij is noch haat,.. noch verlangen naar bezit. Hij is strijd tegen de haat.., hij is onbaatzuchtig. Hij kan dus in dienst van de liefde staan… Aan het eind van deze weg, in het eindelijk gevonden evenwicht… ontspringt de vreugde die het leven en de dood kent, de edele en sterfelijke, stralende en beperkt levensstaat. Vreugde van het bewustzijn in lucide beheersing van zijn natuur: Daaruit ontspringt de vreemde vreugde die helpt te leven en te sterven” (Luppé, p 59-60).

Camus komt hier dichtbij Augustinus en een oorspronkelijke christelijke levenshouding, afgezien van het ontbreken van geloof in God. Hij gaat echter wel uit van een essentieel bewustzijn, dat zich kan uiten in liefde en solidariteit en zoekt in La Peste het ideaal van ‘heiligheid zonder God’.

Camus was keeper en kwam gemeenschappelijk in actie 

Gemeenschappelijke actie in La Peste

Zijn roman De pest (1947) is te beschouwen als een metafoor voor het leven, evenals zijn andere boeken, in het bijzonder tijdens de bezetting in de oorlog. Ook zijn ervaring met tuberculose is erin verwerkt (O’Brien, Albert Camus, p 46, 49). Het speelt zich af in Oran in Algerije, dat van de wereld is afgesneden en strijd levert met de pest en het fysiek en geestelijk lijden in al zijn verschrikkingen. “Deze stad zonder schoonheid, zonder groen, en zonder ziel gaat afstotend schijnen en tenslotte slaapt men in.” Daarin plaatst hij zijn romanfiguren, die door de pest uit hun routine worden gehaald.

“Tarrou brengt het probleem onder woorden waarom deze kroniek zich beweegt… “Wat mij interesseert is, te weten hoe men een heilige wordt. – Maar u gelooft niet in God. – Precies. Kan men een heilige zonder God zijn” (La Peste, p 279, Luppé, p 86, 87).

“Op het eerste gezicht was Joseph Grand  niets meer dan het stadhuisklerkje dat hij scheen te zijn… Het is begrijpelijk dat men hem nergens anders kon voorstellen dan achter een bureau, ijverig bezig met het herzien van de stedelijke bad- en douchetarieven… Hij was vroeg getrouwd met een heel jong en arm meisje… De rest was heel simpel, aldus Grand. Zo gaat het met iedereen: men trouwt, bemint nog wat, en werkt. Men werkt zo hard, dat men vergeet te beminnen… Jaren zijn zo voorbijgegaan. Later pas heeft ze hem verlaten… [Daarna] dacht hij alleen maar altijd aan haar… Hij was een van die zeldzame mensen, die steeds de moed hebben hun betere gevoelens te beleven” (La Peste, p 57, 59, 96-98; Luppé, p 90, 92). Hij deelt zijn gevoelens bij de arts dr. Rieux, die het met hem meevoelt (p. 93, LP, p 286-87).

Rambert is een journalist. “Zijn hart is verdeeld tussen twee waarheden: het persoonlijke geluk en het bestaan van de medemens… Welke moet men kiezen… Hij wordt geleid door de liefde voor één menselijk wezen.” Dr. Rieux stelt hem voor “een keuze van de liefde jegens alle mensen” (Luppé, p 95-96). Hij werd ertoe gedreven leidende mensen te helpen en vindt daarin een geluk waarin zijn persoonlijk geluk wordt opgenomen. Camus werd in het verzet van zijn vrouw afgescheiden en kent het dilemma. Ook hier heeft Camus niet de illusie dat het leed uit de wereld weg te werken is. “Zelf als oorlogen en misdaden eens zouden ophouden..., dan nog zouden kleine kinderen blijven sterven” (p 99). Dat beschrijft hij heel aangrijpend (LP, p 234 e.v.).

Pater Paneloux schetst de epidemie als een straf van God en een gelegenheid tot bekering. “Hij heeft niet weten lief te hebben..., zich vasthalend aan een verwilderd en ziekelijk geloof” (Luppé, p 103). Hij komt niet in opstand, zoals dokter Rieux en sterft aan de pest. Dr. Rieux is een ware arts, een heilige zonder God, die uit liefde in actie komt, ander dan Paneloux of revolutionairen die het heil van de mensheid op het oog hebben. “Het heil van de mens is een te groot woord voor mij. Zo ver ga ik niet… Het gaat om eerlijkheid… In mijn geval geloof ik dat het bestaat in je werk te doen” (LP 183-84). Toen hij bij zijn beroep mensen moest zien sterven. Sindsdien werd zijn beroep een strijd tegen de dood en het lijden.

Eerdergenoemde Tarrou strijdt tegen de doodstraf via de politiek. “Hij ontdekt dat de middelen die de partij gebruikt, strijdig zijn met haar doel: ze gedoogt moord… om moord tegen te gaan… Tarrou trekt zich terug uit de politieke actie… In de door de pest getroffen stad organiseert Tarrou hulpbrigades; hij is verpleger, bijna arts!... Het is echter de innerlijke actie, die de oorsprong is van de actie in de stad.”

“De pestepidemie, die het lichaam aantast, heeft als tegenhanger de innerlijke pest die aan de ziel kleeft, de haat, de leugen, de trots:… ‘ieder mens draagt haar in zichzelf, de pest, omdat niemand daarvoor immuun is’. Zo heeft de medische strijd tegen de pest zijn tegenhanger in de innerlijke strijd tegen het kwaad, die onophoudelijke inspanning vraagt…  ‘De gezondheid, de integriteit, de zuiverheid, zo je wil, zijn een gevolg van de wil, en wel van een wil, die nooit mag ophouden’… Alleen wie niet besmet is, zal anderen niet besmetten.”

“Tenslotte kan worden gezegd, dat de ware arts degene is, wiens uiterlijke actie… voortkomt uit de integriteit van een geest die het kwaad heeft overwonnen. Naar deze definitie zijn er maar weinigen die het gestelde ideaal verwezenlijken… Tarrou zelf was onderweg. Hij behoorde tot hen die… het goede kennen, maar het kwade doen. Heiligheid zonder God is een doel waarnaar enkele van de figuren in La Peste onderweg zijn: een doel, meer niet” (Luppé, p 106-07).

De solidariteit en “de gerechtigheid doet in ons een vreugde ontstaan, die de mens een steun is in het leven en sterven en die wij weigeren tot later uit te stellen. Steeds weer ontspruit aan onze smartelijke wereld deze vreugde als een onuitroeibaar kruid, als de nieuwe dageraad die op de oude volgt. Met die vreugde kunnen wij onze tijd een nieuw ziel geven. Daarvan zal niets en niemand zijn uitgesloten… Dan kunnen allen leven en herleven, op voorwaarde dat de mens de mens wil begrijpen,”schrijft Camus aan het slot van De mens in opstand.

 

“Het ego is niet in staat om het lijden op te lossen. Het lijden is daarentegen wel in staat om het ego op te lossen.”

Erik van Zuydam (De Ontdekking van het Nu)

 

Het leven als raadsel

Daarmee komt Camus in de buurt van een existentiële, mystiek-religieuze ervaring, die lijkt op wat Rudolf Otto beschrijft als de houding tot het numineuze in Het heilige. Jan de Jongh, in ‘Camus, schrijver van een tijdsgewricht’, schrijft over ‘Camus en de religie’ het volgende:

“In het hart van het universum ligt niet de magere zinloosheid, maar het raadsel, dat wij moeilijk kunnen ontcijferen, omdat het ons door zijn stralen verblindt. Ik zal het nooit zien van aangezicht tot aangezicht. Toch trekt het mij en ademt mij toe door de dingen. Zijn fascinatie laat mij niet los. Ik wil er rekening mee houden, moeizaam proberen het te naderen, en ervoor te buigen’. Dat het leven absurd, ongerijmd is, betekent nog niet dat we daarvoor moeten capituleren. ’Ik zou er niet onder lijden, niet tegen vechten ... als ik niet zou vermoeden dat zich iets laat kennen, ooit’.”

“We moeten er echter in berusten dat we de verborgen achterzijde van ons bestaan niet ontdekken en leven zonder de rustgevende predikaties van orde, zekerheid en harmonie. Camus wilde principieel geen oplossing geven voor het raadselachtige probleem, want dat zou de mens weer vangen in een ideologie, een systeem of een abstractie. Hij beschrijft de mens met zijn hoop en lijden in een keiharde wereld zonder aanknopingspunten voor het trancendente of een metafysisch geluk. In zijn dagboeknotities (Les Carnets) schreef hij: ’Tot God komen omdat men van de aarde walgt en omdat het lijden u van de wereld gescheiden heeft, is zinloos. God heeft behoefte aan mensen die zich met de wereld verbonden voelen. Uw vreugde doet hem plezier.” Jan de Jongh, ‘Camus, schrijver van een tijdsgewricht’, http://www.dbonhoeffer.eu/camus_1_oud.htm.

 

Religieus gevoel                     2019 10 10

 

Na lezing van Albert Camus over De mythe van Sisyphus en De mens in opstand*

 

Een religieus gevoel

biedt een levensdoel

Velen kunnen dit niet voelen

en zoeken andere doelen

 

Afgewend van het mysterie

en gebonden door materie

zoeken velen geen verbinding

maar naar lustbevrediging

 

Terwijl wensen hun vervulling vinden

als verlangens niet meer binden

maar tot hun vervulling komen

zoals wateren de zee in stromen

 

Dit ‘oceanische gevoel’*                                *Romain Rolland, in Freud, Das Unbehagen in der  Kultur

biedt ons een levensdoel

Een zekere geborgenheid

in een reeds verloren strijd

 

Meer dan hunkering naar lust

maakt het ons weer meer bewust

van een diep gevoeld bewustzijn

waarin wij leven, bewegen en zijn*               *Handelingen van de apostelen, 17:28

 

*“Volgens de mythe van Sisyphus hadden de goden Sisyphus veroordeeld tot het voortdurend omhoog duwen van een rotsblok naar de top van een berg, waar het dan vanzelf weer naar beneden rolde. Sisyphus werd gestraft met een nutteloze en hopeloze arbeid. Camus trekt een parallel tussen deze mythe en het leven. Op het moment dat Sisyphus de berg afdaalt om zijn taak te hervatten, is hij zich volledig bewust van zijn ellendige toestand en staat hij boven zijn noodlot, aldus Camus.

Camus start zijn essay met de volgende stelling: "Er bestaat maar één werkelijk ernstig filosofisch probleem: de zelfmoord. Oordelen of het leven wel of niet de moeite waard is geleefd te worden, is antwoord geven op de fundamentele vraag van de filosofie."
“Deze redenering leidt ofwel tot zelfmoord ofwel tot religie als zingever. Deze laatste keuze is volgens Søren Kierkegaard de ‘geloofssprong’ (Engels: Leap of Faith) die men dient te maken om zinvol te kunnen leven. Hoewel Camus het idee van het absurde voor een groot stuk haalt bij Kierkegaard, zet hij zich hier tegen hem af… gezien men zichzelf hier eigenlijk maar iets wijsmaakt om het probleem op te lossen.
Camus opent hierbij een derde mogelijkheid: aanvaarden dat het leven geen zin heeft en zich neerleggen bij het absurde van het bestaan, maar zich toch verzetten tegen de zelfmoord, toch koppig doorgaan met leven.”

“De persoon die het absurde van zijn bestaan aanvaardt en alsnog revolteert noemt Camus een absurde held.  ‘De revolte geeft het leven waarde’, stelt hij. ‘De strijd op zichzelf tegen de top is voldoende om het hart van een mens te vullen. We moeten ons Sisyphus als een gelukkig mens voorstellen’.” (slotzin) Citaat uit Wikipedia.