Ecofeminisme

Civis Mundi Digitaal #90

door Jan de Boer

De term ecofeminisme die uitgaat van de stelling dat er een verband is tussen de onderdrukking van vrouwen en de vernietiging van de natuur, werd voor het eerst gebruikt in 1974 door de militante feministe Françoise d’Eaubonne. Sindsdien verbreidt deze gedachte zich overal ter wereld.

Tijdens de recente marsen voor het klimaat waren er borden met vreemde opschriften te lezen «Pubis et forêts, arrêtons de tout raser» (schaamheuvel en bossen, laten we ophouden met alles te scheren), «Ma planète, ma chatte, sauvons les zones humides» (mijn planeet, mijn poesje, laten wij de vochtige zones redden)… Slogans die om beurten de aandacht op de ecologie en het feminisme vestigen, beter gezegd op het ecofeminisme dat zich steeds vaker in het debat van politieke ideeën manifesteert. Vooraanstaande vrouwelijke intellectuelen laten zich erop voorstaan, manifestaties worden ervoor gehouden en heel wat werken zijn aan het ecofeminisme gewijd. Toch was deze term tot voor enkele jaren vrijwel onbekend in Frankrijk, terwijl het de eerste keer werd gebruikt door de anarchistische Franse schrijfster Françoise d’Eaubonne.

Geboren in 1920 in een verarmde bourgeois- familie, lid van de Communistische Partij tot 1956, legde deze overtuigde militante een verband tussen de klassenstrijd en de feministische strijd. Ouder dan de meeste militanten van de «Mouvement de libération des Femmes » (MLF) in de jaren 1970, was zij ook actief aanwezig in de homoseksuele beweging en interesseerde zij zich ook al heel vroeg voor de milieuproblematiek. In 1974 publiceerde zij «Het Féminisme ou la mort». Daarin verscheen voor de eerste keer het woord «ecofeminisme». «Ervan uitgaande dat dezelfde ideologische matrix leidt tot de dominantie van mannen over vrouwen en de verwoesting van de natuur, stelde zij niet alleen de seksistische organisatie van de maatschappij aan de kaak, maar gaf deze vooral ook de schuld van de milieuvernietiging» zegt Caroline Goldblumn de schrijfster van «Françoise d’Eaubonne et l’écoféminisme» (Le Passager,2019).

In tegenstelling tot de mannelijke waarden van verwoesting, was Françoise d’Eaubonne van mening dat «de vrouwelijke waarden, lange tijd belachelijk gemaakt (…) de laatste overlevingskansen van de mensheid zijn». In het land van het constructivistische feminisme gegrond door Simone de Beauvoir (je wordt niet als vrouw geboren, je wordt het) viel deze door essentie-filosofie gekleurde stellingname, in slechte aarde. Dat verklaart deels het vergeten van het werk van deze baanbreekster van de noodzakelijke vermindering van de economische groei en de bijzondere terughoudendheid van Frankrijk om over een koppeling van ecologie en feminisme na te denken.

Elders krijgt deze gedachtenstroming sinds decennia steeds meer aanhang met name in de Angelsaksische landen. «Aan het einde van de jaren 1970 werd een beweging die zichzelf als «ecofeminisme» omschreef geboren te midden van pacifistische, anti-nucleaire feministen in de Verenigde Staten en Groot-Brittannië» schrijft de filosofe Jeanne Burgart Goutal in haar artikel «L’écoféminisme et la France: une inquiétante étrangeté? » (revue Cités, 2018). In de Verenigde Staten had het nucleaire ongeluk van Three Mile Island (1979) de oprichting van de organisatie «Women for Live on Earth» tot gevolg. In Engeland mobiliseerde een groep vrouwen zich tegen de installatie van kruisraketten in Greenham Common. Te zelfder tijd verrezen er overal ter wereld strijdgroepen met een koppeling van ecologische en feministische doelen zoals de beweging Chipko tegen de ontbossing in het noorden van India. Het ecofeminisme oefent nog altijd een radicale kritiek uit betreffende het patriarchaat en het kapitalisme, het is een min of meer materialistische, onderling niet gelijke, ethische en spirituele beweging.

De filosofe Emilie Hache, die een bundel Amerikaanse artikelen met als titel «Reclaim» het licht deed zien (Cambourakis, 2016) legt de nadruk op «de experimentele en creatieve dimensie van het te vaak niet onderkende ecofeministische corpus». Het aan de ecologische vocabulaire ontleende woord «Reclaim» betekent hier het feit van het hernieuwen en van het tegelijkertijd in ere herstellen van de natuur en de vrouwelijkheid. Een doelstelling in het hart van het ecofeminisme waarvoor ook politieke persoonlijkheden niet ongevoelig schijnen te zijn. Op 10 januari jongstleden bevestigde Delphine Batho, voorzitster van de politieke partij «Génération Ecologie«, in de Nouvel Observateur dat «de gemeenschappelijke ervaring van vrouwen van het aan de kant gezet worden van de macht op alle gebieden (…) hen vlugger in staat stelt deze macht te veranderen en weer een positieve houding ten opzichte van het leven te vinden». En Ségolène Royal, ambassadrice belast met de internationale onderhandeling inzake de poolgebieden, was van oordeel (op de website van FigaroVox op 6 maart jongstleden) «dat er wat betreft het geweld waar vrouwen onder lijden en het geweld waaronder de natuur lijdt, grote overeenkomsten bestaan».