Van een definiërend naar een energetisch wereldbeeld: begrippen en feiten als dragers van energie. Deel 1: Nieuw beleid past niet in bestaande kaders en vraagt een ander perspectief

Civis Mundi Digitaal #91

door Mathieu Wagemans

https://transinformation.net/die-immense-energetische-verschiebung-wichtige-varianten-zur-integration/

 

Onze instituties, met name de overheid, de wetenschap en de gezondheidszorg definiëren onze werkelijkheid, in wetten, verordeningen, theorieën, ziektebeelden en behandelingen en hebben vaak de macht hun definities en hun wereldbeeld min of meer dwingend te doen gelden. Er is ook een ander wereldbeeld mogelijk, waarin de werkelijkheid wordt beschouwd als energie, minder is vastgelegd en meer ruimte laat voor variatie en verandering, die in onze tijd hard nodig is. Deel 1 gaat over het gangbare definiërende wereldbeeld, deel 2 over mogelijke en noodzakelijke veranderingen, waarbij bewustzijnsverandering een belangrijke rol speelt.

 

We staan voor ingrijpende veranderingen

Langzamerhand is bij velen de overtuiging gaan leven dat we voor ingrijpende veranderingen staan. Dat geldt op het vlak van duurzaamheid maar ook op institutioneel vlak.  Het besef groeit dat de wijze waarop we zijn georganiseerd, ons in de weg kan zitten bij de overstap naar een duurzame samenleving. Zo leert de ervaring dat ingrijpende vernieuwingen gemakkelijk kunnen worden gefrustreerd door geldende regels. Breed zijn ook de klachten over bureaucratisering en regeldruk. Bovendien onderkennen we lang niet altijd de zin van regels. We persen een dynamische en pluriforme werkelijkheid in statische en eenduidige kaders. Pogingen tot verandering op institutioneel terrein zoals reorganisaties hebben vaak niet het gewenste effect. Het zijn vaak herschikkingen binnen statische kaders, die niet helpen om grip te krijgen op maatschappelijke dynamiek. Hooguit pakken we symptomen aan maar de onderliggende problemen blijven voortwoekeren.

Datzelfde zien we binnen het overheidsbeleid. Nieuw beleid is vaak moeilijk in te passen in bestaande beleidskaders. Daarbij speelt mee dat we strenge eisen stellen aan beleid en ook aan totstandkoming van beleid. Er gelden beginselen van behoorlijk bestuur die moeten worden gerespecteerd bij nieuwe beleidsbesluiten op straffe van vernietiging door de rechter. We vinden ook dat het beleidscomplex intern consistent moet zijn. Nieuwe regels moeten zich logisch verhouden tot bestaande regels. Dat vraagt grote inspanningen.

Het wordt steeds lastiger om nieuwe regels in te passen. Dat lukt ook niet altijd. Ieder kent wel voorbeelden van situaties waarin regels in zichzelf verstrikt raken en dwingen tot gedrag dat in strijd is met andere regels. We hebben de lat zo hoog gelegd dat het steeds moeilijker wordt eroverheen te springen. Steeds vaker is juridische spitsvondigheid nodig en altijd bestaat het risico dat juridische interpretaties van regels door de rechter onderuit worden gehaald.

De vraag is aan de orde of doorgaan op de ingeslagen weg uitkomst zal bieden. Lopen we niet steeds meer vast in onze eigen constructies? In het laatste geval is aan de orde of we niet de overstap moeten maken naar heel andere vormen van sturing vanuit het besef dat we anders niet in staat zijn de noodzakelijke veranderingen aan te kunnen en de regie kwijtraken.

 

Het perspectief van dit artikel in het kort

We beginnen met kort het perspectief te duiden van waaruit we de werkelijkheid benaderen. Daarbij sluiten we aan bij de filosofie van het constructivisme. Dit zegt onder meer dat we de werkelijkheid construeren, dus ook kunnen veranderen door andere denkconstructies. Verandering begint vaak met een andere kijk op de werkelijkheid. Door van perspectief te veranderen vertoont de werkelijkheid zich anders aan ons, kijken we anders tegen vraagstukken aan en komen andere oplossingen in beeld. We willen in dit artikel een andere werkelijkheid verkennen. Aansluitend zullen we het betekeniskader schetsen dat kenmerkend is voor onze moderne samenleving. Wat zijn daarin de vaste veronderstellingen, uitgangspunten en routines?

Vervolgens zullen we vanuit het perspectief van het constructivisme  een heel ander beeld scheppen van onze moderne samenleving. We gaan daarvoor te rade bij de kwantumtheorie. Die keuze is geen toeval. Immers, de kwantumtheorie was en is een voorbeeld van een geheel ander perspectief dat het lange tijd bestaande vanzelfsprekende beeld van de lineaire mechanica doorbrak. Dat was een schokkende ervaring. Maar die bood tegelijkertijd grote mogelijkheden om tot een dieper en beter inzicht te komen in de werkelijkheid. Die bleek een stuk ingewikkelder te zijn dan verondersteld.  We sluiten af met enkele conclusies.  

 

Het perspectief van het constructivisme

Het perspectief dat we kiezen is het perspectief van het constructivisme. Dat houdt, kort geformuleerd, in dat wat we voor werkelijkheid houden in wezen afbeeldingen van de werkelijkheid zijn. We geven betekenis aan de werkelijkheid. Die betekenissen zitten in onszelf. We hebben te maken met een werkelijkheid die heel uiteenlopend kan worden geïnterpreteerd. Dat wijkt nogal af van de bestaande overheidspraktijk waarin in wetten en regelingen heel precies is vastgelegd hoe de werkelijkheid “in de zin van deze wet” moet worden opgevat. De overheid vormt een beeld van de werkelijkheid dat in staat stelt te voldoen aan de eisen die we aan overheidsbeleid stellen. Dat is op het eerste gezicht een merkwaardige paradox.

Overheidsbeleid is bedoeld om de werkelijkheid te veranderen maar om daartoe in staat te zijn moet de werkelijkheid eerst worden aangepast aan onze opvattingen over sturing en over sturingsinstrumenten. Voor de wetenschap kan een vergelijkbaar beeld worden geschetst. De werkelijkheid moet eerst worden geherformuleerd en wel zodanig dat geaccepteerde onderzoekmethoden toepasbaar zijn.

Het constructivisme biedt ons een wereldbeeld dat je zou kunnen duiden als gesubjectiveerde objectiviteit, die niet overeenkomt met het geldende positivisme en objectivisme. Objectivitiet blijkt onhoudbaar, zowel bij beleid, als in de wetenschap, zoals we zullen zien.

 

Gesubjectiveerde objectiviteit

Aandacht verdient ook het besef dat we vanuit het perspectief van het constructivisme niet langer kunnen spreken van een objectieve werkelijkheid. De werkelijkheid is slechts te benaderen door afbeeldingen ervan te construeren die “per definitie” subjectief van aard zijn. We benaderen en onderzoeken een werkelijkheid waarin we zelf acteren en die veranderlijk is, afhankelijk van de veranderende betekenis die we eraan toekennen. Objectiviteit wordt vervangen door gesubjectiveerde objectiviteit. Object en subject zijn onlosmakelijk aan elkaar gekoppeld. 

 

Het heersende positivisme staat niet open voor onvermijdelijke subjectieve invloeden

Het onderliggend beeld van de realiteit in beleid, bestuur en wetenschap is niettemin positivistisch. Dat is het gevolg van de eisen die we aan het optreden van de overheid stellen. Processen van besluitvorming en kennisverwerving moeten worden ontdaan van subjectieve invloeden en dienen objectief te verlopen zodat de uitkomsten objectief zijn. Wij wensen niet dat besluiten afhankelijk zijn van persoonlijke opvattingen of van emoties of dat wetenschappelijk onderzoek wordt beïnvloed door persoonlijke inschattingen of overtuigingen. Besluiten moeten verder worden gebaseerd op langs objectieve weg verkregen kennis.

Probleem vanuit het constructivisme is echter dat zuivere objectiviteit onbereikbaar is. Dat geldt voor beleidsambtenaren, voor bestuurders en ook voor wetenschappers. Men werkt op basis van beelden van de werkelijkheid en kan zich ook niet ontdoen van die beelden. Dat betekent dat er sprake is van een permanente spanning tussen de eisen die we stellen aan besluitvorming en kennisverwerving enerzijds en de praktijk anderzijds.

In beleid en bestuur spelen in de praktijk allerlei overwegingen mee die later in de formele verwoording van overwegingen en besluiten niet zijn terug te vinden. Men kan bijvoorbeeld burgers die vaak bezwaar maken als lastig ervaren. Men kan voorkeur hebben een opdracht aan een bepaald bedrijf te gunnen. Men kan persoonlijke voorkeur hebben een vergunning aan een bepaalde persoon wel of niet te verlenen of in een bepaalde situatie niet handhavend op te treden. Men kan het ongewenst vinden dat bepaalde informatie publiek wordt en gegevens proberen te verdoezelen door ze bijvoorbeeld als minder relevant te classificeren of anders te framen.

Kortom, er kunnen oneigenlijke overwegingen meespelen die men in de formele besluiten uiteraard niet zal terugvinden. Besluiten worden zodanig verwoord dat het beeld van volstrekte objectiviteit wordt opgeroepen. Datzelfde geldt voor de wetenschap.

 

Ook in de wetenschap bestaat geen volledige objectiviteit

Kuhn maakte het onderscheid tussen de context of discovery en de context of justification. Dat onderscheid heeft erop betrekking dat het proces van ontdekking van nieuwe kennis nogal afwijkt van de wijze waarop dat proces wordt gepresenteerd in bijvoorbeeld publicaties. (Kuhn, 1996) De werkelijke processen getuigen bijvoorbeeld van intuïtie en toeval. De presentatie dient echter een beredeneerd geheel te zijn.

Er vindt een reconstructie plaats om te voldoen aan wetenschappelijke criteria die eveneens uitdrukking vormen van objectiviteit. Niet het werkelijke proces van waarheidsvinding wordt beschreven maar er wordt een geobjectiveerde reconstructie gepresenteerd. Het subjectieve wordt eruit gefilterd. Het bestond wel, maar binnen een context van objectieve rationalisatie is er geen plaats voor.

Niettemin speelt het subjectieve in het gehele proces een rol. Het begint al met de probleem- en onderzoekformulering. Wat als vraagstelling op tafel komt, wordt geherformuleerd en wel zodanig dat de wetenschappelijk geaccepteerde methoden toepasbaar zijn. Anders gezegd, de realiteit moet wijken voor de afspraken die zijn gemaakt over eisen waaraan onderzoek moet voldoen. Maar als die eisen uitgaan van de illusie van objectiviteit, kan dit niet door het onderzoek worden gekritiseerd maar wordt, in tegendeel, de onderliggende illusie juist bevestigd.

Het komt erop neer dat de eisen die we stellen aan wetenschappelijk verantwoord onderzoek in zichzelf niet consistent zijn. Er is sprake van systeemfouten en wel in die zin dat het geheel is gebaseerd op veronderstellingen die niet deugen. Veronderstellingen sluiten buiten wat niet past. Door buiten te sluiten wat niet past wordt de werkelijkheid overzichtelijk. Maar die overzichtelijkheid is een geconstrueerde overzichtelijkheid, enkel met als doel een beeld van consistentie te kunnen construeren.

 

Kenmerken van het moderne wereldbeeld

Er bestaat veel literatuur waarin wordt beweerd en gedemonstreerd dat het wereldbeeld binnen de moderniteit aan de basis ligt van problemen waar we mee te maken hebben. Zo wordt vaak geduid op de absolute betekenis die aan rationaliteit wordt toegekend. We hebben een sterke overtuiging dat we problemen kunnen aanpakken door deze beredeneerd te benaderen. We analyseren in de hoop en verwachting dat we zo de oorzaken kunnen opsporen. Nu weten we ook dat redeneren zijn beperkingen heeft.

Beperkingen  van het moderne wereldbeeld zijn onder meer:

1. Onvolledigheid, dat wil zeggen de onmogelijkheid een (al)omvattend beeld te vormen,

2. Behoefte aan (rationele) beheersing, ook wel instrumentele rationaliteit genoemd

3. Materialisme en nadruk op materiële, economische korte termijn belangen en rendement

4. Mateloosheid en onbeheersbaarheid van de economische groei

5. Nadruk op kenbaarheid door analytisch denken en technologie

6. Uniformiteit, geen afwijkingen en uitzonderingen

 

1. Onvolledigheid

We zijn niet in staat, zoals Simon stelde, om ons een allesomvattend beeld te vormen van de werkelijkheid, alle aspecten diepgaand te analyseren, alle mogelijke alternatieven uit te werken en op basis van een volledige set aan criteria vervolgens de juiste keuze te maken. Ons vermogen daartoe kent zijn beperkingen waardoor absolute rationaliteit voor ons niet bereikbaar is (Simon, 1997). Maar het accepteren ervan valt ons zwaar. Zie de wijze waarop we rampen en omvangrijke ongelukken benaderen. We analyseren zeer gedetailleerd de gang van zaken en steeds weer formuleren we aanbevelingen om de praktijk iets aan te passen in de veronderstelling dat we daarmee het ongewenste en het onvoorspelbare kunnen vermijden.

2. Behoefte aan rationele beheersing

Daarmee komen we bij de behoefte aan beheersing als een tweede kenmerk van ons moderne wereldbeeld. Met het accepteren van fundamentele onmacht hebben we het moeilijk. Desnoods blijven we illusies koesteren in plaats van onszelf met onvermogen te conformeren. En dus geven rampen aanleiding de protocollen nog verder te verbijzonderen.  Onze opvatting van rationaliteit is bovendien oppervlakkig en instrumenteel. Ons rationaliteitsbegrip is systeemgebonden en dus beperkt . Een vergelijking ligt voor de hand met het onderscheid dat Weber maakt tussen doelrationeel en waarderationeel handelen.

3. Materialisme en nadruk op materiële, economische korte termijn belangen en rendementHet materialistisch karakter van onze moderne cultuur hangt hiermee nauw samen. De moderne mens heeft weinig oog voor het metafysische. In de politiek is ideologie “uit”. Behartiging van belangen neemt een voorname plaats in en drukt onderliggende verschuivingen binnen ons waardenpatroon opzij. Rentmeesterschap verdwijnt uit het zicht wanneer de zorg voor onze leefomgeving moet wijken voor kortetermijnbelangen zoals de economische noodzaak binnen ons landbouwsysteem van schaalvergroting die een grotere efficiency en een lagere kostprijs per eenheid product mogelijk maakt, bijvoorbeeld door de bouw van nieuwe en grotere stallen  Wat als oplossing wordt gepresenteerd is in wezen vaak niet meer dan een compromis tussen onderling strijdige belangen.

4. Mateloosheid  van de economische groei

Een ander punt betreft de mateloosheid. Groei is voorondersteld. Binnen de economie is onze overtuiging dat zonder groei de continuïteit gevaar loopt, zowel macro- als micro-economisch. Die mateloosheid wordt door van der Wal geduid als een kenmerk van de moderniteit en als een oorzaak van de milieuproblematiek (Van der Wal, 1996). Er staat geen rem op economische groei met als gevolg dat wat economisch niet van betekenis is, het risico loopt steeds verder te worden weggedrukt. Het kwetsbare kan niet rekenen op bescherming binnen een samenleving waarin het economisch kader dominant is. Het systeem is niet zelfcorrigerend en behoeft bijstelling van buiten af, bijvoorbeeld door overheidsingrijpen.

5. Nadruk op kenbaarheid door analytisch denken en technologie

Kenbaarheid kan eveneens worden opgevat als een basisovertuiging. De wetenschap stelt ons in staat de werkelijkheid te kneden en als dat niet naar wens verloopt zal nader onderzoek ons ongetwijfeld verder brengen. Technologie is oorzaak van problemen maar nieuwe technologie zal ons in staat stellen die weer op te lossen. Daarbij ligt er een nadruk op analytisch en splitsend denken. De roep op integrale benaderingen is weliswaar sterk, maar de geldende kennis is eerder de optelsom van disciplinaire kennis. We hebben behoefte aan de constructie van een nieuw discipline-overstijgend kader maar dat is lastig te realiseren binnen disciplinair opgebouwde structuren zoals onze universiteiten en andere kennisinstituten.

6. Uniformiteit, geen afwijkingen en uitzonderingen

Ook de drang tot ordelijkheid en uniformering verdient vermelding. We hechten waarde aan een allesbeheersende overzichtelijkheid. Het afwijkende wordt eerder als probleem ervaren dan als uitdagend en stimulerend tot verkenning en onderzoek. Voor een open houding van verwondering is weinig ruimte. Het onverwachte verstoort onze wens tot kennen en beheersen in plaats van aan te zetten tot een  zoektocht.

 

 

Een alternatief wereldbeeld waarin betekenisverlening centraal staat

Het moderne wereldbeeld is dus beperkend en uitsluitend. Dat geldt ook voor de overheid. De context waarin beleid tot stand komt is zowel statisch als eenduidig (Wagemans, 2016). Definities sluiten uit. Ze zijn bronnen van betekenisloosheid. Ze werken onderscheidend ten opzichte van wat een definitie omvat en wat een definitie uitsluit.

Een dominant wereldbeeld is gebouwd op aannames en vanzelfsprekendheden. Het bepaalt hoe we de werkelijkheid zien en dus ook wat we buitensluiten. Om het wereldbeeld te verbreden vormen die vanzelfsprekendheden een belangrijke sta-in-de-weg. Zo is binnen het dominante economisch perspectief groei een voorwaarde voor continuïteit. Bovendien heeft wat maatschappelijk van waarde wordt geacht vaak geen waarde en betekenis in economische zin. We willen graag de overstap maken naar een duurzame samenleving, maar wensen tegelijkertijd dat onze economie blijft groeien. Een gemankeerd economisch systeem kan dan al gauw maatstaf worden voor innovaties. Dan blijft een wereldbeeld dominant dat juist als een belangrijke oorzaak kan worden gezien voor een gebrek aan duurzaamheid.  

De overstap naar een ander wereldbeeld is ingrijpend. Het maakt het noodzakelijk dat we ons bewust worden van ongewenst gedrag en vooral ook dat we gaan inzien hoe dat gedrag zo lang in stand kon blijven. Daartoe is vanuit een constructivistisch perspectief nodig dat we ons verdiepen in het onderliggend betekeniskader en in de processen van betekenisgeving.

 

Een vergelijking met de kwantumtheorie

Alvorens inhoudelijk in te gaan op noodzakelijke veranderingen, ligt het vanuit het constructivistisch perspectief voor de hand ons een beeld te vormen van een maatschappij die is opgebouwd op basis van betekenisgeving.  Wat moeten we ons voorstellen bij een werkelijkheid als een betekenisgegeven werkelijkheid waarin sprake is van een ondoorzichtig geheel van betekenis gevende processen en waarin betekenissen bovendien voortdurend  kunnen veranderen? Waarin objecten en gebeurtenissen als betekenis gevende constructies uiteenlopende betekenissen kunnen krijgen, maar bovendien hun betekenis kunnen verliezen en kunnen voortbestaan als betekenisloos?

Als uitgangspunt kunnen we nemen dat feiten hun betekenis krijgen door de betekenis die we eraan geven. Ze worden relevant door de betekenis die ze krijgen en worden aldus drager van betekenis. Gebeurtenissen kunnen we ervaren als schokkend, maar we kunnen er ook gedachteloos aan voorbijgaan. Door er betekenis aan te geven worden feiten en gebeurtenissen als het ware opgeladen. Ze worden als relevant ervaren hoewel die relevantie erg kan verschillen, afhankelijk van de betekenis die we eraan geven.

Naarmate feiten en gebeurtenissen meer betekenis krijgen, krijgen ze werking. Ze kunnen van invloed worden op ons denken en handelen. Ze worden drager van energie terwijl tegelijkertijd andere feiten en gebeurtenissen betekenisloos blijven. Het roept het beeld op van een energetische maatschappij. Betekenisgeving kan de werkelijkheid als het ware doen oplichten waardoor krachten worden opgeroepen. Tegelijkertijd kunnen we (delen van) de werkelijkheid ook ervaren als betekenisloos. Ze raken ons niet. Althans, we zijn ons er niet van bewust. 

 

Voorbeeld: DSM (Statistical and Diagnostic Manual for Mental Disorders)

Ter illustratie van het voorgaande de psychiatrie als voorbeeld. Het DSM (Statistical and Diagnostic Manual for Mental Disorders) bevat een gedetailleerd overzicht van psychiatrische aandoeningen. Nauwkeurig is in definities beschreven wanneer sprake is van bijvoorbeeld een bipolaire stoornis, een angststoornis of een depressie, inclusief allerlei subcategorieën. Die definities hebben gaandeweg het karakter gekregen van een diagnose (van Os, 2014).

De betekenis ervan is overgegaan van helderheid scheppen in onderlinge communicatie binnen de psychiatrie naar een context van behandeling en financiering. Wordt een definitie uit het DSM gekoppeld aan een patiënt, dan heeft dat consequenties voor de behandeling en tevens voor de vergoeding van aan die behadeling verbonden kosten. De definities zijn immers geaccepteerd door bekostigende zorgverzekeringen.

De definities zijn aldus drager geworden van een veelomvattender lading. Ze zijn zwaarder geworden, omdat we er betekenis en dus energie aan hebben toegekend. Ze hebben aanzienlijk meer werking gekregen dan aanvankelijk de bedoeling was. Ze zijn geaccepteerd en zelfs zo stevig institutioneel verankerd dat ze dominantie hebben verkregen.

Zoals voor alle definities geldt, sluiten ze ook uit. Steeds meer dringt het besef door dat behandelingen die zijn gebaseerd op het DSM het risico van eenzijdigheid lopen. Ervaringen van patiënten tellen slechts mee voor zover ze passen binnen het classificatieschema van het DSM. Is dat niet het geval, dan kunnen ze gemakkelijk betekenisloos blijven. Ze zijn er wel maar hebben in uiterste consequentie geen werking. Dat is een merkwaardige paradox. De wijze waarop een patiënt betekenis geeft aan de werkelijkheid, aan zichzelf en aan zichzelf in relatie tot de werkelijkheid, raakt de kern van de psychiatrie. Maar het risico bestaat dat die ervaringen niet of onvoldoende betekenis krijgen, omdat ze niet in staat zijn de blokkades van formele definities te doorbreken. Kundigheid wordt dan vervangen door “des”kundigheid.           

 

De kwantumbenadering op sociaal terrein

Een dergelijk energetisch beeld van de maatschappelijke werkelijkheid waarin sprake is van allerlei krachten die gekoppeld zijn aan betekenisgeving en waarbij we de processen van betekenisgeving nog maar moeilijk kunnen doorgronden, roept een associatie op met de kwantumfysica. Ook de kwantumleer kwam voort uit de confrontatie met processen en krachten die niet verklaarbaar waren met de gebruikelijke concepten en theorieën. De beginselen van de lineaire fysica bleken niet te voldoen omdat er sprake was van onverklaarbare krachten en verschijnselen die we niet met behulp van lineaire benaderingen konden opsporen. Ze waren niet waarneembaar met behulp van toen gangbare begrippen en instrumenten.

Andere concepten, benaderingen en instrumenten waren nodig om te verkennen wat in onderzoek langs gebruikelijke wegen niet oplichtte. Het was er wel maar het was niet waarneembaar en niet meetbaar met tot dan toe gebruikelijke meetinstrumenten. Het hield in dat we de vanzelfsprekendheid van bestaande meetinstrumenten achter ons moesten laten, omdat we daarmee een andere werkelijkheid anders niet konden ontdekken.

Dat roept de vraag op of we ook in het sociale domein niet voor een vergelijkbare doorbraak staan. Kunnen we blijven vertrouwen op concepten, benaderingen en onderzoekmethoden die thans gebruikelijk zijn? Stellen die in staat door te dringen tot de werkelijkheid die betekenisloos is, tot de werkelijkheid die door onze definities en kaders wordt buitengesloten? Je zou als standpunt kunnen innemen dat dit “per definitie” niet kan. Immers, zoals we zagen, leggen we in ons beleid nauwkeurig vast hoe de werkelijkheid “in de zin van deze regeling” moet worden opgevat. Met als gevolg dat de definities en concepten binnen het geldend formele betekeniskader ons niet in staat stellen door te dringen tot de werkelijkheid die niet door deze definities en concepten kan worden omvat.

 

Andere onderzoeksmethoden

In gelijke zin kan ook met betrekking tot de wetenschapsbeoefening worden gesteld dat onderzoekmethoden kunnen hinderen en zelfs belemmeren de werkelijkheid te leren kennen. De kwantumbenadering demonstreert dat er andere concepten en methoden nodig waren om krachten en processen op het spoor te komen, die binnen de tot dan toe bestaande wetenschap niet konden worden geïdentificeerd en doorzien.

In de sociale wetenschappen ligt de situatie niet anders. Sterker nog, men zou kunnen stellen dat de betekenisloze werkelijkheid binnen de sociale wetenschappen en in het bijzonder binnen disciplines als bestuurskunde en beleidskunde juist wordt geschapen als gevolg van bestuurlijke en beleidsmatige activiteiten. Zoals aangegeven dwingen de eisen die we stellen aan besluitvorming die een graad van volmaaktheid benadert. Deze kan slechts worden bereikt door het beeld dat de overheid heeft van de maatschappelijke werkelijkheid in te perken tot een eenduidige en statische werkelijkheid en zodanig aan te passen, dat een belangrijk deel van de maatschappelijke werkelijkheid wordt uitgezonderd.

Eenduidigheid sluit alles uit wat bezien vanuit andere perspectieven wellicht betekenisvol is. Het binaire denken en redeneren dwingt daartoe. Dat proces van uitsluiting laat zich heel gemakkelijk onderkennen in de rechtspraak waar voortdurend besluiten moeten worden genomen over het wel of niet gegrond zijn van bezwaren tegen overheidsbesluiten.

Op basis van de scheiding van machten is de rechter gehouden de definities van begrippen, feiten en gebeurtenissen als uitgangspunt te nemen zoals die door beleidsorganen in regelgeving zijn vastgelegd. Ze vormen een splijtend toetsingskader. Wat bijvoorbeeld burgers als betekenisvol ervaren maar buiten deze definities valt wordt, zo getuigen veel uitspraken, in een klap van tafel geveegd als betekenisloos met de passage die vaak aan het eind van een vonnis na de conclusie is aan te treffen, namelijk dat “wat overigens door bezwaarmakers is aangevoerd, aan de beslissing niet afdoet”. Het wordt als betekenisloos terzijde geschoven, ook al kan een dergelijke uitspraak door betrokkenen worden ervaren als uiting van rechteloosheid. We hebben nu eenmaal geen “Verordening Gevoelens” waarin de intensiteit van beleving als toetsingspunt is vastgelegd.

Deel 2 gaat over noodzakelijke veranderingen in het geschetste wereldbeeld, die perspectief bieden op een ander beleid.