Van een definiërend naar een energetisch wereldbeeld. Deel 2: De noodzakelijke verandering

Civis Mundi Digitaal #91

door Mathieu Wagemans

Bron illustratie: https://ayurvedalife.nl/energetisch-management/

 

Het in Deel 1 gepresenteerde beeld wijkt nogal af van de wijze waarop de werkelijkheid betekenis krijgt binnen beleid, bestuur, rechtspraak en wetenschap. Er is sprake van een ander perspectief. Dat heeft als voordeel dat er aandacht  is voor wat mensen als betekenisvol ervaren. Maar juist omdat het erg afwijkt van het bestaande, is de vraag aan de orde of een dergelijk beeld van de werkelijkheid ook basis kan worden van bijvoorbeeld overheidsbeleid. Is het realiseerbaar en hoe zou dat dan moeten? Dergelijke vragen staan in Deel 2 centraal.

Het ligt voor de hand als bijdrage voor een beter functioneren te pleiten voor een breder perspectief op de werkelijkheid. Dat zou dan in staat kunnen stellen oog te hebben voor wat thans betekenisloos wordt geacht. Maar die betekenisloze werkelijkheid is nog niet zo gemakkelijk toegankelijk. Er zijn en viertal hindernissen:

1. Betekenisverlening is niet waarneembaar

2. Er zijn andere waarnemingen nodig, dus andere begrippen

3. Het statische beeld van de werkelijkheid

4. De neiging tot uniformiteit en uitsluiting

 

1. Betekenisverlening is niet waarneembaar

Op de eerste plaats is betekenisverlening als zodanig niet waarneembaar. We moeten ons beperken tot gedrag dat de uitdrukking vormt van onderliggende betekenisverlening. Betekenisverlening zelf is niet waar te nemen. Vergelijk het met de wind. De wind zelf kunnen we niet waarnemen maar me merken wel het effect ervan, bijvoorbeeld omdat we al fietsend meer energie moeten aanwenden.  Gedrag is gebaseerd op betekenisverlening en vormt er de uitdrukking van. Ook hier ligt een verwijzing naar de kwantumleer voor de hand. Bij de constructie ervan werd men eveneens geconfronteerd met het probleem dat nieuwe krachten die men op het spoor wilde komen niet waarneembaar waren, althans niet met de toen beschikbare en gebruikelijke instrumenten.

Processen van betekenisverlening kunnen bewust zijn maar heel vaak ook onbewust. Ook routinematig handelen vormt uitdrukking van betekenistoekenning, ook al realiseren we ons dat doorgaans niet.

 

2. Er zijn andere waarnemingen nodig, dus andere begrippen

Op de tweede plaats hebben we andere percepties nodig, dus andere begrippen. Thans geldende begrippen schieten tekort en hebben juist een groot deel van de werkelijkheid gereduceerd tot betekenisloos. Onze definities en ordeningen zijn niet in staat door te dringen tot wat wij impliciet als de betekenisloze werkelijkheid beschouwen. Het is een andere dimensie die andere eisen stelt aan toegankelijkheid.

 

(Tekening, Jeroen Wagemans)

 

3. Het statische beeld van de werkelijkheid

Een derde probleem vormt het statisch karakter van het beeld van de werkelijkheid zoals dat in regels is geformuleerd. Het overheidsperspectief is juist vanwege het statische en binaire karakter niet goed in staat om mee te bewegen met veranderingen in de maatschappij. Die veranderingen betreffen niet enkel fysieke omstandigheden maar ook opvattingen en overtuigingen over goed en slecht kunnen veranderen. De eis van interne consistentie en beginselen van behoorlijk bestuur maakt meebewegen lastig. Het vertrouwensbeginsel strekt er bijvoorbeeld toe dat een succesvol beroep kan worden gedaan op vroegere standpunten en besluiten. Die blijven in juridisch opzicht werking behouden, ook al hebben die door nieuwe inzichten hun betekenis verloren.

 

4. De neiging tot uniformiteit en uitsluiting

Op de vierde plaats is belangrijk dat we de sterke neiging tot uniformiteit weten te onderdrukken, de neiging dus om het ongeordende op de gebruikelijke wijze te ordenen en zo tot een logisch geheel te komen. Juist die drang tot ordening kan worden opgevat als een belangrijke bron van uitsluiting. Wat niet past in onze ordeningen is juist om die reden betekenisloos. In plaats daarvan moeten we het buitengeslotene respectvol en betekenisvol benaderen. Een houding die ook door Deleuze (2012) wordt bepleit.

Deleuze stelt dat we verschillen weliswaar vaststellen, maar we verdiepen ons nauwelijks in de betekenis. Het afwijkende is lastig en moet worden geclassificeerd. We definiëren het als afwijkend maar we gaan daarmee voorbij aan het wezen ervan. Al te vaak volstaan we met het ordenen van het betekenisloze, met classificatie. Het belandt buiten beeld omdat het niet past in onze gevestigde beelden. Door het te duiden als afwijkend en betekenisloos is er ook geen stimulans tot onderzoek ervan.                         

 

Begrippen als vormgevers van energie

Zo beschouwd is de opgave het betekenisloze op te sporen en te verkennen extreem lastig. De vergelijking met de kwantumleer werken we met betrekking tot een tweetal elementen uit:

1. nieuwe begrippen voor nieuwe, onbekende factoren,

2. complementariteit van begrippen die elkaar aanvullen.

 

1. Allereerst confronteert de kwantumbenadering ons met krachten die we eerst niet kenden. We hadden andere begrippen nodig en een ander perspectief om die krachten en daaraan gekoppelde gedragingen op het spoor te komen. Er bleken nieuwe vormen van energie te bestaan. Een nieuwe werkelijkheid toonde zich aan ons, enkel door ons perspectief te veranderen. Om tot die nieuwe werkelijkheid met daarin eerder niet ontdekte energetische processen door te dringen moesten we eerst een nieuw perspectief construeren met nieuwe concepten en nieuwe vormen.

Die invalshoek van energie kan ook voor ons nuttig zijn om maatschappelijke processen beter te begrijpen en vooral ook de veranderingen die zich daarin voordoen. Het vertrekpunt van betekenisgeving staat daarbij centraal, in de overtuiging dat dit ons in staat stelt tot een breder en dieper inzicht te komen.

Door feiten als het resultaat van mentale constructieprocessen te benaderen, kunnen feiten worden opgevat als drager van energie. Ze kunnen bij ons energie opwekken. Dat maakt benieuwd naar de krachten achter en onder processen van betekenisgeving? Hoe verloopt betekenisgeving? Welke krachten zijn daarbij van invloed? Hoe kunnen definities en betekeniskaders dominant worden? Er hoe kunnen feiten hun betekenis verliezen en irrelevant worden? Maar ook de vraag hoe processen van energievernietiging verlopen. Het beeld dus van een energetische maatschappij. Helemaal nieuw is deze invalshoek niet. Zo ontwikkelde wetenschapsantropoloog  Bruno Latour de ActorNetwerkTheorie (ANT) met als kern de notie dat ook objecten “agency” kunnen hebben. Objecten zijn niet slechts dode materie maar kunnen ook drager van energie zijn (Latour,  1995).  

 

Complementariteit van elkaar aanvullende begrippen

Als  tweede aspect van vormgeving door begrippen is het begrip complementariteit interessant. Dat heeft betrekking op relaties tussen elementen.  In tegenstelling tot onze wijze van denken die gebaseerd is op ontleding en het aan de hand van het onderscheiden van verschillen stelt de kwantumleer dat er verbondenheid is tussen verschillende elementen, zelfs als die zich op grote onderlinge afstand bevinden. Er blijkt sprake te zijn van complementariteit, het ene kan niet bestaan zonder het andere. Dat inzicht was zowel baanbrekend als patroonverstorend, ook al konden we de daarbij horende mechanismen nog niet goed bevatten.

Objecten/elementen die zich op grote afstand van elkaar bevinden kunnen onderling verbonden zijn. Dat was een nieuw gezichtspunt dat eveneens interessant is in sociologisch opzicht. Kenmerkend in de westerse cultuur is immers het splitsende denken. We onderscheiden en op basis daarvan scheiden we. Scheiden vloeit min of meer automatisch voort uit het onderscheiden. We hebben gestructureerd en georganiseerd op basis van verschillen. We hebben de verschillen institutioneel vastgelegd.

Complementariteit is ook van toepassing op de relatie tussen object en subject. De slag die aan de orde is, is dat we tot verbindingen komen tussen wat we nu opvatten als tegenstellingen. Deleuze schetst het beeld dat de identiteit van elementen niet moet worden gezocht in de elementen zelf, maar in de relatie tussen elementen. Hij gebruikt de term assemblages. Die verbindingen zijn lastig te leggen tussen verschillende bestaande betekeniskaders. Dan concentreren we ons op verschillen op basis van onderling tegengestelde duidingen. Dan herhalen we de verschillen maar we dringen er niet toe door. We zijn dan niet in staat de verschillen te overstijgen. Voor dat laatste is nodig dat we nieuwe betekeniskaders construeren die tot verbinding in staat stellen tussen wat thans onverenigbaar lijkt.

Tegenstellingen blijken geconstrueerde tegenstellingen te zijn. In plaats daarvan pleiten filosofen als Michel Serres  voor de noodzaak om verbindingen te leggen tussen domeinen en tot integratie te komen (Serres, 2012). Die roep is veelgehoord en algemeen. Maar het is lastig die slag te maken vanuit structuren en kaders die gevormd zijn vanuit een gesplitst en tegenstellend denken.  

 

Bewustzijn maakt het mogelijk iets te begrijpen

 

De rol van bewustzijnsverandering

De uitdaging is dus om bruggen te slaan tussen het onoverbrugbare. Dat vraagt verandering van perspectief, constructie van nieuwe betekeniskaders. We moeten ons bewust worden van een werkelijkheid die eerder buiten ons gezichtsveld bleef. En vervolgens moeten we aan die werkelijkheid betekenis geven waarbij we andere begrippen en concepten nodig hebben. Een dergelijke omslag gaat verder en vooral ook dieper dan het enkel construeren van een nieuw betekeniskader.  De confrontatie met een andere werkelijkheid stimuleert ons en dwingt ons niet zelden ons ertoe te verhouden. Dat houdt in zekere zin in dat we onszelf opnieuw ontwerpen. Vergelijk Pico della Mirandola die het vermogen tot betekenisgeving zag als kern van de menselijke waardigheid. (Pico della Mirandola, 2014)

Het gaat om verandering van bewustzijn. De overstap dus naar een ander bewustzijnsniveau. Dat stelt in staat tot een ander wereldbeeld, dat ons vervolgens kan stimuleren en niet zelden dwingen tot aanpassing van  ons denken en handelen. Door ons denken en handelen aan te passen, kunnen vervolgens veranderingsprocessen op gang komen. De verandering begint dan bij en in onszelf en zal doorgaans meer werking hebben dan via overheidsmaatregelen opgelegde veranderingen. Dat geldt zeker wanneer de noodzaak ervan door burgers niet als noodzakelijk wordt beleefd.

 

Bewustzijn en de kwantumfysica

Interessant in dit verband is de relatie tussen bewustzijn en de kwantumtheorie. Die is meer voor de hand liggend dan wellicht op het eerste gezicht lijkt. Ransijn wijst erop dat kwantumtheoretici zoals en Schrödinger de relatie tussen de fysica en het bewustzijn expliciet hebben benoemd, niet als op zichzelf staande invalshoeken, maar in termen van complementariteit (Ransijn, Deel 2). In een opvolgend artikel stelt Ransijn dat het bewustzijn nog niet is geïntegreerd in de verenigende veldtheorie, die vier velden omvat, welke in de kwantumbenadering zijn geïdentificeerd:  elektromagnetisme, zwakke en sterke kernkrachten en zwaartekracht (Ransijn, Deel 3).

Weliswaar zijn er veronderstellende theoretische perspectieven maar die missen nog bevestiging en ontberen nog verklarend vermogen. Vanuit een benadering vanuit het constructivisme lijkt de gedachte logisch, althans voorstelbaar, om het bewustzijn als vijfde veld op te voeren. Dat is dan wel een theorie van een andere orde dan de verenigende veldtheorie met overige vier. Dit vijfde veld heeft in de gepresenteerde benadering weliswaar ook met energie te maken maar dan niet in de gebruikelijke benadering van de kwantumleer. Het is ook niet nevenschikkend want het bewustzijn heeft bij de identificatie van de vier andere veldtheorieën een nadrukkelijke rol gespeeld.

 

De relatie met het constructivisme

Verscheidene kwantumgeleerden, onder wie Nicolescu, hebben de waarneming benoemd en geproblematiseerd als onlosmakelijk verbonden met het doen van ontdekkingen. (Nicolescu, 2010). Zo beschouwd is de relatie met het constructivisme die in dit artikel centraal staat minder nieuw dan wellicht op het eerste gezicht lijkt. Je zou kunnen stellen dat in plaats van nevenschikking het bewustzijn een overkoepelende status moet worden toegekend ten opzichte van de vier veldtheorieën. Zonder bewustzijn en zonder voorstellingsvermogen zouden ontdekkingen niet mogelijk zijn geweest. Je zou aan het bewustzijn een regiefunctie kunnen toedichten. Het stelt in staat tot betekenisgeving en die vormde de basis voor de ontdekking van de andere veldtheorieën. Een veldtheorie kan immers ook worden  opgevat als een constructie, evenzeer als de concepten en begrippen die daarin een rol spelen. Ik ga hier even voorbij aan de discussie of we hiermee niet de rol van het bewustzijn overdrijven zoals Lamme stelt. Volgens hem is die rol erg beperkt omdat we niet het bewustzijn maar het brein moeten duiden als de constructeur. (Lamme, 2011) Daarbij wordt er onder meer op gewezen dat ons gedrag doorgaans veel minder gebaseerd is op ons bewustzijn dan we veronderstellen. We handelen immers vaak onbewust, dus zonder dat er afwegingen en inschattingen aan ten grondslag liggen. Of we reageren op prikkels zonder dat die het bewustzijn als tussenstop aandoen. Er is verder sprake van routines. Ik neem als positie in dat, zoals eerder aangegeven, een groot deel van ons gedrag plaatsvindt zonder dat er sprake is expliciet redeneren en afwegen en dat dit ook voor betekenisgeving geldt. Anders gezegd, de invalshoek van betekenisgeving sluit onbewust handelen allerminst uit.

 

Welke bewustzijnsverandering?

Wat leert dat ons over de veranderingen waar we voor staan? Allereerst dat een ander wereldbeeld weliswaar noodzakelijk is maar tegelijkertijd dat het nog niet zo makkelijk is om dat gerealiseerd te krijgen. Het thans geldende betekeniskader kan worden geduid als een belangrijke oorzaak van problemen op het vlak van duurzaamheid. De volgende paragrafen geven aan welke aspecten van bewustzijnsverandering onder meer nodig zijn om vanuit een ander perspectief te gaan leven.

 

Economische dominantie doorbreken

We noemden al ons economisch systeem waarin het loont eisen op het terrein van milieu terzijde te schuiven. In dat systeem loont het om natuur en milieu aan te tasten, omdat de gevolgen ervan geen deel uitmaken van de kostprijs. Wat in economisch opzicht geen waarde heeft, is juist daardoor kwetsbaar onder economische druk. Dat het systeem weliswaar permanent moet worden gerepareerd door middel van overheidsregels maakt dat niet anders. Of neem de onevenwichtigheid op individueel niveau. Velen bepleiten als het belang van duurzame voedselproductie maar kiezen als klant voor goedkoop voedsel en belemmeren daarmee de overgang naar een duurzaam voedselsysteem.

De dominantie van het economisch perspectief en systeem leidt er verder toe dat velen er belang bij hebben dat systeem in stand te houden. Ze ontlenen er hun inkomen en hun positie aan. In het verlengde daarvan speelt mee dat we ons betekeniskader in belangrijke mate hebben geïnstitutionaliseerd. Onze organisaties zijn opgezet en gestructureerd langs de lijnen van gedateerde tegenstellingen.

Zo spelen in het maatschappelijk krachtenveld landbouw- en natuurorganisaties een belangrijke rol. We willen graag integratie maar zijn institutioneel voorgeprogrammeerd op splitsend denken en tegenstellend handelen. We leven binnen het beeld dat we ons hebben gevormd van de werkelijkheid en van onszelf in relatie tot die werkelijkheid. Ons handelen en gedrag wordt erdoor bepaald en vloeit er logisch uit voort. Er is sprake van een geconstrueerde vanzelfsprekendheid.

 

Van perspectief veranderen

Wanneer we van perspectief veranderen verandert niet alleen ons beeld van de werkelijkheid maar hebben we de mogelijkheid om ook onszelf in relatie tot de werkelijkheid te veranderen. We zijn in staat om wanneer anderen ons confronteren met andere beelden van de werkelijkheid deze te ontkennen. We kunnen redenen bedenken om geen aanleiding te zien onszelf opnieuw te definiëren in relatie met de werkelijkheid. We kunnen problemen “wegredeneren”. Bijvoorbeeld door te stellen duurzaamheidsproblemen worden veroorzaakt door het buitenland. Of dat ons meetinstrumentarium niet geschikt is. Of door te stellen dat het effect van onszelf op de milieuproblemen zo gering is dat het niet uitmaakt ons gedrag aan te passen.

 

Verantwoordelijkheid nemen en politieke beïnvloeding doorbreken

Neemt de overheid de verantwoordelijkheid voor een aanpak van het probleem over dan beleven we die verantwoordelijkheid niet als zodanig. Verantwoordelijkheid heeft dan geen gezicht, is anoniem. Framing is in wezen het construeren van zodanige beelden dat die overeenstemmen met eigen opvattingen en belangen. Dat kan inhouden dat men situaties en ontwikkelingen dramatiseert of juist onbetekenend probeert te maken.

Sprekend in dit verband is hoe de communicatie binnen het politieke domein verloopt. In verkiezingscampagnes is alle energie erop gericht maatschappelijke problemen en oplossingen zodanig te construeren dat de eigen partij met het bijbehorende verkiezingsprogramma een onvermijdelijke keuze is. Communicatie wordt dan in wezen een proces van manipulatie van betekenisgeving. Nadelen van eigen opvattingen worden gerelativeerd en nadelen van opvattingen van andere partijen worden uitvergroot.

Detzelfde manipulerende programmering is waarneembaar in de communicatie tussen overheid en burger. De eenduidigheid van overheidsbeleid dwingt ertoe beleidsbesluiten te presenteren als de enige waarheid en in ieder geval als veruit “de beste waarheid”. Ook overheidscommunicatie krijgt zo een manipulatief karakter. Men probeert gewenste beelden van de werkelijkheid overtuigend te brengen als “het” beeld van de werkelijkheid en medestanders te winnen en/of beelden van tegenstanders als betekenisloos, irrelevant en onjuist buiten beeld te doen belanden.

 

Een wereldbeeld van invloedsferen en energiestromen   

Het betekent vanuit een sociologisch perspectief een wereldbeeld van invloedsferen en  energiestromen. Definities hebben kracht omdat ze drager zijn van betekenissen en er zijn belangrijke krachten werkzaam  die invloed hebben op de vraag welke definities veel of weinig invloed hebben of energie dragen. Wat verheft gebeurtenissen tot nieuws? En welke krachten zijn werkzaam om een gebeurtenis tot baanbrekend nieuws te verheffen? Een belangrijke factor daarbij is of een gebeurtenis een zodanige betekenis krijgt, dat deze gerelateerd wordt aan wat maatschappelijk als nieuws wordt ervaren. Kan een uitspraak van een politicus worden geduid als een signaal van onderliggende ernstige onenigheid binnen een politieke partij?

Ogenschijnlijk kleine verschillen kunnen worden uitvergroot, waardoor ze een groter gewicht krijgen en, anders gezegd, drager worden van meer energie. Kleine versprekingen of betrekkelijk onschuldige onwaarheden kunnen worden geduid als teken van een vertrouwensbreuk. Een uitspraak tijdens een van de talkshows kan moeilijk te stoppen processen in gang zetten doordat bundeling van energie plaatsvindt. Er is sprake van een hoge attentiewaarde. Een demonstratie van boeren kan worden geduid als een oproep tot meevoelen en meelijden met problemen van boeren of als teken dat men niet wenst mee te werken aan een duurzame vorm van voedselproductie.

 

 

De bepalende rol van betekeniskaders

Bepalend is het vermogen een zodanige situatieschets te construeren dat die appelleert aan wat binnen geldende betekeniskaders belangrijk wordt gevonden. Voor politici is het vermogen belangrijk om afhankelijk van de situatie en de context zodanig te framen dat men steun krijgt zonder op inconsistenties te kunnen worden betrapt. Dat vraagt aanmerkelijke lenigheid op het vlak van betekenisgeving. Zo beschouwd nemen media een belangrijke plaats in binnen het maatschappelijk energieveld. Op redacties wordt bepaald welke gebeurtenissen tot nieuws worden verheven, welke Kamervragen de krant halen, welk nieuws Journaal-waardig wordt bevonden en welke personen in talkshows acteren. Redacties zijn zo beschouwd niet enkel energieknooppunten maar zij functioneren ook als energiebronnen of als zwarte gaten waarin nieuws betekenisloos verdwijnt.

 

Andere constructies van de werkelijkheid: openheid voor het irrationele en betekenisloze 

Een ander wereldbeeld houdt in dat we gaan denken en handelen op basis van andere constructies van de werkelijkheid. De werkelijkheid vertoont zich als gevolg daarvan anders aan ons. En dat houdt weer in dat we onszelf opnieuw moeten construeren in relatie tot die werkelijkheid.  We moeten onze houding van kennen en begrijpen veranderen. Die hebben we laten overheersen door rationaliteit. Dat beperkt onze ervaring. We gebruiken dan onze zintuigen en ons creatieve vermogen te weinig. We zijn dan minder ontvankelijk. We luisteren voorgeprogrammeerd, vanuit gevestigde intenties en doelen. Maar de betekenisloze werkelijkheid zendt signalen uit. Het betekenisloze roert zich. Die buitengesloten werkelijkheid laat zich niet weg definiëren.

Michel Serres geeft veel aandacht aan het begrip ruis. Ruis in de communicatie beleven wij als hinderend en verstorend. Serres draait dat om. Ruis kan ook worden opgevat als een signaal dat we geen oog en oor hebben voor wat niettemin betekenisvol is, ook al is dat (nog)  niet tot ons doorgedrongen. Die signalen moeten we ervaren door onze zintuigen te gebruiken. Dat doen we, zo stelt Serres, nu heel beperkt omdat het rationele overheerst en we de werkelijkheid in rationele kaders willen plaatsen.

Voor het irrationele hebben we weinig oog en oor, juist omdat het irrationeel is of, preciezer geformuleerd, wordt opgevat als irrationeel. We maken een beperkt gebruik van onze zintuigen. Serres noemt muziek als voorbeeld. Een muziekstuk kunnen we analyseren in termen van maten en noten maar juist daardoor hebben we geen oog en oor voor het wezen van muziek. Dan reduceren we muziek tot een verzameling maten en noten waardoor we de inspirerende kracht en het beelden oproepend vermogen ervan ontkennen of zelfs als probleem ervaren. En juist dat laatste, het voorstellingsvermogen, lijkt een kritische kwaliteit wanneer we dreigen vast te lopen in onze neiging tot georganiseerdheid. Het wezen van muziek laat zich niet vangen in maten, vormen en woorden. Of, nog erger, we ervaren muziek als lawaai omdat het ons hindert in onze bezigheden.

 

 

Verruimen en verdiepen in plaats van buitensluiten

We zijn in staat om werkelijkheid buiten te sluiten of zelfs te ontkennen maar daarmee kunnen we het bestaan ervan niet verhinderen. Buitensluiten van de werkelijkheid als betekenisloos betekent in wezen dat we niet in staat zijn die werkelijkheid in onze op rationaliteit gebaseerde kaders te persen. Het buitengeslotene laat zich echter niet ontkennen, ook al zijn we niet in staat of bereid de signalen ervan als betekenisvol op te vangen. Ook de moderne technologie kan ons daarbij niet helpen. Internet bevordert de toegankelijkheid van kennis en de snelle transfer ervan. Hier gaat het echter niet om de snellere verspreiding van informatie, maar om een veel breder perspectief van informatie. Het lijkt eerder zo dat technologie beperkend kan werken doordat de werkelijkheid zich niet in binaire kaders laat drukken. 

Voor verandering is dus nodig dat we ons bewustzijn verruimen en verdiepen. Dus niet meer situatiedefinities als vanzelfsprekend overnemen maar ze verdiepen. Waar zijn ze op gebaseerd? Wat sluiten ze uit? Het is dus, zoals Legaut dat treffend formuleert,  een kwestie van jezelf bewust worden, van een eigen perspectief op de werkelijkheid scheppen (Legaut, 2000). Het betekent ook dat we onszelf opnieuw ontwerpen in relatie tot die werkelijkheid. Niet op basis van een afweging van gevestigde belangen maar vanuit je eigen inspiratiebronnen. Nagaan dus wat je inspireert en afscheid nemen  van een voorgeprogrammeerd leven. En vanuit die inspiratie jezelf opnieuw positioneren.

 

Pluriformiteit in plaats van uniformiteit, decentralisatie in plaats van centralisatie

Verandering betekent ook dat we de drang tot eenduidigheid waar mogelijk vermijden en ruimte scheppen voor pluriformiteit, voor meerduidigheid. Waar moeten we dan aan denken? Dat betekent scherp analyseren wat het probleem is en de vraag stellen of we niet teveel en te makkelijk hebben gekozen voor eenduidigheid. Een invalshoek kan dan zijn de schaal waarop overheidsbesluiten worden genomen. Dan gaat het om de keuze tussen centraliseren en decentraliseren.

De krachten naar centralisatie en uniformiteit zijn echter sterk. En decentraliseren gaat lang niet altijd gepaard met het scheppen van voldoende ruimte op decentraal niveau. Zie decentralisaties in gemeenteland waar de voorgeschreven en vaak gedetailleerde en eenduidige kaders om de overgedragen bevoegdheden in te vullen van bovenaf worden bijgeleverd. Dat kan de gewenste  beleidsruimte op gemeentelijk niveau aanzienlijk inperken, waardoor de bedoelde vernieuwing maar al te vaak wordt geblokkeerd en gefrustreerd, bijv. in een. voortdurende discussie over de vraag of een gemeente beleidsruimte heeft. En heel precies is bepaald hoe die beleidsruimte dient te worden ingevuld. Er is sprake van strakke juridische kaders, die de beleidsruimte sterk inperken en vernieuwing blokkeren en frustreren.

Ook speelt mee dat de overgang naar meervoudigheid nooit volledig kan zijn. Dat is een illusie. We hebben nu eenmaal te maken met vragen die slechts eenduidig kunnen en moeten worden beantwoord. Of een weg moet worden aangelegd en langs welk tracé vraagt om een eenduidig besluit. Datzelfde geldt voor het toekennen van een budget voor een bepaald project. Zo zijn er tal van vraagstukken die vereisen dat er knopen worden doorgehakt. Wanneer we gegronde twijfel hebben over eenduidigheid kan dus niet de vraag aan de orde zijn of we eenduidigheid moeten vervangen door meerduidigheid. We zouden wel ernaar kunnen streven om eenduidigheid slechts te

beperken tot situaties en opgaven waarin we geen alternatief hebben en niets anders kunnen dan te kiezen voor eenduidigheid.

 

Omgaan met verschillen

Een ander aspect betreft het omgaan met verschillen. Wat valt er te zeggen over de wijze waarop we thans tot keuzes komen? We verwezen reeds naar de opvatting van Deleuze dat we tamelijk achteloos en oppervlakkig omgaan met verschillen. Onze zucht naar ordening maakt dat we  slordig en oppervlakkig omgaan met verschillen. We hebben weinig aandacht voor het wezen ervan. Dat heeft als risico dat we keuzes maken waardoor we enkel symptomen bestrijden omdat we geen belangstelling tonen voor het wezen van de onderliggende vraagstukken.

De vraag daarbij is, of ons politieke systeem met harde partijpolitieke kaders ons in staat stelt die omslag te maken. In de bestaande politieke cultuur zijn partijpolitieke belangen dominant. We dwingen elkaar voortdurend tot partijpolitiek. We herinneren elkaar aan ooit eerder ingenomen standpunten.

Verandering van standpunten krijgt de betekenis van een bewijs van inconsistentie of, nog erger, van onbetrouwbaarheid. In de politiek zien dat de nadruk vaak ligt op het accentueren en uitvergroten van verschillen tussen partijen. Men wil zich onderscheiden ten opzichte van andere partijen. Er is een sterke drang tot profilering. Juist het verschil geeft bestaansrecht. Maar dat wil nog niet zeggen dat die verschillen inhoudelijk en diepgaand aandacht krijgen.

Het bestaan van een verschil is belangrijker dan de aard en het gewicht ervan. Verschillen worden in de politiek eerder benadrukt dan dat ze worden uitgediept. Het gaat eerder over procenten dan over onderliggende waarden. Ideologie is “uit” terwijl tegelijkertijd de vraagstukken waar we mee te maken hebben om diepgang vragen. Die vraagstukken uiten zich in de context van bestaande belangen maar op een dieper niveau is bijvoorbeeld bij de overgang naar een duurzame samenleving aan de orde dat waarden en de uitwerking ervan opnieuw moeten worden doordacht. Thans domineren belangen het discours. Dat heeft als voordeel dat men over belangen compromissen kan sluiten. Bij uiteenlopende opvattingen over waarden ligt dat een stuk lastiger.

 

Is de overstap naar een nieuw wereldbeeld mogelijk

Kunnen we vanuit een dergelijk systeem de noodzakelijke overstap naar een nieuw wereldbeeld verwachten? Mogen we hoopvol uitkijken naar de invloed van nieuwe partijen of moeten we verwachten dat die door sterke krachten in het geldende gareel worden gedwongen waardoor ze eveneens slechts tot reproductie in staat zijn? En, als dat laatste het geval is, moeten we dan niet experimenteerruimte scheppen die niet al bij voorbaat stevig wordt begrensd door gedateerde criteria? Moeten we niet erkennen hoe sterk de krachten zijn die spelers in het publieke domein dwingen zich robotachtig te gedragen? (Wagemans, 2018). Moeten we op vernieuwing gerichte ambtelijke en bestuurlijke ongehoorzaamheid niet tot onderwerp van bezinning maken in plaats van af te straffen? Moeten we niet het onfatsoenlijke ruimte geven als dat ons helpt om situaties te doorbreken waarin gedetailleerd uitgewerkte fatsoensregels een dekmantel zijn voor de instandhouding van verstarde systemen? 

 

Nieuwe vormen van gezamenlijkheid       

Ook moeten we aandacht besteden aan de vraag hoe nieuwe vormen van gezamenlijkheid kunnen ontstaan en wat de krachten zijn die daarbij een rol spelen. Hoe kunnen we tot nieuwe coalities komen op basis van gedeelde en als zodanig beleefde waarden, waarin inspiratie wordt gekoesterd en het afglijden naar verschillen van operationele aard wordt voorkomen? In dat verband zijn ook vragen rond verantwoordelijkheid en meer bepaald de toedeling van verantwoordelijkheden aan de orde. Wat valt er te zeggen over de wijze waarop we verantwoording hebben geregeld? Zie de huidige situatie waarin de illusie van complete beheersing en informatie uitmondt in uiterst gedetailleerde protocollen en daarbij horende onevenredig zware en tijdrovende inspanningen zoals gedetailleerde verslaglegging en andere bureaucratische verplichtingen. Welke nieuwe vormen van verrekening kunnen we bedenken waarmee afschuifprocessen en probleemontkenning worden tegengegaan?

 

Verruiming van bewustzijn en kritisch reflecteren                  

Verruiming en verandering van bewustzijn veronderstelt verder dat we in staat zijn kritisch en afstandelijk te reflecteren over onze eigen processen van betekenisgeving. Wat valt er te zeggen over onze eigen processen van betekenisgeving en in het bijzonder over het uitsluitend karakter ervan? Welke bias hebben we ingebouwd? En wat zijn de onderliggende krachten die een bias hebben gebouwd en in stand houden? 

Een dergelijke houding kan licht tot verwarring leiden. We worden geconfronteerd met gebeurtenissen en relaties die we niet kunnen “plaatsen”. Ze passen niet in onze kaders en ordeningen. Ze zijn er, ondanks onze ordeningen. Ontkenning is dan het meest gemakkelijk maar de uitdaging is ons betekeniskader kritisch te beschouwen. Er vloeit een ontwerpopdracht uit voort.

 

Nieuwe (denk)constructies

Om tot verbinding te komen tussen het geordende en het ongeordende hebben we nieuwe

(denk)constructies nodig. Die bereiken we niet door te redeneren maar eerder door te associëren. We moeten betekenis toekennen aan wat binnen ons geldend betekeniskader betekenisloos is. Aandacht krijgen voor wat niet past in onze constructie van rationaliteit.

We staan voor de poging orde te brengen in chaos, althans in wat we als chaos beleven, en daarbij vermijden dat we voor ons wezenlijke elementen in de chaos niet vervolgens door nieuwe ordeningen niet opnieuw buitensluiten. En waarschijnlijk zullen we ook moeten leren leven met meer ongeordendheid wanneer we tegelijkertijd ruimte voor ontplooiing willen bieden door meervoudigheid toe te laten.    

 

Bewustzijn als brug

Tot slot een iets dieper gravende overweging. Dan is aan de orde dat het op het constructivisme gebaseerde vijfde energieveld een brugfunctie kan gaan vervullen tussen de werkelijkheid van de materie en de geest, tussen het materiele en het geestelijke Ransijn (2014, Deel 3). waarschuwt dat we de neiging moeten weerstaan materie en geest gescheiden te benaderen, een neiging die eigen is aan het westers denkmodel. De uitdaging is juist verbindend te gaan denken, hoe lastig dat ook is. Verbindingen tussen het stoffelijke en het geestelijke, tussen natuurlijke krachten en ons bewustzijn, tussen het innerlijke en het uiterlijke. Een duurzame samenleving construeren, niet vanuit tegenstelling tussen gedateerde belangen, maar door verbinding te zoeken tussen wat we nu opvatten als onverbindend.

 

Transdisciplinaire wetenschapVoor de wetenschap betekent dit dat we naast het disciplinaire en multidisciplinaire denken de stap wagen naar het transdisciplinaire. Dat is een enorme opgave omdat we daar nog geen uitgewerkte methodologie voor hebben. Maar dat kan juist de kracht ervan zijn: om zicht te krijgen op wat in onze huidige structuren een onbegrensde betekenisloze ruimte is, kunnen we beschikken over een onbegrensd voorstellingsvermogen. We leven in spannende en inspirerende tijden.

 

Literatuur 

Deleuze, Gilles, Verschil en herhaling, Boom, 2012

Kuhn, Thomas, The Structure of Scientific Revolutions, University of Chicago Press, 1996  

Lamme, Victor, De vrije wil bestaat niet, Bert Bakker, 2011

Latour, Bruno, Reassembling the Social: An Introduction to Actor-Network-Theory, Oxford University Press, 2007

Legaut, Marcel, Devenir soi, rechercher le sens de sa propre vie, Bibliothèque du Cerf, Paris, 2000

Nicolescu, Basarab, Methodology of Transdisciplinarity – Levels of Reality, Logic of the Included Middle and Complexity,  in: Transdisciplinary Journal of Engineering & Science  Vol: 1, No:1, december, 2010, pp.19-38 

Van Os, Jim, De DSM-5 voorbij!, Persoonlijke diagnostiek in een nieuwe GGZ, Diagnosis Uitgevers, 2014 

Pico della Mirandola, Rede over de menselijke waardigheid, Boom, 2014

Ransijn, Piet, Dichter bij de wetenschap, een complementaire visie, Deel 1: Ons incomplete weten: wetenschapsfilosofie en kennissociologie, in: Civis Mundi, nr 25, 2014

Ransijn, Piet, Dichter bij de wetenschap, een complementaire visie, Deel 2: Dichter bij de natuurkunde. Kwantumfysici over complementariteit van wetenschap, filosofie en religie, in Civis Mundi Digitaal, nr 26, 2014

Ransijn, Piet, Dichter bij de wetenschap, een complementaire visie. Deel 3: Dichter bij een verenigende veldtheorie van de natuur en het bewustzijn, in Civis Mundi, nr 27, 2014

Serres, Michel, Muziek, vertaald en geannoteerd door Jeanne Holierhoek, met een nawoord door René ten Bos, Boom, Amsterdam,2012 

Simon, Herbert, Administrative Behavior, Simon & Schuster, 1997

Wagemans, Mathieu, Een Oceaan van Betekenisloosheid, een kritische analyse van bestuur, beleid en wetenschap met een verwijzing naar de filosofie van Michel Serres, Digitalis, 2016

Wagemans, Mathieu, De Robotisering van Raadsleden, een pleidooi voor vernieuwing van de lokale politiek, januari 2018 (te downloaden via www.ontganiseren.nl onder “Nieuws”)

Van de Wal, G.A., De Omkering van de wereld, Achtergronden van de milieucrisis en het zinloosheidsbesef, Ambo, Baarn, 1996