Religie als universeel verschijnsel. Deel 3: Religie en politieke ideologie

Civis Mundi Digitaal #91

door Fred Neerhoff en David Bakker

Zoals we eerder vaststelden[1] [2] is religie onlosmakelijk verbonden met onzekerheden omtrent (de zin van) het bestaan. Het inspelen op deze existentiële onzekerheden verschaft machthebbers een effectief middel waarmee ze hun politieke doelen kunnen verwezenlijken. In dit artikel werken we deze gedachte verder uit. Voorts geldt dat de kernwaarden van een politieke ideologie religieus - als grondwaarheden - kunnen worden beleefd. Religie is in onze opvatting immers een grondwaarheid (subjectieve waarheid) die centraal staat in iemands kijk op de wereld en die niet onderhandelbaar is. We onderzoeken de grondwaarheden van een aantal politieke religies, te weten het liberalisme, marxisme, communisme, fascisme en nazisme.

 

3.1 Religie als politiek machtsmiddel
Religie biedt mensen bestaanszekerheid. Menigeen ontleent er zelfs zijn of haar identiteit aan. Politieke machthebbers die perspectief kunnen bieden op een (kwalitatief) grotere bestaanszekerheid, hebben met religie goud in handen om hun politieke doelen te verwezenlijken. De suggestie alleen al dat hun beloften de gevestigde religie en het daarbij behorende waardenstelsel zullen dienen, is vaak al voldoende om mensen te winnen voor de door hen in het vooruitzicht gestelde politieke doelen. 

Het was de diplomaat en politiek theoreticus, de Florentijn Niccolò Machiavelli (1469-1527) die in het kader van zijn nog altijd actuele politieke theorie de factor ‘religie’ expliciet als het krachtigste machtsmiddel (Machiavelli’s virtù) onderkende. Hij baseerde zich daarbij op in zijn tijd buitengewoon originele eigen waarnemingen van de feitelijke politieke praktijk, ondersteund door een grondige studie van oud-Romeinse heersers en gecombineerd met een onnavolgbare literaire stijl[3] [4] (zie Appendix 3.1). Spinoza’s leermeester Franciscus van den Enden (1602-1674) noemde Machiavelli dan ook een “zeer scherpzinnige Oordelaer, en Observateur”[5].

In navolging van zijn leermeester toonde Spinoza zich in zijn onvoltooide Staatkundige verhandeling[6] (vertaling uit het Latijn van Tractacus-politicus; 1677 postuum) eveneens een groot bewonderaar van de Florentijn en diens realistische, niet-normatieve visie op de dynamiek van politieke macht. Daarmee was hij nog geen voorstander van de politieke structuren waarbinnen de door Machiavelli beschreven heersers, zoals Romeinse dictators, hun macht uitoefenden. In tegendeel zelfs, want daar waar zijn tijdgenoot, de politieke filosoof Thomas Hobbes (1588-1679) in zijn klassieke werk Leviathan[7] (1651) een absolutistische monarchie voorstond, bepleitte Spinoza in zijn Theologisch-politiek traktaat[8] (1670) juist een democratisch staatsbestel. Ook hierin volgde Spinoza zijn leermeester, die zich in zijn Vrije Politieke Stellingen[9] (1665) een voorstander betoonde van een vrije democratische republiek naar model van het klassieke Athene. (N.B. Van den Enden was blijkbaar niet alleen een man van de theorie want als gevolg van verraad werd hij in 1674 voor de Bastille opgehangen wegens deelname aan een heus complot tegen Lodewijk XIV van Frankrijk.)

3.2 Scheiding van Kerk en Staat (secularisme)

Volgens Spinoza is vrijheid het doel van de Staat, d.w.z. dat de Staat iedere burger voldoende ruimte (burgerrechten) moet bieden om te kunnen streven naar zelfbehoud. Desalniettemin was het volgens Spinoza, omwille van ieders veiligheid en het voortbestaan van de Staat, noodzakelijk om grenzen te stellen aan menselijke handelingen, inclusief gedrag met betrekking tot religie. Dit laatste omdat hij de realiteit accepteerde waarin het overgrote deel van de mensen niet leeft volgens de ratio, maar in tegendeel zeer gevoelig blijkt voor een door de geestelijkheid aangewakkerd (bij)geloof. In concreto hield dit volgens Spinoza in dat de Staat controle moest uitoefenen over de Kerk, die bij wet op afstand gehouden moest worden. Doorgaans wordt deze figuur de scheiding van Kerk en Staat genoemd, of ook wel secularisme (Frans: laïcité).

Dit impliceert dat een seculiere rechtbank - anders dan een rechtbank gebaseerd op religie - zich bij het spreken van recht niet kan beroepen op enige ‘heilige’ tekst. Voorbeelden van zulk religieus recht zijn de halaga, codex van het canonieke recht en de sharia, voor respectievelijk joden, katholieken en moslims. Desalniettemin onderkende Spinoza dat de Kerk een rol kan spelen in het bevorderen van gehoorzaamheid van burgers aan de Staat, hetgeen de politieke stabiliteit ten goede zou komen. Dit laat onverlet dat genoemde scheiding van Kerk en Staat van prominent belang is gebleken als het gaat om de emancipatie van onderdanen. Hier komen wij in verband met de Verlichting  in deel 4 nog op terug.

Spinoza’s besef dat de mensen niet leven volgens de ratio, was voor hem ook de reden om te pleiten voor een vorm van directe democratie, omdat hij het onwaarschijnlijk achtte dat een meerderheid het eens zou worden over dezelfde onredelijkheid. Onredelijke besluiten zijn volgens Spinoza in een democratie minder te vrezen.

 

3.3 Politieke religies
Politieke ideologieën beogen vanuit een bepaalde visie op de mens maatschappelijke veranderingen te bewerkstelligen en bevatten, zoals gezegd, kernwaarden die door aanhangers als grondwaarheden c.q. religieus kunnen worden beleefd. Een (subjectieve) grondwaarheid kan samenvallen met de objectieve werkelijkheid maar normaliter is dat niet het geval (uitgezonderd Spinoza’s ware religie - zie deel 1). Terzijde merken we op dat ideologieën komen en gaan, maar dat religie altijd zal blijven bestaan

 

3.3.1 Liberalisme
In het liberalisme staat de vrijheid van het individu centraal. Het vindt zijn oorsprong in de Verlichting. Algemeen wordt aangenomen dat het moderne liberalisme ontstaat bij John Locke (1632-1704). Volgens Locke hebben mensen voorafgaande aan staatsvorming al zogeheten natuurlijke rechten (op leven, vrijheid, bezit) en is het de taak van de Staat deze rechten te beschermen. Locke creëert hiermee ruimte voor individuele burgerlijke rechten en vrijheden. Ofschoon Locke diepgaand is beïnvloed door Spinoza[10] [11] wijkt hij met zijn natuurrechtelijke fictie (wie kent natuurlijke rechten toe?) af van Spinoza’s meer realistische, positiefrechtelijke benadering in diens Staatkundige verhandeling. In Spinoza’s rechtstheorie[12] komt die benadering er kort gezegd op neer dat mensen pas dan rechten hebben als die in de Staat d.m.v. wetgeving zijn toegekend. Desalniettemin geldt voor beide filosofen vrijheid als het doel van de Staat.Toen na de Verlichting en de Franse Revolutie het liberalisme in de negentiende eeuw opbloeide ontstond het kapitalisme als economisch verlengstuk van deze politieke ideologie. Centraal daarin staat het geloof in de vrije markt, gestuurd door een onzichtbare hand zoals beschreven door Adam Smith in zijn The Wealth of Nations (1776). Deze onzichtbare hand zou er dan voor zorgen dat die markt iedereen ten goede zou komen. Overheidsingrijpen in de economie was daarom niet nodig (een zogenaamde laisser faire economie). Er kon worden volstaan met een nachtwakersstaat. D.w.z. een minimale staat die hoofdzakelijk is belast met de interne ordehandhaving en de externe veiligheid.

Een ander belangrijk kenmerk van het liberalisme is de vooruitgangsgedachte zoals John Mill (1806-1873) die voorstond. Deze econoom-filosoof trachtte in zijn beroemde pleidooi voor individuele vrijheid On liberty[13] (1859) een alternatief voor de aan het christendom ontleende universele moraal van Locke en Kant te formuleren. Zowel Locke als de latere verlichtingsfilosoof Kant geloofden in overeenstemming met hun christelijke achtergrond in een universele moraal, en beriepen zich daarbij tevergeefs op de Rede. Tevergeefs, omdat - zoals Spinoza terecht stelde - mensen geen rationele wezens zijn (zie deel 2). In de politieke praktijk kwam dit morele universalisme neer op een moreel imperialisme, zoals dat o.a. in het (ook door Locke verdedigde) kolonialisme tot uiting kwam.

Mill ging er van uit dat de menselijke soort aan een onvermijdelijke vooruitgang onderhevig zou zijn. Deze veronderstelling berustte op de gedachte dat mensen beschikken over latent aanwezige vermogens en deugden die onder de juiste omstandigheden aan het oppervlakte zouden komen. Mill’s moraal behelst in wezen een plicht voor de mens om die omstandigheden - zoals individuele vrijheid - te creëren die de vooruitgang bevorderen. Mill wekt met zijn naïeve beeld van de mensheid die gestaag op een hoger plan komt de suggestie dat naast een technisch-wetenschappelijke vooruitgang, die er evident is, tevens sprake zou zijn van een morele vooruitgang. Dit laatste idee werd tijdens zijn leven al gelogenstraft door de Krimoorlog (1853-1856), de eerste moderne oorlog die al honderdduizenden slachtoffers eiste[14], en de twee wereldoorlogen die na Mill’s tijd uitbraken. Daarbij komt dat niet alle mensen altijd en overal dezelfde ideeën omtrent ‘vooruitgang’ koesteren. Per saldo komt de veronderstelde onvermijdelijkheid van Mill’s vooruitgang er op neer dat de maatschappij bestuurd zal worden door een kleine elite die uit naam van de (door haar zelf gedefinieerde) vooruitgang de vrijheid van meningsuiting van haar tegenstrevers zal gaan inperken, hetgeen de belangen van de laatst genoemden zal fnuiken. (N.B. Ook Mill geloofde dat het kolonialisme de menselijke vooruitgang diende.) Niettegenstaande de aantoonbare onjuistheid van het bestaan van een liberale, universele moraal en onduidelijkheid over wat ‘vooruitgang’ precies behelst, blijven liberalen volharden in hun vooruitgangsgeloof. Door hen wordt het liberalisme als een religie beleden.

Een bekende nevenstroming binnen het liberalisme, die evenals de hoofdstroom een democratische rechtstaat voorstaat, is het zogenoemde neoliberalisme van de econoom-filosoof Friedrich Hayek (1905-1982). In reactie op de staatsmacht onder Hitler en Stalin wilde Hayek elke vorm van collectivisme ontmantelen en bepleitte hij minimale staatsbemoeienis en maximale vrije markt (geprivatiseerde nuts-instellingen). Hayek’s neoliberalisme onderscheidt zich van het klassieke liberalisme doordat het de overheid een ordende rol in de economie - die van marktmeester - toebedeelt. De neoliberale praktijk blijkt weerbarstiger dan Hayek’s ideaalbeeld. De privatiseringen van nutsinstellingen zijn meer dan eens geen verbetering voor de burger gebleken terwijl de overheid zijn rol als onpartijdige marktmeester vaak niet waar kan maken. Ten slotte noemen we nog het libertarisme van de romanschrijfster-filosoof Ayn Rand (1905-1982).

 

3.3.2 Marxisme
Het marxisme is een visie op de machtsdynamiek tussen kapitaal en arbeid, gebaseerd op het werk van de politiek theoreticus, activist, journalist en universeel geleerde Karl Marx (1818-1883), en tegelijkertijd een humanitaire beweging die streeft naar lotsverbetering van loonafhankelijken (arbeiders). Samen met zijn medestander Friedrich Engels (1820-1895) heeft Marx een onuitwisbare invloed gehad op zowel de sociale wetenschappen als de wereldpolitiek. (N.B. Marx was half Nederlands. Zijn moeder was een Nederlandse. Haar zus was gehuwd met de grootvader van de oprichters van het elektronica concern Philips.) Zijn hele leven stond in het teken van de bevrijding van een uitgebuite sociaaleconomische klasse: de loonafhankelijke, geen productiemiddelen (machines, fabrieken, grondstoffen, enz.) bezittende arbeidersklasse (het proletariaat) in de tijd dat de industriële revolutie tegelijk met het kapitalisme tot ontwikkeling kwam. Het ongereguleerde kapitalisme ging gepaard met een scherpe belangentegenstelling tussen kapitalisten en arbeiders. De beschermheer van kapitalisten - de Staat - voerde zeker in die tijd een uitgesproken politiek rechtse agenda d.w.z. stond uitdrukkelijk aan de kant van de status-quo jegens de bezitsverhoudingen.Door de meerwaarde die loonarbeid toevoegt aan het product, werden volgens Marx kapitalisten als eigenaren van de productiemiddelen alsmaar rijker en bezitloze arbeiders armer, hetgeen de motor werd voor een aanhoudende klassenstrijd tussen kapitalisten en arbeiders. Hierbij dient bedacht te worden dat het blinde geloof in de vrije markt, zo kenmerkend voor het kapitalisme (en liberalisme), alle kenmerken van een religie vertoont. Het is een verdienste van Marx dat hij het verband bloot legde tussen economie en politiek, en wel zó dat het proletariaat zich daarin kon herkennen en zicht kreeg op de eigen bevrijding[15]. In plaats van de politieke strategie van directe spontane actie, die werd bepleit door zijn politieke opponent de anarchist Michael Bakoenin (1814-1876), was Marx een uitgesproken voorstander van zelforganisatie (vakbonden!) op internationaal niveau om zo een onafhankelijke tegenmacht te vormen die een maximaal resultaat bij de almachtige kapitalisten (die bescherming genoten van de Staat) kon afdwingen (internationaal, omdat productiemiddelen makkelijker naar andere landen verplaatst kunnen worden dan de betrokken arbeiders).

Daarbij liet hij zich leiden door het inzicht dat vrijheid zonder economische emancipatie de vrijheid van de economisch sterksten is. (N.B. Tegenwoordig zijn het de grote, vooral Amerikaanse data monopolisten die met psychologisch, sociaal en politiek voorgeprogrammeerde algoritmen de vrijheden van hun afnemers manipuleren. Die afnemers staan kosteloos hun data af - de ‘grondstof’ van de datamonopolisten - waarna de meerwaarde voor de monopolist in de vorm van macht en kapitaal voor het grijpen ligt. Andersom, ofschoon minder autonoom dan de databedrijven, kunnen actievoerders dankzij diezelfde monopolisten hun ‘sociale’ media inzetten om op te roepen tot politieke actie.)

Bij zijn sociaalhistorische onderzoekingen meende Marx een patroon van opkomst en ondergang van sociale klassen te ontwaren die zich met de vaste regelmaat van een natuurwet  voltrok (zijn historisch of dialectisch materialisme). Door dit dwingende patroon, gebaseerd op een door hem veronderstelde causale relatie tussen onderdrukking en opstand, naar de toekomst te extrapoleren (historicisme) meende Marx dat het kapitalisme onder zeer bepaalde maatschappelijke condities (overproductie, een strijd op leven en dood om afzetmarkten, ofwel oorlog) onvermijdelijk zou instorten (zijn historisch determinisme), waarna het proletariaat middels een(wereld)revolutie de staatsmacht kon overnemen om als nieuwe eigenaar van de productiemiddelen een dictatuur van het proletariaat te vestigen.

Marx gebruikte de term ‘dictatuur van het proletariaat‘ met opzet om de gevestigde orde schrik aan te jagen[16]. Militante vakbondsacties konden de naar Marx’ overtuiging op wetenschappelijke gronden apocalyptische instorting van het kapitalisme hoogstens helpen versnellen. Het is belangrijk hier te vermelden dat waar Marx sprak over de ‘dictatuur van het proletariaat’ hij doelde op het communisme waar de latere Parijse Commune van 1871 met haar democratisch gekozen, seculiere bestuur voor stond. Hij zag die commune als een van de eerste tekenen - juist of niet - van de instorting van het kapitalisme[17].

Er bestaat een treffende overeenkomst tussen het vooruitgangsdenken van Mill en het historicisme van Marx. Beide vormen hebben naar later is gebleken geen wetenschappelijke basis, en zijn in feite gebaseerd op wensdenken. Zowel Mill als Marx geloofden immers beiden in een onvermijdelijke vooruitgang van de mensheid. Bij Mill berustte die (gehoopte) vooruitgang op een naïef geloof in de menselijke psyche, terwijl Marx zich beriep op een onjuist gebleken historisch determinisme. En ofschoon beiden streefden naar de grootst mogelijke vrijheid van het individu en beiden felle pleidooien hielden voor de vrijheid van meningsuiting, draaide het historicisme bij Mill uit op zijn verdediging van het kolonialisme, terwijl de communistische variant van het marxisme leidde tot een bureaucratische dictatuur door een geprivilegieerde bovenlaag.

De misvattingen omtrent het gedachtengoed van Marx zijn legio. Zo heeft Marx nooit zelf een revolutie daadwerkelijk meegemaakt, en is het idee van de in de Sovjet Unie ingevoerde planeconomie niet van Marx afkomstig, maar van de dictator Jozef Stalin (1878-1953). Verder was Marx een felle voorstander van het vrije woord, en zou hij beslist niet enthousiast zijn geweest over politieke thema’s als ‘identiteit‘, ‘inclusiviteit’, ‘diversiteit’ en ‘veganisme’ van het huidige hyper politiek correcte ‘cultureel links’[18]. Integendeel zelfs, want Marx pleitte juist overtuigend voor een strijdbare éénheid van loonafhankelijken. En dat dient bovendien gezien te worden binnen het perspectief waarin een grote meerderheid van loonafhankelijken was verstoken van de sociale voorzieningen die later nota bene mede door Marx’ invloed mogelijk zijn geworden!

Ook kan Marx niet verantwoordelijk worden gehouden voor de (vaak bloedige) onderdrukking van de bevolking in de Sovjet Unie (en later in China). Deze beschuldiging zou even infaam zijn als Einstein met zijn spectaculaire formule E=mc2  wat betreft de equivalentie tussen massa en energie verantwoordelijk houden voor de atoombommen op Nagasaki en Hiroshima. Tot slot willen we hier nog eens benadrukken dat de economie voor Marx de sleutel tot emancipatie was, en niet de cultuur (Marx was een uitgesproken materialist). In de ogen van Marx was de cultuur (door hem de bovenbouw genoemd) juist volledig gedetermineerd door de productieverhoudingen (de onderbouw) wat anderen na hem er ook van hebben gemaakt[19].

Verder had Marx een dynamische, onderzoekende geest waardoor hij zijn inzichten voortdurend bijstelde. Zelfs zijn levenslange medestander en financier Engels had regelmatig moeite om hem daarin te volgen. Daar komt nog bij dat zijn wetenschappelijke nieuwsgierigheid zich niet tot de sociale wetenschappen beperkte maar zich uitstrekte tot de wiskunde, geologie, biologie, chemie en fysica. We noemden het genie Marx hierboven niet voor niets een universeel geleerde[20]. Tot op de dag van vandaag hebben de economische theorieën van Marx hun relevantie niet verloren[21].

Ofschoon de door Marx ‘voorspelde’ instorting van het kapitalisme op wereld schaal uitbleef, en niettegenstaande het feit dat Marx zelf tot het eind van zijn leven bleef twijfelen aan de onvermijdelijkheid van zijn ‘voorspelling’, bleven orthodoxe ‘marxisten’ toch nog onvoorwaardelijk geloven in zijn historisch materialisme. Voor hen was het marxisme een religie geworden.

 

3.3.3 Communisme
Het communisme is een politieke ideologie die streeft naar gemeenschappelijk eigendom zodat er een klasseloze, socialistische samenleving ontstaat. Vaak worden de begrippen socialisme en communisme door elkaar heen gebruikt, maar het is beter om te stellen dat socialisme betrekking heeft op sociale gelijkheid, terwijl communisme de nadruk legt op  economische gelijkheid. Verder onderscheidt de sociaaldemocratie zich van deze ideologieën doordat die geheel berust op een door de Staat gereguleerde, kapitalistische economie en verdeling van belastinginkomsten over de gemaakte winst onder de bevolking.

Anders dan vaak wordt gedacht, kan Marx beslist niet als grondlegger van het communisme worden beschouwd. Daarvoor heeft het communisme en socialisme een veel te lange geschiedenis[22]. Zelfs Plato (427-347) schreef er in zijn De Staat (-380) al over[23]. Maar ook Thomas More (1475-1535), een goede kennis van Erasmus, schreef in zijn Utopia (1516) over een socialistische heilstaat[24]. Aangenomen wordt dat Claude Henri de Saint-Simon (1760-1825), Charles Fourier (1772-1837) en Pierre-Joseph Proudhon (1809-1865) tot de grondleggers van het moderne socialisme behoren. In ons land trachtte Frederik van Eeden (1860-1932) met zijn commune Walden zijn socialistische ideeën in de praktijk te brengen. En zoals gezegd, stond de Parijse Commune van 1871 model voor een communistische staat die Marx voor ogen had.

Voor kapitalisten is een communistisch staatsbestel begrijpelijkerwijs een horror scenario. Immers, zij zullen binnen zo’n politiek regime hun bezittingen (fabrieken, enz.) moeten delen met alle anderen. Het is daarom ook niet verwonderlijk dat het historisch materialisme van Marx - door hem met grote overtuigingskracht als wetenschap gepresenteerd - hen slapeloze nachten bezorgde. En vandaar ook dat het Communistisch Manifest van Marx en Engels in 1848 onder kapitalisten insloeg als een bom[25]. Daarin werd het communisme niet langer als een onschuldig ideaal voorgesteld, maar als de onvermijdelijke komst vanuit dwingende economische noodzaak (Saint-Simon, Fourier en Proudhon werden door Marx als utopisch socialisten weggezet).

Daarentegen was het Manifest voor het armlastige proletariaat niet minder dan een religieuze  openbaring. Zij konden er vanaf nu immers op rekenen dat zij de klassenstrijd met wetenschappelijk zekerheid zouden winnen. Maar zij voorzagen ook dat de kapitalisten zich met steun van de Staat (eigenaar van het monopolie op geweld) heftig tegen de komst van een communistische revolutie zouden verzetten. Daarom werd na de dood van Marx en Engels een uitgekiende politieke strategie voor hen levensnoodzaak.

De revolutionaire marxisten Vladimir Lenin, pseudoniem van Vladimir Iljitj Oeljanov (1870-1924) en Leon Trotsky, pseudoniem voor Lev Davidovitsj Bronstein (1879-1940), voorzagen met hun bolsjewistische strijdmethoden (‘bolsjewisme’, Russisch voor ‘meerderheid’, terwijl zij feitelijk een minderheid vormden) in die leemte. Daarbij lieten zij zich inspireren door de politieke successen van de Jakobijnen die tijdens de Franse Revolutie een centralistische beweging waren die naar sociale rechtvaardigheid streefde. Met de overname van de bolsjewieken op de tsaristische Staat werd in 1922onder Lenin de communistische éénpartijstaat de Sovjet Unie opgericht (‘Sovjet’, de Russische aanduiding voor ‘arbeidersraad’)[26].

Door in te spelen op reactionaire krachten die het niet meer konden opbrengen om de bolsjewistische revolutie internationaal door te zetten, kon na de dood van Lenin in 1924 Stalin aan de macht komen om vervolgens de gehele linkse oppositie uit te schakelen (waaronder Trotsky die niet naliet op te roepen tot een permanente revolutie). Met zijn ‘socialisme in één land’ verraadde Stalin niet alleen het marxisme, dat naar zijn aard internationaal gericht is, maar ook de emancipatie van het proletariaat.

Stalins Sovjet-Unie was het eerste door-en-door politiek correcte (lees: hypocriete) nep-marxistische arbeidersregime. Naar buiten toe het fatsoen zelve, inclusief een model-arbeiderscultuur, terwijl Stalin in realiteit een meester was in geschiedvervalsing en onderdrukking. Elke criticus van zijn beleid, alsmede miljoenen willekeurige slachtoffers, stuurde hij naar interneringskampen (de Russische goelag) of liet hij vermoorden. En de tentakels van Stalin reikten verder dan Rusland. In 1940 werd Trotsky, die inmiddels als balling in Mexico verbleef, door Stalin’s geheime dienst vermoord. Na de dood van Lenin en Trotsky kreeg Stalin de vrije hand om de geschiedenis te herschrijven. Zo kon hij het marxisme naar eigen inzichten bijstellen, en kon hij de naam van Trotsky uit de geschiedenisboeken laten schrappen.

Intussen kregen de misdaden van Stalin in het liberale Westen brede bekendheid, en in 1956 gaf Stalin’s opvolger Nikita Chroesjtsjov (1894-1971) die ook openlijk toe. Uiteindelijk viel de Sovjet Unie, met aan het roer Michail Gorbatsjov (1931- ), in 1991 wegens bureaucratische en economische stagnatie als eerste ‘arbeidersstaat’ uiteen.  Met dit echec van het communisme onder Stalin (ook wel stalinisme genoemd, dit ter onderscheid van het communisme waar Marx op doelde met zijn democratisch gekozen, seculiere bestuur) had het communisme (en het marxisme) in het Westen als lonkend perspectief op een religieuze vervulling definitief afgedaan. 

Maar dit gold niet voor de Chinese rebellenleider Mao Zedong (1893-1976) die vanaf 1935 de oprichter en eerste leider werd van de communistische éénpartijstaat de Volksrepubliek China. Als totalitaire heerser onderhield hij nauwe banden met de gelijkgezinde Stalin, welke laatste hem ook daadwerkelijk militair steunde om zijn boerenrevolutie te laten slagen. Als gevolg van Mao’s wrede optreden ging dit ‘slagen’ gepaard met miljoenen doden. Desondanks wordt Mao tegenwoordig door de meeste Chinezen gezien als degene die hen na een eeuw van vernedering door Japan en het Westen hun zelfrespect terug gaf.

Na de dood van Mao greep Deng Xiaoping (1904-1997) de macht. Om economische hervormingen door te kunnen voeren verliet deze staatsman in 1978 de Stalin-doctrine van het ‘socialisme in één land’. Met zijn zogenoemde Opendeurpolitiek kwam de Volksrepubliek vanaf dat moment terecht in kapitalistisch vaarwater, waarmee Deng zijn ‘socialisme met Chinese karakteristieken’ introduceerde[27]. Tot op heden wordt dit Chinese model van staatskapitalisme voortgezet door de huidige Chinese machthebber Xi Jingpin (1953- ), die met religieuze passie wordt vereerd als de nieuwe keizer[28].

 

3.3.4 Fascisme
Van origine is het fascisme (van ‘fascio’, Italiaans voor ‘groep’ of ‘bundel ‘) een politieke beweging die onder leiding van de charismatische Benito Mussolini (1883-1945) (Il Duce, Italiaans voor ‘de leider’) tussen 1922 en 1943 in Italië aan de macht was. In zijn jonge jaren was Mussolini een overtuigd marxist, maar later raakte hij teleurgesteld in het internationale socialisme, en keerde zich tegen de stakingspolitiek van vakbonden. Die hield hij verantwoordelijk voor de politieke chaos die Italië toendertijd teisterde. Het gehele maatschappelijk leven dreigde zelfs volledig ontwricht te worden toen er als gevolg van deze chaos in heel Italië extreem nationalistische knokploegen actief werden die uit waren op orde en discipline, en die het vooral gemunt hadden op arbeidersorganisaties. De bundeling (‘fascio’) van al die knokploegen samen werd onder Mussolini’s leiding (wiens populariteit intussen mythische proporties had aangenomen) tot een fascistische beweging gesmeed (N.B. Mussolini werd hierbij gefinancierd door het grootkapitaal), waarvan het politieke programma in haar Fascistisch Manifest[29] gedetailleerd werd uiteengezet.

Door de opname van tal van politiek linkse agendapunten zoals stemrecht voor vrouwen, achturige werkdag, minimum loon en progressieve belasting op kapitaal, trachtte Mussolini met dit programma de arbeiders voor zijn fascisme te winnen. Het in essentie linkse programma werd echter gecorrumpeerd door één punt dat het Manifest niettemin als politiek rechts bestempelt: de bezitsverhoudingen werden op hoofdlijnen ongemoeid gelaten (en daarmee ook de maatschappelijke en culturele status-quo). 

In plaats van het kapitalisme aan banden te leggen, werden de vakbonden gedwongen binnen een fascistisch staatsverband met de kapitalisten samen te werken, om aldus een corporatieve staat te realiseren (precies zoals dat het geval was onder het nationaalsocialisme in Duitsland, zie hieronder). De kapitalisten - die ondanks hun grote winsten hardnekkig bleven weigeren om de vakbonden tegemoet te komen - stonden bij zo’n afgedwongen corporatisme met de Staat als beschermheer uiteraard veel sterker dan de loonafhankelijken. Gelet op deze asymmetrische machtsverhouding laat het zich raden dat toepassing van fysiek geweld niet kon uitblijven. (N.B. Er is geen land waar het corporatisme zo diep in de haarvaten van de maatschappij is doorgedrongen als in het ‘polderende’ Nederland, waarbij diverse geledingen vertegenwoordigd zijn.)

Uit bovenstaande beschrijving destilleren we een compacte definitie van fascisme: het is een politieke ideologie die onder mythisch leiderschap een gedwongensamenwerking tussen kapitaal en arbeid wil bewerkstelligen. Voordeel van deze op economische grondslag gebaseerde definitie is dat het fascistoïde tendensen op inzichtelijke wijze toetsbaar maakt. Daarvoor zijn decriteria: 1. corporatisme 2. geweld en 3. mythisch leiderschap[30].

Het geloof in leiderschap dat het onverenigbare kan verenigen is een mythe (de fascistische grondwaarheid). Belangentegenstellingen blijven immers bestaan en worden binnen het fascisme onderdrukt door toepassing van geweld.

N.B. 1: In landen met een sociaal democratisch staatsbestel is het wel gelukt om een geweldloos compromis tussen kapitaal en arbeid te sluiten. N.B. 2: Het fascisme heeft een treffende overeenkomst met het katholicisme dat de tegenstelling tussen arbeid en kapitaal denkt te kunnen overbruggen met een beroep op een boven natuurlijke instantie. De fascistische agenda van het corporatisme spoorde dan ook perfect met de katholieke sociale leer, zoals verwoord in de encycliek ‘Rerum Novarum‘ van 1891 door de Italiaanse Paus Leo XIII, en in 1931 bekrachtigd door de eveneens Italiaanse Paus Pius XI (1857-1939). Marx had een punt toen hij stelde dat het godsgeloof opium van het volk is.

Naast het fysiek onderdrukken van vakbondsmacht, zijn fascistoïde tendensen goedte herkennen aan hetstelselmatig negeren van vakbonden, ofdoor de werkelijke machtsvraag te verdoezelen door vanuit een bevoorrechte economische positie systematisch culturele thema’s boven economische thema’s te verheffen. Met die aantekening dat dit laatste fenomeen zich onder de noemer van ‘cultureel rechts’ of ‘cultureel links’, in geringere mate en minder verheven, ook voordoet bij burgerlijke politieke partijen[31] [32].

Heel duidelijk is ook het cruciale verschil tussen het communisme enerzijds en fascisme anderzijds: het fascisme laat de kapitalisten hun bezittingen (productiemiddelen) behouden, terwijl zij die onder het communisme juist moeten verdelen. Aldus gaat het fascisme ten koste van loonafhankelijken en zet kapitalisten op winst, terwijl het communisme de kapitalisten in hun vrijheid beknot en loonafhankelijken in de kaart speelt: communisten en fascisten zijn elkaars politieke aartsvijanden.

 

3.3.5 Nazisme
Het nazisme (afkorting van het Duits ‘NAtionalsoZIalismus’ voor nationaalsocialisme) is een politieke ideologie die nog vele malen kwaadaardiger was dan het fascisme onder Mussolini. Geïnspireerd door Mussolini is het onder de Oostenrijks-Duitse demagoog Adolf Hitler (1889-1945) tot ontwikkeling gekomen. In 1932 kwam deze Hitler (Führer, Duits voor ‘leider’) in Duitsland per stembus aan de macht, en regeerde daar als alleenheerser tot 1945 (het ‘Derde Rijk’).

Hitler’s nazisme onderscheidde zich het meest opvallend van Mussolini’s fascisme wegens een, letterlijk, vernietigend racisme. Verder verschilt het nationaalsocialisme niet veel van dat fascisme[33]. Hitler’s ideologie stelde het ’blanke ras’, en met name het Duitse volk voor als (moreel en fysiek) superieur (‘Ariërs’) dat gezuiverd moest worden van ‘zwakkere’ niet-blanken (‘rassen-hygiëne’). De nationaalsocialistische beweging van Hitler was zoals velen in die tijd in de ban van het zogenaamde sociaal darwinisme.  De toen nog niet overal goed begrepen evolutieleer van Darwin werd zonder wetenschappelijk grond toegepast op volkeren onderling en mensen in het algemeen. Als rechtstreeks gevolg van deze dwaalleer ontstond het idee om de evolutie een handje te helpen, met als resultaat de eugenetica ofwel ‘rasverbetering’. Dit nep-darwinisme was in eerste instantie vooral populair in politiek linkse kringen maar ook de nazi’s gingen er mee aan de haal.

Vooral het Joodse volk moest het bij de nazi’s ontgelden want dat werd door Hitler verantwoordelijk gehouden voor de Duitse nederlaag in WOI (in die tijd was antisemitisme ook al breed verbreid). En wegens de torenhoge herstelbetalingen werden de Joden tevens verantwoordelijk gehouden voor de diepe economische crisis waar Duitsland toen in verkeerde (massawerkeloosheid en een gierende inflatie). Eliminatie van het Joodse volk, dat tevens op volstrekt irrationele gronden ook nog eens werd verdacht de wereldmacht te willen grijpen, zou volgens Hitler’s waanideeën de oplossing zijn voor al deze Duitse misère[34] [35].

Naast de Joden, moesten ook het Roma volk (zigeuners), homoseksuelen, Jehova-getuigen, gehandicapten, communisten en andere politieke tegenstanders en volkeren wegens het ondermijnen van het ‘gezonde volkskarakter’ van het ‘Arische ras’ geëlimineerd worden. Dit perverse idee werd vervolgens uitgewerkt in een concreet vernietigingsprogramma dat uiteindelijk culmineerde in een op industriële leest geschoeide massamoord  (genocide), grotendeels middels systematische vergassing en massa-executies. Voor het Joodse volk bleek deze Shoah of Holocaust de gitzwarte implicatie van het Europese antisemitisme.

Ofschoon het fascisme tegenwoordig staat voor alles wat politiek verwerpelijk is, zou men zich toch ook eens moeten bedenken dat het door Hitler c.s. als een religie beleden nazisme nog vele malen verwerpelijker was. Of zou het Europese antisemitisme zo diep ingeworteld zijn dat men blind is voor de bovenmatige kwaadaardigheid van het nazisme?

 

3.4 Samenvatting
Zodra de kernwaarde van een politieke ideologie als (subjectieve) grondwaarheid wordt ervaren (en niet onderhandelbaar is) is er ons inziens sprake van religie. Machiavelli was de eerste die stelde dat religie het krachtigste machtsmiddel is. In navolging van hem was ook Spinoza zich hiervan terdege bewust toen hij de scheiding van Kerk en Staat bepleitte (secularisatie). Het liberalisme, dat individuele vrijheid centraal stelt, koppelt aan die vrijheid een vooruitgangsgedachte. Aangetoond wordt dat deze vooruitgangsgedachte dwars tegen de realiteit in gaat, maar toch als grondwaarheid wordt ervaren.

Marx, die leefde in een tijd van ontluikend kapitalisme begreep dat het liberale vrijheidsideaal leidde tot de vrijheid van de economisch sterksten. Dat motiveerde hem om te pleiten voor een strijdbare éénheid van loonafhankelijken. Verder verleidden zijn sociaalhistorische studies hem tot het onjuist gebleken inzicht van een onafwendbare instorting van ket kapitalisme waarna loonafhankelijken de staatsmacht zouden overnemen. Maar ook dit politieke ideaal berustte, net als bij het liberalisme op een onjuist gebleken vooruitgangsgedachte. Niettemin bleven marxisten erin geloven. Het communisme heeft gemeenschappelijk eigendom als politiek ideaal. Maar onder Stalin is gebleken dat dit ideaal uitliep op een wrede dictatuur.

Diametraal tegenover het communisme staat het fascisme. Deze politieke ideologie streeft onder een mythisch leiderschap een geforceerde samenwerking tussen kapitaal en arbeid na. Met als doel een welvarende maatschappij van orde en tucht. Wegens de asymmetrische machtsverhoudingen tussen kapitaal (met de Staat als beschermheer) en arbeid moest dit ideaal wegens tegengestelde belangen wel uitlopen op fysiek geweld. Vele malen kwaadaardiger is het nazisme dat neerkomt op fascisme, gecombineerd met een vals geloof in een superieur ‘ras’. Uiteindelijk liep deze ideologie niet uit op een gehoopt triomferend Derde Rijk, maar op een op industriële leest geschoeide genocide.

 

Appendix 3.1 Niccolò Machiavelli (1469-1527)[36] [37] [38]
De periode rond 1500 werd gemarkeerd door een keerpunt in de West-Europese geschiedenis. Op het breukvlak van de late middeleeuwen en de opkomende Renaissance ontstonden er overal voor het eerst soevereine natiestaten. Een uitzondering op deze regel was Italië. Daar bleven de belangrijkste machtscentra de vorstendommen en stadsstaten, waaronder Florence, die elkaar op leven en dood beconcurreerden. Bovendien lag het buurland Frankrijk voortdurend op de loer om zich te mengen in hun onderlinge strijd. Steeds wisselende machtsverhoudingen waren het gevolg, en politieke instabiliteit en chaos waren schering en inslag.

In dit tijdsgewricht, toen Florence voor korte tijd niet door het Huis Medici werd geregeerd, en in de jaren 1494-1512 een republiek was, trad Machiavelli medio 1498 als diplomaat in dienst bij  het ministerie van buitenlandse zaken van deze republiek. In die hoedanigheid moest hij conflicten met concurrenten zien te bezweren en vermijden, en waar mogelijk coalities smeden en onderhouden. Dit diplomatieke werk diende ter bevordering van de politieke stabiliteit van Florence die dan vervolgens zijn inwoners een optimale vrijheid en veiligheid zou kunnen garanderen.

Gezien de persoonlijke opvattingen van Machiavelli was dit een kolfje naar zijn hand. Als vrijheidslievende patriot verlangde hij vurig naar politieke stabiliteit zodat hij zich vrijelijk tussen de mensen kon begeven en zich ongestoord aan zijn schrijverschap kon wijden. Hoewel hij een telg was uit een verarmd adellijk geslacht, had hij wel de toendertijd bij zijn stand passende opleiding genoten. Daardoor was hij van jongs af aan bekend geraakt met de klassieke oudheid en was hij al vroeg geïnteresseerd in de dynamiek van politieke macht. Dit blijkt wel uit zijn levenslange interesse voor staatsvorming en staatsmanskunst van machthebbers. Vooral de geschriften  van de Romeinse historicus en verteller Titus Livius (59-17) hadden zijn interesse (142 boeken (!) waarvan er 35 bewaard zijn gebleven), en waren de belangrijkste bron waaruit hij putte ten behoeve van zijn uitvoerige studie Discorsi (Latijn voor ‘toespraken’). Daarin vergeleek hij de geschiedenis van het oude Rome met de eigentijdse geschiedenis van Florence en Italië. 

Verreweg zijn meest bekende werk is echter De Heerser (van het Italiaans Il Principe) dat hij schreef in de periode 1513-1515, maar dat pas in 1532 postuum verscheen. Hierin beschrijft hij op pakkende wijze en zonder het geringste spoor van moralisme hoe heersers volgens hem het beste politieke macht moesten verwerven en vast houden. Daarbij baseerde hij zich op de wereld zoals die is, en niet zoals die behoort te zijn.

Zijn observaties werden gevoed door zijn eigen ervaringen tijdens zijn ambt als diplomaat, ondersteund door historische studies zoals hij die apart heeft uitgewerkt in zijn Discorsi. Zij waren bedoeld als een antwoord op het geweld en de corruptie die hij overal om zich heen zag. In dit verband is het belangrijk om hier te vermelden dat De Heerser niet bedoeld was als aanbeveling, maar als een feitelijke weergave zoals Machiavelli praktische machtsuitoefening zelf had meegemaakt.

Als gezant had Machiavelli geregeld contact met Cesare Borgia, de wrede heerser van de Italiaanse regio Romagna en zoon van de decadente en corrupte paus Alexander VI. Omdat deze Cesare Borgia de macht van de republiek Florence direct bedreigde, moest Machiavelli zich beroepshalve diepgaand inleven in de persoon van deze machthebber om zo zijn bedoelingen te kunnen doorgronden. Het was vooral binnen deze context dat hij de fijne kneepjes van effectieve machtsuitoefening leerde kennen.

Volgens Machiavelli moest een goede heerser een sterke persoonlijkheid zijn die vooral in staat moest zijn het lot (Machiavelli’s fortuna) naar eigen hand te zetten (Machiavelli’s virtù) en die beter gevreesd dan geliefd kon zijn. Ofschoon hij het gebruik van geweld nergens expliciet aanprees, stelde hij vast dat een goede heerser er soms niet buiten kan. Tegelijkertijd gaf hij adviezen hoe een machthebber kan vermijden veracht en gehaat te worden. Ook hamerde hij op het belang van een eigen leger, in plaats van een huurleger dat alleen op plundering en eigen gewin uit was. Verder wist Machiavelli dat religie het krachtigste machtsmiddel is dat nuttig is of niet, al naar gelang het door de machthebber goed - d.w.z. politieke stabiliteit bevorderend - of slecht werd ingezet.

Overigens was Machiavelli’s De Heerser niet bedoeld als publicatie, maar als een proeve van bekwaamheid, toen hij opnieuw solliciteerde naar een hoog ambt, maar nu onder het Huis Medici dat in 1512 opnieuw in Florence aan de macht kwam. Vaak is deze - overigens mislukte - sollicitatie, waarin hij had moeten dienen onder een alleenheerser, Machiavelli voor de voeten gegooid. Maar blijkbaar woog Machiavelli’s patriottisme zwaarder dan zijn antipathie voor een alleenheerser uit het Huis Medici.

Machiavelli’s ongeëvenaard scherpe observaties en analyses van het begrip ‘macht’ wierpen, vooral in zijn tijd nogal wat controverses op. Zo verkreeg hij de twijfelachtige reputatie veel te cynisch, niet stichtelijk en amoreel (niet-moreel) te zijn. Maar dat laatste werd uiteindelijk juist zijn kracht, en is de reden dat Machiavelli heden ten dage in brede kring wordt erkend als de grondlegger van de moderne politieke wetenschappen. (N.B. De uitspraak “het doel heiligt de middelen” wordt vaak aan Machiavelli toegeschreven maar is in werkelijkheid niet van hem afkomstig. Daarvoor is die uitspraak te moreel geladen.)

Machiavelli’s nalatenschap beslaat naast zijn twee beroemde boeken De Heerser en Discorsi ook honderden brieven, waaronder een brief die bekend is geworden als de beroemdste brief van de Italiaanse letterkunde, gedichten (vaak doorspekt met zelfspot) en toneelstukken, waaronder een amusante komedie die wordt beschouwd als het beste wat de Italiaanse Renaissance op dit terrein heeft voortgebracht. Bovendien zijn niet lang geleden Bernardo Machiavelli’s (de vader van Machiavelli) Libro di Ricordi (Italiaans voor ‘dagboeken’) ontdekt die vele herinneringen aan Machiavelli bevatten.

Uit dit alles komt hij naar voren als een veelzijdig en scherpzinnig humanist met een fijne neus voor politieke machtsverhoudingen. Een man die midden in het leven stond en zeer begaan was met het algemeen belang. Maar ook iemand die het christelijke geloof voortdurend op de hak nam, en zonder zichzelf te sparen de spot dreef met gelovigen die naar zijn smaak slechts aan wensdenken deden en de realiteit niet onder ogen wilden zien. Geestelijken beschouwde hij als charlatans en zwendelaars. Hij vond dat het christendom in de verachting van het aardse het hoogste goed had gezien, terwijl men het aardse in de Oudheid juist als positief ervoer. Volgens hem had het christendom meer roem verleend aan nederige en beschouwende mensen dan aan actieve mensen. Hiermee vergeleken vond hij de godsdienst van de Ouden superieur omdat die juist mensen prezen die als staatslieden en legeraanvoerders veel aardse roem hadden verworven.

Een groter contrast met een andere beroemde humanist, de diepgelovige katholiek Erasmus (leeftijdsgenoot van Machiavelli) is nauwelijks te vinden. Beiden waren adviseurs van machthebbers, en als kind van de Renaissance verhielden zij zich beiden tot de Oudheid. Maar waar Erasmus’ (ethisch) humanisme naast de klassieken ook was gebaseerd op de Bijbel (zie deel 2), baseerde Machiavelli zich voornamelijk op eigen observaties die hij onderbouwde met studies over staatsmanschap van de Ouden, en spotte hij juist met het christendom. Daarmee is de relatie Machiavelli versus Erasmus congruent met die van Spinoza versus Kant (vergelijk Appendix 2.1 in deel 2). Erasmus en Kant waren beiden moralisten en kunnen ook beiden geschaard worden in het christelijke kamp, terwijl de realisten Machiavelli en Spinoza beiden vrij waren van moralisme en godsdienst.

 

Referenties


[1] Fred Neerhoff en David Bakker, ‘Religie als universeel verschijnsel – deel 1: Wat is religie?’. Opgehaald van https://www.civismundi.nl/index.php?p=artikel&aid=5206


[2] Fred Neerhoff en David Bakker, ‘Religie als universeel verschijnsel – deel 2: Hoe religie en ongeloof samen kunnen gaan’. Opgehaald van  https://www.civismundi.nl/index.php?p=artikel&aid=5207

[3] Niccolò Machiavelli, ‘De heerser’, Vertaald en toegelicht door Frans van Dooren, Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam, 2007

 

[4] Niccolò Machiavelli, ‘Discorsi. Gedachten over Staat en Politiek’, Vertaald, ingeleid en toegelicht door Paul van Heck, Ambo-Olympus, 1997

[5] Franciscus van den Enden, ‘Vrije Politieke Stellingen’, Wereldbibliotheek-Amsterdam, 1992


[6] Benedictus de Spinoza, ‘Staatkundige verhandeling’, Vertaald door Karel D’Huyvetters en ingeleid door Johnathan I. Israel, Wereldbibliotheek-Amsterdam, 2015

[7] Thomas Hobbes, ‘Leviathan’, Boom-Amsterdam, 1985


[8] Benedictus de Spinoza, ‘Theologisch-politiek traktaat’, Wereldbibliotheek-Amsterdam, 1997


[9] Franciscus van den Enden, Ibid. 5

[10] Wim Klever, ‘Locke’s disguised Spinozism’, British Journal for the History of Philosophy 14, 2006 opgehaald van https://huenemanniac.files.wordpress.com/2009/01/lockes-disguised-spinozism.pdf
 

[11] Kenan Malik, “Why western liberals have long picked the wrong historical hero”, The Gardian, International edition, 8 September 2019. Opgehaald van https://www.theguardian.com/commentisfree/2019/sep/08/john-locke-hero-of-western-liberalism-not-as-tolerant-as-we-thought

[12] J.L.M. Gribnau, ‘De macht van het recht. Spinoza’s bijdrage aan de rechtstheorie’, Nederlands Juristenblad, 3 december 1992, afl. 43. Opgehaald van http://blogimages.seniorennet.be/bds/attach/113110.pdf

[13] John Mill, ‘On Liberty’, Mill Collected Works, deel  XVIII, University of Toronto Press, 1977

[14] Orlando Figes, ‘De Krimoorlog of de vernedering van Rusland’, Nieuw Amsterdam, 2010


[15] Karl Marx, ‘Het Kapitaal, Een kritische beschouwing over de economie’, De Haan, Bussum, 1974

 

[16] Karl Marx en Friedrich Engels, ‘Het communistisch manifest’, Vantilt, 2015

[17] Karl Marx and Friedrich Engels, ‘The Paris Commune’, Literary Licensing, Llc, 2014

[18] Hans van Zon, ‘De verwarring van links 1978-2018’, Brave New Books, 2018

[19] Gregory Claeys, ‘Marx and Marxism’, Pelican Books, Penguin Random House UK, 2018

[20] Marx-Engels-collectie, Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG), Amsterdam

[21] Thomas Pikkety, ‘Kapitaal in de 21-ste eeuw’, De Bezige Bij, Amsterdam, 2017

[22] H.P.G. Quack, ‘De socialisten’, zes delen, Het Wereldvenster Baarn, 1979

[23] Plato, ‘The Republic’,  Penguin Classics, 1979

[24] Thomas More, ‘Utopia’, Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam, 2008

[25] Karl Marx en Friedrich Engels, Ibid. 16

[26] Leon Trotsky, ‘The History of the Russian Revolution’, Pluto Press, London, 1977

[27] Barend J. Ter Haar, ‘Het Hemels Mandaat, De geschiedenis van het Chinese Keizerrijk’, Amsterdam University Press, 2009

[28] Kerry Brown, ‘The World According to Xi’, I.B. Tauris & Co Ltd, London-New York, 2018

[29] ‘Fascistisch Manifesto’, Il Popolo d’Italia, p 6 juni 1919. Opgehaald van https://nl.wikipedia.org/wiki/Fascistisch_manifesto

[30] Leon Trotsky, ‘The Struggle Against Fascism in Germany’, with an introduction by Ernest Mandel, Pathfinder Press, Inc., New York, 1971

[31] Jacques de Kadt, ‘Het fascisme en de nieuwe vrijheid’, G. A. van Oorschot, Amsterdam, 1980

 

[32] Hans van Zon , Ibid. 18

[33] Adolf Hitler, ‘Mijn Strijd’, Prometheus, Amsterdam, 2018

[34] Sebastian Haffner. ‘Kanttekeningen bij Hitler’, Rainbow bv, Amsterdam, 2015

[35] Klaas A.D. Smelik, ‘De zeven levens van de Protocollen van de Wijzen van Zion’, CIDI-informatiereeks, Aspekt, Soesterberg, 2010

[36] Niccolò Machiavelli, Ibid. 3

[37] Niccolò Machiavelli, Ibid. 4

[38] Miles J. Unger, ‘Machiavelli, Een biografie’, Ambo, Amsterdam, 2012