Hoe kunnen we beter omgaan met de onontbeerlijke identiteiten?

Civis Mundi Digitaal #92

door Patricia van Bosse

Bespreking van: Kwame Anthony Appiah, The lies that bind. Rethinking identity. Profile Books, 2018.

Op dit moment is identiteitsdenken aan de orde van de dag. Voorstanders hebben soms  emancipatorische motieven of menen dat hun cultuur bescherming behoeft. Anderen denken dat het afleidt van de diepere, echte, bijvoorbeeld sociaaleconomische problemen. Om zulke discussies gaat het Appiah in zijn meest recente boek niet. Hij stelt zich de vraag waar de identiteiten vandaan komen die zo’n grote rol spelen in ons persoonlijke en maatschappelijke leven vandaan komen. Hij laat zien dat ze vooral voortkomen uit opvattingen en discussies uit de 19e eeuw. Het is tijd om de thema’s opnieuw tegen het licht te houden.

Identiteit heeft voor Appiah persoonlijk een grote betekenis. Met een Ghanese vader en een Engelse moeder, gedeeltelijk opgegroeid in Engeland, gedeeltelijk in Ghana is hij overal ter wereld voor anderen moeilijk te plaatsen. In het boek zijn een aantal verhalen uit zijn persoonlijke leven opgenomen, naast verhalen van anderen.

Appiah bespreekt in vijf hoofdstukken de hoofdthema’s: ’Geloof, Land, Kleur, Klasse, Cultuur ’,  voorafgegaan door een kleine theorie van identiteit. ( In het Engels beginnen ze alle vijf met een C, Creed, Country, Colour, Class, Culture, dat gaat verloren in de vertaling.) Gender heeft geen apart hoofdstuk gekregen, maar krijgt wel veel aandacht, vooral in het inleidende hoofdstuk.  Ieder van de thema’s begint met een levensverhaal dat het thema illustreert, zodat er meteen een context is en we niet ver af raken van de geleefde situaties van mensen. Ook de realistische, relativerende benadering van identiteit maakt dat het boek een warme, menselijke sfeer ademt.

 

De auteur

Kwame Anthony Appiah (1954) stamt zowel van de kant van zijn Ghanese vaders als die van zijn Engelse moeder uit de hogere regionen van de maatschappij.  Zijn vader was gelieerd aan het koningshuis van de Ashanti, een volk in Ghana. Zijn moeder is Brits, haar vader was minister. Toen zij vragen had over de Anglicaanse kerk, zat ze niet veel later met de aartsbisschop aan tafel. Zijn beide ouders waren sterk politiek betrokken.  Appiah groeide grotendeels op in Ghana, maar spendeerde ook veel tijd bij zijn grootmoeder in Engeland. Hij studeerde filosofie, behaalde een PhD in Cambrigde. Hij heeft zijn leven lang aan universiteiten gedoceerd onder andere op Harvard, Princeton, Cambridge en Yale. Nu is hij hoogleraar aan de Universiteit van New York. Hij leeft al dertig jaar samen met Henry Finder, hoofdredacteur van weekblad The New Yorker.


Kwame Anthony Appiah

Over identiteiten

Identiteiten zijn een manier om mensen te categoriseren, te labelen. Dat er zelden scherpe grenzen zijn van deze categorieën zal Appiah vaak signaleren. Zelfs als het gaat om gender is er geen duidelijke tweedeling. Er zijn verschillende manieren om man of vrouw te zijn. Dat geldt zowel voor de fysieke kenmerken als de beleving van gender en seksualiteit. Een voorbeeld zijn de Hidrja’s in India, een androgyne groep mensen, die vanouds bij elkaar gingen wonen en soms een religieuze rol kregen.

Een tweede kenmerk is dat identiteiten van belang zijn voor mensen. Ze maken duidelijk wat voor plek men in de sociale wereld inneemt. Het is een basis voor een gevoel van wij, dat zich maar al te vaak onderscheidt van een zij. En tenslotte gaat een identiteit samen met het vertonen van bepaald gedrag.  Het kan het een kijk op ethische kwesties met zich mee brengen, maar ook allerlei dagelijks gedrag, ’zo doen wij dat nu eenmaal’.

Samengevat, identiteit doet iets met je, maakt dat je je op een bepaalde manier gedraagt, maar bepaalt ook hoe anderen zich tegenover jou gedragen. Het is bijna steeds een basis voor status en sociale hiërarchieën. Sommige identiteiten zijn daarom zwaar om te hebben.

Een identiteit heeft een subjectieve en objectieve dimensie: van een identiteit kun je zelf eventueel afstand nemen, maar anderen plakken je toch een etiket op. Daar horen verwachtingen bij hoe jij je zou moeten gedragen en hoe zijzelf zich tegenover iemand als jij horen te gedragen. We hebben echter nooit maar één identiteit, we zijn onderdeel van allerlei groepen.

In het midden van de 20e eeuw kwam het idee op dat mensen met een bepaalde identiteit iets gemeenschappelijks delen en dat die diverse labels, zoals gender, nationaliteit, huidskleur, religie op een bepaalde manier functioneren. Dat heeft gemaakt dat we vragen zijn gaan stellen over hoe identiteiten in onze psyche functioneren. Een ontdekking waaruit blijkt hoe centraal identiteit is in ons leven, is dat het een rol speelt in hoe we ons lichaam gebruiken. In onze houding, manier van bewegen, manier van praten, van eetgewoonten, gebaren etc blijkt voor anderen vaak veel van onze identiteit. Voor onszelf is dat automatisch en onbewust geworden.  Bourdieu noemt het: de duurzame manier waarop we staan, spreken, lopen en daarom ook voelen en denken (blz 21) Het varieert van passende kleding voor een man of vrouw, tot de gewoonte van Japanse meisjes om hun mond te bedekken als ze lachen en het sociaal bepaalde accent dat we hebben als we praten.

 

Essentialisme

Het is een begrijpelijke neiging van mensen om anderen te categoriseren, om enige overzichtelijkheid te scheppen in onze complexe wereld.  Als we gaan denken dat iedereen in een bepaalde groep een onderliggende diepere aard deelt, een essentie, dan noemen we dat essentialisme. Steeds weer komt Appiah hiertegen in verweer. Hij betoogt dat in het geval van identiteiten, dit vrijwel nooit klopt. ’..dat de meeste mensen bepaalde dingen doen op een bepaalde manier omdat ze vrouw of man zijn, of van een bepaalde etniciteit of ras of religie.’ Integendeel ’... de meeste groepen die zijn gedefinieerd door de grootschalige identiteiten die onze sociale wereld vormen, zijn enorm divers.’ (blz 29) Deze neiging tot het toedichten van essenties heeft echter een grote en meestal negatieve rol gespeeld in de geschiedenis. Het versterkt onze neiging om te stereotyperen, om wij-zij tegenstellingen te maken en aan te scherpen, iets wat toch al samengaat met het toedichten van identiteiten. We reageren nog steeds als tribale wezens, met een voorkeur voor onze eigen groep. We zijn gemakkelijk te beïnvloeden om ons tegenover buitenstaanders negatief op te stellen.  

 

Deze symbolen worden gebruikte door het Akan volk in Ghana om complexe concepten en opvattingen uit te drukken. Ze worden gedrukt op stof, gevonden op houtsnijwerk, als architectonische decoraties en op juwelen

 

Geloof

In een religie kunnen we het geloof, de beoefening en de gemeenschap onderscheiden, die elkaar uiteraard doordringen. We hebben de neiging om van deze drie het geloof te benadrukken, terwijl het altijd mogelijk is geweest is om tot een morele gemeenschap te behoren en niet de geloofsartikelen aan te hangen. Zelfs in de kleinste geloofsgemeenschappen zijn mensen het niet volledig met elkaar eens zijn wat betreft geloofsopvattingen, er zijn altijd gebieden waar onderlinge verschillen zijn toegestaan. ’Ketters werden gedood niet vanwege de theologische verschillen maar omdat ze de autoriteit van de religieuze voorgangers niet erkenden’ (blz 40).

In religies is het net als in alle tradities: er zijn continuiteiten en discontinuïteiten. Het hindoeïsme als een term die we nu gebruiken voor een van de grote wereldreligies is bijvoorbeeld een schepping van de 19e eeuw. Er bestond een enorme verzameling cults en goden, een enorme hoeveelheid teksten, een grote verscheidenheid van rituelen en festivals, honderduizenden tempels op het Indiase subcontinent. De Engelsen kolonisatoren hebben een religie gecreëerd door dit alles bij elkaar te vegen. Andere historici benadrukken echter dat de Indiërs daar zelf een grote rol in hebben gespeeld omdat ze het contrast met de Islam wilden benadrukken.

We hebben de neiging om geloof te benadrukken en beoefening en gemeenschap daaraan ondergeschikt te maken. Daarbij laten we ons gewoonlijk inspireren door de heilige teksten. Deze zijn echter in een obscure taal geschreven, poëtisch en metaforisch, maar zonder dat ze aan het einde hun moraal duidelijk vertellen zoals in de fabels van Aesopus. Ze vergen dus interpretatie. Zelfs als mensen voorschriften zoeken over wat wel en niet gegeten mag worden volgens de oude geschriften is dat vaak heel onduidelijk en het interpreteren daarvan lijkt wel alsof het een gedicht van Mallarme is...  En dan de vraag: welke geschriften horen tot de basisteksten? We weten uit het Christendom dat er veel meer teksten waren dan die in de Bijbel terecht zijn gekomen. Op een bepaald moment is de kanon bepaald, maar die werd lange tijd betwist. 

Interpretatie is in feite beoefening en verandert gedurende verloop van tijd. De geschriften gaan alleen maar zo lang mee en dienen mensen als gids omdat de interpretaties met de tijd mee veranderen en van toepassing zijn op hoe het leven zich ontwikkelt. Alleen daardoor overleven ze. De fundamentalisten die de enige ware weg aanhangen en terug willen naar het eerste begin, reageren volgens Appiah op de moderne wereld en de eisen die deze stelt. Het belang van identiteit is globaal toegenomen. Veel meer mensen kunnen zelf de teksten interpreteren, vroeger waren er de getrainde mensen, de experts die de orthodoxie bewaakten. Nu komen door eigen interpretaties zoveel verschillen aan het licht, dat mensen soms duidelijkheid zoeken. Een heikel onderwerp als het gaat om fundamentalistische ideeën in de islam is de rol van de vrouw en seksualiteit. Maar dat wordt niet eenduidig besproken in de heilige teksten van welke wereldreligie dan ook, ook de Koran spreekt niet met één stem. Bovendien zijn er andere bronnen van gezag, die relevante informatie zouden kunnen geven. In alle religieuze identiteiten zijn gezichtspunten over de rol van gender steeds weer verschoven. We kunnen ook van de islam verwachten dat dergelijke veranderingen zich natuurlijkerwijs zullen voltrekken. De echte aard van een religie ligt niet in de oorspronkelijke teksten, geabstraheerd van de echte wereld en van de opvattingen en leefsituaties van de geloofsgenoten. Moslims zullen een keuze moeten maken, net als de Christenen dat eerder hebben gedaan. ’Alle identiteiten wonen in de geschiedenis.’  

Appiah begon het hoofdstuk met een persoonlijk verhaal over zijn ouders. Zijn Engelse moeder en Ghanese vader waren beiden belijdende christenen, maar lid van verschillende protestantse kerken.

 

Leden van de Asante gemeenschap in traditionele kledij

 

Dat heeft nooit een probleem opgeleverd, dat was juist verrijkend volgens Appiah. In de laatste paragraaf beschrijft hij dat hij in Ghana de traditie van zijn etnische groep, de Asante, volgt en daar op de familiealtaren de favoriete offering brengt aan de voorouders: sterke drank. Dat is een nog ruimschoots in zwang zijnd gebruik, dat probleemloos samengaat met het lidmaatschap van een christelijke kerk of met moslim zijn. ’Hier is één ding waarover we het eens zijn met de fundamentalisten: onze voorvaderen zijn machtig, maar niet op de manier waarop de fundamentalisten zich dat voorstellen. Geen van ons schiep de wereld die we bewonen vanuit het niets: geen van ons schept onze waarden en engagementen zelf, dat doen we altijd in dialoog met het verleden. Dialoog is echter geen determinisme.’ (blz 67)

 

Land

Veel natiestaten zijn ontstaan in de 19e eeuw, begin 20e eeuw en na WOII toen dekolonisatie zich voltrok. Daarvoor was het wel zo dat men zich een Italiaan of Fransman voelde, maar dat had betrekking op de taal, cultuur en tradities. Het omvatte niet het politieke burgerschap. Velen hadden geleefd in grote rijken, het Habsburgse, Ottomaanse of Russische rijk die kosmopolitisch ingesteld waren. Ze omvatten immers vele talen en afkomsten. Nationalisme kwam tegelijk met de Romantiek op in de 18e eeuw, toen vatte het idee van een ’volksgeist’ post. Het idee van een gezamenlijke afkomst en cultuur werd verbonden met een verlangen naar een natiestaat.  Appiah vertelt het verhaal van de schrijver Italo Svevo van joodse, gemengd Duitse en Italiaanse afkomst, die in de kosmopolitische stadstaat Triest leefde eind 19e eeuw. In zijn vroege jeugd ontstonden de naties Italie en Duitsland. We kennen hem nog omdat hij model heeft gestaan voor het personage Bloom in James Joyces’ Ulysses. Die woonde een periode in Triest en was zijn leraar Engels en werd zijn vriend.  Svevo was ontvankelijk voor het romantische idee van een Italiaanse nationale identiteit en probeerde Italiaan te worden. Hij heeft boeken gepubliceerd in het Italiaans, hoewel hij het Duits eigenlijk beter beheerste. Een belangrijk onderwerp waar hij over schreef waren de variaties die er in de stad Triest, na de Eerste Wereldoorlog deel van Italie, waren in de verschillende buurten. Het is een illustratie van hoe de variatie in talen en cultuur binnen een gemeenschap een spanningsrelatie heeft met het romantische nationalistische ideaal van een staat waarbinnen één taal gesproken wordt en een cultuur dominant is.

Italo Svevo

 

Als we het idee van het zelfbeschikkingsrecht van een natiestaat bezien, zullen we de vraag moeten beantwoorden: wie zijn de ’wij’ om wie het gaat? Ook sommige etnische groepen horen meer of minder bij elkaar, hebben meer of minder overlap. Welke schaal moet een natie zijn? Als we kiezen voor twee etnische groepen die enige overeenkomst hebben, omdat er anders heel kleine staten zouden ontstaan, waarom niet een grotere schaal gekozen en meer etnische groepen verenigd? Bij het gevoel van een natie die tot een wij leidt wordt meestal de gezamenlijke afkomst impliciet aangenomen. Ook wat dat betreft waaiert als men teruggaat in de tijd de afkomst van mensen enorm uit. Hedendaags DNA onderzoek bevestigt dit.  Objectief gezien zijn er wellicht betrekkelijk willekeurige keuzes gemaakt. Bij het trekken van grenzen blijkt er niet één duidelijke oplossing te zijn, hetzelfde geldt voor de keuze van de ’officiële’ taal en voor religies. Singapore is een goed voorbeeld, waar vier ethnische volkeren samen leven. Kinderen op school leren twee talen, en er bewust voor gekozen is de taal van de dominante groep niet de officiële taal te maken. 

Er kleven problemen aan het idee van een staat en natie die uit een homogene groep mensen bestaat: wat te doen met de buitenstaanders? Er zijn drie mogelijkheden: hen vernietigen, hen verdrijven of hen doen assimileren. We kennen van deze routes ruimschoots historische voorbeelden.

Toch is het zo dat een gevoel van een nationale identiteit wel bestaat, of ontstaat. Om de nogal willekeurige en soms verzonnen schepping van een natiestaat te laten werken als identiteit is het van belang dat er behalve gezamenlijke verhalen ook een engagement gevoeld wordt om gezamenlijk te leven en een bestuurlijke eenheid te zijn. Als we dat onderkennen is het niet nodig om de geforceerde keuze te maken tussen globalisme en patriottisme. We scheppen een eenheid en als we de ingewikkelde werkelijkheid van onze verschillen onder ogen zien, functioneert die beter.

 

Kleur

In 1707 werd een jongetje van ongeveer 5 jaar oud afkomstig uit de Afrikaanse Goudkust als cadeau gegeven aan een Duitse hertog (wiens bibliothecaris Leibnitz was). Het was een experiment van deze aan de Verlichting toegewijde Duitser. Zou een kind van het zwarte ras net zulke goede intellectuele prestaties kunnen leveren als blanken? De jongen, die zichzelf later Amo Afer noemde, kreeg een goede opleiding, ging rechten en filosofie studeren, leerde zeven talen, publiceerde boeken en werd een gewaardeerd geleerde en universitair docent. Het experiment was geslaagd.

 

Amo Afer

 

Appiah gaat de geschiedenis van het idee van ras na vanaf de 19e eeuw. Tot die tijd geloofde men dat iedereen van Adam en Eva afstamde, en vervolgens van een van de zonen van Noah. Daarom bestonden er drie rassen: de donkere mensen, de blanken en de Semieten, waartoe de Hebreeuwse, Arabische en Assyrische volkeren behoorden. Tijdens de Verlichting kwamen andere ideeën op die geleidelijk aan de oude vervingen. Linneus’ indeling van de plantenwereld in een systematiek met genus en species stond model voor het denken over mensen. Dat had tot gevolg dat uiterlijkheden, met name kleur en het haar gedacht werden altijd samen te gaan met een temperament, gewoontes in het leven en stijl van het artistieke werk. ’Ieder ras heeft een specifiek genius’ was een uitspraak in deze tijd waarin veel belang aan rassenkenmerken werd gehecht, een periode van ’raciale fixatie’. Er was op veel gebieden in die periode de neiging om typologieën te maken en uit te werken, het essentialisme vierde hoogtij. We moeten daarnaast natuurlijk bedenken dat de neiging om het witte ras superieur en de gekleurden inferieur te vinden een rationalisatie was om met slavernij en kolonisatie om te gaan.

Toen de wetenschappelijke kennis van genen groter werd, werd duidelijk dat verschillende genen verantwoordelijk waren voor biologische kenmerken en voorkeuren voor bepaalde gedichten en filosofische ideeen. Een ander gevolg voor de opvattingen over ras was dat het grootse gedeelte van de genen overeenkomt bij mensen, zelfs met die van mensapen. Tenslotte werd de enorme variatie binnen rassen duidelijk. Biologisch gezien bestaat er maar een ras: de homo sapiens. En weer betoogt Appiah dat er nergens scherpe grenzen te trekken zijn tussen wat we voor het gemak toch ’rassen’ zullen noemen, de verschillende groepen lopen in elkaar over. Het oude beeld van ras maakte geen onderscheid tussen de biologische kenmerken en de culturele kenmerken. Terwijl het speciale aan mensen nu juist is dat we niet bepaald zijn door onze biologie, maar van elkaar kunnen leren door middel van een cultuur.

Het denken over ras heeft ook een morele dimensie. In de genocides lagen opvattingen over het anders zijn van andere groepen ten grondslag. Het gaat zeker niet steeds over huidskleur, ook over religie en taal. En zo vermeldt Appiah ook, er zijn ook massale moordpartijen geweest die over politieke kwesties gingen. Steeds is het een absoluut maken van een verschil tussen wij en zij.

Appiah signaleert dat bijvoorbeeld op Amerikaanse universiteiten het idee dat ras een sociale constructie is vaak heel bekend is. Maar de ervaring is anders. Afgezien van sociale ongelijkheid tussen groepen die veelal gekoppeld is aan kleur, bestaat er ook zoiets als ras-solidariteit, en een grotere belangstelling voor nieuws uit die gebieden waar mensen met hetzelfde uiterlijk wonen. Hoewel we intussen weten dat een indeling in rassen geen grond heeft in de wetenschappelijke inzichten, lijkt het alsof we nog steeds emotionele reacties die pasten bij de vorige eeuwen volgen.  Appiah zegt dat het hem doet denken aan de ’verloren was methode’ die in Ghana gebruikt werd om bronzen voorwerpen te maken: ’Je maakt een wasmodel, bedekt het rondom met klei, en smelt de was weg door er gesmolten brons in te gieten.’ De was (rasbegrip) ging verloren, maar de vorm bleef over, en we hebben ‘de ruimte die vrijkwam weer volop gevuld’.

Amo Afer is op middelbare leeftijd op het hoogtepunt van zijn filosofische carrière teruggegaan naar zijn geboorteland. We weten helaas niet waarom. Het zou kunnen dat racisme toenam in deze periode, Het zou ook kunnen, zoals de tekst van een toneelstuk uit die tijd dat kennelijk op hem is geënt suggereert, dat hij een gebroken hart had.   

 

Klasse

Het levensverhaal van Michael Young loopt als een rode draad door dit hoofdstuk. Young vader was Australiër, rijk geworden door een goudvondst, zijn moeder was Ierse. Young was geboren in 1925. Na omzwervingen in verschillende landen en op verschillende scholen vond hij een thuis op Dartington, een school die gesticht was als een filantropisch project als deel van een utopische gemeenschap. Een leidende gedachte was dat iedereen de kans zou krijgen zich te ontwikkelen naar vermogen, niemand zou als beter of slechter beschouwd worden.

 

Het complex van de school Dartington

 

Over de hele wereld zien we in maatschappijen een verdeling in hogere en lagere status. Degenen met een hoge status krijgen meer respect, hun noden hebben meer gewicht. Maar zoals alle etiketten, worden ze betwist en veranderen ze van tijd tot tijd. Ook is de neiging van mensen om zich te onderscheiden sterk. Een centrale menselijke behoefte is om respect te ontvangen en zelfrespect te hebben. Handarbeid werd in de late 18e, begin 19e eeuw niet alleen iets om een inkomen te verdienen. Mensen werden in toenemende mate ook trots op hun bijdrage aan de maatschappij. Ze vonden dat ze eerlijk en productief werk deden terwijl dat van een aantal witte-boordenberoepen nog maar de vraag was.

Klasse, niet beperkt tot de productieverhouden die Marx centraal stelde, is volgens Appiah een  mengsel van inkomen, status en sociale connecties. Of: financieel, sociaal en cultureel kapitaal. Het mengsel is complex. Jane Eyre had bijvoorbeeld geen geld maar wel de connecties en gewoontes waardoor ze sociaal werd geaccepteerd in de aristocratie. Journalisten hebben een groot cultureel kapitaal, maar worden niet erg goed betaald. 

Uit onderzoeken is gebleken dat mensen niet zozeer ongelijkheid afwijzen, maar wel de oneerlijke manier waarop die is ontstaan. Mensen vinden dat anderen meer mogen verdienen als ze bijzondere talenten hebben, maar niet dat ze door nepotisme op bepaalde plaatsen terecht komen.

Michael Young werd socioloog en gebruikte als eerste de term meritocratie in een fictieboek geschreven vlak na WO II. Daarin beschreef hij een maatschappij in 2033 die georganiseerd was volgens het principe van de meritocratie. Samengevat in een formule: IQ+inspanning= verdienste. Hij wilde af van het op kastes lijkende systeem van sociale stratificatie, waarbij afkomst te veel bepaalde. Michael Young signaleerde in zijn boek al een probleem met een meritocratisch ordeningsprincipe: succesvolle mensen hebben de neiging om hun kinderen te laten profiteren van hun rijkdom. Ook zorgen ze ervoor dat zij de beste schoolopleidingen krijgen en alles leren om goed te functioneren in de hogere regionen van de maatschappij. Zo ontstaat er een hedendaagse aristocratie.

Aan meritocratie ligt een hoop op efficiëntie ten grondslag, dat de mensen die geschikt zijn voor bepaalde opleidingen en bepaald werk op de juiste plekken terecht komen.  Andere menselijke eigenschappen, met name hoe we ons gedragen in groepen en afzetten tegen anderen, maken dat dit moeilijk is te realiseren. En Appiah pleit ervoor dat menselijke waardigheid evenzeer een rol zou moeten spelen als aangeboren talenten.

In het laatste deel van dit hoofdstuk stelt Appiah heel duidelijk wat werkelijk wenselijk zou zijn: ieder mensenleven heeft waarde, er zijn geen redelijke manieren om die waarden te vergelijken. Dit was het uitgangspunt van Dartington waar Michael Young zijn opleiding ontving en een standpunt dat hij altijd met verve is blijven verdedigen.

 

Edward Burnett Tylor

 

Cultuur

In het hoofdstuk over cultuur als identiteit focust Appiah op het Westen als culturele identiteit. We hanteren over het algemeen twee opvattingen over cultuur. Een is ontleend aan Edward Burnett Tylor, die geïnteresseerd was in ’primitieve’ culturen, daar een boek over schreef en later directeur werd van het Museum van de Universiteit van Oxfort en vervolgens de eerste hoogleraar antropologie. Hij definieerde cultuur als het complexe geheel dat kennis, geloof, kunst, moraal, wetten, gewoonten en alle andere vermogens en gewoontes die de mens verkrijgt als een lid van zijn maatschappij.  Dit is ongeveer de descriptieve definitie die nu nog in de sociale wetenschappen gehanteerd wordt. Appiah contrasteert het met de normatieve omschrijving van Arnold, een tijdgenoot van Tylor. Cultuur was voor hem het nastreven van alles wat een totale perfectie bewerkstelligt van al de dingen die ons het meest bezighouden, het beste wat er is gedacht en gezegd in de wereld. Hij had een moreel en esthetisch ideaal in gedachten dat zijn expressie vond in kunst, literatuur, muziek en filosofie. Ook op die manier wordt het woord cultuur vaak gebruikt, in de normatieve zin van wat wenselijk is.

Europa verwees lange tijd alleen naar een gebied, maar niet naar een identiteit. Toen de Moslims in de vroege Middeleeuwen een groot rijk veroverden, waaronder ook Spanje, creëerde dat een contrast met de christelijke wereld. Daardoor ging de christelijke wereld zijn identiteit bepalen. Dat zette zich door tijdens de verdere conflicten zoals de  kruistochten, en de strijd in Oost Europa, waarvan het Ottomaanse Rijk een gedeelte had veroverd. Stukje bij beetje werd dat terugveroverd en christelijk Europa definieerde zichzelf door het onderscheid met deze tegenstanders.

In deze Europese christelijke wereld leefde echter ook het idee, dat zij de erfgenamen waren van de bijzondere nalatenschap van de antieke Grieken, die via de Romeinen tot hen was gekomen en na een donkere periode weer was ontdekt door de Europese cultuur. Dat was als een goudklomp, door de Grieken opgegraven en steeds doorgegeven. Nog steeds gelden de antieken als de hoge cultuur. Men zag in dit verhaal over het hoofd dat dankzij de Moslimwereld de antieke teksten bewaard zijn gebleven. In Cordoba, de grootste stad in de vroege Middeleeuwen, was een werkelijk kosmopolitische sfeer, waar de klassieke traditie kon bloeien. Ook op andere punten is het aanvechtbaar dat het Westen en de Moslimwereld altijd tegenover elkaar stonden. In de 16e eeuw sloot de protestantse Elisabeth een overeenkomst met het Ottomaanse Rijk in de strijd tegen de Habsburgers. Een van de punten die Appiah hier benadrukt en steeds elders in het boek ook maakt, is dat het onderscheid dat we aanbrengen in de werkelijkheid nooit erg scherp is.

De term ’het Westen’ kwam in zwang tijdens het imperialisme van de 19e eeuw en werd in de praktijk bijna synoniem met blank tegenover gekleurd. Na WOII kreeg het onder invloed van de koude oorlog de betekenis van ’individueel, democratisch, vrijheidslievend, tolerant, progressief, rationeel en wetenschappelijk. ’Van Plato tot NAVO...’ Maar natuurlijk zijn er ook critici die juist de negatieve waarden van het Westen benadrukten: de slavernij, de exploitatie, het racisme, het materialisme en overmatig individualisme.

Appiah is een tegenstander van auteursrechten en discussies over culturele toe-eigening.  Hij stelt dat het delen van cultuurelementen ons allen ten goede komt. Alle culturele zaken en objecten zijn beweeglijk; zij zijn zelf het resultaat van verschillende elementen en vrijwel nooit het werk van één groep, of een auteur.  Als een object, een concept of een manier van uitdrukken eenmaal is ontstaan, behoort het tot de wijde wereld.  

Culturen zijn rommelig en warrig. Er is geen essentie waarmee alles samenhangt. De verhalen die we maken hebben enige waarheid, want er zijn grote lijnen van ontwikkeling. Maar waarden horen niet vanzelfsprekend bij een cultuur alsof het een geboorterecht is. Als we een cultuur van vrijheid, tolerantie en rationeel onderzoek voorstaan en hoog waarderen, zijn dat keuzes om te maken. Een cultuur is een project, dat we met elkaar ondernemen en gezamenlijk moeten onderhouden.

 

Leugens die binden

De titel van het boek doet vermoeden dat Appiah van leer zal trekken tegen identiteiten, of ze tenminste zal ontmaskeren, maar dat we desondanks niet zonder kunnen. De nadruk ligt in het boek echter vooral op het gegeven dat identiteiten een grote rol spelen in het maatschappelijke leven. Hij heeft twee grote bezwaren tegen de manier waarop we identiteiten beleven. De labels zijn mensenwerk en maar voor een gedeelte gebaseerd op objectieve gegevens. In geen van de aspecten die hij heeft besproken zijn er duidelijke scherp omlijnde categorieën. Alles loopt in elkaar over, de scheidingen zijn arbitrair. Het tweede bezwaar is dat er is geen diepere essentie is, waar de menselijke identiteiten een expressie van zijn.

De teneur van zijn boek is dat we identiteiten licht moeten dragen. Hoewel hij dat niet steeds expliciet zegt, pleit hij ervoor dat we mensen de ruimte zouden moeten geven om te zijn zoals ze zelf willen zijn.  

In zijn slotbeschouwing haalt hij de dichter Cavafy aan:

 

Zonder na te denken, zonder zorg, zonder schaamte

hebben ze grote hoge muren om me heen gebouwd

Ik zit hier nu en wanhoop

Ik denk aan niets anders

Dit lot eet mijn geest op

want ik had zoveel andere dingen daarbuiten te doen.

 

Identiteiten ontstaan en functioneren in een sociale werkelijkheid. De labels kunnen vrijheid en ruimte bieden om verschillende aspecten van onszelf tot uitdrukking te brengen. In een cultuur geven we gezamenlijk een betekenis aan die labels. Ze kunnen mensen ook opsluiten, zoals Cavafy beschrijft.

Het boek is erudiet en genuanceerd. Het roept waardering op voor de auteur door zijn menselijke benadering. De afwisseling van verhalen van mensen maakt het overtuigend. Wat zijn mensen

gevarieerd, wat is er een grote verscheidenheid geweest in de geschiedenis. 

Er blijven wel veel vragen over. Hoe beschermen we een gemarginaliseerde minderheid tegenover een meerderheid? Waarom blijven de sociale constructies van identiteiten soms zo lang intact en zijn ze zo moeilijk te veranderen? Wat kunnen we doen om een gevoel van waardigheid en respect voor de verschillende groepen te bevorderen? Veel psychologische mechanismes blijven onbesproken. Is er een weg uit deze neiging van de mensen om stereotypen te hanteren, afgezien  van ontwikkeling, bewustwording, inzicht? Waarom maken mensen soms zo’n harde muur en grens van een identiteit?

Onder geloof heeft Appiah niet zo zeer de religieuze en spirituele individuele ervaringen betrokken, hij benadrukt de sociale kanten van geloof. Als we meer aandacht zouden geven aan die innerlijke ervaringen zou daar veel ruimte zitten om zelf een diepere identiteit te ervaren, waardoor het effect dat anderen je een etiket opplakken zou kunnen verminderen. 

Samengevat kunnen we het zo zeggen: identiteiten zouden als toneelkleren kunnen zijn, we dragen ze in bepaalde rollen, voor andere rollen hebben we andere. We weten dat ze tijdelijk zijn en dat we ze in principe kunnen wisselen als het spel een kant op gaat waardoor dat beter zou zijn. We kunnen daar des te beter licht en flexibel mee omgaan als we ervaren en beseffen dat onze diepste identiteit onafhankelijk is van de diverse rollen waar we mee te maken hebben. Dat geldt voor onszelf en als  het voor iedereen geldt, hoeven we anderen niet vast te pinnen op hun identiteit. 

Appiah eindigt zijn boek met een bekend citaat van Terentius Afer, een slaaf in het Romeinse Afrika die rond het begin van de jaartelling leefde. Hij was vertaler van Griekse drama’s in het Latijn en dichter:

’Ik ben een mens. Niets menselijks is mij vreemd.’