Over bewustzijn

Civis Mundi Digitaal #94

door Frans Couwenbergh

Reactie op: Hans Komen, Wat is leven?

Al ben ik een gedoemde alfa, toch heb ik geboeid kennis genomen van de 3-delige verhandeling van Hans Komen, naar aanleiding van het boek What Is Life? (1944) van de natuurkundige Erwin Schrödinger (1887-1961), waarmee Schrödinger zich ook een belangrijke plaats toe-eigende in de moleculaire biologie.

In de derde en laatste aflevering legt Hans Komen verband tussen de kwantummechanica en de rol van het bewustzijn in het mysterie van het ontstaan van het leven op Aarde. Daarmee begeven we ons opfilosofisch terrein. Komen’s derde aflevering leunt sterk op het boek van Jim Al-Khalili en Johnjoe McFadden Hoe leven ontstaat. Op het snijvlak van biologie en kwantumleer (Atlas Contact, Amsterdam, 2015). Deze auteurs, beiden bioloog, speculeren over de mogelijkheid dat afzonderlijke denkprocessen in onze hersenen via kwantumfysica gecombineerd zouden kunnen worden tot samenhangende gedachten.
Hans Komen citeert: “Diverse wetenschappers hebben recentelijk belangstelling opgevat voor het idee dat het verplaatsen van het bewustzijn van de afzonderlijke materiële deeltjes in de hersenen naar het geïntegreerde EM-veld mogelijk het bindingprobleem zou kunnen oplossen en een zetel voor het bewustzijn zou kunnen opleveren.” Hij vervolgt: “Opmerkelijk is dat AKh&McF ervan uitgaan dat de afzonderlijke materiële deeltjes bewustzijn hebben. Daarbij wordt niet duidelijk of deze deeltjes bewustzijn zìjn of dat ze bewustzijn bij zich zouden kunnen hebben. Evenmin is duidelijk wat bewustzijn dan überhaupt zou kunnen zijn.”

In plaats van nu eerst en vooral in deze hachelijke tekortkoming van AKh&McF duidelijkheid te scheppen, laat Hans Komen het bij deze vaststelling. Hier ontbreekt mis ik iets. De filosofe Susan Haeck zei het al: “De hersenwetenschappen bieden een fascinerende inkijk in de werking van ons brein. Maar ze zullen niet een compleet antwoord geven op de vraag wat het menselijk brein onderscheidt van het brein van een mensaap… [Dat] is het werk van filosofen, en niet van hersenwetenschappers die in hun vrije tijd gaan filosoferen.”
Nu vindt deze humanosoof dat ook de filosofen hun werk nog steeds niet echt doen. Afgaande bijvoorbeeld op het Wikipedia-lemma over bewustzijn. Het beslaat qua bytes het enorme aantal van 433.577  en er omen alle filosofische stromingen en culturen uit de hele geschiedenis aan hun trekken, maar geeft “geen compleet antwoord op de vraag wat het menselijk brein onderscheidt van het brein van een mensaap”. Dus mag de humanosoof hier zelf aan het werk gaan.

 

Wat is bewustzijn?

Eerst duidelijk maken wat “bewustzijn dan überhaupt zou kunnen zijn. Etymologisch is ‘bewustzijn’ afgeleid van ‘weten’ en het heeft alles te maken met kennis en met denken. Maar ook onze mededieren hebben kennis, en denken doen ze ook [op hun manier]. Denken is: het in je brein werken met de denkbeelden van de dingen en hun handelingen, het bliksemsnel afspelen van verschillende scenario’s van wat in de gegeven situatie zou kunnen gebeuren; om dan het meest waarschijnlijke te kiezen voor je besluitname. Daarin kun je meer of minder slim in zijn, en verschil in intelligentie heb je niet alleen bij mensen maar ook bij onze mededieren. Voor die mogelijke scenario’s doe je als jong mens of dier ervaring op en die verworven bagage is je kennis, je wetenschap. Tot zover zijn we nog steeds dieren.

Wat nu is het grote verschil tussen mensen en hun mededieren zoals de mensapen? Dat is dat wij beschikken over namen voor de dingen. Dat wij in ons breinzeg maar ‘handvatjes’ hebben aan die denkbeelden van dingen en handelingen, waarmee wij die kunnen ‘vatten’ (be-grijpen) en overreiken aan de ander die dan het denkbeeld ook in haar/zijn brein heeft. Of waarmee wij in ons eigen brein ‘algebra’ kunnen plegen.
Wij kunnen het met elkaar over de dingen  hebben, èn we kunnen het bij onszelf over de dingen hebben. Wij kunnen hiermee met elkaar overleggen (twee weten meer dan één en met een hele groep kun je behoorlijke problemen oplossen). Hoe slim mededieren vaak ook kunnen zijn, ze kunnen het niet met elkaar of bij zichzelf over de dingen hebben. Hoe dierlijk wij voor al het overige ook nog steeds mogen zijn, dát ene ding schept een onoverbrugbare kloof tussen ons en onze mededieren… tenzij en in zoverre wij manieren uitvinden om (sommige van) onze mededieren namen voor de dingen  aan te leren; dan vermenselijken die.

 

Namen voor de dingen
Een naam (woord, symbool, afbeelding) van/voor een ding IS niet het ding. René Magritte maakte er in 1929 zijn beroemde schilderij van een pijp over met als onderschrift Ceci n’est pas une pipe. Filosofisch een platgetreden pad natuurlijk. Plato urmde er al over, in zijn grot-metafoor; dat wij, mensen, eigenlijk alleen de schaduwen van de dingen zien, zoals die (door een camera obscura-effect) verschijnen op de achterwand van de grot waarin wij leven, en niet de dingen zelf. Dus over het feit dat wij vastgeketend zitten in een ‘woordenwereld’. Want inderdaad: voor ons bestaan de dingen pas als en in zoverre wij er een woord voor hebben, niet dan?  
Als ik schrijf ‘wc’, dan heeft u onmiddellijk het denkbeeld van een toilet in uw brein. Als ik schrijf ‘roos’: floep! het denkbeeld van een roos – een rode dan wel een witte, doet er niet toe, u weet onmiddellijk waar ik het over heb. Als ik schrijf ‘schip’, idem dito.  Plato ging zo ver dat hij die universele denkbeelden (hij noemde ze Ideeën) voor ons de realiteit vertegen-woordigen; immers, individuele rozen verwelken en individuele schepen vergaan maar hun universele woorden (Ideeën) blijven bestaan.

 

Zijn begrippen namen voor de dingen (nominalisme) of zijn ideeën werkelijk (realisme)?
In onze vroege middeleeuwen, toen alleen Plato’s geschriften in de ‘canon’ voorhanden waren, was de vraag of we aan ‘het  universele’ een hogere realiteit mogen toekennen dan aan ‘het individuele en concrete’ aan het hof van Karel de Grote het toppunt van geleerdheid. Maar na de twee ‘duistere eeuwen’ van de verlammende invallen van Germaanse stammen, toen het intellectuele leven zich slechts afgespeeld had in de kloosterscholen – waar de scholastiek haar naam aan ontleent – begon hierover de ‘universaliënstrijd’.

Het was de theoloog/filosoof Roscellinus (1050-1124) die stelde dat alleen de zintuiglijk waarneembare dingen werkelijk bestonden. Hun universele begrippen waren slechts ‘namen voor de dingen’: ‘uitstotingen van lucht’. Zijn grote tegenstander was de benedictijn Anselmus (1033-1109), een christelijke neoplatonist die alleen de universele Ideeën werkelijkheid toekende… want waar blijf je anders met God? Is ook Hij slechts ‘uitstoting van lucht’? De nominalisme-strijd  liep zo hoog op dat een kerkelijk concilie zich er over uitsprak. Roscellinus’ doctrine werd veroordeeld en deze trok zijn standpunt haastig in, hij was niet gek, kom nou.

Het nominalisme verdween echter niet. Willem van Ockham (1288-ca. 1347), die van het beroemde ‘scheermes’, is een belangrijke voortzetter van deze filosofische benadering. Ze zou weldra empirisme gaan heten, met filosofen als Francis Bacon (1561), Thomas Hobbes (1588-1679) en John Locke (1632-1704). Maar als het over namen voor de dingen gaat is Roscellinus nog steeds mijn proto-humanosoof.

 

Latere filosofen
Of anders Kant (1724-1804), met zijn standpunt dat wij de Dinge an sich niet kunnen kennen, alleen hun fenomenen, hun verschijnings-vormen. Ik beweer immers ook dat de dingen voor ons slechts bestaan als en in zoverre we er een woord voor hebben. Want zodra wij een nieuwe verschijningsvorm gewaar worden, brengen we die onder woorden zodat we er het met elkaar (of met onszelf) over kunnen hebben.
En hoe zit het met Michel Foucault (1926-1984), met zijn Les Mots et les Choses (1966)? Welnee, diens bestseller is gewoon een rare wetenschapsgeschiedenis waarvan hij de titel gejat heeft van Ernest Gellner (1925-1975)-’s boek Words and Things (1959); maar beide boeken hebben niets met het fenomeen namen voor de dingen te maken.
Maar Ernst Cassirer (1874-1945) komt veel dichter in mijn buurt, in zijn Essay on Man. Al heeft deze het als ‘neo-Kantiaan’ aanvankelijk alleen over Symbolische Formen en is zijn driebandige hoofdwerk hierover (1923-1929) niet om door te komen, toch pleit hij, net als ik,  voor een filosofiebeoefening die zich baseert op de vakwetenschappen van zijn dagen, zoals (toen) godsdienstfilosofie, filologie, antropologie en etnologie: wetenschappen waar Kant nog geen toegang toe had.
In zijn leesbaarder laatste boek Essay on Man (1944) dat ik wel heb uitgespeld, heeft hij de brieven weergegeven die de verzorgsters van de doofblinde Laura Bridgman en Helen Keller hebben geschreven over het moment waarop hun respectievelijke pupillen voor het eerst beseften dat de woorden die in hun handpalmen werden ‘geschreven’, namen voor de dingen waren. Voor mij onvergetelijke getuigenissen. Dankzij Cassirer. Bovendien: vanaf die briefweergaven heeft Cassirer het zelf verder niet langer over ‘symbolische Formen’, maar noemt deze gewoon namen voor de dingen . Dus zie ik ook hem als proto-humanosoof. Nee, niet als humanosoof. Want dat zou hij pas hebben mogen zijn als hij had kunnen opnoemen wat het beschikken over namen voor de dingen doét met een dier.
Dat zouden onze filosofen hebben kunnen doen als ze doorgegaan waren op het pad dat eerst Kant en vervolgens Cassirer hadden gebaand. Maar nee.

 

Postmodernisme

Toen de ‘vakwetenschappen’ (ik noem ze disciplinewetenschappen) zoals antropologie, archeologie, paleoantropologie en ethologie (denk aan Frans de Waal) vanaf de jaren 70 de resultaten van hun door de welvaart van de vrijemarkt-economie betaalbaar geworden veldonderzoeken op de markt begonnen te spuien, raakten onze filosofen aan het dwalen in de woestijn van het postmodernisme: twijfel aan elke waarheidspretentie, zelfs aan die der wetenschap, en met een fobie voor elke vorm van Groot Verhaal. En ze bleven met de rug gekeerd naar de data vanuit de disciplinewetenschappen zitten bladeren in oude filosofen of in hun eigen in ontoegankelijk jargon (dus gewichtig aandoend) geschreven bedenksels. Zo on-democratisch als de pest. Een ramp voor onze samenleving. Breek me de bek niet los. Leve onze publieks-filosofen, bij hen geen spoor van postmodernisme.

 

Wat doet het beschikken over namen met een dier?

Dus nu op de proppen met de vijf dingen die het beschikken over namen voor de dingen doét met een dier. Dat was geen uit de fysieke evolutie voortvloeiende verworvenheid en tot die conclusie bleek ook Cassirer al gekomen te zijn: het ontwikkelen van ‘symbolische Formen’ door onze vroegste voorouders is geen overlevingsnoodzaak geweest.

Het is een toevallige culturele gebeurtenis geweest. Natuurlijk heb ik een theorie (speculatie, just so story) over het begin van de namen voor de dingen bij onze voorouder-aapmensen. Ik denk  dat het begonnen is als een meidenspelletje zoals  Hints. Behalve leuk was het ook handig: kon je het met elkaar hebben over iets wat niet in de omgeving gewaar te worden was (als stimulis/respons reactie dus), maar over iets waar je toevallig alleen maar aan dacht.
Dat het dus begon in één groepje aapmensen, ergens op een Afrikaanse savanne, misschien al wel 5 miljoen jaar geleden. En dat het begon met niets en dat het  tig generaties lang weinig bleef, maar… het dééd iets met die aapmensen die onze vroegste voorouders zouden worden en die ik hier voor ’t gemak als VOAP’s (voorouder-aapmensen) zal aanduiden. Het deed vijf dingen. 

1. Er kwam afstand tussen subject (de benoemer) en object (het benoemde ding). De VOAP’s konden voortaan de dingen objectiveren. Ze kwamen er ‘afstandelijk tegenover te staan’, kun je ook zeggen.
2. Met een naamgrijp’ je ahw het ding. Je kunt een naam zien als een handvatje aan het ding, waarmee je er ‘vat’ op krijgt. Je kunt het denkbeeld van het ding er mee beetpakken en het overreiken aan deander, die het ‘vatten’, be-grijpen kan. Daarmee krijgt die het (als denkbeeld) ook in haar brein. Capito?
In je eigen denken krijg je door er een naam voor te hebben meteen ook grip op het ‘ding’.

Onze VOAP’s zijn het pad opgegaan van het gaan begrijpen  van de dingen. Dat pad leidde hen de dierenwereld uit, leidde hen uiteindelijk naar ons, naar het mens-zijn. Op dat pad bevinden we ons nog steeds, en er is geen terug naar het niet-begrijpen. We kunnen alleen maar verder op dat pad, naar het steeds beter begrijpen van de dingen. Ik bedoel maar: progressief (dus links)-zijn is geheel conform onze menselijke natuur.

3. Met een naam voor de sabeltandtijger kregen de VOAP’s ‘vat’, ‘grip’ op dat gevreesde dier. Dat verminderde hun instinctieve angst voor het monster een beetje. Ze bleven ervoor op hun hoede, natuurlijk, maar de blinde paniek ging er af. Het gekke is: het leek een beetje op hun kunnen gooien met stenen. Wij zeggen ook nog wel eens: ik doe er een gooi naar.

Dat ‘vat’ krijgen op iets of iemand is evenwel ook een aantasting. Bij ‘wilde stammen’ mag je een volwassene nooit bij zijn naam noemen, je moet de persoon omschrijven. Iemand bij zijn naam noemen wordt gevoeld als aantasting van de integriteit van de persoon.

De Joden (hun godsdienst is van oorsprong Arabisch, dus van ‘wilde stammen’, net als de latere islam) mogen hun God nog steeds niet bij zijn naam noemen. Iemand afbeelden heeft hetzelfde gevoelsmatige effect. Bij moslims is het verplaatst naar het afbeelden.

Met de naam voor de dingen kregen de VOAP’s gevoelsmatig macht over de dingen. Dat heeft er toe geleid dat ze (ik schat zo’n 4 miljoen jaar geleden) het vuur zijn gaan gebruiken in plaats van er in paniek voor op de loop te blijven gaan zoals hun mededieren.

4. Met namen voor de dingen konden de VOAP’s voortaan kennis, door de ene generatie opgedaan, overbrengen op de volgende. Kennis kon zich bij hen gaan opstapelen, van generatie op generatie doorgegeven met aanvullingen.
5. Met namen voor de dingen konden de VOAP’s ieders individuele scherpzinnigheid op één hoop gooien. Twee weten meer dan één, en met een hele groep kun je grote problemen aan. De VOAP’s konden brainstormen, plannen maken.

Dat is de kracht van het mens-zijn. De kracht van de democratie ook, in tegenstelling tot dictatuurdie tot achterlijkheid leidt en het vroeg of laat af moet leggen tegen democratie. De kracht van het Westen tegenover de moslim- en hindoe-wereld waarin de vrouwen, het slimste want duurzaamste deel van de mensheid, niet volmondig mee mogen praten.
Met hun namen voor de dingen konden de VOAP’s plannen beramen. Vooral nadat ze ook het vuur waren gaan gebruiken werden ze van bange troepjes aapmensen de hooligans van de savanne.

 

Terug naar deel 3 van Hans Komen, Wat is leven?
Komen stelt “De drie grootste mysteries van de wetenschap zijn het ontstaan van het universum, het ontstaan van het leven en het ontstaan van het bewustzijn.” Helder.
Maar bij het licht brengen in het mysterie van het bewustzijn wordt het tasten in het duister. Bewustzijn behoort nl. tot de meest ongrijpbare begrippen. Vooral ook omdat hij geen verschil maakt tussen bewustzijn van ‘de mens’ en het bewustzijn van onze mededieren.
Komen postuleert zelfs een bewustzijnsenergie, die “het hele levensproces van de plant, dier en mens gedurende zijn leven” beïnvloedt. (par. 4.4).
Een bewustzijnsenergie die, hoewel immaterieel, “over informatie beschikt om te Weten wanneer de juiste combinatie, die uit miljoenen mogelijkheden kan bestaan, is bereikt om celdeling mogelijk te maken… die combinatie vast te zetten in de materie, zodanig dat de kwantumtunneling tot stilstand wordt gebracht en daardoor  in de materiële werkelijkheid tot celdeling kan Komen” (par. 4.5). Hier raken we naar mijn gevoel de vaste grond enigszins kwijt.
De conclusie van zijn Deel 3 is: “Mogelijk bestaat er een immateriële bewustzijnsenergie die in staat is de kwantumtunneling van de cel in het juiste punt vast te zetten, zodat ze tot celdeling kan overgaan in de macro materiële werkelijkheid en zo tot leven komt.”
Dat geldt dan voor plant, dier en mens. Maar vervolgens gaat het toch weer ongemerkt over ons, en vergelijkt hij ons met een computer die immers alleen kan functioneren wanneer er van buitenaf software wordt toegevoegd.  “De hersenen behoren tot de hardware en de immateriële bewustzijnsenergie is de software.”
Hij eindigt: “Er is een bewust universum dat onder bepaalde omstandigheden materie voortbrengt. En dit bewustzijn manifesteert zich via het levende organisme dat een combinatie is van immateriële en materiële energie.” Ja, met ‘energie’ kun je heerlijk theoretiseren. In New Age teksten is dit het meest favoriete concept.
In de teksten van de humanosoof komt je ‘energie’ nergens tegen. ‘Bewustzijn’ des te meer. Bewustzijn is voor een dier ‘bij zinnen’ zijn, dus met volle beschikking over zijn zintuigen (en niet ‘buiten westen’ door een akelige klap of een spuitje). Als groepsdieren communiceren dieren ook, met lichaamstaal en geuren en weet ik allemaal nog meer. Hoe intenser hun groepsleven, des te complexer hun communicatie en frappanter hun intelligentie. Mensapen, walvissen, hyena’s… de kraaiachtigen lijken aan de top te staan, met hun walnoothersentjes.

Mensen hebben alleen een extra etage op dat dierlijke bewustzijn gebouwd. Het ‘bordkartinnen vlierinkje’ van namen voor de dingen  waarop wij (menen te) leven maar waarmee wij al onze mededieren de baas zijn. Nu onszelf nog.
Maar Komen’s verhandeling  Wat is leven is niet compleet.  Want we leven op aarde en het aardse klimaat is op een verontrustende manier dankzij ons talige bewustzijn in een onomkeerbare kettingreactie aan het raken.
Er rest ons nog veel werk.

 

PS Na overmaken van 20 euro en adresopgave stuur ik mijn boekje DE MENS voor dummies. IBAN: NL23RABO0105108065