Albert Camus: De pest en de coronacrisis
Deel 2: De quarantaine, de ontregeling van het leven en de gezamenlijke strijd

Civis Mundi Digitaal #95

door Piet Ransijn

 

Francisco J. Goya y Lucientes (1746-1828), De pest, ziekenhuis met pestpatiënten, 1800 

 

Deel 2 De quarantaine, de ontregeling van het leven en de gezamenlijke strijd

De maatregelen en de besluitvorming

De pest speelt zich af in Oran, de tweede stad van Algerije, waar Camus heeft gewoond met zijn vrouw Francine, die uit Oran kwam. Als de pest wordt vastgesteld, wordt Oran hermetisch afgesloten. Niemand mag er meer in en eruit. Voor het zover is, beschrijft Camus de besluitvorming die eraan voorafgaat. Nadat er massaal duizenden dode ratten in de stad zijn aangetroffen en verdelgd, lijden er steeds meer mensen aan een onbekende besmettelijke, dodelijke ziekte. De ziekenhuizen raakten vol. Er werd een schools hulpziekenhuis in gebruik genomen. De maatregelen van de overheid waren volgens dr. Rieux onvoldoende, terwijl de officiële berichten optimistisch bleven (p 48-49).

Aanvankelijk dacht men dat het loos alarm was. Het stadsbestuur wilde eerste en officiële verklaring dat het een pest-epidemie betrof, voor er drastische maatregelen genomen werden. “Ook als wij dat niet officieel verklaren, bestaat er de kans dat de halve stad gedood wordt,” zei Rieux daarop. “U bedoelt, dat zelfs in geval het geen pest is, toch de maatregelen genomen moeten worden die bij een pest-epidemie worden genomen,” zei de bestuurder (p 40-41). Daar waren de betrokken artsen het over eens. Toen de aantallen meer dan verontrustend waren, wilden ze de regering om orders vragen. “Orders! Wat nodig is, dat is verbeeldingskracht,” was de reactie van Camus. Toen steeg opeens het aantal doden pijlsnel.

Een oudere collega van Rieux, dr. Castel, zag als eerste dat het de pest betrof. De algemene mening was dat deze al sinds jaren was verdwenen uit het Westen. Hij had daarvoor geen analyses nodig, omdat hij had gewerkt in China en ook in Parijs toen zich daar een jaar of twintig geleden nog gevallen van pest voordeden (p 30). Toen kwam het officiële telegram: “kondig pestepidemie af. Sluit de stad” (p 50).

 

 

De scheiding

Het gevolg was dat mensen plotseling van elkaar gescheiden werden en niet meer in staat waren elkaar te bereiken of een bericht te zenden, zoals Camus zelf had ervaren in de oorlog. Ook interlokale telefoongesprekken werden verboden, wegens overbelasting van de lijnen. Alleen korte telegrammen waren nog mogelijk. Brieven waren niet toegestaan wegens besmettingsgevaar. De maatregelen waren in veel opzichten drastischer dan bij de Coronacrisis, maar wel kleinschaliger.

Alleen inwoners die uit de stad vertrokken waren voor de epidemie mochten bij uitzondering na enige dagen beraad van het stadsbestuur terugkeren, maar dan onder geen beding de stad meer verlaten. Gezien het gevaar dat zij dan liepen, besloot slechts één persoon om terug te keren.. “Het betrof slechts de oude dr. Castel en zijn vrouw, al jarenlang gehuwd. Hun huwelijk was zelfs niet het voorbeeld van volmaakt geluk... De echtgenoten waren hoogstwaarschijnlijk zelfs op dat ogenblik niet zeker geweest dat zij voldaan waren over hun echtverbintenis. Maar deze bruuske en langdurige scheiding had hen tot de slotsom gebracht, dat zij niet zonder elkaar konden leven en dat naast dit plotseling ontdekte feit de pest van weinig betekenis was... Dit was een uitzonderingsgeval. In het merendeel van de gevallen was het wel duidelijk, dat de scheiding pas zou kunnen eindigen met de epidemie. En bij ons allen had een verandering plaats in de gevoelens... Mannen die meenden de liefde licht op te vatten, bemerkten hun standvastigheid. Zonen die naast hun moeder hadden geleefd zonder acht op haar te slaan, richtten al hun onrust en hun spijt op een rimpel van het gelaat, dat door hun geheugen schimde. Deze ruwe scheiding, zonder overgang of hoop op een nabije toekomst, bracht ons in een volkomen verwarring” (p 53).

Dr. Castel wijdt zich aan het vervaardigen van een serum tegen de pest, omdat het bestaande serum niet adequaat werkte en er onvoldoende voorraad was. Toen zijn serum succes had kwam er een keerpunt in de epidemie. Maar niet voordat er vele slachtoffers zijn gevallen.

 

 

De ballingschap van Rambert

Journalist Rambert, één van de alter ego’s van Camus die toen ook werkte als journalist, voelt zich een vreemdeling in Oran. Hij hoort er niet thuis en wil eruit. Hij is niet alleen van zijn geliefde gescheiden, maar ook van zijn vaderland. Hij wil naar zijn vrouw in Frankrijk. Maar dat gaat niet. Hij zet alles op alles om weg te komen, eerst via officiële kanalen, als dat niet lukt via slinkse wegen. Dokter Rieux doet een beroep op hem doet om mee te helpen in een team van vrijwilligers in de strijd tegen de pest. Hij stemt hij toe, zolang hij nog moet wachten tot de gelegenheid zich aandient om de stad te ontvluchten. Diverse pogingen falen. Hij moet herhaaldelijk weer opnieuw beginnen, net als Sisyphus. Hij was er zo mee bezig, dat hij zijn vrouw erdoor vergat. “Maar hij vond haar ook weer terug in het middelpunt van zijn verlangen, met een plotselinge uitbarsting van smart” (p 115). Hem interesseert het “te leven en sterven voor wat men liefheeft,” niet voor een idee of ideaal. (p 120). Dat komt erop neer te leven voor wie men liefheeft.

Rieux heeft alle begrip voor Rambet, omdat zijn vrouw vlak voor het uitbreken van de epidemie vertrok naar een kuuroord om te herstellen van haar ziekte. Als hij eindelijk de stad kan verlaten, kiest Rambert ervoor te blijven. “Hij zou zich schamen als hij wegging. Dat zou zijn liefdesgeluk bederven.” Rieux zei toen “dat men zich niet hoefde te schamen als men het geluk verkoos. ‘Ja’, antwoordde Rambert, ‘maar het kan beschamend worden alléén gelukkig te zijn... Dit hier gaat ons allen aan’.” Waarop Rieux zei: “Niets ter wereld is het waard, dat je er afstand voor doet van wat je liefhebt. En toch doe ook ik er afstand van, zonder dat ik weet waarom” (p 151).

 

Camus, Die Pest. Eine Illustration von Edy-Legrand  

 

De samenwerking van dokter Rieux met Tarrou

Een andere hoofdpersoon, Tarrou, stelt aan Rieux voor groepen vrijwilligers in te zetten voor de gezondheidsdienst. Liefst buiten het stadsbestuur om, waarin hij weinig vertrouwen heeft en dat zijn handen vol heeft. Hij laat zich niet afschrikken door de mogelijke dodelijke gevolgen waarop Rieux hem wijst. Er ontspint zich een gesprek. Tarrou was de zoon van een rechter. Toen zijn vader ooit de doodstraf eiste tegen een schooier die zijn spijt bekende, brak hij met zijn vader en keerde hij zich tegen een samenleving die was gebaseerd op geweld en uiteindelijk de doodstraf. Hij  een anarchist, een revolutionair. Daar revolutie ook met dodelijk geweld gepaard gaat en hij evenals Camus gekant is tegen de doodstraf, breekt hij ook daarmee. Hij wordt dan een soort ‘outcast’, die dwang van de overheid en het gerecht niet ziet zitten.

Rieux is de zoon van een arbeider, die het evenmin kon aanzien dat mensen sterven. Hij doet er alles aan dit te voorkomen, ook al “wordt de wereldorde geregeerd door de dood” (p 95). “Uw overwinningen zullen altijd maar tijdelijk zijn,” zegt Tarrou. Waarop Rieux zegt: “Dat is geen reden om niet te vechten.” Ook al zou de pest voor hem “een oneindige reeks van nederlagen” betekenen, dat wil zeggen: Sisyphusarbeid. Tarrou wordt zijn belangrijkste medestander en ze trekken samen op. “Een weerglans van de hemel bescheen hun gezichten. Rieux lachte opeens vriendschappelijk... ‘Wat brengt u ertoe zich met dit alles te bemoeien?’ –‘Ik weet het niet. Misschien mijn moreel gevoel’” (p 96).

De figuur van Rieux is behalve een alter-ego van Camus geïnspireerd op zijn artsen, met name een collega van zijn arts, die met Albert Schweitzer had samengewerkt. De inspiratiebron van Schweitzer was Christus, die ook Camus, niet onberoerd liet, al geloofde hij niet in God. Dat blijkt uit De val, zijn Dagboek en de notities bij De eerste man. Zie ook de biografie van Olivier Todd, Albert Camus: A Life.

De verteller is van mening dat “het kwaad in deze wereld bijna altijd ontstaat uit onwetendheid en men kan uit onwetendheid met de beste bedoelingen net zoveel rampen stichten als uit boosaardigheid. De mensen zijn eerder goed dan slecht. Maar zij zijn min of meer onkundig, en dat noemt men kwaad of goed” (p 97). Ziehier in het kort het credo van Camus en zijn geloof in de mensen.

 

De pest in vroeger tijden https://verkenjegeest.com/de-bizarre-dagen-van-de-zwarte-dood 

 

De liefde van Joseph Grand: de kleine kantoorman

Een andere medestander is Joseph Grand, een kleine, onbetekenende kantoorbediende. Hij lijkt een beetje op De vreemdeling. Hij hield op het stadhuis nauwkeurig de statistieken bij van sterfgevallen. Dit waren belangrijke gegevens voor dr. Rieux en andere deskundigen voor hun beleid, de prognose, de aard en de verspreiding van de epidemie, zoals nu ook bij de Coronacrisis. Camus had overigens ook een studie gemaakt van de pest en de cholera, die eerder de stad Oran bedreigde. Hij verwerkt ook historische gegevens in zijn roman, waaruit de ernst van een pestepidemie blijkt. De pest van Constantinopel maakt bijv. volgens Proscopus in één dag tienduizend slachtoffers. Zieken werden met een haak weggehaald en massaal verbrandt (p 32-33).

Joseph Grand wordt beschreven in termen van vele “kenmerken van onbeduidendheid... vlijtig bezig de tarieven voort baden en douches van de gemeentelijke badinrichting te herzien... Zelfs bij de onbevooroordeelde geest moest hij de indruk maken ter wereld te zijn gekomen om de bescheiden, maar onontbeerlijke taak te vervullen van tijdelijk assistent bij de gemeente met een salaris van tweeënzestig francs per dag” (p 36). Camus heeft als student dergelijk werk verricht bij diverse bijbanen.

Op een dag stort Grand zijn hart uit bij Rieux, zoals ook de andere hoofdpersonen een keer doen. “Hij was heel vroeg gehuwd met een nog zeer jong arm meisje uit zijn buurt. Juist om te kunnen trouwen had hij zijn studie afgebroken en een betrekking gezocht... De rest van de geschiedenis was volgens Grand heel eenvoudig. Het gaat zo met iedereen: je trouwt, je hebt elkander lief, je werkt. Je werkt zoveel, dat je het liefhebben gaat vergeten... Hij had zijn vrouw niet voldoende laten voelen dat hij haar liefhad... Waarschijnlijk had Jeanne daaronder geleden... De jaren waren voorbijgegaan. Later was zij weggegaan, natuurlijk niet alleen. ‘Ik heb veel van je gehouden, maar nu ben ik het moe... Het maakt me niet gelukkig weg te gaan, maar je hoeft niet gelukkig te zijn om opnieuw te beginnen’..., had zij hem geschreven... Hij dacht eigenlijk altijd aan haar. Hij zou haar graag een brief hebben geschreven... – ‘Neem me niet kwalijk’, dokter, zei de oude man, ‘maar...  met u kan ik praten. En dat grijpt me aan’” (p 61-62).

Hij wil Jeanne een brief schrijven, maar komt er niet toe. Hij wil ook een liefdesverhaal schrijven maar blijft teken bij de eerste regel, die hij eindeloos herhaalt in vele variaties. Elke avond probeert hij het opnieuw. Zo bestaat het leven uit steeds opnieuw beginnen en verlangen naar een onbereikbare geliefde en een verloren eenheid die er eens geweest is maar verbroken is. Dat zien we ook bij de andere hoofdpersonen en in andere werken van Camus.

 

 Rambert wil naar zijn geliefde

De dokter wekt bij velen vertrouwen. Hij oordeelt niet, toont begrip en laat de mensen praten en hun hart uitstorten. Zo ook bij de journalist Rambert. Toen hij een verschil van mening met de dokter had, vroeg deze of hij niet boos op hem wilde zijn en hem op de hoogte wilde houden. “Er was toch beslist een punt waarop hun tegenstrijdige meningen elkaar raakten” (p 66). De dokter zocht het compromis, maar niet ten koste van de feitelijke waarheid. “Maar waarin sommigen een abstractie zagen, was voor anderen de waarheid” (p 69). Dat was voor de dokter het algemeen belang, dat volgens Rambert een abstractie was, die feitelijk wordt gevormd door het geluk van elk individu. Ook zijn geluk, dat volgens hem gelegen was bij zijn geliefde.

Daarom wilde hij kost wat kost de stad uit en vroeg hij tevergeefs aan de dokter om een nutteloze verklaring dat hij de pest niet had. Toen het legaal niet lukte probeerde Rambert weg te komen via illegale kanalen. Als hij eindelijk ergens wordt ingekwartierd in afwachting van zijn vertrek, spreekt hij een oude moeder, die vraagt of hij niet bang is zijn vrouw te besmetten. “Hij meende dit risico te moeten aanvaarden... Ze liepen wel ernstig gevaar voor altijd van elkaar gescheiden te zullen worden als hij in de stad bleef. ‘Is ze lief?’, informeerde de oude glimlachend. –‘Heel lief.’ –‘Gelooft u niet in de goede God? vroeg de oude, die elke morgen naar de mis ging. Rambert zei van niet... – ‘Ja, u hebt gelijk, u moet proberen naar haar toe te komen. Want wat zou er anders voor u overblijven?’” (p 147). Rambert kiest uiteindelijk voor de medemensen, die overblijven. Zoals ook Camus, die evenals Rambert en de dokter niet in God geloofde, maar in de mensen.

 

De pest in vroegere tijden: De triomf van de dood, Pieter Beughel de Oudere, ca. 1562

 

De preken van Pater Paneloux

Een medestander met een totaal andere achtergrond was de gezaghebbende Pater Paneloux. Hij was enerzijds een man die in abstracties leefde die voor hem geloofswaarheden waren, anderzijds ook een gepassioneerd man van vlees en bloed, een warm verdediger van het christendom in een tijd van individualisme en vrijgeesterij. “Hij had zich losgerukt van zijn studies over St. Augustinus... Vurig en hartstochtelijk van aard als hij was, had hij vastbesloten de taak aanvaard... om een week van gemeenschappelijk bidden te organiseren... waarmee de kerkelijke autoriteiten de pest met hun eigen middelen besloten te bestrijden... Het merendeel van de gelovigen dacht er juist zo over als een der gelovigen het uitdrukte tegenover dr. Rieux: ‘In elk geval kan het geen kwaad’. Zelfs Tarrou... merkt erbij op dat het moeilijk was vast te stellen of dat meer effect had dan de geneeskundige maatregelen” (p 78-79).

Paneloux gaf in een geheel gevulde kathedraal een welsprekende donderpreek over pest als ‘gesel Gods’. “Beroofd van Gods licht, bevinden wij ons voor lange tijd in de duisternis van de pest... Al te lang reeds heeft deze wereld geheuld met het kwaad... Het uur der bezinning is gekomen.” Hij meende dat “de goddelijke barmhartigheid, die in elk ding het goede en het kwade mengt, de toorn en het mededogen, de pest en het heil,... de weg wijst... [en] het kwaad in goed vervormt... Ook heden leidt het ons, door de weg van de dood, van angst en smartekreten, naar de wezenlijke stilte en de oorsprong van het leven.” Zo meende hij behalve een bestraffing ook troost te kunnen geven. “Nooit had hij, pater Paneloux, zo machtig de goddelijk hulp en de christelijke hoop gevoeld, die aan allen werd aangeboden. Het valt moeilijk vast te stellen of deze preek invloed had op onze medeburgers.” (p 72-75).

In deze preek lijkt een dualistische gnostische visie te zijn verwerkt van aardse ellende tegenover het goddelijke heil. Camus heeft het christendom, het gnosticisme, het neoplatonisme en Augustinus uitvoerig bestudeerd voor zijn doctoraalscriptie. Sporen hiervan zijn in zijn werken te vinden, zoals zal blijken bij vervolgartikelen hierover. Het idee dat het kwaad voortkomt uit onwetendheid is bijv. neoplatoons en door Augustinus overgenomen.

De figuur van Pater Paneloux is mogelijk mede geïnspireerd op een vriend van Camus uit het verzet: pater Bruckberger, die echter een meer vrijzinnige en eigenzinnige indruk maakte. Camus heeft zijn ideeën van en over het christendom laten verwoorden door Paneloux. Rieux kan zich niet vinden in het idee dat de pest ook een goede zijde heeft als collectieve straf die dwingt tot nadenken. Hij meent dat “de eerste de beste pastoor...die het ademen van een stervende heeft beluistert er juist zo over denkt als ik. Hij zal trachten de ellende te verlichten, eerder dan er de uitmuntende werking van te betogen”(p 93). Het geloof in God scheidt hen niet van hem, meent hij. Als Paneloux zich bij het team van vrijwilligers voegt, zegt Rieux: “’Daar ben ik blij om...omdat ik nu weet dat hij beter is dan zijn preek” (p 111). Eerder zei hij: “Christenen praten soms zo, zonder het werkelijk te menen. Ze zijn beter dan ze lijken” (p 93). Was dit ook de visie van Camus, die sympathie koesterde voor christenen en het christendom? Hij respecteert de mensen, maar deelt niet hun geloof.

 

 

De dood van een kind als dieptepunt

De doodsstrijd van het kind is de meest heftige gebeurtenis in de roman, die van ellende aan elkaar hangt, met sprankjes hoop ertussen. Het is een aangrijpend dieptepunt en keerpunt in de kroniek. Omdat het kind niets te verliezen had, werd het medicijn uitgeprobeerd, dat dr. Castel had ontwikkeld. Het leek te werken maar niet voldoende, waardoor de doodstrijd langer duurde, terwijl de ouders in quarantaine moesten blijven. Rieux “werd één met het gefolterde kind en trachtte het te schragen met alle kracht, die hij nog bezat... Maar het kind ontglipte hem” (p 156). Er volgt een aangrijpende beschrijving van de doodsstrijd, “die Rieux niet meer kan aanhoren en zien.”

Daarna praat Paneloux er met hem over. “Het brengt ons in opstand, omdat het ons bevattingsvermogen te boven gaat. Maar misschien moeten wij liefhebben wat wij niet kunnen begrijpen,” zei hij tegen Rieux. Deze heeft echter een andere opvatting omtrent liefhebben. Hij weigert een schepping lief te hebben waarin kinderen worden gemarteld. “Wij werken samen voor iets, dat ons verenigd boven alle godslasteringen en zegebeden uit.” Paneloux ging naast hem zitten. Hij leek ontroerd en zegt: “Ja, ook u werkt voor het heil van de mens”. Rieux zegt dan dat dit te grote woorden voor hem zijn. Hem intersseert de gezondheid. Daarna zegt Rieux terwijl hij even de hand van de pater vasthoudt: ”Beiden lijden wij onder hetzelfde en vechten ertegen... Zelfs God kan ons nu niet meer scheiden” (p 157-58).

Camus ziet God als een macht die mensen veeleer scheidt dan verbindt. In de christelijke visie zou volgens Camus God als Schepper uiteindelijk verantwoordelijk zijn voor een schepping waarin onschuldige kinderen sterven. Voor Paneloux is dat een reden om alles te aanvaarden of anders alles te loochenen wat hij geloofde inclusief God. Camus en Rieux kiezen voor het laatste. Hij kan niet geloven in een God die kinderen zo laat sterven. Paneloux blijft ondanks het vreselijke leed in God geloven.

Paneloux nodigt Rieux uit voor zijn tweede preek, waarin hij verwijst naar het onbegrijpelijke lijden van een kind en de ontzetting die dit wekt. Hij meende dat alleen het geloof en de liefde tot God een dergelijk leed kon uitwissen. Wat met het verstand niet te bevatten is, kan men slechts aanvaarden (p 165). Als we het niet zouden aanvaarden zouden we God moeten loochenen, als we dat wat gebeurt zien als Gods wil. Hij spreekt enerzijds van verzet, anderzijds van aanvaarding van wat voor mensen als Rieux onaanvaardbaar is.

Als Paneloux ziek wordt, voegt hij de daad bij het woord en aanvaard hij dit in blinde overgave aan Gods wil. Hij wil er geen arts bij halen. Voor hij sterft, neemt hij een kruisbeeld in zijn handen: hij legt zijn leven in Gods handen. Het zoveelste aangrijpende sterfgeval. Rieux heeft een andere visie: “Aangezien de wereldorde wordt geregeerd door de dood, is het misschien beter voor God dat je niet in hem gelooft en met al je krachten vecht tegen de dood, zonder je ogen op te slaan naar de hemel, waarin Hij zwijgt” (p 95).

 

Albert Camus: La Peste: D. R. Haggis: Amazon.com: Books 

Mistsluiers, uitgestorven straten en geblindeerde ramen

Het ontregelde leven

Ondertussen is de stad in de greep van verwarring en verdwazing geraakt. Wanhopige mensen staken hun huizen in brand in de hoop zo de pest te vernietigen. Huizen werden geplunderd. Daarom werd de staat van beleg afgekondigd en werd een avondklok ingesteld. Er spelen zich vreselijke taferelen af als zieken onder dwang worden vervoerd naar het ziekenhuis, waar niemand op bezoek mag komen als ze daar een soort marteldood sterven. Gezinnen en echtparen worden door de overvolle quarantaine uit elkaar gehaald, zoals bij de ouders van het gestorven kind. Begrafenissen vinden snel en eenzaam plaats met een minimum aan formaliteiten en ceremonieel. Er is gebrek aan kisten. Later worden verbrandingsovens in gebruik genomen. Het hele economische en sociale leven raakt gedesorganiseerd (p 124-129). Veel hiervan gebeurt of staat te gebeuren bij de Coronacrisis.

Uit Italië komen ook dergelijke berichten. Krantenkoppen spreken voor zich: “Zelfs de doden zijn eenzaam in Bergamo... een spookstad waar de begrafenisklok voortdurend luidt. Nabestaanden mogen na de dood van hun familielid niet in de buurt komen” (Volkskrant 19 maart). Elk half uur overlijdt er iemand. Mortuaria zijn overvol. Crematoria kunnen het niet aan. Het medisch personeel is ook besmet. En de mensen zitten opgesloten in hun huizen. “Missen zijn verboden... Elke vorm van ceremonie is afgeschaft” (NRC 20 maart).

Schrijver en correspondent Ilja Leonard Pfeiffer schrijft hoe de zwager van zijn zwager eenzaam sterft, zonder afscheid van zijn vrouw en kinderen. Zijn vrouw is ook besmet. “Zij zit opgesloten in haar huis in de strengste vorm van quarantaine... Het verdriet en de eenzaamheid, waarvan niemand zich een voorstelling kan maken, hebben haar gedachten vertroebeld. Zij is ontroostbaar in die zin dat troost haar niet bereiken kan... Dat is het wrede van dit virus: het valt onze dierbaren aan en rukt ons tegelijkertijd van hen los. Wie wordt getroffen wordt dubbel getroffen, want we mogen hem of haar niet troosten met onze nabijheid” (NRC 19 en 17 maart 2020). Eén van de talloze gevallen.

Ook Camus beschrijft de tegenstrijdigheid van “de sterke drang naar de warmte van het samenzijn en zich toch niet daaraan durven overgeven... Men weet maar al te goed dat men zijn buurman niet kan vertrouwen, dat hij bij machte is je buiten je weten de pest te bezorgen... De pest kan elk ogenblik de hand op hun schouder leggen en staat misschien op het punt dat te doen op hetzelfde ogenblik dat zij zich verheugen nog gezond te zijn” (p 143).