Het open bewustzijn: de Chinese filosofie van het taoïsme
Deel 5: Het continuüm van leven en dood

Civis Mundi Digitaal #95

door Piet Ransijn

 

Zhuangzi in dialoog met de dood

 

Het universum wordt als het ware bezield door Tao. “De hele kosmos is één groot levend organisme… Bij de geboorte komen we, vanuit ongevormde eenheid van de bron, in een specifieke levensvorm terecht. Als we sterven verlaten we deze vorm weer, om terug te keren naar de ongevormde eenheid van het grote wordingsgebeuren… In meditatie kan deze eenheid reeds voor de dood worden ervaren… en de ruimte gaan vormen van waaruit een egoloze levensvoering mogelijk is” (p 268). 

“Zhuangzi was ontroostbaar toen zijn beste vriend Huizi stierf… [er] stierf ook een deel van hemzelf.”

Tegen zijn eigen dood zag hij niet op. Bij de dood van zijn geliefde vrouw “was Zhuangzi eerst ontroostbaar door het verlies van zijn geliefde. Dat was een natuurlijke reactie: hij zat als het ware midden in zijn verdriet. Toen hij een beetje was bekomen, kon hij zijn sitautie van een afstand bekijken… De liefde tussen hem en zijn vrouw was onderdeel van een nog veel groter natuurlijk gebeuren, waarin leven en dood elkaar steevast opvolgen” (p 271).

Het gebeuren maakte plaats “voor een helderheid zonder vrees, een onvoorwaardelijke acceptatie van het geheel: het leven èn de dood, als onverbrekellijke eenheid” (p 270). Hij plaatste de dood in een kosmische context.

Zhuangzi spreekt zich niet uit over een persoonlijk voortbestaan. Impliciet zijn er toespelingen op in sommige teksten: Meester Zili zegt tegen een zieke vriend: “Groots is de Schepper [Dao]! Wat gaat hij nu van je maken? Waar gaat hij je nu heensturen?” Zijn vriend Zilai antwoordt onder meer: “Als we de Hemel en Aarde als een grote smeltpot beschouwen, en de Schepper als een grote smid, waar zou ik dan weigeren heen te gaan? Alles volmaakt zijnde zal ik inslapen, en met hernieuwde kracht ontwaken” (p 274). Een andere vertaling luidt: “Wat kan ons geschieden wat niet goed zou zijn? Wij zijn geboren uit een kalme slaap en sterven tot een kalm ontwaken” (Leeringen  van Tsjwang Tze, p 114)

 

 

‘Redetwisten is een bewijs van onvolkomen inzicht’

Volgens Zhuangzi zou het geen zin hebben te speculeren over een permanente kern, die de dood van het lichaam zou overleven. Dat kunnen we niet weten, want zover strekt de menselijke kennis niet (p 274-75). Hij schrijft echter wel dat “het Grote Ontwaken eens zal komen en dan zullen wij weten, dat dit leven een grote Droom was.” Over een eventueel voortleven na de dood kunnen we redetwisten.

In een volgende paragraaf zegt hij over redetwisten in het algemeen: wie er gelijk en ongelijk heeft “kunnen wij niet uitmaken en de wereld blijft in onwetendheid omtrent het ware.” Dat geldt voor meningen en standpunten. “Redetwisten is een bewijs van onvolkomen inzicht... Het ware bewijs behoeft geen woorden.” Het ware en blijvend werkelijke ligt voorbij de tegendelen. “Wend u af van het tijdelijke, neem uw toevlucht tot het Eeuwige en rust daarin, d.w.z. in Tao” (De Leeringen van Tsjwang Tze, p 52, 46, 53, hfst 2 ‘De eenheid der tegendelen’).

 

 

Sterven is opgaan in de eenheid

“Die tot Tau gekomen is, beseft de innerlijke eenheid van alle dingen. Hij wordt gedragen door het grote wereldritme en alle dingen zijn hem gelijk. Hij heeft vertrouwen dat het goed is, zoals het is: Daar is het grote Alzijn; mijn lichaam is eruit geboren, mijn leven verbruikte er zijn krachten op, bij mijn ouderdom steun ik erop, bij de dood vindt ik er rust. Wat mij in het leven behoedt, behoedt mij ook in de dood… Want in Tau zijn dood en leven één. Tau is in alle dingen, in vernietiging en geboorte. Het is rust in alle verandering. En wie stil is in alle verandering, is op weg naar vervolmaking’. Wie tot Tau gekomen is, volgt de wil van het geheel en deze is tegelijkertijd het diepste van zijn eigen wezen” (Leeringen, Inleiding, p 11, 105, 110, hfst 6).

 

Is er een geest of ziel die het lichaam bijeen houdt?

In hoofdstuk 2 vraagt Zhuangzi zich af wat de oorzaak achter de verschijning van onze neigingen en gevoelens zou kunnen zijn. “De oorzaak achter de verschijning kennen wij niet. Het schijnt een bewuste geest te zijn, maar wij missen het volledige inzicht. Ik geloof in de werking van zo’n kracht, hoewel ik zijn verschijning niet zie. Het brengt voort, maar heeft geen vorm.” De vertaalster merkt op: “In dit boek wordt de nadruk gelegd op de grote Eenheid, waaraan alle veelheid van stemmingen ontspringt. Zich met die eenheid verenzelvigen en van daaruit alle verschijnselen in hun betrekkelijke waarde en waarheid aanschouwen, heet alles opnemen in het licht van het ware Tau” (p 35).

Wat betreft de veelheid van lichaamsdelen schrijft Zhuangzi: “Er moet een geest zijn die ze allen beheerst.” Hij vraagt zich af: ”wanneer het lichaam wordt ontbonden, zal het de geest niet evenzo gaan? En moet dit niet troosteloos worden genoemd? Is het leven van de mensen dan in zulke duisternis gehuld? Schijnt het mij allen zo toe? En zien andere mensen het zo niet?” Vertaalster merkt op dat “uit andere plaatsen blijkt, dat Tsjwang Tze de dood niet voor het einde aanzag” (p 36-37, bijv. aan het eind van hfst 4 over de dood van Lau Tze).

Volgens Woei-Lien Chong is “de toon hier pessimistischer… mogelijk omdat Zhuangzi in deze passage het profane bewustzijn aan het woord laat, het bewustzijn dat probeert om via louter logische weg antwoord te vinden op de grote levensvragen, en daar uiteraard niet in slaagt” (p 275). Daarom schrijft hij verderop: “Laat ons toch het vertrouwen in eigen partijdig oordeel opgeven en ons verdiepen in het wezen der dingen. Dan alleen kunnen wij komen tot het begrijpen van het andere, tot inzicht – en wie inzicht heeft verworven, benadert het Ene, de grond der dingen, Tau… Zich richten naar het alomvattend inzicht, dat is, wat genoemd wordt: zijn toevlucht nemen tot het licht van Tau… De ware wijze denkt over het bovenzinnelijke, maar redetwist niet… Redetwisten is een bewijs van onvolkomen inzicht” (Leeringen, p 41, 43, 45, 46).

 

De persoonlijkheid, het lichaam en de ziel

“De persoonlijkheid van een mens is iets waarvan hij zich innerlijk bewust is, maar hoe weten wij, dat wij het juiste begrip van de persoonlijkheid hebben? Je droomt dat je en vogel bent die ten hemel vliegt, of dat je een vis bent en in de diepte duikt, maar je weet niet, of wij die nu spreken, wakend zijn of in een droom… Geef jezelf geheel over, onbewust van alle verandering, en je zult tot eenheid komen met het onvergankelijke beginsel, het hemelse onbegrensde” (Leeringen, p 119, hfst 6). Zhuangzi gaat steeds terug naar de eenheid van Dao als ons wezenlijk zelf voorbij de persoonlijkheid. Hij voert iets verder een wijze op die zegt: “Ik ben los geworden van mijn lichaam en ik heb mijn denken terzijde gesteld, zo ben ik één geworden met het grote Al-doordringende. Dat noem ik neerzitten en alles vergeten” (p 121-22). Zitten en vergeten was een van de termen voor mediteren. Tijdens het mediteren is het mogelijk het lichaamsbewustzijn even te vergeten en de eenheid bewust te ervaren.

De geschriften van Zhuangzi worden toegeschreven aan verschillende auteurs. “Er zijn vaak uiteenlopende ‘stemmen’ in te horen. Er is nergens sprake van een samenhangende zielenleer, hoewel… sporadisch naar het begrip ‘ziel’ wordt verwezen. in het oude China kende men twee termen die in westerse talen als ‘ziel’ worden vertaald, hun en po. Het eerste type ziel is licht en etherisch, en het andere zwaar en aards” (Woen-Lien Chong, p 276, zie ook Herman Wolf, Onsterfelijkheid als wijsgerig probleem, p 32-33, over de twee-zielenleer, die ook elders voorkomt, zie Civis Mundi nr 84).

 

 

De dood van Lau Tse en Zhuang Tse

Hoofdstuk 3 eindigt met met een dialoog over de dood van Lau Tse. Om hem heen zaten mensen te treuren en te klagen. Er werden “tranen vergoten die niet vergoten moesten worden… Hierin was Tau niet, maar een overgave aan menselijke gevoelens en een vergeten van zijn hoge geboorte. De Ouden noemden dit de boeien der sterfelijkheid. De meester kwam omdat het zijn tijd was om te komen; hij ging omdat het zijn tijd was heen te gaan, het eenvoudige gevolg van zijn komen. Rustige overgave aan wat geschiedt op de eigen tijd, kalme onderwerping, als het einde komt: hoe kan er [dan] sprake zijn van smart en vreugde?”

“De Ouden noemden de dood het door God afbreken van een koord, waaraan de mens zweeft in het oneindige. De brandstof is verteerd, maar het vuur wordt overgedragen en wij weten niet, dat het ooit wordt gedoofd en eindigt” Noot van de vertaalster: “Met brandstof wordt het lichaam bedoeld, met het vuur de geest. Als de brandstof verteerd is, kan het vuur op andere plaatsen worden overgebracht, en zo kan de geest worden overgedragen, als het lichaam is vergaan” (Leeringen, p 60-61).

In een andere tekst heeft Zhuangzi het over qi, de levensenergie, die mogelijk verwant is met het levensvuur: “Het leven van de mens bestaat uit een bundeling van qi: waar het zich bundelt ontstaat leven, en waar het uiteenvalt ontstaat dood. Wanneer leven en dood volgelingen van elkaar zijn, waar zou ik dan nog bang voor zijn? De tienduizend dingen zijn immers één […] ‘Eén enkele qi doorstroomt de hele wereld’. Daarom waardeert de wijze mens het Ene” (p 276-77).

Voor de dood kunnen we ons niet verbergen, zoals we een boot, zinnebeeld van het lichaam, niet kunnen verbergen op een veilige plek. De dood komt als een dief in de nacht. “Waar je een ding ook opbergt, hetzij groot of klein, altijd is er kans op verlies. Maar berg je het heelal op in het heelal, zodat niets er meer buiten valt, dan is dit de grote werkelijkheid van het eeuwigdured bestaan” (Leeringen, p 105-06,  hfst 5). Woen-Lien Chong, laat hem daaraan toevoegen: “Daarom zwerft de ultieme wijze op een paats waar de dingen niet weg kunnen raken en allemaal worden bewaard.” Geborgen in dit blijvende bestaan is er voor de wijze geen verlies. “Hij laat zich op de golven van het leven meevoeren naar open zee” (p 281-82).

“Toen Zhuangzi op sterven lag wilden zijn leerlingen hem een grootse begrafenis geven, Zhuangzi zei: ‘Ik zal de hemel en de aarde hebben als mijn binnen- en buitenkist, de zon en de maan als mij jade schijven de sterrenconstellaties als mijn parels en juwelen…’. Hij had het leven vanuit een open bewustzijn voorgeleefd… Nu zat zijn tijd erop. Hij was klaar voor de komende transformatie – zijn volgende stap in de dans der dingen” (p 282-83, slotzin).

 

 

Slotwoord

Woei-Lien Chong slaagt erin de taoïstische levenskunst van Laozi en Zhuangzi helder te verduidelijken. Een bijzondere verdienste is het verhelderende onderscheid tussen het profane en het open bewustzijn en de centrale rol van meditatie als oefenweg om te leven vanuit het open bewustzijn. Daardoor wordt het een praktische filosofie, zoals het ooit bedoeld was. Door Tao met bewustzijn te verbinden, wordt het toegankelijk via ons bewustzijn, waarvan het de essentie is, de dragende grond. Zij maakt ook duidelijk dat het leven in het beperkte, kortzichtige profane bewustzijn problematisch zal blijven en geen blijvende vreugde en vrijheid kent. Haar uitleg is soms heel uitgebreid, compleet met Chinese termen en karakters. Kennelijk ook bestemd voor sinologen en vakgenoten. Voor de geïnteresseerde leek gaat dit soms wel wat ver.

Opvallend is verder dat zij niet de indeling van het oorspronkelijke hoofdwerk Nan Hwa Tsjing, de Zeven innerlijke boeken van Zhuangzi volgt, maar uiteenlopende verhalen en parabels onderbrengt in haar eigen indeling. Haar indeling begint met het kader van de contemplatieve psychologie van han de Wit (zie deel 1), vervolgens het Tau Tse Tsjing van Lau Tse (deel 2), daarna de levenskunst van Zhuangzi (deel 3), die uitmondt in de praktijk van de meditatieve oefenweg (deel 4) en tenslotte het continuüm van leven en dood (deel 5). Het is een heldere en logische indeling die gericht is op onze dagelijkse levenspraktijk en de taoïstische filosofie daarmee verbindt. Dat zou een opdracht voor alle filosofie kunnen zijn, die vaak gevangen zit en verzandt is in steriele theorieën, waar academici zich het hoofd over breken en elkaar zo aan het werk houden. Dat was in de tijd van Zhuangzi het geval bij de verschillende scholen, die met elkaar aan het redetwisten waren.

Zhuangzi beweegt zich in zijn levendige dialogen ‘als mens onder mensen’ en beschrijft in zijn parabels de natuur in vele levensvormen en schakering. Hij ziet de eenheid der tegendelen en drinkt uit een onuitputtelijke bron, die hij beschrijft als de eenheid in verscheidenheid waarin hij voortdurend verblijft. Het voeling houden met deze eenheid, die het centrum of de spil is waar alle tegendelen om draaien, ziet hij als de basis van een juiste levenswijze en de basis voor een wijs bestuur. Evenals nu kon daaraan toen het een en ander verbeteren. Mede daarom heeft hij zijn onderricht gegeven en zijn boek geschreven.

 

Gedichten 

 

Groter dan het grote                   2020 03 12 Na bespreken van Woei-Lien Chong, Filosofie met de vlinderslag De daoïstische levenskunst van Zhuangzi

 

Mensen zijn maar klein

Onbetekende wezens

willen graag speciaal zijn

als een heel bijzonder wezen

 

Maar wij blijven klein

onbetekende wezens

die met onbetekende levens

meestal onbelangrijk zijn

 

Maar op sommige momenten

iets van grootsheid kennen

als wij ons bewustzijn

openen voor al het zijn

waar wij deelgenoot van zijn

 

Als mensen zijn wij deelgenoten

van het onbekende grote

dat zich voor ons opent

als wij mensen ons bewust zijn

van de grootsheid van het grote

 

Als mensen zijn wij klein

Maar met ons bewustzijn

zijn wij groter dan het grote

zijn wij mensen deelgenoten

van het onbegrensde Alzijn

dat zich toont in ons bewustzijn

 

 

Een zin die blijft      2020 02 08 Na lezen over taoïsme, gnosticisme, neoplatonisme en existentialisme

                                en Woei-Lien Chong, Filosofie met de vlinderslag De daoïstische levenskunst van Zhuangzi

 

Sinds ik mijn leven heb doorleefd

kwam de vraag op welke zin het heeft

naar welk hoger doel het streeft

en wat het blijvend aan ons geeft

 

Enerzijds gaat zin voorbij het denken

als blije dagen vreugde schenken

De vraag naar levenszin verdwijnt

als de zon uitbundig schijnt

 

Anderzijds roept toch ons levenslot

iedere keer weer levensvragen op

Zoals de vraag waarom wij lijden

en waarom dit niet is te vermijden

 

Elke dag komt dichter bij de dood

en ons leven is nooit vrij van nood

Het levenseinde nadert geleidelijk

en de dood komt onvermijdelijk

 

Geen enkel leven kan er vrij van blijven

Ook al laat het zich ontspannen drijven

komt de dood steeds dichterbij

en hij laat geen enkel leven vrij

 

Anderzijds geeft ook de dood

bevrijding uit de pijn en nood

die leven met zich meebrengt

als het niet steeds vreugde schenkt

 

Iedere vreugde is slechts tijdelijk

en eindigt telkens onvermijdelijk

Maar ook al komt het eind te vlug

iedere keer komt vreugde terug

 

Vanuit een stille ondergrond

vanwaar die vreugde komt

Ieder mens heeft ook een bron

waaruit zijn leven ooit begon

 

Zoals een nieuwe jonge loot

ontluikt vanuit een oude stam

Zo is een mens een loot

die ook van ergens kwam

 

Zou in ons iets blijvends zijn

een oorsprong van bewustzijn

waar gedachten, wensen, dromen

en gevoelens uit naar boven komen?

 

Een bron van onuitputtelijke energie

die ook de bron is van materie

Waar leed en vreugde in verschijnt

en al hetgeen wij voelen in verdwijnt

 

Zoals de golven van de oceaan

in haar diepte op- en ondergaan

Kunnen wij voorbij de schijn

van dat wat blijft bewust zijn?

 

Waar de zon blijft schijnen

en de wolken in verdwijnen

De stille ruimte waarin alles is

die door niets wordt uitgewist

 

Waar vreugde niet verdwijnt

maar in het vergankelijke schijnt

en in ondoorgrondelijke vrede

leed noch pijn meer wordt geleden

 

Een gebied voorbij de dood

bevrijd van leed en nood

voorbij gemis en droefenis

waar strijd noch pijn meer is

 

Waaruit een nieuwe morgen

opkomt zonder zorgen

en zo het leven telkens zin

krijgt in een nieuw begin