De geest van het universum versus het universum van de geest

Civis Mundi Digitaal #97

door Hans Kuijper

Samenvatting

Dit artikel wijst op de eenzijdigheid van opvattingen zoals onlangs geventileerd in de TV-serie De Geest van het universum en benadrukt de noodzaak van meer aandacht voor het universum van de geest. Alleen wanneer hiertussen evenwicht wordt gebracht, zou de brede en diepe kloof tussen natuurwetenschappen en cultuur- of geesteswetenschappen kunnen worden overbrugd.                                                                                                                      

 

Inleiding

Alweer een tijd geleden zullen velen met belangstelling naar de tiendelige VPRO-serie The Mind of the Universe hebben gekeken. Deze serie heeft weinig of niets aan actualiteit ingeboet. Elke aflevering werd ingeleid door professor Robbert Dijkgraaf, ’directeur van het Amerikaanse Institute for Advanced Study, ooit de thuisbasis van Albert Einstein’, een opvallende, met pingelmuziek begeleide toevoeging die een schoolvoorbeeld was van authority acquired by association. De wetenschappers die in de serie aan het woord kwamen (drie per aflevering) werden door Dijkgraaf geïntroduceerd en hun uitspraken werden door hem quasi-filosofisch aan elkaar gepraat.[1] Deze bijklussende hoogleraar, die de televisiecamera niet schuwt en tot het gezelschap behoort waarvan ook Paul Davies, Michio Kaku, Neil Tyson, Marcus du Sautoy en Brian Cox deel uitmaken, heeft goed begrepen dat met het populariseren van de wetenschap aardig wat valt te verdienen.

De serie was bedoeld als “een online project over de snelle evolutie van onze kennis”. Maar wie een geschiedenis van de epistemologie (kennisleer) in samenhang met een geschiedenis van de ontologie (zijnsleer) verwachtte kwam bedrogen uit. Niet onderzocht werden enerzijds het probleem van de relatie tussen kennis (wetenschap) en werkelijkheid en anderzijds het fundamentele vraagstuk in de cognitiewetenschappen (kloof tussen lichaam en geest). Daardoor waren de hoofdlijn in het betoog en de samenhang tussen de uitspraken onduidelijk. Matter (waaruit slechts een klein deel van het heelal bestaat) en mind (over de aard en gesteldheid waarvan dichters, romanschrijvers, psychologen en filosofen niet raken uitgepraat of uitgeschreven) werden niet gedefinieerd.[2]                        

Dijkgraaf, aanhanger van de vooralsnog speculatieve en dus omstreden snaartheorie, had ten minste één van haar critici (Carlo Rovelli, Peter Woit, Lee Smolin, Roger Penrose, of zijn eigen leermeester, Gerard ‘t Hooft) aan het woord kunnen laten. In plaats van dertig wetenschappers kort te ondervragen en van de hak op de tak te springen had hij bijv. Frank Wilczek, David Deutsch, Max Tegmark, David Tong of een prominent cel/evolutiebioloog ruimschoots in de gelegenheid kunnen stellen zijn visie te ontvouwen en in reactie op intelligent gestelde vragen toe te lichten. Om een evenwichtig beeld te schetsen had hij ook Michael Gazanniga, Andy Clark, Vincent Descombes en/of Dan Zahavi voor een vraaggesprek kunnen uitnodigen, vooraanstaande cognitiewetenschappers die mentale verschijnselen niet geheel tot fysisch-chemische processen herleiden en ruimte laten voor wat niet is gedetermineerd.

 

Intelligent Design?

Het thema van de The Mind of the Universe deed mij denken aan de jaren geleden opnieuw opgelaaide discussie tussen voor- en tegenstanders van Intelligent Design.[3] Met dit verschil, dat ‘God’ was vervangen door ‘geest’, behalve in de voorlaatste aflevering, waarin de Jezuïet Guy Consolmagno doodleuk verkondigde dat religie en wetenschap wel degelijk kunnen samengaan, daarmee in de voetsporen van Thomas van Aquino (1225-1274) tredend.[4] De vraag of God bestaat – weten wij sinds Gottlob Frege (1848-1925) – is zinloos, en het woord geest verwijst naar iets dat het discursieve denken, het logisch redenerende verstand niet kan be-grijpen, omdat denken/redeneren geest veronderstelt. De geest weet niet wat de geest is. Geest heeft met genie te maken, met het vermogen om verbanden te leggen.[5] Gevraagd naar het verschil tussen intelligentie en genie, zou Arthur Schopenhauer (1788-1860) hebben geantwoord: “De intelligentie bouwt een brug over de afgrond; het genie springt er overheen”. In de woorden van Stefan Banach (1892-1945), grondlegger van de functionaal-analyse: “Een goed wiskundige ziet overeenkomsten; een groot wiskundige ziet overeenkomsten tussen overeenkomsten”.

Het is tegenwoordig gebruikelijk nadruk te leggen op de vorderingen van de ‘exacte wetenschappen’. Neuroficatie (de trend om gedrag tot de meetbare werking van zenuwcellen te reduceren) is tot in alle hoeken van de gedragswetenschappen doorgedrongen, zodat neuroficatie is ontaard in neurofixatie. De vragen hoe leven uit dode materie is ontstaan (de materia ad vivum) en de geest zich uit het leven heeft ontwikkeld (per vivum ad verum) zijn echter nog steeds onbeantwoord. Wat is materie? Wat is leven? Wat is geest? En misschien het belangrijkste: Wat is het verband ertussen?

Bewustzijn, keurmerk van de geest, is momenteel onderwerp van een discussie waarvan Stephen Grossberg, Ihor Lubashevsky, Thomas Nagel, Roman Poznanski, Antonio Damasio, Anders Hedman en Anil Seth de belangrijkste deelnemers zijn. Bewustzijn, dat in gradaties voorkomt,[6] hangt nauw samen met het hebben van ideeën, een onderwerp waarover Plato en zijn leerling Aristoteles reeds van mening verschilden. Eerstgenoemde achtte deze transcendent, laatstgenoemde meende dat zij immanent waren. Het onmiskenbare verband tussen consciousness en conscience (geweten of mede-besef hebben wijst op bewustzijn)wordt tegenwoordig buiten beschouwing gelaten. Anderzijds verdiepen vooral Georg Northoff, Kevin Laland, Jaan Valsiner, Michael Tomasello, David Matsumoto, Shinobu Kitayama en Shihui Han zich in cultuur (manifestatie van de geest). Zij onderzoeken hoe deze tussen de oren komt. Taal lijkt hierin een beslissende rol te spelen.[7]

De literatuur over de filosofie van de geest groeit gestaag.[8] Matter over mind is een stelling die moeilijk valt te verdedigen wanneer rekening wordt gehouden met de hoofdstromingen in zowel de Indische als Chinese (en Japanse) filosofie[9] en met de indrukwekkende UNESCO-lijst “immaterieel cultureel erfgoed van de mensheid” (online). Mind over matter, daarentegen, klinkt evenmin overtuigend. Misschien moet de wereld/werkelijkheid niet als een twee-eenheid maar als een drie-eenheid worden opgevat: Matter, Mind en Meaning.

 

De mens is geen machine

Wellicht zullen biofysici, biochemici, moleculaire biologen, genetici, neurowetenschappers en techneuten ooit triomfantelijk verklaren onomstotelijk te hebben vastgesteld dat er niets anders bestaat dan atomen, bits, genen en neuronen. Voor het echter zover is, waag ik te betwijfelen of de mens ooit in staat zal zijn om een machine of robot te maken die lééft. [10] D.w.z. zich verantwoordelijk voelt, zich van iets bewust is, of een geweten heeft.[11] Die kan filosoferen, theoretiseren (abstraheren), critiseren, lachen, huilen, beminnen, dromen, symboliseren, of rouwen; een misdrijf kan begaan, bezorgd kan zijn, mededogen kan hebben, zichzelf kan overtreffen, in opstand kan komen, een ontmoeting kan hebben, trouw/solidair kan zijn, een ritueel kan verrichten, een kunstwerk kan creëren of zichzelf kan aankleden. Een knoop in een  stropdas leggen of schoenveters vastknopen, bijvoorbeeld, is niet zo simpel als het lijkt.

De mens moge zonder materie onbestaanbaar zijn, hij/zij is meer dan een machine, meer dan een assemblage van losse onderdelen, meer dan een som of aggregatie, meer dan een hoeveelheid nanomachientjes. De mens, de “vederloze tweevoeter” (Plato), de homo symbolicus (Ernst Cassirer) is een wonderlijke compositie; hij is geen Gesamtheit, maar een Ganzheit. Wijsgerige antropologen weten hierover mee te praten.[12]

De “meest toonaangevende wetenschappers”, die in de tv-serie optraden, presenteerden hypothesen omtrent de wereld buiten, maar zagen de wereld binnen (die Augustinus zo heeft gefascineerd) over het hoofd. Virtual reality kwam weliswaar, modieus, ter sprake, maar het aloude probleem van de perceptie en het wezen van de werkelijkheid (dus het verschil tussen zien en zijn en het verband tussen beide, zin) werd slechts zijdelings en nogal oppervlakkig, en de complexe relatie tussen kennis, informatie en materie/energie helemaal niet behandeld. Donald Hoffman, verbonden aan de Universiteit van Californië, zou een theorie hebben ontwikkeld die “alles op z’n kop zet”. Helaas vermeldde Dijkgraaf, die graag met sensationeel nieuws komt, niet dat in 1966 van de hand van Peter Berger en Thomas Luckmann The Social Construction of Reality was verschenen (een van de meest invloedrijke boeken op het gebied van de kennissociologie). Ook niet dat Oscar Wilde (1854-1900) had geschreven dat de werkelijkheid “onze eigen schepping is”; en dat Immanuel Kant (1724-1804), in plaats van te veronderstellen dat kennis zich aan de dingen conformeert, reeds in 1781 had beargumenteerd dat dingen zich aanpassen aan de kennis (Kant’s Copernicaanse wending). Hiermee teruggrijpend op de grondgedachte van Vico die had verkondigd: “verum et factum convertuntur” (het ware en het gemaakte zijn converteerbaar).[13]

Dijkgraaf’s positivistisch ingestelde gasten vergaten dat de zowel logisch als analogisch redenerende mens een raadsel is, de inzichten van alle neurowetenschappers ten spijt. Zij zagen evenmin dat wetenschap enkel het zichtbare weergeeft (eventueel middels een geavanceerde telescoop of microscoop), maar dat kunst, in al haar vormen, naar de beroemde woorden van Paul Klee, “zichtbaar maakt”.[14] In de hele seriekwam niemand op het idee te wijzen op de diepte en reikwijdte van de menselijke geest, op de kracht van de ongrijpbare verbeelding, die vleugels geeft, naar grootheid stuwt en volgens Einstein belangrijker is dan kennis. Ze kwamen evenmin op het idee te wijzen op het probleem hoe menselijke ervaring mogelijk is, die ten grondslag ligt aan alle (dus ook wetenschappelijke) handelingen. De televisiekijker werd dus maar één kant van de medaille getoond. Professsor Dijkgraaf was aan één oog blind.[15]

Kant wist wel beter. Aan het einde van zijn Kritiek van de Praktische Rede (1788) schrijft hij: “Twee dingen vervullen het gemoed met steeds nieuwe en steeds toenemende bewondering en ontzag, hoe vaker en intenser het denken zich erop toelegt: de sterrenhemel boven mij en de morele wet in mij”.[16] Deze zin kreeg nog meer gewicht toen in de 19e eeuw naast de semantiek (betekenisleer) en de semiotiek (studie van de betekenisgeving), die zich enorm zouden verbreden en verdiepen, de axiologie opkwam, de leer omtrent (niet alleen morele) waarden.[17]

Het is (mij) nog niet duidelijk of betekenis en waarde een gemeenschappelijk basis hebben en wat zij met elkaar hebben te maken. Maar wat waarde heeft, lijkt me, heeft ook betekenis. Ik zou er op willen wijzen dat enerzijds waarden en feiten volgens de nieuwste inzichten niet van elkaar mogen worden gescheiden (wat vele wetenschappers, inclusief professor Dijkgraaf, toch doen) en anderzijds de begrippen waarde en axioma (het waardevol geachte, later: de als waar aangenomen, onbewezen stelling) met elkaar verwant zijn.[18]

 

Natuur en Cultuur

Alle mensen leggen in hun leven een traject af, waarvan de lengte varieert, maar de levenswandel van ieder mens is uniek, ook al is zij verknoopt met de levensloop van anderen. In ruimte en tijd verlopend, vormt ieders levenspad een bijzonder patroon, een soort streepjescode. Hoewel mensen aanzienlijk (soms zelfs in hoge mate) van elkaar verschillen, waardoor vrijheid en gelijkheid politiek met elkaar op gespannen voet staan, is ieder van ons een munt met twee keerzijden. Iedereen heeft twee, nauwelijks van elkaar te onderscheiden gezichten, een fysiologisch en een psychologisch gezicht. Lichaam en geest zijn niet alleen onafscheidelijk van, maar ook onherleidbaar tot elkaar. Anders dan materialisten zoals Julien de La Mettrie, Ludwig Büchner, het echtpaar Churchland, Dick Swaab en Robbert Dijkgraaf ons willen doen geloven, is de mens “een vreemde lus”.[19]

Handelingen zoals klappen, schrijven, roken, werpen, stelen, kopen en vermoorden mogen niet gelijk worden gesteld aan gebeurtenissen zoals niezen, snurken, struikelen, vallen, bevallen, regenen en sterven, alhoewel wetenschappers in hun neiging tot gelijkschakeling van immateriële met materiële zaken (physical imperialism!) dat dikwijls wel doen. Gebeurtenissen hebben oorzaken, die zich moeilijk alle in kaart laten brengen. Bij handelingen gaat het om belangen, motieven of redenen, waarvan de ware aard meestal verborgen blijft. Kuchen kan een gebeurtenis maar ook een handeling (met vele betekenissen) zijn. Oorlogen, waarover bibliotheken zijn volgeschreven, zijn enorme verzamelingen van gebeurtenissen zowel als handelingen. Een bom die wordt afgeworpen, bijvoorbeeld, ontploft volgens een natuurkundige wet (een gebeurtenis), maar wordt ook door iemand afgeworpen (een handeling). Man is both a part of and apart from nature. Natuurwetenschappers houden zich bezig met being a part of nature, cultuur- of geesteswetenschappers met being apart from nature; de kloof tussen beide groepen is breed en diep.[20]

Bovendien, we zijn niet alleen embodied; we zijn ook embedded. De mens is met alles en iedereen verbonden, ondanks de schijn van het tegendeel. Heraclitus (ca. 540–480 v. Chr.), een van de belangrijkste presocratische filosofen, formuleerde het kort en bondig: “Alles is een”. Zhu Xi (1130-1200), een van de grondleggers van het neo-confucianisme, zei hetzelfde anders: “Niets is geïsoleerd”. John Donne (1572-1631) verwoordde de fundamentele eenheid poëtischer: “No man is an Island, entire of itself; every man is a piece of the Continent, a part of the main”. En de Fransen brengen de verbondenheid onnavolgbaar aldus onder woorden: “Tout tient à tout”.[21]

Kortom, de werkelijk interessante vraag is niet of – zoals overenthousiaste Matthijs van Nieuwkerk het zei – “een nieuwe Schepping ophanden is” en  “de totale maakbaarheid nabij is”, of de mèns (homo deus) Meester van het Universum (The Mind of the Universe) is of wordt – nu God, zoals Nietzsche (1844-1900) constateerde, dood en begraven is.  Dat de mens meester van het universum is, lijkt me trouwens onwaarschijnlijk, gelet op het feit dat er serieuze onderzoekers zijn die beweren dat de kortzichtige, wegkijkende mens de ongeneeslijke kanker van deze planeet is.

Dit zou kunnen betekenen dat de mens zichzelf te gronde richt en de mensheid zichzelf uitroeit voordat de voorspelling van Ray Kurtzweil uitkomt. Sinds de opkomst van de niet-lineaire visie in de wetenschap (chaos- en complexiteitstheorie) weten wij dat de toekomst fundamenteel onvoorspelbaar en het begrip oorzakelijkheid buitengewoon problematisch is.[22]

De vraag had moeten zijn wat materie, leven en geestin essentie zijn en hoe zijzich tot elkaar verhouden of elkaar beïnvloeden. Het geheim van het leven is, dat het zonder dode materie (sterrenstof) niet kan bestaan. Ieders leven is iets ingewikkelds tussen twee eeuwigheden, een rimpeling slechts, een golving in de oceaan. Volgens Voltaire (1694-1778) is vrijheid de gezondheid van iemands geest. Volgens Nikolaj Berdjajev (1874-1948) is vrijheid het geheim van de geest zonder welke het leven maar een saaie boel, een dood bestaan zou zijn.

 

Something’s rotten in the state

Wanneer een menselijke samenleving metaforisch mag worden beschouwd als een biologisch systeem dat uit zeer vele, onderling communicerende cellen van verschillende soort is samengesteld, of als een verzameling organismen waarvan de organen uit fijn op elkaar afgestemde weefsels bestaan, dan kan worden geconstateerd dat met de komst van het hyperindividualisme een proces van ontbinding in gang is gezet. Hart, longen, lever, nieren, hersenen enz. menen het zonder elkaar te kunnen stellen en vergeten dat zij elkaar nodig hebben om als delen van een geheel te kunnen overleven. Met andere woorden: something’s rotten in the state. In de huidige ellebogenmaatschappij, waarin wet prevaleert boven moraal, krijgt het lichaam de volle aandacht. Uiterlijk vertoon lijkt het enige te zijn dat telt. De geest, die verbindt, ontbreekt. De samenhang, het bezielend verband is zoek. Van samenleving is geen sprake meer. Ieder voor zich, en allen tegen allen, in wezen de toestand waarvoor Thomas Hobbes (1588-1679) waarschuwde!

Er wordt van alles en nog wat opgeleukt. Niemand kijkt meer op van fotoshoppen. Dingen zonder smaak worden ‘lekker’ genoemd. Zelfs vrouwen of ‘meiden’ zijn ‘lekker’. Schoonheidssalons, nagelstudios en fitness centers schieten als paddestoelen uit de grond. Body shops, lingeriewinkels, modieuze kledingzaken, boutiques en kapsalons domineren het beeld in de winkelstraat. Schreeuwende billboards, misleidende reclames (waarin zorgvuldig geïnstrueerde toneelspelers figureren), ronkende advertenties, ze zijn alomtegenwoordig. Een tattoo, een hanenkam of een baseball pet op een kaalgeschoren schedel (chemo-kapsel) staat stoer. Jeans die met bleekmiddel en schaar zijn bewerkt zie je overal. Na-aperij en uiterlijk conformisme hebben epidemische vormen aangenomen. Er hip of ‘voordelig’uitzien en zich cool gedragen zijn in; ingetogenheid en zedigheid zijn uit. Visagisten, manicures, pedicures en stilisten hebben handenvol werk. De honger naar glamour en schone schijn is onstilbaar. Bij modellenbureaus wordt massaal voor een auditie of screentest ingeschreven.

Mensen met een minderwaardigheidscomplex bevolken de wachtkamers van psychologen en psychiaters die het ook niet weten. Plastische chirurgen verdienen grof geld. Popsterren trekken een hysterisch publiek. Een pilletje slikken en tijdens een evenement uit je dak gaan, wat wil een mens nog meer! Lekker meedeinen (motus contrarius) met André Rieu, de handige koopman die niet eens weet hoe je een viool moet vasthouden. Filmsterren worden verafgood. De boulevard-pers bloeit als nooit tevoren. Mensen lopen te hoop voor gay exhibitionisme; voor aansteller Mick Jagger gaan zij door het vuur. Televisieprogramma’s staan bol van de dubbelzinnigheden en in de pers regeert de leugen. Verkapte sexwerkers hebben vrij spel. Blijken van #me too geven vaak te denken. Modeshows worden druk bezocht en in elke boekwinkel zijn schappen met glanzende en sexueel prikkelende fashion magazines te vinden. Het volk wordt vermaakt met stupide spelletjes. Panem et circenses! Wat er ook gebeurt, the show, het grote “alsof”,[23] must go on. De wereld draait dol, het schip maakt water, but there’s is no business like show business.

 

Slot: over verlichting

Ruim veertig jaar geleden verscheen van de hand van Tang Junyi (1909-1978), China’s grootste eigentijdse filosoof, een subliem, helaas nog onvertaald boek, getiteld Shengming Cunzai yu Xinling Jingjie (het bestaan van het leven en de grenzen van de geest).[24] Dertien jaar later werd Universe of the Mind gepubliceerd, het onvolprezen meesterwerk van Yuri Lotman (1922-1993), grondlegger van de Tartu-Moskou School, die cultuur beschouwt als een dynamisch systeem, als een voortdurend veranderend, onbegrensd weefsel van te duiden tekens.[25] Ex Oriente Lux?

Ik weet niet of de mens er kosmisch iets toe doet, of wij – om met Eiseley te spreken – altijd ‘wezen’ zullen blijven,[26] maar één ding weet ik zeker: aandacht voor en onderzoek naar The Universe of the Mind, waartoe de mediterende Zen-Boeddhist de ogen sluit[27] zijn van eminent belang. Zonder beide woorden te gebruiken toonde professor Dijkgraaf zich een bewonderaar van de Westerse Verlichting, maar hij gaf geen van haar formidabele critici het woord en ging volledig voorbij aan het feit dat ‘Verlichting’ in het Oosten iets anders betekent dan in het Westen. Hieruit bleek hoe eenzijdig en kortzichtig de Nederlandse Directeur (lees: huismeester) van het Amerikaanse Institute for Advanced Study in feite is. Mogen de natuurwetenschappers en de cultuur- of geesteswetenschappers elkaar ooit echt ontmoeten!

 

Aanbevolen Literatuur

Alberts, B. et al, Molecular Biology of the Cell (Garland, 2014).

Ayala, F., Evolution, Explanation, Ethics and Aesthetics (Academic Press, 2016).

Brandt, A. en D. Eagleman, The Runaway Species: How Human Creativity Remakes the World (Canongate, 2017).

Bourgine, P. et al red., Déterminismes et complexités : du physique à l’éthique (Parijs: La Découverte, 2008).

Brockman, J. red., This Idea Is Brilliant (HarperCollins, 2018).

Carroll, J. et al, Darwin’s Bridge (Oxford University Press, 2016).

Cham, J en D. Whiteson, We Have No Idea: A Guide to the Unknown Universe (Riverhead, 2017).

Fawcett, R. et al red., The Semiotics of Culture and Language (Bloomsbury, 2015).

Gallagher, S. en D. Zahavi, The Phenomenological Mind (Routledge, 2012).

Ganeri, J. red., Handbook of Indian Philosophy (OUP, 2015).

Gazit, E. en Mitraki, A., Plenty of Room for Biology at the Bottom: An Introduction to Bionanotechnology (World Scientific, 2013).

Hesketh, G., The Particle Zoo: The Search for the Fundamental Nature of Reality (Quercus, 2016).

Hirose, I. en J. Olson red., Handbook of Value Theory (OUP, 2015).

Husserl, E., Die Krisis der europäischen Wissenschaften (1936).

Matsumoto, D. en L. Juang, Culture and Psychology (Cengage, 2017).

Medicus, G., Was Uns Menschen Verbindet (VWB, 2013).

Penrose, R., Fashion, Faith, and Fantasy in the New Physics of the Universe (Princeton University Press, 2016).

Petronas, P. red., International Handbook of Semiotics (Springer, 2015).

Schneider, S. en M. Velmans red., The Blackwell Companion to Consciousness (Wiley, 2017).

Sherwood, L., Human Physiology: From Cells to Systems (Brooks/Cole, 2013).

Tegmark, M., Our Mathematical Universe: My Quest for the Ultimate Nature of Reality (Knopf, 2014).

Wilczek, F., A Beautiful Question: Finding Nature’s Deep Design (Penguin, 2015).

*Drs. J.J.P. Kuijper, oud-ambassadeur in Taiwan, heeft aan de Universiteit Leiden Chinees en filosofie, en aan de Erasmus Universiteit Rotterdam economie gestudeerd. Van zijn hand is een aantal Engelstalige artikelen over de studie van China verschenen. Momenteel werkt hij aan een boek met de voorlopige titel Area Studies: The Road Ahead.

Dit artikel is eerder verschenen in De Vrijdenker (november 2017).

 


[1] https://www.vpro.nl/programmas/the-mind-of-the-universe/kijk/afleveringen.html   

[2] Een concept (van het Latijnse werkwoord concipere: bijeennemen) is een cognitieve eenheid. Een concept, soms aangeduid met een symboool, is niet hetzelfde als een idee, maar kan ermee samenvallen. Waar een idee één enkel denkbeeld is, vat een concept meestal meerdere denkbeelden/ideeën samen. Ga naar http://ndpr.nd.edu/news/the-conceptual-mind-new-directions-in-the-study-of-concepts. Een wetenschappelijk model, dat slechts een deel van de werkelijkheid representeert, is opgebouwd uit concepten en de relaties ertussen. Ga naar https://plato.stanford.edu/entries/models-science.  

[3] Een lange lijst met werken over dit onderwerp kan op het Internet worden gevonden.

[4] De strijd tussen religie en wetenschap gaat onverminderd door. Zie Runehov, A. en L. Oviedo red., Encyclopedia of Sciences and Religions (Springer, 2013); Harrison, P., The Territories of Science and Religion (University of Chicago Press, 2015); Coyne, J., Faith vs. Fact (Penguin, 2016); Ferngren, G. red., Science & Religion (Johns Hopkins University Press, 2017); en het tijdschrift Philosophy, Theology and the Sciences (2014ff). 

[5] Voor de rest van het volgende betoog dient de lezer deze esseniële eigenschap van de geest voor ogen te houden.

[6] Deze gedachte is niet nieuw. De Yogācāra-School, ook aangeduid als Vijñāna-vada (de weg van het bewustzijn), die zich in de vierde eeuw na Christus in India ontwikkelde en ook in Tibet, China, Korea en Japan aanhangers had en nog steeds heeft, onderscheidt acht bewustzijnsniveaus, waarvan het ālaya-vijñāna (voorraad-bewustzijn) de basis, de meest primaire vorm is. Zie Lusthaus, D., Buddhist Phenomenology (Routledge, 2002); Wood, T., Mind Only (Motilal Banarsidas, 2009); Garfield, J. en J. Westerhoff, Mādhyamaka and Yogācāra: Allies or Rivals? (Oxford University Press, 2015).

[7] Zie Jaeger, F. en B. Liebsch red., Handbuch der Kulturwissenschaften (J.B. Metzler, vol. 1, 2004, pp. 93-138) en Sharifian, F., Cultural Linguistics: Cultural Conceptualisations and Language (John Benjamins, 2017).

[8] http://consc.net/guide.html; https://philpapers.org/browse/philosophy-of-mind.

[9] Tani, T. et al, Phenomenology in East Asia (Routledge, 2015).

[10] http://alife.org; http://cognet.mit.edu/journal/ecal2017.

[11] Machines kunnen worden geprogrammeerd om zich als het ware moreel te gedragen, maar zullen nooit morele wezens zijn. Ga naar http://moralmachine.mit.edu; http://www.alphr.com/cars/1007392/an-ai-has-been-taught-to-make-moral-decisions-like-humans; https://www.alternet.org/news-amp-politics/are-you-ready-live-aming-moral-robots-it-or-not-its-going-happen.  

[12] http://www.capurro.de/mensch.htm. 

[13] Giambattista Vico (1668-1744) heeft lang in de schaduw van René Descartes gestaan, maar zijn werk wordt thans hoog aangeschreven. Zie Tagliacozzo, G. et al, Vico and Contemporary Thought (Macmillan, 1976) en ga naar http://www.iep.utm.edu/vico; https://plato.stanford.edu/entries/vico; http://institucional.us.es/civico en http://ivs.emory.edu.  

[14] Het oorspronkele citaat, “Kunst gibt nicht das Sichtbare wieder, sondern macht sichtbar”, is te vinden in Paul Klee, Schöpferische Konfession, in: Edschmid, K. red., Tribüne der Kunst und der Zeit: Eine Schriftensammlung (Berlijn: Erich Reiß, deel XIII, 1920, p. 28). Het is in dit verband geen wonder dat Dijkgraaf aan de Rietveld Academie (een hogeschool voor beeldende kunst en vormgeving) naar eigen zeggen “is mislukt”.

[15] Zie ook de New Scientist – special Het Heelal: De mysteriën van de kosmos ontrafeld (16-8-2017).

[16] Ik attendeer de lezer hier op de uitgebreide literatuur over het middeleeuwse dispuut tussen realisten en nominalisten, het post-Kantiaanse debat tussen realisten en idealisten, en de huidige discussie tussen (logisch) positivisten, antipositivisten, wetenschappelijke –, structurele –, modelafhankelijke - en kritische realisten, een multilaterale discussie die in essentie over betekenis gaat.   

[17] Bij Brill (Leiden) verschijnt sinds 1992 de Value Inquiry Book Series.

[18] Zie Putnam, H., The Collapse of the Fact/Value Dichotomy (Harvard University Press, 2004) en Marchetti, G. en S. Marchetti red., Facts and Values (Routledge, 2017). De relatie tussen waarde en axioma wordt doorgaans over het hoofd gezien. De vraag is echter of dit terecht is. Sommige geleerden zien een verband tussen axiomatisch onderzoek (gebruikelijk in de zgn. exacte wetenschappen) en de nog jonge categorietheorie, die de eigenschappen van (relaties tussen) structuren in allerlei domeinen bestudeert, dus ook in domeinen waarin waarden een rol spelen. Zie Rodin, A., Axiomatic Method and Category Theory (Springer, 2014) en Lefebvre, C. en H. Cohen red., Handbook of Categorization in Cognitive Science (Elsevier, 2017).

[19] Zie Hofstadter, D., I Am a Strange Loop (Basic Books, 2007).

[20] Zie Guttenplan, S. red., A Companion to the Philosophy of Mind (Blackwell, 1994, pp. 3-107, 531-535) en D’Oro, G. en C. Sandis red., Reasons and Causes: Causalism and Anti-Causalism in the Philosophy of Action (Macmillan, 2013). Ga ook naar https://plato.stanford.edu/entries/action. Action theory moet niet worden verward met activity theory, een richting in de sociale psychologie die is ingeslagen door Sergei Rubinstein, Lev Vygoyski en Aleksei Leontiev, of met activity analysis, een vorm van wiskundig programmeren die is geïntroduceerd door Tjalling Koopmans, Leonid Kantorovitsj and George Dantzig.

[21] Volgens sommige natuurkundigen kan het universum worden beschouwd als een continu bewegend, veld-achtig systeem, waarvan de deeltjes of onderdelen niet zijn geïsoleerd. 

[22] Zie  Scott, A., The Nonlinear Universe (Springer, 2007, pp. 86-100, 280-290); Enns, R., It’s a Nonlinear World (Springer, 2011) en Bradley, E. et al, “The 25th Anniversary of Chaos: Perspectives on Nonlinear Science — Past, Present, and Future”, 2015 (online). Voor het begrip oorzakelijkheid, zie Spohn, W., Causation, Concepts, and Coherence (Springer, 2008) en Pearl, J., Causality: Models, Reasoning and Inference (Cambridge University Press, 2009). Ghanem, R. et al, Handbook of Uncertainty Quantification (Springer, 2017) is een driedelig werk met opvallende tekortkomingen: Jakob Bernoulli (schrijver van het meesterwerk Ars Conjectandi), Julong Deng (grondlegger van de Grey System Theory), Zdzisław Pawlak (grondlegger van de Rough Set Theory), Benoît Mandelbrot (grondlegger van de Fractal Theory) en Lotfi Zadeh (grondlegger van de Fuzzy Set Theory) worden er niet in genoemd.

[23] Hans Vaihinger (1852-1933), die duidelijk sporen in de postmoderne literatuur heeft nagelaten (hyperrealiteit), schreef er een mooi boek over met als de titel Die Philosophie des Als Ob.

[24] Dat dit boek nog overtaald is mag een omissie worden genoemd welke (Nederlandse) Sinologen, die niet zonder subsidie zouden kunnen, als een schande is aan te rekenen. 

[25] De Tartu-Moskou School, waartoe ook Boris Uspensky, Vyacheslav Ivanov, Vladimir Toporov, Mikhail Gasparov, Alexander Piatigorsky en Isaak Revzin behoorden/behoren, staat wereldwijd bekend om het tijdschrift Sign Systems Studies (http://www.sss.ut.ee).

[26] De verwijzing is naar The Cosmic Orphan, een indrukwekkend essay (online) dat Loren Eiseley (1907-1977), een vooraanstaand antropoloog die de komst van het apocalyptisch antropoceen voorzag, kort voor zijn overlijden schreef. In Lucky Planet (Basic Books, 2014) legt David Waltham uit waarom wij eenzamer in het heelal zijn dan eerder werd aangenomen.

[27] Om de wereld beter te zien, sluit de Zen-Buddhist paradoxaal zijn ogen. Tat Tvam Asi (dat zijt gij), staat er in de Chandogya Upanishad. Zie Jayaram, V., Chandogya Upanishad: Translation and Notes (Atkinson, NH: Pure Life Vision, 2013). Voor een goede inleiding tot het Zen–Boeddhism, zie Suzuki, D.T., An Introduction to Zen Buddhism (Kyoto: Eastern Buddhist Society, 1934). René Grousset schreef in 1929 een prachtig, nog steeds leverbaar boek met de titel Sur les traces du Bouddha (Parijs, Plon).