Leven en werk van Albert Camus
Deel 6B: Camus over het gnosticisme

Civis Mundi Digitaal #97

door Piet Ransijn

 

Dualistisch gnostisch wereldbeeld https://www.liberaldictionary.com/gnostic/

 

Dit deel gaat verder met de doctoraalscriptie van Camus, Christian Metaphysics and Neoplatonism: Plotinus and St Augustine en gaat in op het gnosticisme, het tweede hoofdstuk van dit werk. In dit tweede gedeelte wordt een verband gelegd tussengnosticisme, existentialisme en nihilisme. Het volgende deel van deze serie gaat over Plotinus en Augustinus, het derde en vierde hoofdstuk van het eerste filosofische werk van Camus, dat zelden aandacht krijgt. Daarom wordt hier uitvoerig besproken. Het werpt een ander licht op zijn werk, een christelijk en gnostische licht, gevolgd door een neoplatonistische verheldering.

 

Het gnosticisme: een dualistische verlossingsleer

“De gnostische ketterij was een van de eerste pogingen tot Grieks-christelijke samenwerking” (p. 34). Het werd van zowel Griekse als christelijke kanten bestreden, o.m. door Plotinos en Augustinus, die ook andere ketterijen fel bestreed. Het probleem van het kwaad en het leed dat dit berokkende hield de gnostici intens bezig. Dat gold ook voor vele christelijke denkers zoals Augustinus en in zekere zin ook voor Camus, die zich eveneens geconfronteerd zag met een absurde wereld vol leed en tegenstrijdigheden, waarop de rede geen bevredigend antwoord heeft en de wereld zwijgt.

De oplossing van de gnostici, de bevrijding van het lijden, was ‘gnosis’, de (geheime) kennis van god die mensen konden verwerven. De gnostici voelden zich minder dan bij het christendom overgeleverd aan de goddelijke genade die van God uitgaat en door de mensen niet verworven kan worden door goede werken en eigen inspanning. Alleen door hun geloof kunnen zij zich ervoor openen. Bij gnosis konden mensen tot op zekere hoogte hun eigen bevrijding initiëren, ook letterlijk door initiatie in geheime leringen. “De gnostici transformeerden verlossing in initiatie” (p. 35). Gnosis is tot op zekere hoogte te leren, te initiëren en over te dragen en te verwerven door contemplatie of meditatie. Hierbij bestaat een vorm van hoop “dat de mens zijn eigen lot in hand en heeft”. Gnosis is bevrijdende kennis die tot verlossing leidt, geen (blind) geloof. Niet (het geloof in) de incarnatie van God in Christus verlost ons, maar een soort bewustwording van het christusbewustzijn in ons, de incarnatie van God in de ziel.

 

 

In zijn standaardwerk Het gnosticisme noemt filosoof Hans Jonas vier kenmerken:

  1. het gnosticisme heeft ‘een uitgesproken religieus karakter’
  2. ‘alle stromingen hebben op een of andere wijze met verlossing te maken’
  3. ‘zij alle tonen een uiterst transcendente (transmundane, bovenwereldse) conceptie van God’
  4. ‘zij poneren een radicaal dualisme van zijnsgebieden - God en wereld, geest en stof, ziel en lichaam, licht en duisternis, goed en kwaad, leven en dood’. Dit gaat samen met ‘een extreme polarisatie van de menselijke existentie en van de realiteit als geheel’.

Het gnosticisme en “de algemene godsdienstigheid van het tijdvak” kenmerkt zich door “een dualistische, transcendente verlossingsreligiositeit” (Jonas, p 46). De mens is als het ware een verworpene, gevallen op een onvolmaakte aarde, waar hij woont als een vreemdeling die uitziet naar verlossing en bevrijding uit de chaos en de gevangenschap. Een thema dat ook herkenbaar is in het werk van Camus. In “de gnostische beeldspraak” komt dit tot uitdrukking in de volgende thema’s: “het vreemde, de vreemdeling, deze wereld en de andere wereld, de kosmische woonplaats en het tijdelijke verblijf van de vreemdeling, verlatenheid, angst en heimwee” (p 67, 69, 73, 84, 95). Met name De vreemdeling, De pest en Koninkrijk in ballingschap hebben betrekking op dergelijke thema’s die in het werk van Camus aantoonbaar aanwezig zijn. De interessante vergelijking van Hans Jonas tussen het gnosticisme, het nihilisme en het existentialisme wordt samengevat in deel 6C.

Het gnosticisme is een omvangrijke beweging met diverse bronnen en stromingen in het hele vroegere helleense rijk van Alexander de Grote. Het komt voort uit een mengeling van Griekse en midden-oosterse culturen en religies met vele representanten. Camus verwijst onder anderen naar Basilides, Valentinus en Marcion. Het voert hier te ver om op hun visies in te gaan. We beperken ons tot de typerende kenmerken van het gnosticisme. Kenmerkend voor hun visie is de kloof tussen de volstrekt volmaakte transcendente God en het kwaad op aarde. De tegenstelling wordt overbrugd door er ‘tussenwezens’ tussenin te plaatsen, zoals de demiurg, de pleroma en Sophia. Daaruit probeert men de onvolmaaktheid en het kwaad te verklaren, dat niet van de goede volmaakte God afkomstig kan zijn. Camus lost deze discrepantie op door niet in God te geloven. Maar dat plaatst hem nog steeds voor het probleem van het aardse onrecht en de pijnlijke onvolmaaktheid.

Het kwaad wordt door de gnostici verklaard uit de afwending en vervreemding van God. Deze verklaring werd afgeleid uit de filosofie van Plato en werd later door Augustinus uitgewerkt (o.m. in de Civitate Dei, zie nr 91). Een aantal thema’s zijn overgenomen van de Joods-Griekse mystieke filosoof Philo, die ook Plotinus heeft beïnvloed. Dit zijn: “het licht van God dat door de wereld straalt, de strijd tussen het licht en de duisternis om de wereld te beheersen, de schepping van de wereld door intermediaire wezens, de zichtbare wereld als beeld van de onzichtbare wereld, het beeld van God in de zuivere essentie van de menselijke ziel en tenslotte de bevrijding als de opgave van het menselijk bestaan” (p 48). De ‘obsessie met het kwaad’ hangt samen met de preoccupatie met de zondigheid en nietigheid van de mens ten opzichte van de volmaaktheid van God. Een mens kan zich echter door gnosis bevrijden en zuiveren van zijn imperfectie.

 

De val, het boek van Camus van de meeste christelijke en gnostische associaties

Zijn boek De val wordt beschouwd als zijn meest christelijk betrokken boek, zie o.m. het proefschrift van de theoloog Van Gennep, Albert Camus: een studie van zijn ethische denken (p 235-54). Het roept daarmee de meeste associaties op met het gnosticisme. De titel wijst op de zondeval en de gevallen mens. Het speelt zich af op de donkere, winterse wallen te Amsterdam, waar de concentrische grachten worden geassocieerd met de kringen rond de het hart van de hel in Dante’s Divina Commedia. In dat kader doet de hoofdpersoon Jean-Baptiste zijn bekentenis, biecht of belijdenis, die associaties oproept met De belijdenissen van Augustinus, die Camus tijdens zijn studie heeft bestudeerd, waarin deze zijn zondige leven opbiecht. Zo loutert de hoofdpersoon zich van zijn schulden of zonden, hoewel Camus deze laatste term niet gebruikt. Het woord schaamte komt wel voor. Hij bekent zijn tekortschieten, zijn ijdelheden en beuzelarijen.

De sneeuw symboliseert aan het eind de zuivering en geeft de duistere Amsterdamse aarde een prachtig aangezicht: “slapend Amsterdam in zo’n witte nacht… volmaakte puurheid; maar het duurt maar kort, want morgen is alles weer een vieze modderpoel… Laten we hopen dat ze ons iets goeds te vertellen hebben, de hele wereld verlost en niet alleen de uitverkorenen” (De val, p 148). Het is niet de bedoeling hier een analyse en bespreking te geven. Het is een boek waarin Camus zijn complexe karakter toont en uiting geeft aan de verwikkelingen van zijn leven in een mengeling van verzachtende ironie en bittere ernst, zonder zich echt bloot te geven. Ook laat hij zijn ambivalente houding tot het christendom en ondanks zijn kritiek daarop, zijn sympathie voor Jezus zien. Het volstaat hier om te wijzen op de christelijke en gnostische symboliek en sfeer van het boek en hoe de opgedane inzichten in zijn scriptie doorwerken in zijn latere werk, zodat we dit beter kunnen begripen en waarderen. De beschrijving van de aardse schoonheid van de sneeuw doet meer denken aan Plotinos dan aan het christendom en het gnosticisme, die de aarde als een donker oord beschouwen.

 

De visie van Camus

De visie van Camus komt dichter in de buurt van de monistische visie van Plotinos dan de gnostische en christelijke dualistische visie, omdat hij niet in een bovenaards bestaan gelooft. Het dualisme tussen god en wereld, hemel en aarde, enz. ziet hij niet als werkelijkheid, maar als een denkbeeld dat hij verwerpt. In sommige essays komt een soort pantheïstische natuurmystiek naar voren. Als filosofische visie wordt dit niet door hem uitgewerkt, maar in dichterlijke bewoordingen weergegeven. De visie van Plotinos en ook die van de gnostici is meer uitgewerkt en gaat voorbij aan de ‘eenzaamheid van het zelf’. In de gnosis worden mensen weer met God verbonden, die bij Plotinos uiteindelijk ten grondslag ligt aan de natuur als het Ene. Mensen kunnen zich weer met God, het Ene, verbinden in het diepst van hun ziel. Zover gaat Camus niet. Hij verbindt zich wel met de natuur en met zijn medemensen en aanvaardt de inherente beperkingen, waarmee we als mensen moeten leren leven.

Er zijn overeenkomsten, maar ook enkele wezenlijke verschillen, van de visie van Camus met die van het gnosticisme, het christendom en het neoplatonisme toegelicht. Het wezenlijke verschil hiermee is dat bij Camus een goddelijk of bovenwerelds beginsel ontbreekt, tenzij dit de zon zou kunnen zijn. Dit heeft ingrijpende consequenties voor zijn levensvisie en levenspraktijk, die aan het begin van deel 6A is samengevat in een citaat uit De zomer in Algiers en in de volgende besprekingen van zijn essays naar voren komen. Bij Camus vinden we een eenvoudige natuurminnende mystiek en solidariteit met medemensen vanuit kosmische en christelijke beginselen, zoals eerbied voor het leven, verzet tegen onderdrukking en afzien van geweld, alleen soms ter verdediging.

Hans Jonas werkt de indruk dat de verwerping van het aardse veel nadruk krijgt bij het gnosticisme. De louterende werking van de gnosis krijgt in deel 6C minder aandacht. Door het dualistische karakter van de gnostiek komt men niet tot een verenigende visie. De gnostische wereldbeleving kenmerkt zich onder meer door het besef van de onvolmaaktheid van het aardse leven. Plotinos en ook Camus in zijn voetspoor gaan daaraan voorbij. Zij accepteren de aardse onvolkomenheden en de eindigheid van het leven als een eindige uitdrukking of emanatie van het Ene.

Bij Camus komt het Ene van Plotinos overeen met de natuur. De dood hoort bij het leven. Zonder de dood kan het leven niet herboren worden. De dood kan ook een vorm van verlossing en bevrijding geven. Wie vrede met zijn leven heeft, kan ook de dood aanvaarden, is de teneur van zijn geschriften. Camus is meer geïnteresseerd in de christelijke metafysica dan in het christelijk geloof dat ermee samenhangt. De visie op de dood en de verlossing intrigeert hem. Maar hij gelooft niet in een buitenaards voortbestaan.

Evenals Plato en de (neo)platonisten gelooft Camus in een menselijke essentie. De menselijke existentie wordt volgens hem niet alleen bepaald door sociaaleconomische factoren, zoals bij het existentialisme en het marxisme. Hij gaat echter niet zo ver dat hij meent dat deze essentie voort zou leven na de dood zoals bij Plato en de (neo)platonisten, die in reïncarnatie geloofden. Onze essentie gaat volgens Plotinus na tal van reïncarnaties uiteindelijk op in het Ene. Bij Camus gaat de menselijke essentie na een eenmalig leven op in de natuur, “naar de waarheid van onbeweeglijke werelden” (De gelukkige dood, p 207). Zijn visie is meer verwant met het neoplatonisme dan met de christelijke metafysica, die daar voor een belangrijk deel aan ontleend is.

De dood als hereniging met de natuur

Algemene literatuur

Otto de Jong, Geschiedenis der kerk, met name hfst 1 De vroege kerk en 1.7 De gnosis

A.M. Malingrey en  J. Fontane, De oud-christelijke literatuur, o.a. over de apologeten, gnostische en ‘ketterse’ schrijvers waar ook Camus naar verwijst.

John B. Morrall, The Medieval Imprint: The Founding of the Western European Tradition. O.a. over compromissen van het christendom met de klassieke cultuur in het bijzonder bij Augustinus. Als voormalig manicheïst, een met de gnostici verwante stroming, zijn in zijn werken ook gekerstende gnostische elementen te traceren, zoals het onderscheid tussen de hemelse en de aardse staat, die echter niet zo tegengesteld zijn als de serene hemel en het aardse tranendal bij de gnostici.