Actualiteit van de stoïcijnen

Civis Mundi Digitaal #141

door Toon van Eijk

De zin en onzin van de stoïcijnse filosofie. Commentaar op: Gerard Boter & Floris Leest, Leven als stoïcijn. Of niet? ISVW Uitgevers, 2023.

 

Floris Leest studeerde filosofie en is YouTuber. Na te zijn afgestudeerd op de stoïcijnse ethiek probeerde hij naar het denken van de stoïcijnen te leven. Met wisselend succes.

Gerard Boter is emeritus hoogleraar Grieks aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Hij maakte een Griekse teksteditie van Epictetus’ Encheiridion (Handboekje) en samen met Rob Brouwer vertaalde hij het verzameld werk van Epictetus naar het Nederlands.

Op de achterflap van het boek staat de volgende tekst:

“De stoïcijnse filosofie is ongekend populair in Nederland. Ze is dankzij haar heldere wijsheden een welkom toevluchtsoord voor wie een levensfilosofie zoekt. Maar heeft deze antieke filosofie wel echt wat te bieden aan ons eenentwintigste-eeuwers? In gesprek met elkaar onderzoeken classicus Gerard Boter en ervaringsstoïcijn Floris Leest de zin en onzin van de stoïcijnse filosofie. Kunnen we een filosofie die slavernij zag als een fact of life als leidraad hanteren? Hoe pak je mondiale vraagstukken aan vanuit een individualistische filosofie? Werkt een kalme houding altijd of mag je ook weleens flink boos worden? In Leven als stoïcijn. Of niet? verdiep je je samen met twee kenners in de filosofie van de stoïcijnen, aangereikt met de nodige humor en zelfspot. Zo ontdek je zelf of je al dan niet (een beetje) als een stoïcijn wil leven”.

Het motto van het boek luidt: “Van al het bestaande hebben wij sommige dingen in onze macht. Andere niet” – Epictetus (een Griekse stoïcijn die leefde in de eerste en tweede eeuw van onze jaartelling).

 

De Inhoudsopgave van het boek:

Woord vooraf

 

DEEL I ACHTERGROND

1 Op weg naar de Stoa

2 Van de oudheid tot nu

DEEL II WOEDE

3 De boze stoïcijn

4 Woede als collectieve kracht

DEEL III VRIJHEID

5 De vrije wil

6 De compromisloze stoïcijn

DEEL IV BLINDE VLEKKEN

7 Een rimpelloos bestaan

8 Waar blijft de vrouw?

DEEL V HET LOT

9 Omgaan met het noodlot

10 Shoppen in het stoïcisme

Verder lezen  

 

 

Inleiding

Gerard Boter en Floris Leest onderzoeken in dialoogvorm de stoïcijnse filosofie. Het boek leest gemakkelijk, heeft voldoende diepgang en is daarom zonder meer aanbevelenswaardig. Hieronder geef ik een aantal (sterk ingekorte) voorbeelden van hun dialoog, met kort commentaar mijnerzijds.

 

1. Omarming van je lot én je plicht vervullen

Gerard: “De stoïcijnen zeggen dat je moet uitgaan van onzekerheid. Niet de zekerheid, niet de status quo is het uitgangspunt, maar de verandering. Het enige wat je daarbij zelf in je macht hebt, is hoe je daarop reageert … Naar mijn idee is dat in de kern het antwoord dat ze geven (25) … Volgens de stoïcijnen is het belangrijk om het onderscheid te maken tussen wat wel en niet in je macht ligt en je alleen te richten op het eerste … De absolute kern van de stoïsche filosofie is het besef dat je uiteindelijk alleen maar macht hebt over je eigen oordeel, en dat je dat besef als instrument moet gebruiken om je plaats in de wereld te accepteren en door die acceptatie, of liever, omarming van je lot gelukkig te worden. Dat is een. Het tweede is dat deze acceptatie ook inhoudt dat je een plicht hebt te vervullen ten opzichte van iedereen en alles in je omgeving” (107).

Er wordt ook verwezen naar het volgende motto van Epictetus: “Het zijn niet de gebeurtenissen die mensen bang maken, maar hun opvattingen over die gebeurtenissen” (89). De discrepantie tussen het accepteren van je lot (want alles is al bij voorbaat gedetermineerd) en toch je eigen verantwoordelijkheid nemen (je hebt een plicht te vervullen, je hebt een keuze) komt later in hun boek ter sprake (zie paragraaf 6).

 

2. Eigenbelang binnen het grotere geheel

Floris vindt het lastig dat het [moderne] stoïcisme een soort ‘ik-optimalisatie’ is. Uiteindelijk gaat het er daarbij om “hoe het individu alles uit zijn leven kan halen (26).

Gerard: Bij de klassieke Stoa is het individu van belang, maar wel binnen het grotere geheel. De rechtvaardiging daarvan is dat je pas wanneer je helemaal met jezelf in het reine bent en kunt accepteren wat er om je heen gebeurt, in staat bent om tegenover anderen goed op te treden … Dus, ik-gericht, ja; egoïstisch of egocentrisch, nee (27).

Floris: Ik denk dat veel van de moderne [stoïcijnse] boeken de neiging hebben om alles tot een moreel probleem of een ik-probleem te maken, waardoor de grotere politieke problemen of de dingen die je samen moet oplossen ondergesneeuwd raken (27).

Gerard: In de kapitalistische, neoliberale optiek is het voordeel van de een het nadeel van de ander … terwijl het in de klassieke ethiek van Socrates, Plato en de stoïcijnen en-en is. Het is niet ‘mijn voordeel is jouw nadeel’, maar ‘mijn voordeel is jouw voordeel’.

Floris: Je zou prima een stoïcijns boek kunnen schrijven dat gericht is op het idee dat we wereldburgers zijn en dat jouw eigenbelang het grotere geheel dient.

Gerard: Hier schiet me die slogan binnen: ‘Een betere wereld begint bij jezelf’ … Wanneer jij jezelf verbetert, verbeter je ook automatisch de wereld.

Floris: Al die titels en uitgangspunten van die [zelfhulp]boeken draaien voor 95% om het zelf. En dan eindigen ze met een mooie frase in de trant van ‘als jij jezelf verbetert, is dat ook goed voor de wereld’” (28/9).

Men kan beargumenteren dat er niets mis is met een ‘ik-optimalisatie’ of een ik-gerichtheid binnen het grotere geheel. Het aloude motto ‘verbeter de wereld, begin bij jezelf’ blijft relevant. Het motto van Civis Mundi ‘wereldburgerschap’ kan gezien worden als de relatie tussen individuele en collectieve bewustzijnsontwikkeling [1].

 

3. Wel of niet ingrijpen met je verstand?

Het praktische voorbeeld dat Gerard en Floris bespreken is wat je doet als je ziet dat iemand op straat in elkaar geslagen wordt.

Gerard: “Je hebt verschillende soorten emoties. Bijvoorbeeld de niet-gecontroleerde reacties, die worden propatheia genoemd, letterlijk vertaald de ‘vooremotie’ … Die primaire reactie is iets wat je niet onder controle hebt, maar het is de kunst om wel greep te krijgen op controleerbare vormen van pathos, ‘emotie’: de emotie moet ondergeschikt zijn aan het verstand (34).

Floris: Ik ben [meer] een aristoteliaan. Ik maak een onderscheid tussen de kleine, onbeduidende dingen, waarbij ik denk dat het fijn zou zijn als iedereen daar zijn innerlijke stoïcijn omarmt en leert relativeren, en grotere, ingrijpender zaken, waarbij ik wel toesta dat emoties iets doen. Op politiek niveau bijvoorbeeld kan een emotie als woede daadwerkelijk iets betekenen, omdat alleen maar feiten en argumenten presenteren soms helaas niet werkt (36).

Gerard: Je ziet iets gebeuren, je grijpt in, maar de drijfveer is [niet woede]. Dieren reageren primair, zonder na te denken; mensen behoren een niet-dierlijke reactie te vertonen en hun daden weloverwogen te verrichten. Wat de stoïcijnen zien als het onderscheid tussen dieren en mensen is het vermogen om niet direct op je impulsen te reageren, maar om met je verstand een bepaalde beslissing te nemen (37).

Floris: Ik denk dat stoïcijnen de affectieve kracht van de emotie onderschatten, want het is simpelweg niet hetzelfde of je iets vanuit een rationele overtuiging doet, of dat je je ook laat leiden door het impulsieve, het instinctieve, het lichamelijke, of hoe je het ook wilt noemen (38).

Gerard: Gebeurt er iets wat niet kan? Ja. Wat moet ik doen, moet ik ingrijpen? Ja, dat moet ik, want het is mijn plicht mensen in nood te helpen. Zo rationeel gaat het er in werkelijkheid natuurlijk niet aan toe: je reageert in een split second, en je besluit wel of niet in te grijpen … Het begrip ‘oefening’ speelt een grote rol in de Stoa: je bereidt je voor op situaties waarin het er echt om spant … Door geestelijk te oefenen heb je jezelf aangeleerd ook in zulke omstandigheden je emotie uit te schakelen en met je verstand te werk te gaan. In zo’n situatie, aldus de stoïcijnen, is primair uitgaan van een reactie als woede niet effectief, want woede kan ook blind maken” (38/9).

Gerard onderscheidt de primaire, niet-gecontroleerde ‘vooremotie’ van de emotie die ondergeschikt is gemaakt aan het verstand. In navolging van Marjan Slob kan men een onderscheid maken tussen lichamelijke emoties en mentale gevoelens. Zij schrijft: “Emoties zijn lichamelijke gewaarwordingen, gevoelens zijn geïnterpreteerde emoties”. Zij zegt ook: “Wat emoties onderscheid van gevoelens is dat emoties puur lichamelijke impulsen zijn die aanzetten tot gedrag, terwijl gevoelens ook om duiding van je eigen positie, vermogen tot reflectie, vragen” [2]. De primaire ‘vooremotie’ van Gerard zou dan de puur lichamelijke impuls (emotie) van Slob zijn.

De omzetting van lichamelijke emoties in mentale gevoelens kan volgens Spinoza geschieden door de drie kennisvormen die hij onderscheidt: de verbeelding, de rede en de intuïtie. Met de verbeelding (in Spinoza’s terminologie een inadequate interpretatie van emoties) resulteert dat in passieve (lijdzaam ondergane) gevoelens en re-actief gedrag. De rede (een adequate interpretatie van emoties) resulteert in neutrale gevoelens en neutraal gedrag (neutraal in zin van afstandelijk) dat helaas niet affectief beladen is en daardoor vaak niet motiverend werkt. De intuïtie daarentegen is wel affectief beladen en resulteert daardoor in actieve gevoelens en pro-actief gedrag [3].

De opmerking van Floris dat ‘alleen maar feiten en argumenten presenteren soms helaas niet werkt’ en dat ‘stoïcijnen de affectieve kracht van de emotie onderschatten’ komt overeen met Spinoza’s idee dat de rede niet affectief beladen is en daardoor vaak niet motiverend werkt om tot pro-actief gedrag te komen.

Bas Heijne verwijst naar de filosoof David Hume die zegt dat de praktische rede alleen niet voldoende is om mensen moreel te motiveren. “Het zijn emoties die het menselijke verstand in beweging zetten, tot daadkracht aansporen. Dat is wat Hume bedoelt wanneer hij zegt dat de rede slaaf van de hartstochten is. Anders gezegd, voor we ergens over gaan nadenken, moet het ons eerst wat kunnen schelen” [4].

De opmerking van Gerard dat ‘dieren primair reageren’ verwijst naar instinctmatig gedrag, dat normaliter wordt onderscheiden in de vier reacties fight, flight, freeze and flock. De instinctmatige reactie flocking is het in een groep/kudde samenkomen om zo sterker te staan tegenover gevaren.  Het lijkt raadzaam om een onderscheid te maken tussen instinct, emotie, gevoel, verbeelding, rede en intuïtie [5]. Bij Gerard’s opmerking over ‘het geestelijk oefenen om met je verstand te werk te gaan’ is het de vraag in hoeverre dit in de praktijk gerealiseerd kan worden. Zou aanvulling met bewustzijnsontwikkeling niet gewenst zijn?

 

4. Emoties als politiek instrument

Floris: “We leven in een imperfecte politieke wereld waarin argumenten niet altijd gehoord worden en waarin soms emoties nodig zijn als politiek instrument … Ik denk dat de stoïcijnen te veel de status quo bevestigen door alle maatschappelijke problemen te reduceren tot individuele problemen (48).

Floris: Het is makkelijk om te beweren dat woede niet zou moeten worden ingezet als instrument, als jij het niet nodig hebt .. Ik proef vaak een beetje de neiging dat zo’n beroep op ‘we moeten op het niveau van de rede blijven en er mag geen ruimte zijn voor emoties’ ook een soort instrument is om de ander monddood te maken, door deze neer te zetten als minder rationeel. Terwijl er, als die ander komt aanzetten met louter verstandige argumenten, niemand is die luistert. En ik denk dat dat een lastig punt is voor de Stoa” (52/3).

Men kan beargumenteren dat ‘het inzetten van woede als politiek instrument’ in de recente verkiezingen zeker een rol heeft gespeeld. Het ‘monddood maken’ van het boze gedeelte van de veelal praktisch geschoolde burgers door de theoretisch geschoolde elite kan de democratische orde ondermijnen. Maar, zoals Gerard opmerkt in paragraaf 3, het ‘primair uitgaan van een reactie als woede [is] niet effectief, want woede kan ook blind maken’. Woede die resulteert in ongecontroleerde gewelddadigheid kan een spiraal van geweld veroorzaken.

 

5. Ontsnappen aan de kapitalistische ratrace

Floris: “De stoïcijnen bieden nog steeds een antwoord: het besef dat het uiteindelijk om een goed leven gaat en dat zaken als bezit leuk zijn maar niet datgene waar het om draait. Dat besef kan in ieder geval op individueel niveau bijdragen aan het ontsnappen aan de kapitalistische ratrace. Het is de vraag of dat op collectief niveau tot verandering leidt. Misschien als genoeg mensen uit die ratrace stappen. Het is geen actief politiek proces, maar ik denk wel dat dit een van de gebieden is waarop het stoïcisme voor mensen op individueel niveau van waarde kan zijn” (81).

Het individuele ontsnappen aan de kapitalistische ratrace, oftewel het individuele ‘consuminderen’, garandeert inderdaad geen verandering op collectief niveau. De vraag is welk percentage van de burgers hun gedrag moeten veranderen voordat een min of meer ‘automatische of spontane’ systeemverandering plaatsvindt. Ligt dit percentage op 5 of 50%? De vraag op de achterflap van het boek ‘Hoe pak je mondiale vraagstukken aan vanuit een individualistische filosofie?’ is en blijft uitermate relevant. Wanneer treden kantelpunten op?

 

6. Voorbeschikking of vrije wil?

Gerard: “Aan de ene kant zeggen de stoïcijnen dat alles bepaald is door het lot, de natuur, de rede of God en in die zin is alles wat er op kosmisch niveau gebeurt goed. Aan de andere kant hebben ze het wel over de eigen verantwoordelijkheid van mensen. Dat bijt elkaar. Óf ik ben een marionet … Óf ik heb een wil, een autonome vrije wil … Wat is de verantwoordelijkheid van de mens en wat is de speelruimte die iemand in het leven heeft? De klassieke stoïcijnen zeiden dat alles voorbeschikt was, maar dat er in iemands geest wel degelijk de mogelijkheid was tot een vrije keuze. Dan krijg je een soort droste-effect, want als die keuzemogelijkheid in iemand aanwezig was, dan was blijkbaar ook al voorbeschikt dat hij die keuze maakte die hij maakte, en dan wordt dat weer een kwestie van of iets voorbeschikt is. Kortom, een echt bevredigende oplossing voor dit probleem heeft de Stoa nooit weten te vinden en die is er ook niet” (132).

Wanneer ‘alles bepaald is door het lot’ is er geen sprake van een ‘menselijke autonome vrije wil’. Men kan beargumenteren dat uiteindelijk het vraagstuk van de al dan niet vrije wil irrelevant is in de zin dat de mens in zijn/haar dagelijks leven altijd de subjectieve ervaring heeft van een vrije wil. Men kan altijd ‘objectief’ proberen in retrospectief te bedenken waarom men een bepaalde keuze heeft gemaakt (wat waren de oorzaken en gevolgen), maar uiteindelijk zal men in de oneindige keten van oorzaken en gevolgen het spoor bijster raken. Dan blijft alleen de subjectieve ervaring van een vrije wil over. Who cares?

 

7. Het realistisch vorderingen maken

Gerard: “Rond de tijd van het ontstaan van de Stoa, ongeveer 300 voor Christus, kwam in verschillende filosofische scholen het begrip metriopatheia op, dat wil zeggen het op een gematigde manier met je emoties omgaan. De begrippen metriopatheia en apatheia hebben beide het element pathos, dat ‘emotie’ betekent. Het voorvoegsel metrio- betekent ‘gematigd’, het voorvoegsel a- betekent ‘zonder’. Wanneer het totaal uitschakelen van emoties onmogelijk blijkt, kun je wel streven naar een gematigde manier van het omgaan met die emoties. Dat is een wat realistischere benadering dan het alleenzaligmakend verklaren van de apatheia. Als totale apatheia niet lukt, dan maar een beetje toegeven … Dat is een vorm van realisme … Het gaat juist om vorderingen maken” (p.17 en 139).

Inderdaad, als totale apatheia sowieso niet lukt, is het ‘realistisch streven naar een gematigde manier van omgaan met emoties’ wel zo verstandig. Het gaat erom ongecontroleerde lichamelijke emoties in gecontroleerde, gematigde mentale gevoelens om te zetten, en aldus geleidelijke vorderingen te maken in individueel en collectief opzicht.

 

8. Het goede begrijpen en doen

Floris: “Zelfs als we claimen de ethiek compleet te begrijpen, is het mogelijk dat we er toch niet naar handelen. Dat is ook een beetje de tragiek van de filosoof. Je meent het goede te zien, maar je begrijpt dat het ver weg is en dat het lastig is om dat te bereiken. En de neiging bestaat om bezig te blijven met de vraag wat het goede is in plaats van het goede te doen.

Gerard: Zeker, het gaat om wat je doet. Een stoïcijn zal nog verder gaan en zeggen dat het ook gaat om de houding waarmee je het doet” (156).

Het goede doen dient inderdaad centraal te staan. Uiteindelijk draait het om daadwerkelijk gedrag. Dat is het enige wat direct zichtbaar is. ‘De houding waarmee je iets doet’ verwijst naar het belang van een onderliggende grondhouding of interne waarde [6].

 

9. Conclusie

Voor iedereen geïnteresseerd in stoïcijnse filosofie en kritiek op zelfhulpboeken beveel ik het boek van Gerard Boter en Floris Leest van harte aan.

 

Noten

1 Zie paragraaf 1 in: Van Eijk T. (2017). Nationale identiteit en wereldburgerschap. Wat te doen? Civis Mundi digitaal # 45, april 2017.

Zie ook: Van Eijk T. (2012). Vervang de ‘onzichtbare hand van de vrije markt’ door de ‘onzichtbare hand van het collectieve bewustzijn’ Civis Mundi digitaal # 12, juli 2012.

2 Zie Van Eijk (2021): p. 74 in hoofdstuk 8.4: Onderscheid tussen emotie en gevoel bij Damasio.

Van Eijk T. (2021). Klimaatcrisis, gedragsverandering en bewustzijnsontwikkeling. Lulu [ook daar beschikbaar als pdf-file].

3 Zie paragraaf 5 in: Van Eijk T. (2023). Bewustzijnsverandering in dreigende tijden. Commentaar op: Wouter Kusters. Schokeffecten. Filosoferen in tijden van klimaatverandering. ISVW Uitgevers, 2023. Civis Mundi Digitaal #134, mei 2023.

Zie ook Diagram 1 in: Van Eijk T. (2021). De relatie tussen emoties, gevoelens, intuïtie en gedragsverandering. Commentaar op: Arno Delmon et al. Onze behoefte aan troost is onlesbaar. Op zoek naar de Ziel der Dingen. LM Publishers, Edam, 2021. Civis Mundi Digitaal #114, september 2021.

4 Bas Heijne. We zien steeds meer – en weten steeds minder. NRC 1/2 februari 2020. Zie ook p.14 in: Van Eijk T. (2021). Zie noot 2.

5 Zie de noten 2 en 3.

6 Zie Diagram 1 in Van Eijk T. (2021). Zie noot 3.