De maatschappelijke relevantie van meditatiepraktijken

Civis Mundi Digitaal #143

door Toon van Eijk

Commentaar op: Thomas Metzinger, Bewustzijnscultuur

 

Op de achterkant van het boek staat: “We moeten de waarheid onder ogen zien: de planetaire crisis verdiept zich, de klimaatcatastrofe lijkt onafwendbaar. Het ziet er niet goed uit. De mensheid bevindt zich reeds in het stadium van schadebeperking en rampenmanagement. In Bewustijnscultuur zoekt Thomas Metzinger naar een ethiek voor onze huidige tijd van crises. Hij doet een krachtig pleidooi voor een radicaal nieuwe bewustzijnscultuur, geworteld in eerlijkheid, compassie en creativiteit. Het traditionele model van onverzadigbare economische groei, gedreven door hebzucht, jaloezie en dominantie, is onhoudbaar gebleken en leidt ons rechtstreeks naar een mondiale catastrofe. We staan voor de uitdaging om onszelf opnieuw uit te vinden, om een duurzame toekomst te waarborgen voor zowel onszelf als voor de generaties die nog komen.

Thomas Metzinger is hoogleraar filosofie verbonden aan de Universiteit van Mainz. Hij geldt als één van de meest gerenommeerde internationale experts op het gebied van bewustzijnsfilosofie en cognitieve wetenschap. Verder maakt hij deel uit van een team van experts bij de Europese Commissie over de ethische gevolgen en implicaties van kunstmatige intelligentie”.

 

Inleiding

Metzinger heeft een interessant boek geschreven. Hieronder geef ik een aantal citaten van hem weer die m.i. cruciaal zijn om de finesses van zijn ‘radicaal nieuwe bewustzijnscultuur’ te kunnen begrijpen. Deze citaten worden voorzien van commentaar. In dit nummer van Civis Mundi is ook een boekbespreking van Metzinger’s boek door Erik Jansen te vinden.

Ik maak een onderscheid tussen ‘boekbesprekingen’ en ‘commentaren’ op boeken. In een boekbespreking geeft men een (altijd subjectief geselecteerd) overzicht van de belangrijkste onderwerpen in een boek, met meestal relatief weinig inhoudelijk commentaar op deze onderwerpen. In een commentaar geeft men geen overzicht van de belangrijkste onderwerpen, maar voornamelijk commentaar op een aantal subjectief geselecteerde en geïnterpreteerde onderwerpen. Bij commentaren is het m.i. gewenst intellectuele eerlijkheid, een belangrijk concept in Metzinger’s boek, te betrachten, in de zin van het delen van persoonlijke ervaringen op intellectueel en spiritueel gebied, zodat de lezer onderliggende mens- en wereldbeelden kan herkennen, die vaak impliciet blijven.

 

1. Traagheid en epistemische praktijken

Metzinger spreekt over fysische, geestelijke en sociaaleconomische vormen van traagheid (p.12). Met de fysische traagheid bedoelt hij dat “het klimaatsysteem van de aarde zo traag reageert dat de opwarming nog lang zal aanhouden”, ook als we nu onmiddellijk de uitstoot van broeikasgassen drastisch naar beneden brengen (p.13). De traagheid van de (evolutionair ontstane) menselijke geest en de traagheid van de door ons ontwikkelde samenlevingen en politieke instituties verwijzen naar het gegeven dat de mensheid uiterst traag reageert op de volgens Metzinger welhaast onafwendbare planetaire crisis (13).

Metzinger onderscheidt filosofie, wetenschap en meditatie als drie epistemische praktijken (23), dus praktijken die kennis opleveren. Hij schrijft: “De niet-conceptuele varianten van spirituele praktijk zijn in Azië veel dieper, fijnzinniger en beter ontwikkeld dan in het Westen” (23). En hij merkt op dat de wetenschappelijke methode en meditatie overeenkomen als “twee wegen naar hetzelfde doel” (23). Beide dienen het doel van “een systematische vergroting van de geestelijke autonomie, dus van de innerlijke vrijheid” (27). Het gegeven dat wetenschap en meditatie twee wegen naar hetzelfde doel zijn, komt tot uitdrukking in het Janus gezicht. Het Janus gezicht symboliseert dat zowel gebruik van de rede (naar buiten kijkend) als van ervaringsspiritualiteit (naar binnen kijkend) meer wijsheid creëert [1].

Volgens Metzinger is ‘intellectuele integriteit of eerlijkheid’ een belangrijk begrip in epistemische praktijken. Dit zou dan ook dienen te gelden m.b.t. het waarderen van wetenschappelijk onderzoek naar de individuele en collectieve effecten van meditatietechnieken. Omdat ik zelf al geruime tijd Transcendente Meditatie (TM) beoefen, heb ik in Civis Mundi herhaaldelijk naar het wetenschappelijk onderzoek naar deze meditatietechniek verwezen [2]. Het is opmerkelijk dat in de eindnoten/literatuurlijst van Metzinger’s boek geen enkele verwijzing naar TM onderzoek te vinden is. Elke intern-consistente theorie (hoe ongebruikelijk ook in de zin van buiten het dominante positivistisch paradigma vallend) zoals de onderliggende theorie van TM, waaruit wetenschappelijk testbare hypothesen zijn af te leiden, verdient een kans.

 

2. Zuiver bewustzijn of bewustheids-bewustzijn

Volgens Metzinger is een meditatiepraktijk “de zoektocht naar een niet-duale bewustzijnstoestand aan gene zijde van de subject-object splitsing … een beweging naar een levende vorm van stilte, naar een lucide en moeiteloze vorm van geestelijk niet-handelen” (27). Deze ‘niet-duale bewustzijnstoestand’ noemt hij ook wel ‘zuiver bewustzijn’. Hij gebruikt de volgende omschrijvingen: innerlijk zuiver schouwen; een niet-egoïsche, maar zichzelf gewaarwordende vorm van meditatieve bewustheid, maar zonder Ik-gevoel; vrij van gedachten en begrippen (29); het Ik-perspectief wordt getranscendeerd; het zelfgerichte schouwen overstijgt het egoïstische eigenbelang (30).

Hij vervolgt: “Maar wat is nu precies dit ‘zuivere bewustzijn’? Niets geheimzinnigs. Er is de subjectieve ervaring van kleur; laten we haar eens ‘kleurbewustzijn’ noemen. Er is ook de subjectieve ervaring van geuren en klanken – die zouden we respectievelijk ‘reukbewustzijn’ en ‘klankbewustzijn’ kunnen noemen. Op diezelfde manier is er ook nog een ‘bewustheids-bewustzijn’, een toestand waarin het bewustzijn zelf nog eens ervaren wordt en op een zeer duidelijke, heldere wijze innerlijk wordt waargenomen. Deze ervaringstoestand heeft niets van doen met begrippen, woorden of gedachten. Je zou het bewustheids-bewustzijn kunnen aanduiden als het naakte wakker-zijn” (30).

De omschrijvingen van Metzinger van zijn begrip ‘zuiver bewustzijn’ of ‘bewustheids-bewustzijn’ komen sterk overeen met wat in met name Oosterse meditatiepraktijken ‘transcendent bewustzijn’ wordt genoemd, of ook wel puur of zuiver bewustzijn, of bewustzijn-als-zodanig zonder enige bewustzijnsinhouden zoals gedachten. Alle gedachten zijn op dit bewustzijnsniveau getranscendeerd, alleen bewustzijn-van-bewustheid resteert. Men zou kunnen zeggen dat er een drager of carrier moet zijn (zuiver bewustzijn) en een inhoud van de drager (bewustzijnsinhoud zoals gedachten). Bij de ervaring van zuiver bewustzijn is er sprake van ‘naakt wakker-zijn’ oftewel ‘restful alertness’ met een term van Robert Keith Wallace in zijn dissertatie The Physiological Effects of Transcendental Meditation (Harvard Universiteit, 1970).

Het ‘probleem’ met het proces van transcenderen van alle gedachten is dat het niet op een zinvolle manier uitgelegd kan worden aan anderen; men moet het gewoon zelf ervaren, op dezelfde manier als men een appel moet proeven om de specifieke smaak ervan te leren kennen. Men kan urenlang uitleggen hoe een appel smaakt, maar zonder de daadwerkelijke ervaring van het eten van een appel blijft dat alles oppervlakkig: the proof of the pudding is in the eating.

 

3. Maatschappelijke relevantie

“[Het bewustheids-bewustzijn] is niet louter individueel, want het heeft ook een direct maatschappelijke relevantie. Uit nieuwe empirische data blijkt duidelijk dat het bewustheids-bewustzijn ook een sociale dimensie heeft; dat deze oorspronkelijke en volstrekt niet intellectuele variant van openheid ook een ervaring van verbondenheid teweegbrengt, omdat hij een element van medegevoel bevat … [De meditatiepraktijk] cultiveert het medegevoel” (33).

Helaas geeft Metzinger hier geen literatuurverwijzing naar de ‘nieuwe empirische data’. Desalniettemin is een cultivering van verbondenheid of medegevoel door meditatiepraktijken mogelijk, zoals blijkt uit wetenschappelijk onderzoek naar de collectieve effecten van bijvoorbeeld TM en het onderzoek van Daniel Goleman (Zie CM 76, Wetenschapsfilosofie Deel 10B).

 

4. Positieve bewustzijnstoestanden en ervaringsspiritualiteit

Een mogelijke werkdefinitie van het begrip ‘bewustzijnscultuur’ is “de systematische cultivering van als waardevol beoordeelde bewustzijnstoestanden … Als we eenmaal hebben uitgemaakt welke de positieve bewustzijnstoestanden zijn is dan de vraag hoe we die het effectiefst kunnen bereiken” (53/4). Een ander aspect van een werkdefinitie van het begrip ‘bewustzijnscultuur’ is “een continu proces van rationele, op empirische evidentie gebaseerde enculturatie, dus een actieve inbedding van [positieve] bewustzijnstoestanden in cultuur en samenleving” (49).

Een actieve inbedding van positieve bewustzijnstoestanden in de samenleving is uiteraard waardevol (ervan uitgaand dat positieve bewustzijnstoestanden in positief gedrag resulteren, zie paragraaf 6). Het begrip enculturatie omvat de internalisatie van positieve bewustzijnstoestanden. De systematische cultivering van deze bewustzijnstoestanden kan omschreven worden als het proces van ervaringsspiritualiteit.

Ervaringsspiritualiteit is het proces waarin men op systematische wijze de receptiviteit traint om regelmatige toegang tot transcendent bewustzijn te krijgen [3]. De woorden systematisch en regelmatig zijn belangrijk. Technieken voor bewustzijnsontwikkeling die niet in regelmatige ervaringen van transcendent bewustzijn resulteren, kunnen immers moeilijk wetenschappelijk onderzocht worden. Wetenschappelijk onderzoek vraagt om regelmatige en herhaalbare ervaringen, in dit geval ervaringen van transcendent bewustzijn. Dit neemt overigens niet weg dat ‘toevallige’ ervaringen van transcendent bewustzijn levens soms totaal kunnen transformeren.

Er is sprake van een individuele, vrije, anarchistische ervaringsspiritualiteit die zich verzet tegen elke vorm van totalitair gedrag. In geïnstitutionaliseerde religies staat ‘geloven op gezag’ vaak centraal (zoals ook Metzinger benadrukt); zij neigen er toe het belang van ervaringsspiritualiteit te ontkennen.

 

5. Technologie en veranderde bewustzijnstoestanden

Metzinger besteedt aandacht aan de talrijke nieuwe mogelijkheden voor het voortbrengen van veranderde bewustzijnstoestanden, zoals de vele synthetische drugs, AI (kunstmatige intelligentie), VR (virtuele realiteit) en BCI (brain-computerinterface). “Hoogstwaarschijnlijk zullen [de m.b.v. technologie geconstrueerde bewustzijnstoestanden] echter worden ontwikkeld en geëxploiteerd door commerciële private partijen, waarvan het bedrijfsmodel niet gericht is op het algemeen welzijn of de geestelijke gezondheid van de gebruikers ervan” (55). De vraag is dan of de Virtual Reality technologie in de attention extraction economy daadwerkelijk Real Virtuality voortbrengt? (148). Later zullen we zien dat Metzinger toch de voorkeur geeft aan meditatiepraktijken. De vraag is of deze kunstmatige technieken leiden tot de ervaring van transcendent bewustzijn en de heilzame effecten die dit volgens onderzoek zou hebben.

 

6. Prosociaal gedrag door het cultiveren van de eigen geest

Metzinger schrijft: “Het cultiveren van de eigen geest … zou je kunnen zien als een bijdrage tot het algemeen welzijn, als een prosociale activiteit … Bewustzijnscultuur is een emancipatoir project, dat zich de vergroting van de geestelijke autonomie van mensen ten doel stelt. Als antiautoritaire, gedecentraliseerde, egalitaire en participatieve strategie zal bewustzijnscultuur zich wezenlijk richten op gemeenschappelijkheid, samenwerking en transparantie en zich aldus geheel automatisch verzetten tegen elk kapitalistisch profijtbeginsel. Zo beschouwd gaat het bij de schepping van het publieke goed ‘bewustzijnscultuur’ om de opbouw van … een nieuw type gemeenschappelijk gedeelde geestelijke infrastructuur” (67).

Zie ook paragraaf 3 over de door Metzinger geclaimde maatschappelijke relevantie van het ervaren van bewustheids-bewustzijn. Zijn karakterisering van (sommige) meditatiepraktijken als ‘antiautoritaire en gedecentraliseerde prosociale activiteit’ is bijvoorbeeld van toepassing op TM. Het collectieve gedragseffect van het individueel praktiseren van TM (op voldoende schaal) is ‘gemeenschappelijkheid en samenwerking’ zoals uit wetenschappelijk onderzoek blijkt [4].

Metzinger vraagt: “Welke bewustzijnstoestanden leiden met grote waarschijnlijkheid in menselijke samenlevingen tot vrede en prosociaal gedrag, en welke daarentegen juist tot meer dierenleed, milieuschade en meer sociaal onrecht? … Zulke vragen kunnen allemaal empirisch worden opgehelderd, want toestanden en vormen van het bewuste ervaren hangen samen met gedragsprofielen, die wetenschappers in het openbaar kunnen observeren en nauwkeurig onder de loep nemen” (74/75).

Het gegeven dat bepaalde veranderde bewustzijnstoestanden in bepaalde zichtbare gedragsprofielen resulteren maakt inderdaad empirisch wetenschappelijk onderzoek mogelijk. Uiteindelijk draaien meditatiepraktijken om het creëren van individueel en collectief gedrag dat meer maatschappelijk en ecologisch verantwoord is.

Metzinger schrijft: “Een bekende welvaartsindicator is het bruto binnenlands product (bbp) … Hoe zou het zijn als we … een ‘index van bewustzijnscultuur’ ontwikkelen? … Door een verhoging van de bewustzijnsculturele levensstandaard zouden we sociaal rechtvaardiger en ecologisch duurzamere samenlevingen kunnen creëren. Wat zou er anders geweest zijn als een van onze maatschappelijke doelen de maximalisering van het aantal minuten in het bewustheids-bewustzijn per hoofd van de bevolking was geweest? Hoe zou het geweest zijn wanneer ons doel niet een landing op Mars, maar een landing in het zuivere bewustzijn was geweest?” (75/76). Kortom, “economische groei zouden we kunnen vervangen door geestelijke groei” (85).

Geestelijke groei, oftewel het cultiveren van de eigen geest, als essentiële onderliggende basis van (sociaal rechtvaardige en ecologisch duurzame) economische groei is inderdaad een prosociale activiteit, die bovendien veel geld uitspaart. Geld, dat bijvoorbeeld niet besteed hoeft te worden aan rampenmanagement.

 

7. Het blijvende effect van meditatiepraktijken

“De schrijver van dit boek heeft natuurlijk zelf concrete voorstellingen en sterke intuïties over wat werkelijk waardevolle bewustzijnstoestanden zouden kunnen zijn. Al 46 jaar, als het niet meer is, mediteer ik minstens twee keer per dag. Ik heb uiteenlopende technieken uitgeprobeerd … Let wel: het gaat hier om mijn persoonlijke overtuiging. Ik kan me natuurlijk vergissen. Toch denk ik dat een echte bewustzijnscultuur altijd ook een bewustheidscultuur zal zijn; ik meen dat het … ‘bewustheids-bewustzijn’ uiteindelijk de relevante centrale regio in het ruimere scala van mogelijke bewustzijnstoestanden zal blijken te zijn. Het zuivere bewustzijn is het bewustzijn dat niet alleen voor filosofen, maar voor ons allemaal het meest interessante is” (76/7).

Helaas vermeldt Metzinger niet welke meditatietechniek hij al decennia beoefent. Dat is jammer omdat openheid en transparantie centraal staan in zijn boek. In zijn eindnoten/literatuur lijst staan relatief veel verwijzingen naar mindfulness technieken. Hij vraagt zich af of er zoiets “als een volledig seculiere vorm van spiritualiteit mogelijk is? … Is een geseculariseerde, intellectueel integere vorm van spiritualiteit mogelijk? … De tegenwoordig populairste vorm [van spirituele praktijk] is de zogenaamde mindfulness- of inzichtmeditatie” (91). Een volledig geseculariseerde variant hiervan is de MBSR (Mindfulness-Based Stress Reduction). Bij een geseculariseerde spiritualiteit gaat het “niet meer om een hiernamaals of een mogelijke beloning in de toekomst, maar steeds alleen om het actuele moment van het medegevoel; om het tijdloze, geleefde ogenblik van de mindfulness. Om datgene wat is” (115).

Uit deze opmerkingen zou men kunnen opmaken dat hijzelf waarschijnlijk een vorm van mindfulness-meditatie beoefent. Stress reductie is ook een belangrijk bijkomend effect van TM-beoefening, maar uiteindelijk gaat het om het systematisch cultiveren van de directe ervaring van zuiver of transcendent bewustzijn.

Metzinger heeft zelf psychotrope stoffen als lsd, psilocybine, Ayahuasca, etc. uitgeprobeerd. “Na ongeveer viereneenhalf decennium staat mijn persoonlijke oordeel echter vast: iets beters dan een regelmatige en bestendig volgehouden meditatiepraktijk is er niet. Wanneer je op zoek bent naar waardevolle bewustzijnstoestanden … naar de oneindige, onvoorstelbare diepte die aan gene zijde der grenzen van de consensusrealiteit van het waakbewustzijn ligt, doe dat dan. Mediteren is subtiel, het vergt wat geduld en uithoudingsvermogen, maar het effect ervan is blijvend … Als epistemische praktijk omvat meditatie veel meer [dan psychedelica] en ze is bovendien toegankelijker dan de farmacologische psychonautica, want voor iedereen geschikt” (79/80).

Regelmatige meditatiebeoefening is inderdaad essentieel voor het vestigen van de door hem gepropageerde bewustheidscultuur, die blijvende maatschappelijk relevante effecten bewerkstelligt.

 

8. De essentie van het bewustzijn

Het ‘bewustheids-bewustzijn’, het ‘zuivere bewustzijn’ of het ‘zuivere besef’ is op dit moment “onze beste kandidaat voor wat de essentie uitmaakt van het bewustzijn … Het bestaat reeds voordat er überhaupt een wetend, ervarend Ik aan de orde is … Het zuivere besef is wellicht de plaats waarop we een glimp kunnen opvangen van de innerlijke aard van de bewustheid op zich: per definitie is het datgene wat overblijft wanneer al het niet-noodzakelijke van het bewustzijn wordt weg- en losgelaten” (82).

Deze omschrijving van zuiver bewustzijn komt overeen met de eerder gegeven omschrijving van transcendent bewustzijn in paragraaf 2. Het proces van het transcenderen of letting-go van alle gedachten (alle bewustzijnsinhouden) staat centraal.

 

9. Instinct, intellect en intuïtie

M.b.t. de eerder genoemde traagheid van onze geest en onze samenlevingen (paragraaf 1) zegt Metzinger dat we “bij ons volle bewustzijn ervaren dat ons intellectuele inzicht [in de klimaatverandering en de planetaire crisis] niet volstaat om ons gedrag te veranderen” (87).

Dit is een cruciale opmerking. Het is nu evident dat intellectueel inzicht alleen niet volstaat om ons gedrag te veranderen. Spinoza zou zeggen dat de rede geen affectieve component heeft; gebruik van het intellect alleen motiveert niet tot gedragsverandering. Daarvoor is volgens hem ook een andere kennisvorm, namelijk intuïtie, nodig - die wel een affectieve component heeft en daardoor aanzet tot daadwerkelijke gedragsverandering.

Metzinger: “Of we het nu leuk vinden of niet, we beginnen onze geestelijke vermogens in toenemende mate te begrijpen als natuurlijke eigenschappen, die een zeer lange biologische en een veel kortere culturele geschiedenis hebben” (88). Hij noemt dit de ‘naturalistische ommekeer in het mensbeeld’ (87). “Nieuw is [ook] dat er in toenemende mate goede theorieën zijn over de evolutie van de religiositeit … de wetenschap begint te onderzoeken hoe het fenomeen ‘religiositeit’ in de geschiedenis van de mensheid geleidelijk ontstaan zou kunnen zijn … Ze vormen een belangrijk nieuw aspect van de naturalistische omslag in het mensbeeld” (102) [5].

Het gegeven dat onze geestelijke vermogens een zeer lange biologische (natuurlijke) en een veel kortere culturele geschiedenis hebben, maakt het onderscheid tussen instinct, cultuur en persoonlijkheid relevant. Hoogleraar sociale psychologie Geert Hofstede geeft in Diagram 1 drie niveaus van mentale programmering weer [6].

 

Diagram 1: Drie niveaus van mentale programmering

 

De universele menselijke aard of natuur - in de zin van onze evolutionair bepaalde, overgeërfde instincten - bepaalt gedeeltelijk onze mentale programmering. Voorbeelden zijn de fight, flight, freeze and flock responses. Deze menselijke instincten delen we met dieren. De tweede laag in Diagram 1 wordt gevormd door cultuur. Volgens Hofstede is cultuur mentale software. Onder cultuur verstaat hij de collectieve programmering van de geest (mind) die de leden van de ene groep of categorie van mensen onderscheidt van de andere. Cultuur wordt aangeleerd, niet overgeërfd. Het komt voort uit een specifieke sociale omgeving, niet uit iemands genen.

Volgens Hofstede dient men een onderscheid te maken tussen cultuur en persoonlijkheid (de derde laag in Diagram 1). Terwijl een cultuur specifiek is voor een bepaalde groep mensen en aangeleerd wordt, is de persoonlijkheid specifiek voor een individu en gedeeltelijk aangeleerd, gedeeltelijk overgeërfd. Overerving vindt plaats door middel van iemands unieke set van genen, terwijl aanleren wordt beïnvloed door zowel de collectieve programmering (cultuur) als unieke persoonlijke ervaringen. Waar de grens tussen cultuur en persoonlijkheid precies ligt, blijft volgens Hofstede een discussiepunt onder sociale wetenschappers.

Diagram 1 maakt duidelijk dat zowel universele menselijke driften als groep-specifieke cultuurkenmerken en individu-specifieke persoonlijkheidskenmerken een rol spelen in onze mentale programmering. De drie lagen in Diagram 1 (instinct, cultuur en persoonlijkheid) kunnen gezamenlijk ons gedrag in een maatschappelijk en ecologisch verantwoorde richting leiden.

De traagheid van verandering van onze geest en derhalve ook onze samenlevingen komt voort uit onze zeer lange biologische (natuurlijke) geschiedenis. Om snellere gedragsveranderingen mogelijk te maken lijkt meer aandacht voor persoonlijkheidsontwikkeling noodzakelijk, waarbij men in gedachten dient te houden dat ook culturen uiteindelijk gevormd worden door individuen (persoonlijkheden). Gezonde persoonlijkheidsontwikkeling omvat een combinatie van universele instincten, gezond boerenverstand en een hoogontwikkelde intuïtieve vaardigheid.

In de aansturing van gedrag is het belangrijk een onderscheid te maken tussen instinct en intuïtie. Instinctieve impulsen zijn de eerder genoemde snelle lichamelijke emoties van ‘fight, flight, freeze and flock’. Intuïtie daarentegen is een heel verfijnd niveau van denken dat niet bewust ervaren wordt. Intuïtie kan omschreven worden als de holistische kunde van anticipatie en integratie [7]. Intuïtie als zodanig kan niet getraind worden - het functioneert immers op een niet-bewust niveau - maar de ontvankelijkheid voor adequaat intuïtief functioneren kan wel getraind worden, bijvoorbeeld door veel oefening (opdoen van praktische ervaring) en/of door middel van technieken voor bewustzijnsontwikkeling.

 

10. Niet-conceptuele kennis en wijsheid

Metzinger: “De spirituele houding is een verlangen naar een bepaald type weten. In wezen gaat het bij de spiritualiteit dus om een epistemische instelling. Spirituele mensen willen niet geloven, maar weten. Ze is een op ervaring gebaseerde, niet-conceptuele vorm van kennis die met innerlijke aandacht, lichaamservaring en het systematische cultiveren van bepaalde veranderde bewustzijnstoestanden gepaard gaat” (93). Deze ‘op ervaring gebaseerde, niet-conceptuele vorm van kennis’ kan worden verkregen in het praktiseren van de eerder genoemde ervaringsspiritualiteit.

Met ‘niet-conceptuele zelfkennis’ worden mogelijkheden bedoeld “om op wetende wijze, maar dan zonder woorden of zelfs gedachten, met jezelf in contact te staan … Misschien bestaat er niet-begripsmatige wijsheid” (51). Deze ‘niet-begripsmatige wijsheid’ kan worden verkregen door adequaat intuïtief functioneren (zie paragraaf 9).

 

11. Prosociaal en ethisch integer gedrag

Metzinger: “Waar kun je waarachtige vooruitgang [bij het mediteren) aan herkennen? … De gezochte criteria zijn medegevoel en ethische integriteit, dus het in gedrag observeerbare streven naar een prosociale, ethisch harmonieuze levenswijze. Over het bedoelde weten zelf kan echter nauwelijks iets gezegd worden, want dat heeft een niet-conceptuele aard en kan daarom niet in taal worden overgebracht, noch argumentatief worden gefundeerd” (94/5).

Of zoals de ‘oude meester’ Lao-Tse zei: “Degenen die weten, spreken niet; degenen die spreken, weten niet” (117). Metzinger vraagt zich af of de niet-duale bewustzijnstoestand überhaupt empirisch aangetoond kan worden? “Verbale verslagen zijn hoe dan ook noodzakelijk ‘door theorie besmet’ omdat ze altijd ook de levens- en wereldbeschouwing en het beschrijvingssysteem van de gegeven proefpersoon weerspiegelen” (118).

We kunnen eindeloos over abstracte innerlijke bewustzijnstoestanden schrijven en praten, maar uiteindelijk is zichtbaar (prosociaal en ethisch integer) gedrag het enige criterium. Uiterlijk gedrag kan gelukkig empirisch geregistreerd en onderzocht worden. De toestand van zuiver of transcendent bewustzijn kan subjectief en intersubjectief beschreven worden, maar niet ‘positivistisch-objectief’ bewezen worden. Maar wanneer de bereidheid er is om het zelf te onderzoeken, het zelf direct te ervaren, dan zijn meditatiepraktijken beschikbaar. The proof of the pudding is in the eating, zoals reeds opgemerkt in paragraaf 2.

 

12. Neuronale correlaten in ons brein

Metzinger: “We beschikken natuurlijk nog lang niet over een theorie van het bewustzijn, en bovendien is er een reeks van onderling wedijverende modellen … Het redelijkst is op dit moment de veronderstelling dat ook geavanceerde meditatietoestanden en het bewustheids-bewustzijn noodzakelijkerwijs een neuronaal correlaat hebben, en alleen onder die voorwaarde kunnen optreden. De veranderde bewustzijnstoestanden die in het bestek van een spirituele praktijk … gecultiveerd worden, zouden uiteindelijk beslist identiek kunnen zijn aan fysische toestanden in ons hoofd … ook het bewustheids-bewustzijn zou in laatste instantie een lichamelijk proces kunnen zijn” (111).

In navolging van Antonio Damasio, hoogleraar neurowetenschap, psychologie en filosofie, lijkt het me raadzaam een onderscheid te maken tussen de menselijke geest en hersenen. De vraag is hoe we van patronen van activiteit en inactiviteit (elektrochemische processen) in neuronen (materiële entiteiten) tot mentale beelden of voorstellingen (gedachten of gevoelens) komen? Hoe het proces van het construeren van gedachten of gevoelens tot stand komt, kan niet verklaard worden. De onophoudelijke gedachtestroom, de voortdurende ‘film-in-het brein’ (Damasio) of het continue ‘innerlijk gepraat’, heeft ongetwijfeld elektrochemische correlaten in de hersenen, maar hoe we van iets materieels naar iets mentaals komen is niet duidelijk. Kortom, dit blijft verwarrend: hoe komen immateriële gedachten en gevoelens (de inhoud van onze levende geest) voort uit materiële hersenactiviteit?

Ook in zijn laatste boek uit 2018 geeft Damasio geen antwoord op bovenstaande vraag. Hij verwijst daar naar de filosoof David Chalmers die ‘the hard problem of consciousness’ benoemde: hoe kan uit het organisch materiaal van zenuwstelsels bewustzijn oprijzen? [8].

Markus Gabriel, hoogleraar filosofie aan de Universiteit van Bonn, zegt dat de menselijke geest zich tot op heden aan het natuurwetenschappelijk onderzoek onttrekt. “Om dit probleem op te lossen wordt inmiddels al enkele tientallen jaren geprobeerd de neurowetenschappen voor te stellen als de natuurwetenschappen van de menselijke geest” [9]. Maar het bewustzijn laat zich tot op heden nog niet met de natuurwetenschap verklaren “en waarvan het überhaupt nog maar de vraag is of het zich ooit laat verklaren?” [10]. Metzinger noemt Chalmers beroemde opmerking over ‘the hard problem of consciousness’ niet in zijn boek.

 

13. Een innerlijke neiging om het goede te doen

Metzinger: “Er bestaat een ouderwets filosofisch begrip voor het vermogen en de innerlijke houding die ons in staat stellen om wat we als het goede hebben leren kennen, niet alleen op een effectievere manier, maar wellicht zelfs vanuit een innerlijke neiging en met plezier te doen. Dit ouderwetse begrip heet ‘deugd’” (128).

De innerlijke neiging om het goede te doen resulteert in pro-actief, vrij en ethisch integer gedrag. Het is ‘gewoon fatsoenlijk’ gedrag voortkomend uit een bepaalde ‘innerlijke houding’ oftewel ‘deugd’. Deze deugd wordt (mede) ontwikkeld in het proces van ervaringsspiritualiteit. In de meditatiepraktijk wordt de menselijke geest spontaan aangetrokken tot het niveau van transcendent bewustzijn, omdat de ervaring van transcendent bewustzijn vaak gepaard gaat met aangename (plezierige of deugddoende) gevoelens.

De bioloog en wetenschapsfilosoof Donna Haraway (1944) werd bekend met o.a. haar boek Staying with the Trouble (2016). Zij bedoelde hiermee: “Wees hier. Wees werkelijk aanwezig in deze wereld en met wat daarin aan de hand is. Zie de sociale onrechtvaardigheid, zie het verlies aan biodiversiteit. Vlucht niet in het idee dat de wetenschap wel met een oplossing zal komen, of dat een of andere technofix ons net op tijd zal gaan redden. En zit ook niet bij de pakken neer. Zorg simpelweg voor elkaar. Dat is de klus” [11]. Dit zorgen voor elkaar en voor de aarde verwijst naar de ouderwetse deugd.

 

Eindnoten

1. Zie paragraaf 6. Dooyeweerd’s grenzen van het theoretisch denken in: Van Eijk T. (2023). Een belangrijk WUR 2023 rapport over zes fundamentele dilemma’s rond landbouw, voedsel en natuur in Nederland. Civis Mundi Digitaal #140, November 2023.

2. Wetenschappelijk peer-reviewed onderzoek naar de positieve effecten van beoefening van de Transcendente Meditatie techniek kan gevonden worden op de website http://www.truthabouttm.org/truth/Home/index.cfm Orme-Johnson zegt op zijn website: “If you are interested in lists of research on the Transcendental Meditation technique, in studies comparing different meditation and relaxation techniques, or in questions such as whether the research is valid, whether the effects are due to self-selection or placebo, or are otherwise inconclusive, or whether the researchers on Transcendental Meditation are objective and committed to the scientific method, or whether outside reviews have discredited the research, … in such issues as whether the TM technique has harmful effects or is a cult or religion, or whether enlightenment is just a metaphysical concept … [then check this website]”.

Dr. Sidney Weinstein, Editor-in-Chief, International Journal of Neuroscience, zegt: “Over the past 10 years the editors and reviewers of the International Journal of Neuroscience have accepted several papers on Transcendental Meditation because they have met the rigorous standards of scientific publication. IJN is honoured to have two Nobel laureates on its editorial board, and has a distinguished group of scientists from leading universities on every continent who judge the scientific value of the papers submitted for consideration.” TM Research Publications | truthabouttm.org

Zie ook: Lee Fergusson, Javier Ortiz Cabrejos & Anna Bonshek (2023). Living Standards, Transcendental Meditation and the Perúvian Miracle: A 41-Year Study of Social and Economic Factors. World Journal of Social Science Vol. 10, No. 1; 2023. https://doi.org/10.5430/wjss.v10n1p8

3. Dit is mijn definitie.

4. Zie eindnoot 2.

5. In eindnoot 14 op pagina 154/5 van zijn boek bespreekt Metzinger het interessante verband tussen zaken zoals georganiseerde religie, het in-group/out-group denken, freeriders, een geïnternaliseerde God ‘die alles ziet’, en solidariteit en samenwerking in grotere groepen die niet genetisch verwant zijn.

6. Hofstede G. (1994). Cultures and Organizations. Software of the Mind. Intercultural Cooperation and its Importance for Survival. HarperCollinsBusiness, London [1991]. p.6.

7. De Groot A.D. (1991). Intuition as a dispositional concept. Heymans Bulletins Psychologisch Instituut R.U. Groningen, HB-92-1055-EX (4th draft, December 1991). Groningen, The Netherlands.

8. Damasio A. (2018). The strange order of things. Life, feeling, and the making of cultures. Pantheon Books, New York. p. 160/1.

9. Gabriel M. (2016). Waarom we vrij zijn als we denken. Filosofie van de geest voor de eenentwintigste eeuw. Boom, Amsterdam [Vertaling van: Ich ist nicht Gehirn (2015), Ullstein, Berlin] p.12.

10. Gabriel M. (2016): p.14.

11. Marjan Slob (2024). Interview. Donna Haraway: ‘Je moet ’s avonds meer weten dan je ’s ochtends wist’. NRC, 17/18 februari 2024.